- Arrest van 10 november 2011

10/11/2011 - 2007/AB/50422

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De bijdrageregeling in de sociale zekerheid van de werknemers raakt de openbare orde. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kan geen afstand doen van de rechten die voor hem uit deze wetgeving voortvloeien, zeker niet wanneer het recht op de bijdragen reeds principieel werd erkend in een tussenarrest. De rechter kan geen rekening houden met de akkoordconclusies die worden neergelegd ter zitting wanneer deze akkoordconclusies in feite neerkomen op een afstand van recht. Een deskundige dient aangesteld te worden ten einde het bedrag van de verschuldigde bijdragen te bepalen, wanneer de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid nalaat dit te doen.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 10 NOVEMBER 2011

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - bijdragen werkgevers

tegensprekelijk

aanstelling van een deskundige

in de zaak:

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, appellant, vertegenwoordigd door mr. VAN ASCH Marc, advocaat te 1800 VILVOORDE, Bergstraat 5

tegen:

GROUP GOVAERT NV, met maatschappelijke zetel te 1780 WEMMEL, Andreas Vesaliuslaan 26, geïntimeerde, K.B.O. 0401.967.010, vertegenwoordigd door mr. DUBAERE Joan, advocaat te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 643

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het arrest alvorens recht te doen, uitgesproken op 12 maart 2009, waarbij de heropening van de debatten wordt bevolen,

- het arrest alvorens recht te doen, uitgesproken op 18 februari 2010, waarbij de heropening van de debatten wordt bevolen,

- het arrest alvorens recht te doen, uitgesproken op 3 maart 2011, waarbij de heropening van de debatten wordt bevolen,

- de conclusies,

- de voorgelegde stukken.

De partijen hebben hun middelen en conclusies opnieuw uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 13 oktober 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

DE VOORAFGAANDE PROCEDURE

1.

Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek, ingesteld lastens de aangestelden van de nv Govaert en Co, de bvba Cominfo en de nv Govimo (vennootschappen die thans zijn opgeslorpt door de nv Group Govaert), kwam aan het licht dat in deze drie vennootschappen loon voor overuren uitbetaald werd in de vorm van kostenvergoedingen.

De strafrechtelijke procedure heeft niet tot een concrete veroordeling op dit punt geleid vermits de hoofdverantwoordelijke, de heer Govaert, overleden was vooraleer de strafrechter uitspraak kon doen, en de andere verdachten niet voor deze inbreuk vervolgd werden of voor deze inbreuk vrijgesproken werken.

2.

Op basis van de gegevens van het strafonderzoek is de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid overgegaan tot een ambtshalve regularisatie van het geheel van de kostenvergoedingen die aan de werknemers van de drie firma's werden uitbetaald. Volgens de Rijksdienst maakten al deze kostenvergoedingen een verdoken loon uit. In het kader van het onderzoek werden ook een aantal andere onregelmatigheden vastgesteld, waarvoor een regularisatie werd doorgevoerd.

3.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid heeft, bij gebreke van minnelijke regeling, en in een periode gespreid tussen 26 april 1993 en 10 april 2002, 21 dagvaardingen uitgebracht voor de arbeidsrechtbank te Brussel en dit voor een bedrag van c.a.

1.200.000 euro , waarde op dat ogenblik

Bij vonnis van 6 maart 2007 heeft de arbeidsrechtbank te Brussel al de vorderingen samengevoegd.

De hoofdvordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid met betrekking tot de herkwalificatie van de kostenvergoedingen tot een verdoken loon werd door de arbeidsrechtbank voor het grootste deel afgewezen. De arbeidsrechtbank oordeelde dat het aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid toekwam het bewijs te leveren dat de bedragen, die als terugbetaling van kosten werden aangegeven, geen kosten maar wel verdoken loon waren en dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dit bewijs niet leverde. Wel werd de vordering gegrond verklaard in zoverre ze betrekking had op de zogenaamde rentabiliteitspremies die aan twee bedienden werden, uitbetaald.

De arbeidsrechtbank wees wel een aantal kleinere vorderingen toe, sommige voor een niet becijferd bedrag, waarvoor een heropening der debatten bevolen werd en wees een aantal specifieke vorderingen af (cfr. opsomming in het tussenarrest van 12 maart 2009).

Een laatste vordering met betrekking tot bijdrageverminderingen, waarop de nv Group Govaert recht zou hebben als alle schulden aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voldaan waren, werd naar de rol verzonden.

4.

