- Arrest van 15 november 2011

15/11/2011 - 2010/AB/744

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het doel van de proef is ruimer dan de beoordeling over de geschiktheid van de werknemer voor de functie waarvoor hij is aangeworven.

Bij de beoordeling van de tewerkstelling zijn eveneens van belang de integratie van de werknemer, zijn verhouding tot de hiërarchie en de andere werknemers en het feit dat eisen gesteld aan een vaste werknemer anders kunnen zijn dan die welke worden gesteld aan een uitzendkracht.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

─────────

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFTIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ELF.

3e KAMER

bediendecontract

tegenspraak

definitief

In de zaak :

ARISTON THERMO BENELUX N.V. (voorheen NV MTS BENELUX), met maatschappelijke zetel gevestigd te 5020 Namen, rue Gabriel de Moriamé 11,

Appellante op hoofdberoep en geïntimeerde op incidenteel beroep,die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester Craeninckx Herman, advocaat te Brussel ,

tegen :

S. ,

Geïntimeerde op hoofdberoep en appellant op incidenteel beroep die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door volmachtdrager de heer Soetemans Dieter, syndicaal afgevaardigde te Brussel.

* * *

*

Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op :

- het voor eensluidend verklaard afschrift van de bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak, door de 23e kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel op 4 mei 2010;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 10 augustus 2010;

-de eerste conclusies, aanvullende en syntheseconclusies voor de appellante neergelegd ter griffie op 7 januari 2011 en 9 mei 2011 ;

-de conclusies, aanvullende en syntheseconclusies voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 5 november 2010, 7 maart 2011 en 7 juni 2011;

- de voorgelegde stukken;

De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 20 september 2011 en 18 oktober 2011, waarna de debatten werden gesloten en de zaak voor uitspraak werd gesteld op heden.

* *

*

FEITEN EN RECHTSPLEGING

De heer S. was als uitzendkracht tewerkgesteld bij MTS Benelux NV, van 3-7-2006 tem. 9-2-2007 via het uitzendkantoor Unique Interim.

De NV MTS Benelux is sinds 30-11-2009 door overname gefuseerd met Ariston Benelux NV, een onderneming die waterverwarmers en verwarmingstoestellen produceert en installeert.

Op 12-2-2007 trad hij als dispatcher/call center agent in dienst van de vennootschap met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd waarin een proefbeding was opgenomen voor de duur van 6 maanden.

Op 26-4-2007 beëindigde de vennootschap de arbeidsovereenkomst met een verbrekingsvergoeding van 7 dagen.

Met een brief van 30-8-2007 betwistte de heer S. de geldigheid van het proefbeding en maakte hij aanspraak op een aanvullende opzeggingsvergoeding.

Aangezien de vennootschap op die aanspraken niet inging, spande de heer S. met dagvaarding van 25-4-2008 een geding aan voor de arbeidsrechtbank.

Hij vorderde de veroordeling van de vennootschap

tot betaling van volgende bedragen:

-6.404,60 euro als saldo verbrekingsvergoeding

-173,63 euro als loon voor de feestdag binnen de maand na de verbreking

-26,63 euro als vertrekvakantiegeld op het feestdagenloon

-86,82 euro als loon voor de carensdag van 2-4-2007

-13,32 euro als vertrekvakantiegeld op het loon voor de carensdag

-125 euro als vergoeding voor internetaansluiting

-1 euro provisioneel als premies in de groepsverzekering.

de wettelijke en gerechtelijke intresten op de netto bedragen tot en met 30-6-2005 en daarna op de bruto bedragen.

Tot afgifte van de volgende aanvullende of verbeterde sociale documenten m.b.t. de gevorderde bedragen onder verbeurte van een dwangsom van 25 euro per ontbrekend document met uitzondering van de fiscale fiches:

-loonfiches, individuele rekening, vakantieattest, fiscale loonfiches, werkloosheidsdocument C4.

