- Arrest van 23 juni 2011

23/06/2011 - 2010/AB/456

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Als effectief aandeelhouder is de bestuurder mede-eigenaar van de b.v.b.a. en bijgevolg eveneens van het voertuig dat hem ter beschikking wordt gesteld voor het vervoer van goederen zodat het artikel 3, 5° van het Uitvoeringsbesluit R.S.Z.-Wet niet toepasselijk is.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

─────────

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIEENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN ELF.

7e KAMER

Sociale Zekerheidsrecht Werknemers- bijdragen werkgevers

tegenspraak

definitief

In de zaak :

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met maatschappelijke zetel te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11,

Appellante op hoofdberoep en geïntimeerde op incidenteel beroep, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester Van Asch Marc, advocaat te Vilvoorde,

tegen :

BVBA SNELKOERIER,

Geïntimeerde op hoofdberoep en appellante op incidenteel beroep, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester Van Essche M. loco meester Swennen Remi, advocaat te Zellik. .

* * *

*

Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op :

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak, door de 27ste kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel op 19 maart 2010;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 10 mei 2010;

-de neergelegde conclusies;

- de voorgelegde stukken.

De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 19 mei 2011, waarna de debatten werden gesloten en de zaak voor uitspraak werd gesteld op 16 juni 2011 waarop ze werd verdaagd en voor uitspraak werd gesteld op heden..

* *

*

I. FEITEN

Ter gelegenheid van een op 7 mei 1999 door de sociale inspectie bij de BVBA Snelkoerier (hierna genoemd de BVBA) uitgevoerde controle bleek de sociale inspectie van oordeel dat de heer D., die voor de BVBA actief was als zelfstandig chauffeur, eerder verbonden was door een arbeidsovereenkomst dan door een aannemingsovereenkomst, op grond van een aantal feitelijke vaststellingen.

Op basis van de gegevens van het uiteindelijke verslag van de sociale inspectie van 6 september 1999, meldde de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (hierna genoemd de RSZ) met aangetekende brief van 3 december 1999 aan de BVBA en aan de heer D. van oordeel te zijn dat deze laatste voor zijn tewerkstelling voor de BVBA onderworpen diende te worden aan het socialezekerheidsstelsel voor werknemers, met toepassing van artikel 3, 5° van het Uitvoeringsbesluit van de RSZ-wet. De RSZ kondigde aan over te zullen gaan tot ambtshalve aansluiting van de BVBA en ambtshalve aangifte van de prestaties en lonen voor de periode van 13 november 1998 tot en met 30 juni 1999.

Naar aanleiding van wat voorafgaat ging de RSZ over tot regularisatie van de prestaties van de heer D. voor de periode tot en met 30 juni 1999.

Op 22 augustus 2001 volgde een tweede bezoek van de sociale inspectie, dat resulteerde in een verslag van 5 september 2001, waarin de binnendiensten van de RSZ werd gevraagd standpunt in te nemen betreffende het statuut van de heer D..

Naar aanleiding van dit onderzoek meldde de RSZ met aangetekende brief van 6 november 2001 aan de BVBA van oordeel te zijn dat de heer D. voor zijn tewerkstelling tot 30 juni 2000 onderworpen diende te worden aan het socialezekerheidsstelsel voor werknemers, met toepassing van artikel 3, 5° van het Uitvoeringsbesluit van de RSZ-wet.

Met aangetekende brief van 1 maart 2002 deelde de RSZ aan de BVBA kennis van het feit dat overgegaan werd tot ambtshalve aangifte van de prestaties en lonen voor de periode van 1 juli 1999 tot en met 30 juni 2000.

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met inleidende dagvaarding van 2 september 2002 vorderde de RSZ voor de Arbeidsrechtbank te Brussel betaling door de BVBA van 14.282,41 EUR socialezekerheidsbijdragen, bijdrageopslagen en intrest, te vermeerderen met de wettelijke intrest op 10.717,45 EUR vanaf 21 mei 2002.