Bij verzoekschrift van 21 november 2007 heeft de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid vroeg de hervorming van het bestreden vonnis voor alle punten waarop hij afgewezen werd. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid was wel akkoord dat de vordering met betrekking tot de bijdrageverminderingen naar de rol verzonden werd, teneinde te kunnen nagaan of de nv Group Govaert, na de uitspraak van het arrest, de nodige betalingen uitvoerde waarna het recht op bijdrageverminderingen terug kon geopend worden.

De nv Group Govaert berustte in het bestreden vonnis voor wat betreft de tegen haar uitgesproken veroordelingen.

5.

Bij tussenarrest van 12 maart 2009 verklaarde het hof het hoger beroep ontvankelijk. Het hoger beroep werd afgewezen voor wat betreft twee specifieke vorderingen die betrekking hadden op de tewerkstelling van studenten en deeltijdse arbeid.

Vooraleer verder recht te doen over de andere onderdelen van het beroep, en met name over de vraag of bepaalde sommen die op de individuele rekening werden geboekt al dan niet diende beschouwd te worden als een verdoken loon, beval het hof een heropening van de debatten, waarbij aan de nv Group Govaert gevraagd werd een aantal stukken voor te leggen en nadere toelichtingen te verschaffen met betrekking tot de regels die binnen de onderneming werden toegepast voor de terugbetaling van kosten op forfaitaire basis.

6.

Bij tussenarrest van 18 februari 2010 oordeelde het hof, met betrekking tot het arbeiderspersoneel, dat de sommen die in de betwiste periode op de individuele rekeningen voorkwamen onder de rubriek ‘diverse kosten', voor een bedrag van 24,79 euro per maand konden beschouwd worden als terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever, doch dat het surplus diende beschouwd te worden als een verdoken loon, waarop sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd waren. De heropening van de debatten werd bevolen ten einde de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in staat te stellen een afrekening te maken op basis van de door het hof aangegeven principes.

Voor wat betreft de bedienden werd gedetailleerd per bediende of per groep van bedienden aangegeven welke sommen als kosten konden aanvaard worden en welke sommen als een verdoken loon dienden beschouwd te worden. Ook hier werd de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid uitgenodigd een precieze afrekening op te stellen.

Het hof evoceerde verder het gedeelte van de vordering dat nog hangende was voor de eerste rechter en nodigde de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid uit eveneens de afrekening op te stellen, die door de eerste rechter opgelegd werd.

7.

Op 27 mei 2010 legde de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid besluiten neer waarbij een som gevorderd werd van 21.184,00 euro voor de bijdragen en 2.959,59 euro voor de vakantiebijdragen.

Op 1 oktober 2010 legde de nv Group Govaert besluiten neer waarbij zij zich akkoord verklaarde met de gevorderde bedragen. Alleen bleef een betwisting bestaan met betrekking tot de kosten.

8.

Op de zitting van 16 december 2010, waarop de zaak vastgesteld was, verklaarde de raadsman van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat een vergissing geslopen was in de afrekening en dat in werkelijkheid het bedrag, dat kon gevorderd worden op basis van het tussenarrest,1.956.407,23 euro bedroeg.Vermits een discussie ontstond over de mogelijkheid voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid om nieuwe besluiten neer te leggen, werd de zaak in voortzetting gesteld ter zitting van 3 februari 2011.

9.

Ter zitting van 3 februari 2011 werd namens beide partijen een akkoordconclusie neergelegd waarin een gedetailleerde afrekening tussen partijen werd gemaakt en waarbij aan het hof gevraagd werd " akte te verlenen aan partijen van de vermelde overeenkomst en deze te bekrachtigen".

(1) Een eerste gedeelte van deze besluiten betrof de vorderingen die reeds door de eerste rechter in hun principe beslecht werden, en waarvoor de heropening van de debatten bevolen werd. Voor deze vorderingen vorderde Rijksdienst voor Sociale Zekerheid sommen van 3.328,98 euro , 39.351,02 euro , 12.052,78 euro en 800,46 euro , intresten en bijdrageopslagen inbegrepe.

(2) Een tweede gedeelte betrof de betwistingen in beroep, die forfaitair beperkt werden tot de hoofdsommen van 21.184,00 euro als bijdragen en 2.959,59 euro als vakantie bijdragen, verhoogd met de bijdrageopslagen ten belope van 2.414,36 euro en de wettelijke intresten van 30.868,25 euro .