De arbeidsrechtbank verklaarde de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond en veroordeelde de vennootschap tot betaling van volgende bedragen:

-6.392,39 euro als saldo verbrekingsvergoeding

-173,63 euro als loon voor de feestdag binnen de maand na de verbreking

-26,63 euro als vertrekvakantiegeld op het feestdagenloon

-86,82 euro als loon voor de carensdag van 2-4-2007

-13,32 euro als vertrekvakantiegeld op het loon voor de carensdag

de wettelijke intresten op de nettobedragen vanaf de eisbaarheid en de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaardig tot en met 30-6-2005 en vanaf die datum op de bruto bedragen.

Zij veroordeelde de vennootschap eveneens tot afgifte van de aangepaste sociale en fiscale documenten zoals gevorderd binnen de twee maanden na de betekening van het vonnis.

De arbeidsrechtbank was van oordeel dat nu de vennootschap naliet aan te tonen welke vaste werknemer de heer S. verving niet bewezen was dat de uitzendarbeid tussen haarzelf en de heer S. geldig werd uitgevoerd en evenmin dat de procedure voorzien in de CAO nr. 58 werd nageleefd, zodat partijen overeenkomstig art 20 uitzendarbeidswet geacht werden verbonden te zijn door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd vanaf

3-7-2006 en het proefbeding in de arbeidsovereenkomst van 12-7-2007 derhalve nietig was.

VORDERINGEN IN HOGER BEROEP

De vennootschap is het niet eens met de beslissing van de arbeidsrechtbank. Zij vordert dat het hof deze zou te niet doen en de vorderingen van de heer S. ongegrond zou verklaren.

De heer S. stelde incidenteel hoger beroep in en vordert dat het hof de vennootschap zou veroordelen tot betaling van een saldo verbrekingsvergoeding van 6.404,60 euro i.p.v. 6.392,39 euro en van een vergoeding voor de contractueel verplichte internetaansluiting die nooit betaald werd voor een bedrag van 125 euro, tot de wettelijke en gerechtelijke intresten op die bedragen.

Voor het overige verzoekt hij het bestreden vonnis te bevestigen, met veroordeling van de vennootschap tot de kosten van het geding.

BEOORDELING

II.ONTVANKELIJKHEID

Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep dat regelmatig is naar vorm, binnen de wettelijke termijn werd ingesteld. Aan de andere ontvankelijkheidvereisten is eveneens voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.

Dit geldt eveneens voor het incidenteel hoger beroep.

II TEN GRONDE

Geldigheid van het proefbeding

De vennootschap betoogt dat het wel degelijk mogelijk is een proefbeding op te nemen in een arbeidsovereenkomst die wordt afgesloten met een werknemer die voordien in de onderneming prestaties leverde als uitzendkracht.

Bovendien stelt ze de regelgeving betreffende het gebruik van uitzendkrachten te hebben nageleefd, zodat het proefbeding geldig werd afgesloten.

De vennootschap merkt op

-dat in de oorspronkelijke vordering geen gewag werd gemaakt van de ongeldigheid van de tewerkstelling van de heer S. als uitzendkracht, zodat de herkwalificatie van een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd niet vervat zit in de vordering tot nietigverklaring van het proefbeding en niet het voorwerp kan uitmaken van een uitbreiding van de vordering op basis van art 807 Ger.Wb.

-dat het uitzendkantoor Unique Interim niet in het geschil werd betrokken, terwijl het betrokken partij was bij de ter beschikking stelling.

De heer S. houdt voor dat de onderneming een oneigenlijk gebruik maakt van uitzendarbeid en deze op een permanente wijze gebruikt wordt als instroomkanaal voor definitieve arbeidsovereenkomsten.

Hij verwijst in dat verband naar een procedure die voor de arbeidsrechtbank te Brussel werd gevoerd met betrekking tot de sociale verkiezingen 2008 waaruit blijkt dat de vennootschap een zeer hoog percentage uitzendkrachten te werk stelde, meer dan 10% en zelfs tot 16%, wat volgens hem het oneigenlijk gebruik van uitzendkrachten aantoont.