Hij vorderde tevens de veroordeling van de BVBA tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding en de voorlopige uitvoerbaarheid van het vonnis zonder enige reserve.

b.-

Met vonnis van 19 maart 2010 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk. De vordering met de socialezekerheidsbijdragen, gevorderd op grond van de prestaties van de heer D. werd ongegrond verklaard en de vordering met betrekking tot de socialezekerheidsbijdragen voor het vierde kwartaal 2001 werd gegrond verklaard, en de BVBA werd veroordeeld tot betaling van 8.421,51 EUR, te vermeerderen met de wettelijke intrest op 8.330,61 EUR vanaf 22 mei 2002, onder voorbehoud van de reeds gedane betalingen.

c.-

De RSZ werd tevens veroordeeld tot de kosten van het geding.

d.-

Er wordt geen melding gemaakt van een betekening van dit vonnis.

e.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 10 mei 2010, tekende de RSZ hoger beroep aan tegen dit vonnis. Hij vorderde dat het arbeidshof het vonnis zou vernietigen en zijn oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond zou verklaren, met verwijzing van de BVBA in de kosten van beide aanleggen.

f.-

Met conclusie, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 14 september 2010, stelde de BVBA incidenteel beroep in. Zij vorderde dat het arbeidshof het bestreden vonnis zou vernietigen in de mate dat het de vordering van de RSZ gegrond verklaarde ten belope van 8.421,51 EUR, en de vordering van de RSZ volledig ongegrond zou verklaren.

In haar beroepsconclusie herneemt de BVBA de redenering die zij in eerste aanleg ontwikkelde met betrekking tot de toelaatbaarheid van de vordering. Het arbeidshof leest dit als een impliciet hoger beroep tegen de beslissing van de arbeidsrechtbank om de vordering wel toelaatbaar te verklaren, doch zal dit impliciet hoger beroep om redenen van duidelijkheid afzonderlijk behandelen (zie hierna onder IV.A).

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn.

IV. BEOORDELING

A. Toelaatbaarheid van de oorspronkelijke vordering

1. Nietigheid van de dagvaarding

Artikel 702, 3° Ger.W. bepaalt:

"Behalve de vermeldingen bepaald in artikel 43, bevat het exploot van dagvaarding, op straffe van nietigheid, de volgende opgaven:

[...]

3° het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering."

Onder "het onderwerp van de vordering" wordt verstaan datgene wat gevraagd wordt.

(vgl. conclusie W. Ganshof van der Meersch bij Cass. 4 mei 1972, Pas. 1972, I 806)

Onder "de middelen van de vordering" dient te worden verstaan de feitelijke elementen die aan de eis ten grondslag liggen.

(vgl. Cass. 24 november 1978, Arr. Cass. 1978-79, 341)

De verplichting om in de dagvaarding het onderwerp en de middelen te vermelden, heeft in het bijzonder tot doel de rechten van verdediging te waarborgen. De verweerder moet immers aan de hand van de dagvaarding weten wat en waarom iets van hem wordt gevorderd.

(vgl. A. Fettweis, Manuel de procédure civile, Luik, 1987, nrs. 196 en 199)

Het arbeidshof is van oordeel dat aan het vereiste van artikel 702, 3° Ger.W. wel degelijk is voldaan, vermits zowel het onderwerp van de vordering (de gevorderde bedragen) en een korte samenvatting van de middelen van de vordering (niet betaling van socialezekerheidsbijdragen) worden opgegeven.

Bovendien moet rekening gehouden worden met de bepaling van artikel 861 Ger.W., dat bepaalt:

"De rechter kan een proceshandeling alleen dan nietig verklaren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt."

De BVBA toont niet aan op welke wijze haar belangen werden geschaad; in het bijzonder blijkt uit het door de BVBA gevoerde verweer zelf dat haar rechten van verdediging niet werden gekrenkt.

2. Schending van artikel 703 Ger.W.

Terecht stelt de BVBA dat met toepassing van artikel 703 eerste lid rechtspersonen in rechte optreden door tussenkomst van hun bevoegde organen.

Artikel 440 tweede lid Ger.W. bepaalt dat de advocaat verschijnt als gevolmachtigde van de partij zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken, behalve indien de wet een bijzondere lastgeving eist.

Met toepassing van deze bepaling wordt de advocaat die verklaart op te treden namens een rechtspersoon en deze rechtspersoon zonder meer identificeert door zijn benaming, zijn rechtskarakter en zijn maatschappelijke zetel en zonder vermelding van de natuurlijke personen van wie hij zijn opdracht heeft gekregen, wettelijk vermoed daartoe een regelmatige lastgeving te hebben gekregen van een bevoegd orgaan van de rechtspersoon.