(3) Tenslotte was er een akkoord over de gerechtskosten, die door de nv Group Govaert ten laste genomen worden voor een bedrag van 6.835,32 euro .

Als algemeen totaal wordt een bedrag berekend van 119.794,76 euro .

Verder werd in het akkoord voorzien dat ingeval van een niet tijdige betaling door de nv Group Govaert, alle sommen verschuldigd werden die voortvloeiden uit de annulatie van de bijdrageverminderingen. Deze sommen worden in de akkoordconclusies verder gedetailleerd.

10.

In zijn tussenarrest van 3 maart 2011 stelde het hof vast dat, onder voorbehoud van de verdere toelichtingen die de partijen in de loop van het geding nog zouden bijbrengen, in de afrekening van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid geen rekening gehouden werd met de sommen die oorspronkelijk gevorderd werden als bijdragen voor de verdoken lonen van de arbeiders. In de voorgelegde afrekening was immers enkel sprake van de bijdragen op verdoken lonen van de bedienden. In de besluiten die op 3 februari 2011 werden neergelegd als akkoordbesluiten, is daar enkel aan toegevoegd een som voor de vorderingen die reeds door de eerste rechter in zijn principe beslecht werden.

Het hof stelde zich daarom de vraag of in het kader van de neergelegde conclusies de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid geen afstand deed van een gedeelte van zijn vordering, en dan nog van een gedeelte van zijn vordering dat door het hof in zijn principe erkend was in zijn tussenarrest van 18 februari 2010, waarin geoordeeld werd dat een bedrag van euro 24,79 kon beschouwd worden als een terugbetaling van kosten, terwijl al wat dit bedrag per maand te boven ging diende beschouwd te worden als een verdoken loon. Het hof wees erop dat in het kader van artikel 823 van het Gerechtelijk Wetboek een dergelijke afstand van de rechten, ook als deze in de vorm van een akkoordconclusie wordt geformuleerd, door de rechter niet kan aanvaard worden, vermits het gaat over een recht waarover de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, niet kon beschikken. Het hof wees er ook op dat overeenkomstig artikel 824 van het Gerechtelijk Wetboek een uitdrukkelijk afstand vereist dat deze door de partij zelf ondertekend wordt, hetzij door een persoon die over een bijzondere volmacht beschikt.

Het hof beval derhalve de heropening van de debatten met de vraag dat partijen standpunt zouden innemen met betrekking tot het ambtshalve opgeworpen middel en dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het hof zou inlichten over het al dan niet bestaan van een beslissing van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, waarbij tot de afstand van de rechtsvordering wordt beslist.

II. BEOORDELING.

1.

In zijn besluiten na heropening van de debatten beperkt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zich tot volgende overwegingen:

" De akkoordconclusie tussen partijen neergelegd betreft evenwel geen afstand van de rechtsvordering. Dat is inderdaad onmogelijk gelet op het karakter van openbare orde, waarvan ook het beheerscomité principieel niet vermag af te wijken.

Beide partijen hebben zich neergelegd bij de rechtsprincipes zoals vastgelegd door het tussenarrest van het hof van 18 februari 2010. Onafgezien van de problematiek van de materiële vergissing die nadien door RSZ in besluiten werd rechtgezet zich (besluiten 20/12/2000) stelt zich het probleem van de bewijslast waarover tussen partijen betwisting bleef bestaan.

De door partijen neergelegde akkoordconclusies moeten dan ook in dit kader worden begrepen; rekening houdend met de nog beschikbare dossiers uit het verleden hebben beide partijen een puur cijfermatig en forfaitair akkoord gesloten, zonder dat dit afbreuk doet aan de door het arbeidshof vastgelegde principes en zonder dat dit akkoord kan beschouwd worden als een afstand van de rechtsvordering welk inderdaad strijdig zou zijn met de openbare orde".

In ondergeschikte orde vraagt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het voordeel van haar conclusie van 20 december 2010 en vordert zij de betaling van de som van euro 1.956.407,23.

2.

De nv Group Govaert onderschrijft de stellingname van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Het gaat volgens haar niet om een afstand van vordering maar enkel om een akkoord over het bedrag van de vordering. In uiterst ondergeschikte orde stelt de nv Group Govaert dat het hof ambtshalve de besluiten van 20 december 2010 van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid uit de debatten dient te weren omdat deze neergelegd werden buiten de conclusietermijnen die door het hof bepaald werden in zijn arrest van 18 februari 2010. In nog meer ondergeschikte orde vraagt de nv Group Govaert een voorbehoud om vooralsnog te kunnen besluiten over de vordering zoals die gesteld werd bij besluiten van 20 december 2010.