Hij meent dat de vennootschap alleszins niet bewijst dat hij een vaste werknemer verving wiens arbeidsovereenkomst geschorst was.

In ondergeschikte betoogt hij dat zelfs indien de bepalingen m.b.t. de tewerkstelling van uitzendkrachten zouden nageleefd zijn, het opnemen van een proefbeding in een arbeidsovereenkomst die wordt afgesloten na een tewerkstelling gedurende 6 maanden als uitzendkracht bij dezelfde onderneming ongeldig is.

Hij meent bijgevolg aanspraak te kunnen maken op een opzeggingsvergoeding gelijk aan 3 maanden loon, overeenkomstig art 37 en 82 van de wet van 3-7-1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (WAO).

Het hof stelt vast dat de vordering van de heer S. gesteund wordt op de feiten vermeld in de dagvaarding zodat de gewijzigde vordering voldoet aan art 807 Gerechtelijk Wetboek.

De uitzendarbeid wordt geregeld bij de wet van 24-7-1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers.

Art 21 van die wet bepaalt dat uitzendkrachten enkel mogen worden ingeschakeld voor tijdelijke arbeid.

Art 1 definieert de tijdelijke arbeid als

"de activiteit die op grond van een arbeidsovereenkomst wordt uitgeoefend en tot doel heeft in de vervanging van een vaste werknemer te voorzien of te beantwoorden aan een tijdelijke vermeerdering van werk of te zorgen voor de uitvoering van een uitzonderlijk werk."

Indien de tewerkstelling niet aan die voorwaarden voldoet kan er sprake zijn van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen de gebruiker en de uitzendkracht.

De vennootschap stelt dat algemeen wordt aanvaard dat één tijdelijke werknemer verschillende vaste werknemers kan vervangen voor zover het totaal aantal tijdelijke werknemers die tewerkgesteld worden in de onderneming niet hoger is dan het totaal aantal vaste werknemers wier arbeidsovereenkomst geschorst is, wat door het bestreden vonnis werd bevestigd.

De vennootschap is het niet eens met de beslissing van de arbeidsrechtbank dat zij diende aan te tonen welke vaste werknemer de heer S. verving.

.

Zij wijst erop dat art 9 van de uitzendarbeidwet enkel vereist dat de reden van de vervanging wordt vermeld zodat de arbeidsrechtbank haar een bewijslast oplegde die niet in de wet voorkomt.

Zij legt er de nadrukt op dat het totaal aantal tijdelijke werknemers die tewerkgesteld werden nooit hoger was dan het aantal vaste werknemers wier arbeidsovereenkomst geschorst was.

Zij stelt dat de heer S. niet één maar verschillende werknemers verving wier arbeidsovereenkomst geschorst was.

Als bewijs daarvan, legt zij een lijst voor waaruit blijkt dat tijdens de tewerkstellingsperiode van de heer S. als uitzendkracht, de arbeidsovereenkomst van een van haar werknemers gedurende die ganse periode geschorst was en deze van verschillende andere werknemers gedurende kortere periodes, zodat aan de wettelijke voorwaarden was voldaan.

De vennootschap merkt terecht op dat zij enkel de reden van de uitzendarbeid moest vermelden op de overeenkomst met het uitzendkantoor. Zij is deze verplichting correct nagekomen door telkens te vermelden " vervanging schorsing van de arbeidsovereenkomst". De wet vereist inderdaad niet dat de naam van de vervangen werknemer wordt vermeld.

Wanneer de ingeroepen reden wordt betwijfeld, dient zij wel te kunnen aantonen dat die met de werkelijkheid overeenstemde. Met de lijst die zij intussen neerlegde toont de vennootschap in ieder geval aan dat bepaalde werknemers afwezig waren wegens schorsing van hun arbeidsovereenkomst, één werkneemster gedurende de ganse periode van de tewerkstelling van de heer S., en verschillende andere werknemers gedurende kortere periodes, zodat de reden die zij vermeldde aannemelijk voorkomt.

