- Arrest van 30 juni 2011

30/06/2011 - 2004/AB/45945

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Aangezien de belanghebbende, die geniet van een statuut van nationale erkentelijkheid, niet kan bewijzen, enerzijds, dat hij in België als werknemer was tewerkgesteld voor dat hij door de Duitse bezetter weggevoerd werd naar Frankrijk waar hij verplicht te werk werd gesteld en, anderzijds, dat hij de hoedanigheid van werknemer heeft gehad in de loop van de drie jaren volgend op het einde van de perioden van gevangenneming, kunnen deze perioden niet gelijkgesteld worden met arbeidsperioden.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 30 JUNI 2011

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - pensioenen

tegensprekelijk

heropening van de debatten

kennisgeving (art. 580, 2°, Ger. W.)

in de zaak:

RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN, openbare instelling, met zetel te 1060 BRUSSEL, Zuidertoren, appellant,

vertegenwoordigd door mr. VAN DER STEICHEL F. loco mr. BIESEMANS Bart, advocaat te 1080 BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat 29 B1

Tegen:

G. , geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. VAN STEENKISTE Nikolaas, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Lange Nieuwstraat 21-23

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken bij verstek van de RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN op 17 juni 1993 door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, 6e kamer (A.R. 198.522 en 201.102);

het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest, uitgesproken op 6 maart 2003 door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen;

het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest van het Hof van Cassatie, uitgesproken op 29 maart 2004 door de derde kamer, waarbij het arrest van het arbeidshof te Antwerpen gedeeltelijk wordt vernietigd.

de dagvaarding na Cassatie, betekend op 26 augustus 2004 en neergelegd ter griffie op 6 oktober 2004,

de neergelegde conclusies;

het schriftelijk advies, neergelegd ter griffie op 10 mei 2011 door advocaat-generaal J.-J. André;

de voorgelegde stukken.

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 5 mei 2011, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 10 mei 2011 zijn schriftelijk advies ter griffie van dit arbeidshof neergelegd. De termijn om een repliekconclusie op dat schriftelijk advies ter griffie neer te leggen verstreek op 3 juni 2011, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De heer G., die op 12 maart 1924 geboren werd, volgde volgens zijn verklaring lager en secundair onderwijs in België. Van 27 juli 1942 tot 31 oktober 1942 werkte hij in Frankrijk. Het ging in feite om een gedwongen tewerkstelling door toedoen van de Duitse overheid waarvoor geen loon betaald werd. Vanaf 31 oktober 1942 tot 23 mei 1945 verbleef de heer G. in Duitsland, waar hij als politiek gevangene tewerkgesteld werd. De heer G. verkreeg op die basis het statuut van politiek gevangene in de zin van de wet van 26 februari 1947.

Na zijn terugkeer in België werkte de heer G. tot einde 1946 als leerling diamantslijper. Van 1947 tot einde 1977 was hij zelfstandige. Vanaf 1 januari 1978 en tot aan zijn pensionering was hij verbonden door een arbeidsovereenkomst.

2.

Op 27 augustus 1987 vroeg de heer G. een rustpensioen aan. Bij beslissing van 3 december 1987 werd hem in het regime van de werknemers een voorlopig pensioenbedrag toegekend vanaf 1 april 1988 op basis van een erkende beroepsloopbaan als werknemer in België van 10/45, dit wil zeggen voor zijn periode van tewerkstelling van 1978 tot 1987.

Op 18 december 1989 diende de heer G. een verzoek in om de jaren 1939 tot en met 1946 te mogen regulariseren. Tevens diende hij een aanvraag tot herziening in van de beslissing van 19 september 1988. Bij beslissing van 9 april 1990 heeft de Rijksdienst voor Pensioenen de regularisatie geweigerd. Bij beslissing van 3 mei 1990 werd de aanvraag tot herziening afgewezen.

3.

Bij verzoekschrift van 23 april 1990 heeft de heer G. beroep aangetekend voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen tegen de beslissing van 9 april 1990. Bij verzoekschrift van 29 juni 1990 tekende hij beroep aan tegen de beslissing van 3 mei 1990.