3.

Met de nv Group Govaert dient aanvaard worden dat het hof geen rekening kan houden met de besluiten neergelegd op 20 december 2010. Zulks houdt echter niet in dat het hof zonder meer zou moeten uitgaan van de besluiten zoals die neergelegd werden op 27 mei 2010 of met de latere akkoordconclusies. Het hof dient zelf te onderzoeken of de afrekening die door de partijen wordt voorgelegd na zijn tussenarrest in overeenstemming is met de principes vastgelegd in het tussenarrest en mag geen rekening houden met een afstand van de rechtsvordering die in deze besluiten zou vervat zijn.

4.

De stelling van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, en van de nv Group Govaert dat het enkel om een forfaitair akkoord zou gaan rekening houdend met de nog beschikbare dossiers uit het verleden, kan geenszins overtuigen.

In het kader van de vroegere behandeling van de zaak heeft de nv Group Govaert, vóór het tussenarrest van 12 maart 2009, niet alleen zeer gedetailleerde stukken neergelegd in verband met alle onkostenvergoedingen en kosten die aan de arbeiders en bedienden uitbetaald werden, maar ook overzichtslistings waarin deze gegevens getotaliseerd werden minstens per kwartaal. Deze stukken waren gevoegd bij de aanvullende beroepsbesluiten van 3 september 2008 en werden door het hof grondig bestudeerd in zijn tussenarrest van 12 maart 2009 (blad 7 en 8). Het hof stelde daarbij vast dat er geen correlatie leek te bestaan tussen deze cijfers en de cijfers die voortgebracht werden door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Het hof beval daarom de heropening van de debatten onder meer om de nv Group Govaert toe te laten toelichting te geven bij zijn cijfers.

Na kennisname van de besluiten van partijen besloot het hof in zijn arrest van 18 februari 2010, gelet op het gebrek aan klaarheid dat verschaft werd door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, dat moest uitgegaan worden van de listings die opgesteld werden door de nv Group Govaert en die door het hof opnieuw verder geanalyseerd werden. Het resultaat van deze analyse was dat het hof besliste dat per maand 24,79 euro kon beschouwd worden als een terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever en dat het surplus, dat voortkwam op de afrekeningen voorgelegd door de nv Group Govaert, als verdoken loon diende beschouwd te worden.

Het volstond dus voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid om, op basis van deze stukken, waarvan zij ongetwijfeld een kopie ontvangen heeft de afrekening op te maken van hetgeen verschuldigd was als bijdrage voor de categorie van de arbeiders.

Het hof kan dan ook enkel besluiten dat er van de kant van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid hetzij sprake is van een onaanvaardbare en onverschoonbare nalatigheid in het opstellen van een afrekening voor het hof, dan wel dat er andere elementen zijn, die niet aan het hof worden meegedeeld, die tot een akkoord geleid hebben.

Het hof kan dan ook de akkoordconclusies die door partijen neergelegd werden niet in aanmerking te nemen en dient een verdere onderzoeksmaatregel te bevelen.

5.

Gelet op de vaststellingen die het hof heeft dienen te maken over de wijze waarop de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid meewerkt aan instaatstelling van de zaak, en gelet op de toelichtingen die verstrekt worden ter zitting in verband met een personeelsgebrek, komt het aangewezen voor een deskundig onderzoek te bevelen.

Dit onderzoek kan beperkt worden tot de bijdragen verschuldigd voor het verdoken loon betaald aan de arbeiders, vermits voor het overige de afrekening de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in overeenstemming schijnt te zijn wat door het hof in het tussenarrest beslist werd.

6.

Het hof stelt vast dat de listings, per werknemer, zoals die door de nv Group Govaert werden neergelegd voor het eerste tussenarrest, thans niet opnieuw worden neergelegd. In het kader van een loyale medewerking aan de bewijsvoering dient de nv Group Govaert deze listings aan de aangestelde deskundige te overhandigen. Wanneer dit niet zou gebeuren zal dit ongetwijfeld repercussies hebben op de kostprijs van de expertise. Deze expertise zal dan moeten uitgevoerd worden op basis van de zeer gedetailleerde en niet samengevatte documenten die zich ter griffie bevinden. Het hof maakt er daarbij de partijen attent op dat wanneer het gebrek aan medewerking van één van de partijen aan het deskundig onderzoek de oorzaak is van bijkomende kosten deze bijkomende kosten specifiek kunnen ten laste gelegd worden van de partij die voor deze bijkomende kosten verantwoordelijk is.