(vgl. P. Dauw, Het optreden in rechte van de rechtspersoon, CABG 2006/2, 23, nr. 32, met rechtspraak en rechtsleer in voetnoot 128)

De raadsman van de RSZ verklaart op te treden namens de RSZ, en de RSZ wordt geïdentificeerd door zijn benaming, zijn rechtskarakter en zijn maatschappelijke zetel. Bijgevolg wordt de raadsman van de RSZ met toepassing van artikel 440 tweede lid Ger.W. wettelijk vermoed een regelmatige lastgeving te hebben ontvangen van het bevoegd orgaan van de RSZ.

De vordering van de RSZ is bijgevolg wel degelijk toelaatbaar, zoals terecht door de arbeidsrechtbank geoordeeld.

B. Gegrondheid van het hoofdberoep

Het door de RSZ ingestelde hoofdberoep heeft betrekking op de beslissing van de eerste rechter dat de prestaties en lonen van de heer D. voor de BVBA tijdens de periode van 1 juli 1999 tot en met 30 juni 2000 niet onderworpen dienen te worden aan het socialezekerheidsstelsel voor werknemers.

In hoofdorde beroept de RSZ zich hierbij op artikel 3, 5° van het Uitvoeringsbesluit van de RSZ-wet, in ondergeschikte orde argumenteert de RSZ dat de heer D. met de BVBA verbonden was door een arbeidsovereenkomst.

1. De toepassing van artikel 3, 5° van het Uitvoeringsbesluit van de RSZ-wet

Artikel 3, 5° van het Uitvoeringsbesluit RSZ-Wet bepaalt dat de toepassing van de wet verruimd wordt tot de personen die vervoer van goederen verrichten dat hun door een onderneming wordt opgedragen, door middel van voertuigen, waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop wordt gefinancierd of de financiering wordt gewaarborgd door de ondernemer, alsmede tot die ondernemer.

Deze verruiming van het toepassingsgebied van de RSZ-Wet hangt van geen andere voorwaarden af dan die gesteld in voornoemd artikel 3, 5°. Dat artikel waarin personen worden bedoeld die niet door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden, is ook toepasselijk op vervoerders van goederen die hun werkzaamheden 'volledig zelfstandig' verrichten.

(vgl. Cass. 10 april 1989, Arr. Cass. 1988-89, 898)

Voor de toepassing van artikel 3, 5° is niet vereist dat de ondernemer de vervoerder tot het verrichten van vervoersopdrachten kan verplichten en de voorwaarden waaronder het vervoer moet worden verricht, kan bepalen.

(vgl. Cass. 21 juni 1993, Arr. Cass. 1993, 613)

Voor de toepassing van artikel 3, 5° is evenmin vereist dat de vervoerders uitsluitend of hoofdzakelijk vervoer verrichten.

(Cass. 29 november 1999, Arr. Cass. 1999, nr. 637)

Wel is het zo dat de verruiming van het toepassingsgebied beperkt is tot het bedoelde vervoer en niet van toepassing voor andere taken die geen rechtstreeks verband houden met het verrichten van vervoer en door de betrokken voor de ondernemer worden verricht.

(vgl. Cass. 3 februari 2003, R.W. 2003-04, 1377)

De bepalingen die de verschuldigheid van socialezekerheidsbijragen regelen zijn van openbare orde, en dienen derhalve beperkend te worden geïnterpreteerd. Bovendien leidt ook het feit dat de bepalingen van voormeld artikel 3, 5° afwijken van de algemene regel tot de noodzaak van beperkende interpretatie.

Dit betekent dat de uitbreiding van het toepassingsgebied van de RSZ-wet enkel van toepassing kan zijn op personen die vervoer van goederen verrichten dat hun door een onderneming wordt opgedragen, door middel van voertuigen, waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop wordt gefinancierd of de financiering wordt gewaarborgd door de ondernemer, alsmede tot die ondernemer.

In voorliggende betwisting toont de BVBA aan dat de heer D. tijdens de periode 1 juli 1999 tot 30 juni 2000, ogenblik waarop hij de BVBA verliet en zijn aandelen verkocht, effectief aandeelhouder was van de BVBA en dit voor 20 % van het maatschappelijk kapitaal.

Als effectief aandeelhouder is de heer D. mede-eigenaar van de BVBA en bijgevolg eveneens van het voertuig dat hem ter beschikking wordt gesteld om - gedurende een deel van de tijd - vervoer van goederen te doen.