Indien de heer S. meent dat er oneigenlijk gebruik werd gemaakt van de uitzendarbeid tijdens de periode van zijn tewerkstelling dient hij dit aan te tonen.

De procedure sociale verkiezingen waarnaar hij verwijst, is gebaseerd op het aantal werknemers gedurende het 4de kwartaal 2007, hetzij een andere periode dan deze waarin hij zelf als uitzendkracht in de onderneming was tewerk gesteld, nl. van 3-7-2006 tot 9-2-2007.

De sociale balansen die hij voorlegt hebben evenmin betrekking op de periode van zijn tewerkstelling in de onderneming als uitzendkracht.

Het hof acht niet aangetoond dat de tewerkstelling van de heer S. als uitzendkracht in de onderneming niet regelmatig was.

Wat de geldigheid van een proefbeding betreft na een tewerkstellingsperiode als uitzendkracht

De heer S. houdt eveneens voor dat een proefbeding ingelast in een arbeidsovereenkomst afgesloten na een tewerkstelling van 6 maanden als uitzendkracht in de onderneming in dezelfde functie ongeldig is.

De vennootschap meent dat voldaan is aan de voorwaarden van art 67 van de WAO en het proefbeding bijgevolg wel degelijk geldig is.

Art 67§1 WAO bepaalt dat de arbeidsovereenkomst een beding van proeftijd kan bevatten. Op straffe van nietigheid moet dat beding voor iedere bediende afzonderlijk schriftelijk worden vastgesteld uiterlijk op het tijdstip waarop de bediende in dienst treedt.

Het proefbeding is een beding in de arbeidsovereenkomst dat partijen de gelegenheid biedt elkaar te leren kennen en na te gaan of de dienstbetrekking hen past. Is dit niet het geval dan hebben zij het recht vanaf het verstrijken van de eerste maand en tot het eind van de voorziene proeftijd, de overeenkomst te beëindigen met een verkorte opzegtermijn.

Omdat zulk beding een afwijking vormt op het beginsel van "vastheid van betrekking" dat als één van de peilers van het arbeidsrecht wordt beschouwd, wordt het beperkend geïnterpreteerd.

Om geldig te zijn moet het proefbeding voldoen aan volgende voorwaarden:

-het moet in een individueel geschrift worden vastgesteld

-het is eenmalig (tenminste voor dezelfde functie bij dezelfde werkgever)

-het moet voldoen aan de vereisten die gelden voor alle verbintenissen inzake toestemming, bekwaamheid, voorwerp en oorzaak.

Met indiensttreding wordt bedoeld, de datum waarop de uitvoering van de arbeidsovereenkomst aanvangt en de werknemer onderworpen is aan het gezag van de werkgever. (Cass. 14-9-1981, Bull.'82,70)

Dat het proefbeding een bepaald voorwerp en een geoorloofde oorzaak moet hebben, volgt uit art 1108 Burgerlijk Wetboek.

Aan het ontbreken van een geoorloofde oorzaak verbindt art 1131 BW een nietigheidssanctie.

Er kan sprake zijn van een ongeoorloofde oorzaak indien men via het proefbeding de wettelijke bepalingen tracht te omzeilen i.v.m. de opzegging of de proef.

De vereiste van de schriftelijke vaststelling, ten laatste op het ogenblik van indiensttreding beoogt de bescherming van de toestemming van de werknemer en het inlassen van latere retroactieve proefbedingen tegen te gaan. (M.Jamoule, Le contrat de travail, t I, Fac.Dr.Liège 1982, p 342)

De heer S. had bij zijn aanwerving door de vennootschap weliswaar reeds gedurende 6 maanden diensten geleverd voor die onderneming, doch niet in het raam van een arbeidsovereenkomst met die onderneming.