De kosten van de expertise zullen dienen voorgeschoten te worden door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, oorspronkelijk eisende partij, die bovendien in gebreke blijft haar afrekening te verrechtvaardigen.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Vooraleer verder recht te doen over de grond van de zaak, beveelt een deskundig onderzoek.

Stelt als deskundige aan: de heer Jo CLAEYS Ruiterslaan 8 te 2110 Wijnegem (tel. 03/353.00.05).

A. De opdracht van de deskundige.

De afrekening op te stellen van de sociale zekerheidsbijdragen die door de nv Group Govaert verschuldigd zijn aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, rekening houdend met hetgeen door het hof beslist werd in zijn tussenarrest van 18 februari 2010 met betrekking tot de kostenvergoedingen die betaald werden aan het arbeiderspersoneel van de vroegere firma's nv Govaert, nv Govimo en de bvba Cominfo ( thans gefusioneerd in de nv Group Govaert) en dit voor de periode van het eerste kwartaal 1990 tot het eerste kwartaal 1999, ervan uitgaande dat per maand en per werknemer enkel een bedrag van 24,79 euro als kosten kan aanzien worden, vrij van sociale zekerheidsbijdragen, en het surplus dient aangezien te worden als een loon, waarop sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn .

B. De eventuele weigering van de opdracht en de inwerkingstelling van het deskundig onderzoek.

Te rekenen vanaf de kennisgeving van het arrest door de griffie beschikt de deskundige over een termijn van acht dagen om:

- op gemotiveerde wijze de hem toevertrouwde opdracht te weigeren, wanneer hij

zulks wenst;

- de plaats, de dag en het uur van de aanvang van zijn werkzaamheden mede te delen.

De deskundige zal de partijen verwittigen per aangetekende brief, en de rechter en de raadslieden bij gewone brief.

C. Het verdere verloop van het deskundig onderzoek.

De partijen overhandigen ten minste acht dagen voor de installatievergadering en, bij gebreke daarvan, bij de aanvang van de werkzaamheden, een geïnventariseerd dossier met alle relevante stukken aan de deskundige. Zij zullen aan de deskundige eveneens de namen van de juridische en andere raadslieden, die hen bijstaan, bekend maken.

Tenzij hij daarvan uitdrukkelijk wordt vrijgesteld, zal de deskundige, met het oog op de verdere werkzaamheden van het deskundig onderzoek, de partijen oproepen bij aangetekend schrijven, en de raadslieden en de rechter bij gewone brief.

Na afloop van zijn werkzaamheden stuurt de deskundige zijn bevindingen, waarbij hij reeds een voorlopig advies voegt, ter lezing aan de rechter, aan de partijen en aan hun raadslieden

De partijen beschikken over een termijn van één maand na de mededeling van dit verslag om hun opmerkingen op dit verslag mede te delen. Wanneer hij dit wenselijk acht kan de deskundige echter een andere redelijke termijn vaststellen, waarbinnen de partijen hun opmerkingen dienen mede te delen.

De deskundige zal geen rekening houden met de opmerkingen die hij ontvangt buiten de termijn, die aan de partijen gegeven werd om hun opmerkingen te formuleren.

Het eindverslag zal gedateerd zijn en melding maken van de aanwezigheid van de partijen bij de werkzaamheden en van hun mondelinge verklaringen en verzoeken.

Het eindverslag zal verder een overzicht bevatten van de nota's en documenten die door de partijen overhandigd zijn.

Het eindverslag dient door de deskundige op straffe van nietigheid ondertekend te zijn.

De handtekening van de deskundige zal, op straffe van nietigheid, voorafgegaan moeten worden door de volgende eed:

"Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb".

De minuut van het eindverslag, de stukken en de nota's van de partijen en de gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon van de deskundige worden ter griffie van het arbeidshof neergelegd.

Op de dag van de neerlegging van het verslag zendt de deskundige een afschrift van het verslag en van de gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon, aan de partijen per aangetekend schrijven, en aan hun raadslieden bij gewone brief.

D. De termijn voor neerlegging van het verslag en de eventuele verlenging.

Het eindverslag moet neergelegd worden binnen een termijn van 9 maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van het arrest.

Enkel de rechter kan de termijn voor het neerleggen van het verslag verlengen.