Bij vonnis van 17 juni 1993 voegde de arbeidsrechtbank beide verzoekschriften samen. Het beroep ingesteld tegen de beslissing van 9 april 1990 werd als ongegrond afgewezen. De arbeidsrechtbank oordeelde dat de heer G. niet aan de voorwaarden voldeed om aanspraak te kunnen maken op een regularisatie omdat deze door wettelijke bepalingen uitgesloten was voor de jaren voorafgaand aan 1 januari 1945, en hij anderzijds niet aannemelijk maakte dat hij na 1 januari 1945 als werknemer zou gewerkt hebben. Voor wat betreft het beroep tegen de beslissing van 3 mei 1990 beval de arbeidsrechtbank ambtshalve de heropening van de debatten ten einde de Rijksdienst voor Pensioenen toe te laten conclusie te nemen over de berekening van het theoretisch pensioen en het evenredig pensioen in toepassing van artikel 46 van de EU Verordening 1408/1971 van 14 juni 1971.

4.

Bij verzoekschrift van 19 juli 1993 tekende de heer G. beroep aan tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank. In besluiten tekende de Rijksdienst voor Pensioenen incidenteel beroep aan tegen het vonnis, in zoverre dit het beroep van de heer G. tegen de beslissing van 3 mei 1990 ontvankelijk had verklaard.

5.

Bij arrest van 6 maart 2003 verklaarde het arbeidshof te Antwerpen het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

De ontvankelijkheid van de hogere beroepen werd door het arbeidshof te Antwerpen reeds beoordeeld. De zaak werd na cassatie rechtsgeldig aanhangig gemaakt voor dit hof.

III. BEOORDELING.

1. Het incidenteel beroep van de Rijksdienst voor Pensioenen.

De Rijksdienst voor Pensioenen herneemt het incidenteel beroep dat hij voor het arbeidshof te Antwerpen had ingesteld tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, in zoverre dit vonnis het beroep van de heer G. tegen de beslissing van 3 mei 1990 ontvankelijk verklaarde. In zijn arrest van 6 maart 2003 heeft het arbeidshof te Antwerpen dit beroep echter als ongegrond afgewezen. Deze beslissing, waartegen de Rijksdienst voor Pensioenen een ontvankelijke cassatievoorziening had kunnen inleiden, is definitief geworden. De cassatie, uitgesproken ingevolge het cassatieberoep van de heer G., strekt zich niet uit tot dit onderdeel van het arrest. Het hof kan aldus geen uitspraak doen over dit incidenteel beroep.

2. Het beroep van de heer G..

2.1.

De heer G. voert voor dit hof geen argumentatie meer aan met betrekking tot het beroep dat hij instelde tegen de beslissing van 9 april 1990, waarbij hij niet toegelaten werd tot een regularisatie van zijn beroepsloopbaan voor de jaren 1939-1946. Over dit onderdeel van het hoger beroep werd overigens door het arbeidshof te Antwerpen reeds definitief geoordeeld.

De heer G. herneemt verder niet de argumentatie gesteund op de toepassing van artikel 45, 1° van EU Verordening nr. 1408/41, zoals deze ambtshalve was aangevoerd door het arbeidshof te Antwerpen, en verworpen werd door het Hof van Cassatie. Voor zover als nodig verwijst het hof naar het cassatiearrest van 29 maart 2004, waarvan het de motieven overneemt.

De heer G. stelt echter dat de arbeidsrechtbank te Antwerpen ten onrechte zijn argumentatie heeft afgewezen met betrekking tot de gelijkstelling die hij voor de periode 1943-1945 kan inroepen op grond van zijn statuut van Nationale Erkentelijkheid en zijn statuut als politiek vluchteling. Hij verwijst naar de toepassing van artikel 15 van de wet van 26 februari 1947 houdende regeling van het statuut der krijgsgevangenen. Hij stelt dat de Rijksdienst voor Pensioenen, in een schrijven dat gericht werd aan de arbeidsrechtbank, zijn standpunt daarover onderschreven heeft. Hij argumenteert verder dat de periode van gevangenschap met een arbeidsprestatie kan gelijkgesteld worden overeenkomstig artikel 34 §1 E van het Koninklijk Besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust - en overlevingspensioen voor werknemers.

De Rijksdienst voor Pensioenen is van oordeel dat de heer G. geen rechten kan putten uit artikel 15 van de wet van 26 februari 1947 omdat hij op het ogenblik van zijn gevangenneming niet in België tewerkgesteld was als werknemer, en er daarom ook geen sprake was van op het ogenblik van zijn gevangenneming verschuldigde bijdragen krachtens de wetten voor sociale verzekering. De Rijksdienst voor Pensioenen betwist dat hij voor de arbeidsrechtbank zou erkend hebben dat de heer G. aan de voorwaarden van die wetgeving voldeed. Volgens de Rijksdienst voor Pensioenen ging het enkel om een denkpiste en niet om een erkenning van een recht. De Rijksdienst voor Pensioenen voegt daaraan toe dat de wetgeving met betrekking tot de werknemerspensioenen de openbare orde raakt en dat daarom een eventuele erkenning, die in strijd is met de wet, zonder gevolg dient te blijven. De Rijksdienst voor Pensioenen is verder van oordeel dat de periode van politieke gevangenschap niet gelijkgesteld kan worden met arbeid in toepassing van artikel 34 § 1 E van het Koninklijk Besluit van 21 december 1967, omdat deze bepaling veronderstelt dat de heer G. op het ogenblik van zijn gevangenneming in België aan het werknemersstatuut onderworpen was.