Tijdens die periode werd hij tewerkgesteld door het uitzendkantoor dat hem ter beschikking stelde en over hem het werkgeversgezag uitoefende. Dit volgt uit art 7 van de wet van 24-7-1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en de terbeschikkingstelling van werknemers ten behoeve van gebruikers.

De wet van 24-7-1987 verbiedt dat het werkgeversgezag wordt uitgeoefend door de gebruiker. Deze staat enkel in voor de toepassing van de bepalingen van de wetgeving inzake reglementering en bescherming van de arbeid die gelden op de plaats van het werk (art 19 en 31§1) en kan instructies geven in uitvoering van de overeenkomst die hem met de werkgever (uitzendkantoor) verbindt, zowel inzake arbeids- en rusttijden als inzake uitvoering van het overeengekomen werk. Dat wordt in het raam van die wet niet beschouwd als de uitoefening van werkgeversgezag.

Aan inbreuken op die bepalingen, verbindt art 31§3 van die wet als sanctie dat de gebruiker en de werknemer worden beschouwd als verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd vanaf het begin van de uitvoering van de arbeid.

In dat geval kan een nadien aangegane arbeidsovereenkomst tussen de gebruiker en de uitzendkracht voor dezelfde functie inderdaad geen geldig proefbeding bevatten aangezien zij reeds door een arbeidsovereenkomst verbonden worden geacht.

De wetgever heeft er noch bij het uitvaardigen van de wet van 24-7-1987, noch ter gelegenheid van de reparatiewet van 12-8-2000 voor geopteerd bijzondere voorwaarden te voorzien m.b.t. het opnemen van een proefbeding in een latere arbeidsovereenkomst met de gebruiker en heeft evenmin wijzigingen aangebracht aan art 67 WAO.

In voorliggend geval wordt niet aangevoerd dat de vennootschap onrechtmatig het werkgeversgezag zou hebben uitgeoefend tijdens de periode van ter beschikking stelling.

Bijgevolg is voldaan aan de voorwaarde dat het proefbeding schriftelijk moet worden vastgesteld uiterlijk op het tijdstip van in dienst treden.

Rest de vraag of het proefbeding wel een geldig voorwerp en een geldige oorzaak had daar de vennootschap de prestaties van de heer S. die reeds gedurende 6 maanden in het bedrijf had gewerkt reeds had kunnen beoordelen, zodat de proef niet meer zou beantwoorden aan het doel waarvoor zij diende en er louter op gericht was een precaire tewerkstelling te organiseren.

De rechtspraak is verdeeld over de mogelijkheid om een proefbeding in te lassen in een arbeidsovereenkomst volgend op een periode van tewerkstelling als uitzendkracht in dezelfde onderneming, voor dezelfde functie en met hetzelfde loon.

Het arbeidshof te Luik oordeelde dat een proefbeding in zo'n geval bij gebreke aan een wettig voorwerp nietig is. (AH Luik 23-1-2007, JTT 2007, 201)

De wettelijke bepalingen omtrent de proef hebben terzake niets geregeld.

Het voorwerp van een verbintenis is het concrete rechtsgevolg dat een partij beoogt. Het voorwerp moet mogelijk zijn en enig nut vertonen en het moet geoorloofd zijn.

De oorzaak van een verbintenis heeft te maken met "de reden waarom iemand zich verbindt. In wederkerige verbintenissen is het voorwerp voor de ene partij de oorzaak van de verbintenis voor de andere partij.

Dit betreft enerzijds de objectieve bestaansreden, het nut voor de partijen.