Met de in artikel 3, 5° van het Uitvoeringsbesluit van de RSZ-wet gestelde hypothese van voertuigen waarvan de aankoop wordt gefinancierd of de financiering wordt gewaarborgd door de ondernemer, dient geen rekening te worden gehouden, vermits hiermee enkel bedoeld wordt een situatie waarbij de vervoerder van goederen weliswaar rijdt met zijn eigen voertuig, doch waarvan de aankoop werd gefinancierd of de financiering wordt gewaarborgd door de ondernemer. Het staat in deze niet ter discussie dat het voertuig waarmee de heer D. het vervoer verrichtte, niet zijn eigendom was, tenzij in zijn hoedanigheid als aandeelhouder van de BVBA.

Vermits de toepassing van de uitbreidingsregeling van artikel 3, 5° van het Uitvoeringsbesluit van de RSZ-wet beperkt is tot personen die vervoer van goederen verrichten met een voertuig, waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop wordt gefinancierd of de financiering wordt gewaarborgd door de ondernemer, en de situatie van de heer D. onder geen van beide hypotheses valt, is deze uitbreidingsregeling op hem niet van toepassing.

Het is dan ook ten onrechte dat de RSZ argumenteert dat toepassing zou kunnen worden gemaakt van de uitbreiding van het toepassingsgebied van de RSZ-Wet met toepassing van artikel 3, 5° van het Uitvoeringsbesluit RSZ-Wet.

2. Bestond tussen de BVBA en de heer D. een arbeidsovereenkomst?

a.-

In ondergeschikte orde argumenteert de RSZ dat de BVBA op de lonen van de heer D. socialezekerheidsbijdragen verschuldigd is daar hij met de BVBA verbonden was door een arbeidsovereenkomst.

Artikel 1 § 1 eerste lid van de RSZ-Wet bepaalt inderdaad dat de wet toepassing vindt op de werknemers en de werknemers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden.

b.-

Tussen partijen bestaat vooreerst discussie over de vraag wie ter zake van het bestaan van een arbeidsovereenkomst de bewijslast draagt.

Met betrekking tot de bewijslast dient, bij ontstentenis van omkering van de bewijslast, uitgegaan te worden van de algemene regeling. In dit verband bepaalt artikel 1315 eerste lid BW dat wie de uitvoering van een verbintenis vordert, hiervan het bewijs moet leveren en bepaalt artikel 870 Ger.W. dat elke partij het bewijs moet leveren van de feiten die zij aanvoert.

Indien de RSZ bijgevolg voorhoudt dat de heer D. in de periode van 1 juli 1999 tot en met 30 juni 2000 met de BVBA verbonden was door een arbeidsovereenkomst, dient zij hiervan het bewijs te leveren.

(vgl. Cass. 14 januari 2002, J.T.T. 2002, 106; Cass. 2 februari 2004, S.03.0095.N)

c.-

Ten onrechte meent de BVBA zich te kunnen beroepen op de bepalingen van Titel XIII van de Programmawet (I) van 27 december 2006 (de Arbeidsrelatiewet).

De (meeste) bepalingen van deze wet zijn inderdaad slechts in werking getreden ten vroegste op 1 januari 2007, zodat zij niet van toepassing kunnen zijn op de betwisting tussen partijen, die betrekking heeft op de periode van 1 juli 1999 tot en met 30 juni 2000.

In de regel is de nieuwe wet niet enkel van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestand die zich voordien of voortduren onder de vigeur van de nieuwe wet, voor zover daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.

(Cass. 12 februari 1993, A.C. 1993, nr. 88; Cass. 3 maart 1997, A.C. 1997, nr. 117)

In voorliggende betwisting gaat het evenwel over een situatie die niet voortduurde onder de nieuwe wet, doch over een situatie die reeds afgelopen was voor de inwerkingtreding van de Arbeidsrelatiewet, vermits ze betrekking heeft op de periode van 1 juli 1999 tot en met 30 juni 2000.

d.-

Voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is vereist dat de werknemer zijn arbeid verricht in een verhouding van ondergeschiktheid aan of onder het gezag van de werkgever.

Het uitoefenen van gezag houdt de bevoegdheid in leiding te geven en toezicht te houden, zelfs indien deze bevoegdheid niet effectief uitgeoefend wordt.