2.2.

Overeenkomstig artikel 15 van de wet van 26 februari 1947 die het statuut regelt van de politieke gevangenen en hun rechthebbenden worden de bijdragen, die tijdens de hechtenis verschuldigde bijdragen in toepassing van de wetten op de sociale verzekering, beschouwd als zijnde gestort door de rechthebbende op dit statuut. De uitgaven voortspruitende uit de toepassing van deze bepaling vallen ten laste van de staat.

Overeenkomstig artikel 34 § 1 E van het Koninklijk Besluit van 21 december 1967 worden, voor de toepassing van dit besluit, met een arbeidsperiode (die het recht opent op een rust of overlevingspensioen) gelijkgesteld de periodes waarvoor de belanghebbende het voordeel van een statuut van Nationale Erkentelijkheid bekomen heeft. Artikel 34, § 2, 3., eerste lid, preciseert echter dat deze periodes slechts kunnen gelijkgesteld worden voor zover de belanghebbende als werknemer was tewerkgesteld op het ogenblik van de gebeurtenis naar aanleiding waarvan de gelijkstelling werd verleend, of zich reeds in een met een arbeidsperiode gelijkgestelde inactiviteit bevond. Overeenkomstig art. 34 § 2, 3., tweede lid, kan een gelijkstelling eveneens erkend worden wanneer de belanghebbende de hoedanigheid van werknemer heeft gehad in de loop van de drie jaren volgend op het einde van deze periode en in die hoedanigheid gewoonlijk en hoofdzakelijk gedurende ten minste één jaar tewerkgesteld is geweest.

2.3.

Uit het schrijven dat door de Rijksdienst voor Pensioenen gericht werd aan de arbeidsrechtbank te Antwerpen kan geen geldige erkenning van het recht van de heer G. afgeleid worden. Welk ook de interpretatie is die men aan dit schrijven geeft, zeker is dat de Rijksdienst voor Pensioenen niet de bevoegdheid heeft om een recht te erkennen dat in strijd is met de wettelijke bepalingen, en dat de arbeidsrechtbank en het hof in ieder geval de vordering van de heer G. slechts kunnen toekennen voor zover zij vaststellen dat diens aanspraken in overeenstemming zijn met de wettelijke bepalingen.

2.4.

Terecht voert de Rijksdienst voor Pensioenen aan dat de heer G. geen recht op gelijkstelling van de periode van de politieke gevangenschap kan steunen op artikel 15 van de wet van 26 februari 1947. De toepassing van deze wet veronderstelt dat op het ogenblik van zijn gevangenneming de heer G. onderworpen was aan een statuut, als gevolg waarvan krachtens de wetten voor sociale verzekeringen bijdragen verschuldigd waren, bijdragen die dan overgenomen werden door de Belgische staat. Het gaat in de context van de bepaling duidelijk over bijdragen die verschuldigd zijn in het Belgisch stelsel van sociale zekerheid.

2.5.

De heer G. kan voor de gelijkstelling van zijn periode van politieke gevangenschap geen beroep doen op artikel 43 § 3, al. 2 van het Koninklijk Besluit van 21 december 1967. De heer G. toont immers niet aan dat hij in de loop van de drie jaren volgend op de periode van gevangenneming de hoedanigheid van werknemer heeft gehad. De heer G. heeft een leercontract gevolgd en is daarna zelfstandige geworden, tot 1978. Uit niets blijkt dat dit leercontract gelijk kan gesteld worden met een hoedanigheid van werknemer en dat voor de periode, waarin het leercontract liep sociale bijdragen werden betaald.

2.6.