Het begrip peilt naar de juridische, economische en maatschappelijke grondslag voor de gebondenheid van partijen. (S.Stijns, Verbintenissen, Acco 2005, nr. 141)

Anderzijds spelen ook persoonlijke subjectieve beweegredenen een rol bij de toetsing van de geoorloofdheid van de oorzaak. De oorzaak is ongeoorloofd indien de doorslaggevende redenen voor diegene die zich verbindt verboden zijn door de wet of ingaan tegen de openbare orde, de goede zeden of de bepalingen van het dwingend recht. (S.Stijns, o.c. nr 149)

Het doel van de proef is aan partijen bij de arbeidsovereenkomst de gelegenheid te geven na te gaan of de tewerkstelling hen past. Dit moet ruimer worden opgevat dan de beoordeling van de geschiktheid van de werknemer voor de functie waarvoor hij is aangeworven.

Er dient rekening mee gehouden te worden dat bij een tewerkstelling als uitzendkracht de gebruiker niet het werkgeversgezag over de werknemer uitoefent m.n. wat de mogelijkheid tot beëindiging betreft, de sanctionering bij niet naleving van instructies of bij ontoelaatbaar gedrag van de werknemer, het opleggen van verplichtingen die verder gaan dan wat in art 31§1 van de uitzendarbeidwet wordt toegelaten.

Bij het beoordelen van de tewerkstelling is ook de wijze van integratie van de werknemer in de onderneming en zijn verhouding tot de hiërarchie en tot de andere werknemers van belang.

Een uitzendkantoor en de gebruiker vormen immers niet dezelfde economische exploitatie-eenheid, uitzendarbeid is essentieel gericht op tijdelijke tewerkstelling. (AH.Brussel, 6-3-2009 AR 50.826)

Eisen gesteld aan een vaste werknemer kunnen daarenboven verschillend zijn van deze die worden gesteld aan een uitzendkracht die slecht tijdelijk moet inspringen ter vervanging van vaste werknemers.

Voor de werknemer houdt een tewerkstelling als uitzendkracht ook een grotere vrijheid in om tijdens bepaalde periodes al dan niet te werken dan het geval is in het raam van een arbeidsovereenkomst.

In voorliggende zaak komt dit duidelijk tot uiting.

Zo meende de heer S. dat hij verlof kon opnemen op de dagen dat hij dit nodig vond voor werkzaamheden aan zijn woning e.d. zonder daarover vooraf afspraken te maken met zijn werkgever en diens toestemming te bekomen.

In een mailbericht van 18-4-2007 schreef hij:

"Is het dan zoveel gevraagd om i.p.v. mijn verlof die ik hoe dan ook toch moet nemen betaald of niet om dat niet in gans stuk op te pakken maar hier en daar een dag. En vraag niet om die op voorhand te geven want dat kan ik niet."

Dergelijke flexibiliteit kon hij in het raam van een arbeidsovereenkomst niet eisen. Dit zou bovendien de normale werking van de onderneming verstoren aangezien ook de andere werknemers aanspraak zouden kunnen maken op dezelfde soepele verlofregeling.

Herhaaldelijk zijn daarover problemen gerezen die samen met het gedrag van de heer S. aanleiding hebben gegeven tot zijn ontslag.

Het hof is van oordeel dat niet blijkt dat de proef geen geoorloofd voorwerp of geen geoorloofde oorzaak had en dat de heer S. niet aannemelijk maakt dat het de vennootschap er enkel om te doen was een precaire tewerkstelling te organiseren.

Verbod proefbeding in Collectieve arbeidsovereenkomst PC nr. 209

De heer S. verwijst nog naar de CAO van 25-9-2007 afgesloten binnen paritair comité 209 waarin bepaald werd dat de arbeidsovereenkomst volgend op uitzendarbeid geen proefbeding mocht bevatten.

De vennootschap merkt op dat die bepaling in de CAO slechts toepasselijk is op arbeidsovereenkomsten voor uitzendarbeid die omgezet worden in arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd vanaf 1-9-2007.

Die bepaling is inderdaad niet toepasselijk op de arbeidsovereenkomst van de heer S..

Het hof besluit dat het proefbeding opgenomen in de arbeidsovereenkomst die tussen partijen werd afgesloten op 12-2-2007 geldig was.