(vgl. Cass. 18 mei 1981, Arr. Cass. 1980-81, 1080)

Het is voldoende dat de werkgever het recht heeft aan de werknemer bevelen te geven over de organisatie en de uitvoering van het overeengekomen werk.

(vgl. Cass. 13 juni 1968, Arr. Cass. 1968, 1239)

De voor de arbeidsovereenkomst kenmerkende gezagsverhouding bestaat inderdaad zodra iemand in feite gezag kan hebben over andermans handelingen.

(vgl. Cass. 15 februari 1982, R.W. 1982-83, 2210; Cass. 23 juni 1997, Arr. Cass. 1997, 694; Cass. 27 april 1998, Arr. Cass. 1998, 471)

De feitenrechter beoordeelt op grond van een onaantastbare beoordeling in feite of er al dan niet ondergeschiktheid aanwezig is.

(vgl. Cass. 14 maart 1978, Arr. Cass. 1978, 825)

Bij het onderzoek naar het bestaan van een band van ondergeschiktheid is de rechter ertoe gehouden de feitelijke toestand aan de hand van alle feitelijke elementen van de zaak te onderzoeken.

(vgl. Cass. 11 januari 1978, Arr. Cass. 1978, 558; Cass. 7 september 1992, Soc. Kron. 1993, 13, noot; Cass. 3 mei 2004, R.W. 2004-2005, 1220, met noot K. Nevens)

Bij zijn beoordeling is de rechter niet gebonden door de kwalificatie die partijen aan de overeenkomst hebben gegeven.

(vgl. Cass. 15 februari 1982, Arr. Cass. 1982-83, 772; Cass. 7 september 1992, Soc. Kron. 1993, 13, noot)

Het feit dat in het sociaal recht naast de overeenkomst ook de feitelijke situatie als autonome rechtsgrond wordt aanvaard, laat de rechter toe op basis van de feitelijke realiteit de door partijen aan hun overeenkomst gegeven kwalificatie te negeren indien deze met de feitelijke realiteit strijdig blijkt.

(vgl. A. Van Regenmortel, Onderscheid tussen werknemer en zelfstandige, in: J. Van Steenberge en A. Van Regenmortel (eds.), Actuele problemen van het sociale zekerheidsrecht, Die Keure, Brugge 1995, 96)

De regel volgens dewelke de arbeidsovereenkomst is waarbij een werknemer zich ertoe verbindt tegen loon arbeid te verrichten onder het gezag van de werkgever, is inderdaad van dwingend recht, zodat de partijen hiervan niet kunnen afwijken door aan de arbeidsovereenkomst een andere kwalificatie te geven.

(vgl. Cass. 3 mei 2004, R.W. 2004-2005, 1220, met noot K. Nevens)

Wanneer evenwel de elementen die aan zijn oordeel worden onderworpen niet toelaten om de door partijen aan hun overeenkomst gegeven kwalificatie uit te sluiten, mag de bodemrechter die niet vervangen door een andere kwalificatie.

(vgl. Cass. 23 december 2002, J.T.T. 2003, 271; Cass. 28 april 2003, J.T.T. 2003, 261; Cass. 3 mei 2004, R.W. 2004-2005, 1220, met noot K. Nevens)

In voorliggende betwisting staat vast dat partijen er voor gekozen hebben hun samenwerking niet te kwalificeren als een arbeidsovereenkomst.

De RSZ, op wie zoals onder b.- geoordeeld ter zake van het bestaan van een arbeidsovereenkomst de bewijslast rust, brengt geen elementen aan die de door partijen gekozen kwalificatie uitsluiten tijdens de periode van 1 juli 1999 tot en met 30 juni 2000, waarover de thans gevorderde socialezekerheidsbijdragen slaan. In het inspectieverslag van 5 september 2001 worden in wezen zelfs enkel elementen opgesomd die bevestigen dat de door partijen voorgehouden kwalificatie van hun overeenkomst alleszins in de periode waarop de vordering betrekking heeft, met de werkelijkheid overeenstemt:

de heer D. bezit 20 % van de aandelen, die hij ook effectief heeft betaald

hij werd op 9 mei 1999 aangesteld als zaakvoerder en bleef dit tot het einde van de samenwerking, die overigens op zijn initiatief gebeurde

hij had vanaf 20 mei 1999 handtekeningbevoegdheid op de bankrekening en kon zonder medewerking van de andere zaakvoerder geld van de rekening halen

hij hield zich ook bezig met de facturatie en het dagelijks beleid van de firma

hij kreeg dezelfde vergoeding als de andere zaakvoerder.