Indien de deskundige zijn verslag niet kan neerleggen binnen de vastgestelde termijn, dan zal hij bij gemotiveerd schrijven aan het hof om een verlenging van de termijn dienen te verzoeken.

Indien de neerlegging van het verslag niet binnen de vastgestelde termijn kan gebeuren, dan zal de deskundige, om de zes maanden, een tussentijds verslag over de vooruitgang van zijn werkzaamheden meedelen aan de rechter, de partijen en hun raadslieden.

E. De kosten en het ereloon van de deskundige..

De deskundige zal bij de aanvang van het deskundig onderzoek aan de partijen een raming van de algemene kostprijs van het deskundig onderzoek zal doen toekomen of tenminste een aanwijzing geven over de manier waarop zijn kosten en erelonen en deze van de eventuele technische raadgevers zullen berekend worden.

De deskundige dient zijn ereloon, prestaties en de kosten gedateerd, gedetailleerd, per eenheid en per aantal controleerbaar bij te houden en partijen op geregelde tijdstippen, minstens om de drie maanden een overzicht van de ereloonprestaties en kosten te bezorgen;

De deskundige zal een voorschot kunnen in rekening brengen van 1.250 euro . Dit voorschot dient geconsigneerd te worden op de griffie van dit Arbeidshof op het rekeningnummer 679 - 2009068 - 04 wordt geconsigneerd, hetzij wanneer partijen onderling overeenkomen dit bedrag te storten op een andere bankrekening. Dit bedrag zal dienen geconsigneerd te worden door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid binnen de maand na de kennisgeving van dit arrest. Dit voorschot kan worden vrijgegeven voor het volledige bedrag.

In de loop van het deskundig onderzoek kan de deskundige vragen dat een bijkomende provisie wordt geconsigneerd, en desgevallend gedeeltelijk vrijgegeven, ten einde te kosten te dekken die reeds gedaan zijn en de honoraria van de reeds uitgevoerde werkzaamheden.

De vraag daartoe wordt voorgelegd aan de rechter, die een gemotiveerde beslissing zal nemen.

Op het einde van zijn opdracht zal de deskundige een gedetailleerde staat opstellen van zijn kosten en het ereloon.

Indien de partijen niet binnen dertig dagen na de neerlegging ter griffie van de gedetailleerde staat 2 aan de rechter hebben meegedeeld dat zij het bedrag van het ereloon en de kosten die door de deskundige worden aangerekend, betwisten, wordt dat bedrag door de rechter begroot onderaan op de minuut van de staat en wordt daarvan een bevel tot tenuitvoerlegging gegeven overeenkomstig het akkoord dat de partijen gesloten hebben of tegen de partij of partijen, zoals bepaald voor de consignatie van het voorschot

De kosten zullen begroot worden in het eindarrest als gerechtskosten.

F. Diverse

Alle betwistingen, die zich in het de loop van het deskundig onderzoek voordoen, worden beslecht door de rechter. De deskundige en de partijen richten zich tot het hof in een gemotiveerd schrijven.

Voor de toepassing van artikel 973 van het Gerechtelijk Wetboek en van al de andere artikelen van dit wetboek met betrekking tot het deskundig onderzoek waarin de tussenkomst van de rechter voorzien wordt, dient beschouwd te worden als "de rechter die het deskundig onderzoek bevolen heeft", of "de met dit doel aangestelde rechter" of nog " de rechter":

- de raadsheren, die de 7e kamer van het hof samenstelden op de zitting waarop het arrest werd uitgesproken;

- ingeval van afwezigheid van een sociaal raadsheer: de beroepsmagistraat die alleen zetelt;

- de beroepsmagistraat die de kamer voorzit op het ogenblik dat de betwisting met betrekking tot het deskundig onderzoek ontstaat;

- de beroepsmagistraat, aangeduid in het interne reglement van het arbeidshof voor het gerechtelijk jaar.

De zaak zal na afloop van het deskundig onderzoek terug op de zittingsrol moeten gebracht worden door de meest gerede partij.

De kosten worden voorbehouden.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Jean BOULOGNE, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Hedwig SILON, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Hedwig SILON

Jean BOULOGNE Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 10 november 2011 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Vrije woorden

  • SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS

  • ALGEMENE REGELINGEN

  • Bijdragen

  • Openbare orde

  • Wet van 27 juni 1969

  • Ger.W. artikel 823 en 824

  • Afstand van geding

  • Akkoordconclusies.