Daaruit volgt dat de opzegvergoeding gelijk aan 7 dagen loon die aan de heer S. werd uitbetaald toereikend was en zijn aanspraak op een hogere opzeggingsvergoeding ongegrond.

Terecht merkt de vennootschap op dat bij toepassing van art. 52 §1.2e lid WAO de vennootschap geen loon verschuldigd is voor de carensdag wegens ziekte.

-Vergoeding internetaansluiting

De heer S. vordert een bedrag van 125 euro omdat hij nooit een vergoeding heeft ontvangen voor kosten die hij zou hebben gemaakt voor een internetaansluiting met het oog op de communicatie met het bedrijf.

Hij steunt die vordering op art. 12 van de arbeidsovereenkomst.

Daarin is bepaald: "De werkgever stelt een e-mailadres en een toegang tot internet ter beschikking aan de werknemer om de communicatie binnen de werkgever en met derden te vergemakkelijken. Het geheel van het communicatiemateriaal blijft eigendom van de werkgever.

Het e-mailnetwerk en de toegang tot internet zijn enkel bestemd voor professionele doeleinden."

Daaruit kan niet worden opgemaakt dat de heer S. zelf kosten heeft moeten maken voor een internetaansluiting.

De arbeidsrechtbank heeft zijn vordering derhalve terecht afgewezen.

-Rechtsplegingvergoeding

Het KB van 26.10.2007 tot vaststelling van het tarief van rechtsplegingvergoedingen bedoeld in art. 1022 Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van in werking treding van de art. 1 tot 13 van de wet van 21.4.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat is onmiddellijk van toepassing op hangende procedures, zoals het geval is met alle bepalingen die de procedure regelen, zodat het verzoek van de heer S. om dit Koninklijk Besluit buiten toepassing te laten niet kan worden ingewilligd.

Wel kan het hof ingaan op zijn verzoek de rechtsplegingvergoeding te herleiden tot het minimum gelet op de onevenredigheid in financiële draagkracht tussen partijen.

-Feestdagenloon

De vennootschap voert geen argumentatie m.b.t. de toekenning van het feestdagenloon door de arbeidsrechtbank.

Het hoger beroep komt op dit onderdeel ongegrond voor.

OM DEZE REDENEN;

HET ARBEIDSHOF;

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak;

Verklaart zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep ontvankelijk, verklaart het principaal hoger beroep grotendeels gegrond, het incidenteel hoger beroep ongegrond.

Hervormt het bestreden vonnis.

Verklaart de vordering van de heer S. tot het bekomen van een saldo verbrekingsvergoeding en loon voor de carensdag van 2.4.2007 ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelt hem tot de kosten van beide aanleggen.

Bevestigt het bestreden vonnis met betrekking tot de toekenning van feestdagenloon, vakantiegeld daarop en intresten op die bedragen.

Het hof vereffent ze op het minimumbedrag wat de rechtsplegingvergoeding betreft op:

Voor de appellante op:

-550 euro rechtsplegingvergoeding eerste aanleg (geïndexeerd bedrag);

-550 euro rechtsplegingvergoeding hoger beroep (geïndexeerd bedrag);

Voor de geïntimeerde op:

-338,05 euro als dagvaardingskosten.

Aldus gewezen door de derde kamer en ondertekend door:

G. Balis, kamervoorzitter;

G.Jacobs, raadsheer in sociale zaken, als werkgever;

A. Leurs, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-

bediende;

Bijgestaan door

S.Van Landuyt, afgevaardigd griffier.

G. Balis S.Van Landuyt

G.Jacobs A. Leurs

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het arbeidshof te Brussel op 15 november tweeduizend en elf door :

G. Balis kamervoorzitter

Bijgestaan door

S.Van Landuyt afgevaardigd griffier.

G. Balis S.Van Landuyt

Vrije woorden

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • BEDIENDEN

  • Proefbeding

  • Na tewerkstelling als uitzendkracht

  • Geldigheid.