De heer G. heeft voor zijn gevangenneming geen prestaties als werknemer in België verricht. Hij heeft blijkbaar tot 1942 gestudeerd en is dan weggevoerd naar Frankrijk, waar hij verplicht te werk werd gesteld door de Duitse bezetter. Of deze periode als een periode van tewerkstelling in het kader van een arbeidsovereenkomst kan beschouwd worden is betwistbaar. Een gedwongen tewerkstelling, zonder loon als tegenprestatie, kan moeilijk beschouwd worden als een tewerkstelling onder arbeidsovereenkomst. Volgens zijn verzoekschrift voor de arbeidsrechtbank van 19 juni 1990 werd de heer G. in Frankrijk gedwongen tewerkgesteld door de organisatie Todt vanaf 27 juli 1942 tot 31 oktober 1942 voor rekening van de firma Micxa. Zijn salaris, aldus de heer G., werd uitgerekend evenals de afhoudingen voor de sociale zekerheid, maar hijzelf zou geen enkel loon ontvangen hebben gelet op zijn joodse geloofsbelijdenis. Zeker is wel dat de heer G. op basis van deze tewerkstelling in Frankrijk pensioenrechten verworven heeft, alhoewel de juridische basis van deze toekenning niet blijkt uit de voorgelegde beslissing van de rechtbank te Lille.

Uit de tekst van artikel 34, § 2, 3., eerste lid, blijkt niet expliciet dat de tewerkstelling als werknemer, waarnaar verwezen wordt, een tewerkstelling in België moet zijn. Volgens artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, bedoelt dit besluit een regeling te treffen ten voordelen van de werknemers die in België tewerkgesteld geweest zijn ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst. Een rustpensioen ten laste van de Rijksdienst voor Werknemerspensioenen wordt in de regel, en onder voorbehoud van de toepassing van de Europese regelgeving of internationale verdragen, alleen verworven op basis van een tewerkstelling in België (of op basis van een tijdelijke tewerkstelling in het buitenland ten laste van een Belgische werkgever). In het licht van deze bepaling dient er van uit gegaan te worden dat art. 43 § 3 van het Koninklijk Besluit van 21 december 1967 impliciet maar zeker uitgegaan is van een tewerkstelling in België. Overigens veronderstelt de erkenning van een statuut van Nationale Erkentelijkheid of van politieke gevangenschap op zich dat er een band moet bestaan met het nationale grondgebied, op het ogenblik dat het feit dat aanleiding geeft tot dit statuut, zich voordoet.

Desgevallend zou men kunnen oordelen dat het statuut van politiek gevangene door de heer G. reeds verworven werd op het ogenblik dat hij naar Frankrijk werd weggevoerd, of daar verplicht werd tewerkgesteld, maar ook in die hypothese kan geen gelijkstelling toegekend worden, vermits er dan zeker geen sprake was van een voorafgaande tewerkstelling onder het werknemersstatuut.

De vordering, zoals geformuleerd door de heer G., dient dan ook afgewezen te worden.

2.7.

Terecht heeft de arbeidsrechtbank te Antwerpen geoordeeld dat, gelet op het feit er sprake was van een gemengde loopbaan in binnen- en buitenland, de Rijksdienst voor Pensioenen het pensioen van de heer G. had dienen vast te stellen na te zijn overgegaan tot een vergelijking tussen het pensioenbedrag verschuldigd overeenkomstig de berekening vastgelegd in artikel 46,1 van de EU Verordening 1408/71 van 14 juni 1971 en het bedrag verschuldigd overeenkomstig de berekening voorzien in artikel 46. 2. van de Verorderning.

De Rijksdienst voor Pensioenen heeft deze berekening nog niet gemaakt, zodanig dat de heropening van de debatten dient bevolen te worden.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal,

Heropent de debatten ten einde de Rijksdienst voor Pensioenen toe te laten de pensioenrechten van de heer G. vast te stellen met inachtneming van de bepaling van artikel 46 van de EU Verordening nr. 1408/71 van 14 juni 1971.

Stelt de conclusietermijnen vast als volgt:

-voor de Rijksdienst voor Pensioenen: uiterlijk 31 augustus 2011 neerleggen ter griffie,

-voor de heer G.: uiterlijk 30 september 2011 neerleggen ter griffie.

Stelt de zaak opnieuw vast op donderdag 8 december 2011 om 14u 15 voor een gezamenlijke pleitduur van 10 minuten.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Christian LAURIERS, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Jean-Pierre VAN CONINGSLOO, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Jean-Pierre VAN CONINGSLOO

Christian LAURIERS Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 30 juni 2011 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Vrije woorden

  • SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS

  • RUST- EN OVERLEVINGSPENSIOENEN

  • Werknemerspensioen

  • Gedwongen tewerkstelling in Frankrijk door de Duitse overheid

  • Politiek gevangene in Duitsland

  • Aanvraag tot regularisatie van jaren 1939 tot 1945.