In die omstandigheden kan enkel worden vastgesteld dat de heer D. met de BVBA niet was verbonden door een arbeidsovereenkomst, zoals terecht beoordeeld door de arbeidsrechtbank.

Het hoofdberoep van de RSZ dient dan ook als ongegrond te worden afgewezen.

C. De gegrondheid van het (expliciet) incidenteel beroep

Met conclusie, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 14 september 2010, stelde de BVBA incidenteel beroep in. Zij vorderde dat het arbeidshof het bestreden vonnis zou vernietigen in de mate dat het de vordering van de RSZ gegrond verklaarde ten belope van 8.421,51 EUR, en de vordering van de RSZ volledig ongegrond zou verklaren.

Uit de beroepsconclusie van de BVBA kan het arbeidshof enkel afleiden dat de BVBA in dit verband argumenteert dat dit onderdeel van de vordering geen betrekking heeft op de tewerkstelling van de D. tot 30 juni 1999 - wat overigens juist is - doch wel op de socialezekerheidsbijdragen verschuldigd voor de tewerkstelling van later tewerkgestelde personeelsleden (Stillemans, Van der Straeten en De Cloedt).

Uit het bij de inleidende dagvaarding van 2 september 2002 gevoegde rekeninguittreksel van 31 mei 2002 blijkt echter dat niet enkel bijdragen worden gevorderd voor de periode van 1 juli 1999 tot en met 1999, doch ook bedragen die betrekking op een latere periode, tijdens dewelke van een mogelijke tewerkstelling van de heer D. geen sprake meer was.

Uit de verdere toelichtingen van de RSZ verstrekt tijdens de procedure voor de arbeidsrechtbank en in conclusie voor dit hof, blijkt dat deze vorderingen inderdaad betrekking hebben op andere personeelsleden, zodat het geen nieuwe vordering betreft.

Hierin niet verder tegengesproken door de BVBA, becijferde de RSZ het verschuldigde bedrag correct op 8.421,51 EUR, bedrag dat dan ook terecht werd toegekend door de eerste rechter.

Het bestreden vonnis dient dan ook wat dit punt betreft te worden bevestigd.

D. Intrest

Ten onrechte vordert de BVBA dat de loop van de gerechtelijke intrest geschorst dient te worden voor de periode die meer dan één jaar bedraagt na de inleiding van de zaak voor de arbeidsrechtbank.

Niets belette inderdaad dat de BVBA zelf de procedure had geactiveerd om de loop van de verschuldigde intrest te stoppen.

E. Rechtsplegingsvergoeding

Artikel 1017 eerste lid Ger.W. bepaalt dat ieder eindvonnis de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwijst.

Artikel 1017 vierde lid Ger.W. bepaalt dat de kosten kunnen worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, onder andere wanneer de partijen ‘onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld'.

Het arbeidshof is van oordeel dat de kosten moeten worden omgeslagen waarbij elk der partijen verwezen wordt in de eigen kosten van het beroep.

OM DEZE REDENEN;

HET ARBEIDSHOF;

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis in alle beschikkingen;

Verwijst elk der partijen in eigen kosten van het beroep, aan de zijde van elke partij vereffend op 1.210 EUR rechtsplegingvergoeding.

Aldus gewezen door de zevende kamer van het arbeidshof en ondertekend door:

D. Ryckx , raadsheer;

C. Lauriers, raadsheer in sociale zaken, als werkgever;

J.P. Van Coningsloo, raadsheer in sociale zaken,als werknemer-arbeider;

Bijgestaan door

S. Van Landuyt, afgevaardigd griffier.

D. Ryckx S. Van Landuyt

C. Lauriers J.P. Van Coningsloo

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de zevende kamer van het arbeidshof te Brussel op 23 juni tweeduizend en elf door :

D. Ryckx raadsheer

Bijgestaan door

S. Van Landuyt afgevaardigd griffier

D. Ryckx S. Van Landuyt

Vrije woorden

  • SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS

  • ALGEMENE REGELING

  • Toepassingsgebied

  • Verruiming

  • Vervoer van goederen

  • Opgedragen door een b.v.b.a.

  • Bestuurder aandeelhouder van de b.v.b.a.