- Arrest van 5 december 2011

05/12/2011 - 2010/AB/759

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer in de dagvaarding de datum van betekening onvolledig is vermeld, beslist de rechter ingevolge artikel 867 Ger. W. wettig dat het verzuim geen nietigheid van de rechtspleging tengevolge heeft, wanneer uit andere gedingstukken of uit andere gegevens van de dagvaarding met zekerheid de volledige en juiste datum van de betekening blijkt

Een dagvaarding waarin de korte samenvatting van de middelen de verweerder niet toelaat om zich te verdedigen is relatief nietig, zodat de onregelmatigheid de belangen moet schaden van de partij die de exceptie opwerpt. De belangenschade kan mogelijk zonder voorwerp worden door de overmaking van het dossier.


Arrest - Integrale tekst

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 5 DECEMBER 2011.

9 DE KAMER

.

Sociaal zekerheidsrecht - Bijdragen zelfstandigen

Tegensprekelijk

Definitief

In de zaak:

1. Mevrouw D. D. E.,

2. Mevrouw V. I. B.,

3. De Heer V. I. L.,

Appellanten, vertegenwoordigd door Mter Mensalt loco Mter D. Pauwels, advocaat te 1840 Londerzeel;

Tegen :

DE V.Z.W. PARTENA, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1000 Brussel, Anspachlaan, 1,

Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter G. Lambrechts loco Mter L. De Meulaenaere, advocaat te 9000 Gent;

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak gewezen door de 29ste kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 20 april 2010 (A.R. nr. 12.887/92);

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 20 augustus 2010;

- de besluiten en tweede synthesebesluiten van geïntimeerde partij neergelegd ter griffie van dit Hof, respectievelijk op 15 december 2010 en 16 september 2011;

- de besluiten van appellanten neergelegd ter griffie van dit Hof op 11 januari 2011;

- de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 3 oktober 2010 waar de zaak ab ovo werd herpleit, en waarna de debatten werden gesloten en de zaak werd medegedeeld aan het Openbaar Ministerie.

Het Openbaar Ministerie heeft op 7 oktober 2011 zijn schriftelijk advies ter griffie van dit Arbeidshof neergelegd. De termijn om een repliekconclusie op dat schriftelijk advies ter griffie neer te leggen verstreek op 31 oktober 2011.

Gelet op de repliekbesluiten van geïntimeerde partij neergelegd ter griffie van dit Hof op 24 oktober 2011.

Gelet op de repliekbesluiten van appellanten neergelegd ter griffie van dit Hof op 31 oktober 2011;

Hierna werd de zaak in beraad genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

 

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING.

1. Het sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen "De Familie", thans de VZW Partena dagvaardde de erfgenamen van wijlen de heer F. (L.) V.I. in betaling van de som van 647.201 frank ( of euro 16.043,69) als wettelijke verschuldigde bijdragen, bijslagen, verhogingen, kosten en intresten van het ‘sociaal statuut', zoals vermeld op het rekeninguittreksel aangehecht aan het origineel als aan de kopie van de dagvaarding.

2. Op de dagvaarding, betekend aan de heer L. V. I., doch waarvan het afschrift ontvangen werd door zijn moeder mevrouw E. D. D., is als datum enkel vermeld : Heden, 1900 tweeënnegentig.

Aan diezelfde dagvaarding is als vierde en laatste blad een rekeninguittreksel gehecht voor achterstallen met betrekking tot het derde kwartaal 1988 tot het tweede kwartaal 1990 voor een totaalbedrag van 647.201 frank, maar waarvan de optelling van de achterstallen en de aanmaningskosten resulteert in 136.906 frank. (Hetzelfde rekeninguittreksel vindt men ook terug bij de dagvaarding in het dossier van de rechtspleging).

3. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 20 april 2010 werden de erfgenamen V. I. veroordeeld tot betaling van euro 16.043,69 in hoofdsom, meer de gerechtelijke intresten vanaf 2 juli 2009 en de gerechtskosten.

4. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 20 augustus 2010, tekenden de erfgenamen V. I. hoger beroep aan tegen dit vonnis. Ze vroegen dat de oorspronkelijke vordering onontvankelijk, ontoelaatbaar of minstens ongegrond zou worden verklaard, minstens dat de verjaring zou worden vastgesteld voor de bijdragen van het eerste kwartaal 1980 tot en met het vierde kwartaal 1987 en dat de intresten verder zouden worden herleid.

Partena aanvaardde de verjaring voor de kwartalen 1/1980 tot en met 4/1985 en herleidde de hoofdsom tot euro 8.439,39 ( meer de intresten en de kosten)

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep van de erfgenamen V. I. tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk.

De geldigheid van de dagvaarding.

2. Op grond van artikel 43 Ger. W. moet het exploot van betekening door de optredende gerechtsdeurwaarder ondertekend zijn en op straffe van nietigheid o.m. vermelden:

de dag, de maand en het jaar, en de plaats van betekening.

Artikel 702 Ger. W. bepaalt:

Behalve de vermeldingen bepaald in artikel 43, bevat het exploot van dagvaarding op straffe van nietigheid, de volgende opgaven:

1° ...

2° ...

3° het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering

4° ...

5° ...

Artikels 860, 861, 862 en 867 Ger. W. bepalen:

Art. 860. Wat de verzuimde of onregelmatig verrichte vorm ook zij, geen proceshandeling kan nietig worden verklaard, indien de wet de nietigheid ervan niet uitdrukkelijk heeft bevolen...

Art. 861. De rechter kan een proceshandeling alleen dan nietig verklaren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt.

Art. 862 §1. De regel van artikel 861 geldt niet voor een verzuim of een onregelmatigheid betreffende:

1°...

2°...

3° de vermelding van de datum van de akte wanneer die noodzakelijk is om de gevolgen van de akte te beoordelen.

Art. 867. Het verzuim of de onregelmatigheid van de vorm van proceshandeling, met inbegrip van de niet-naleving van de in deze afdeling bedoelde termijnen of van de vermelding van een vorm, kan niet tot nietigheid leiden, wanneer uit de gedingstukken blijkt dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt, of dat die niet-vermelde vorm wel in acht is genomen.

In uitvoering van deze bepalingen besliste het Hof van Cassatie dat, wanneer in de dagvaarding de datum van betekening onvolledig is vermeld, de rechter ingevolge artikel 867 Ger. W. wettig beslist dat het verzuim geen nietigheid van de rechtspleging tengevolge heeft, wanneer uit andere gedingstukken of uit andere gegevens van de dagvaarding met zekerheid de volledige en juiste datum van de betekening blijkt (Cass., 12 september 1988, JTT 1988, 423; RW 1988-89, 648).

De datum van de dagvaarding.

3. Het exploot van dagvaarding dat zich in het dossier van de rechtspleging bevindt, vermeldt als datum negentiende juni 1900 tweeënnegentig.

De griffie van de arbeidsrechtbank heeft dit exploot ook op dezelfde datum afgestempeld.

De heer L. V. I. legt een kopie van deze dagvaarding voor, waaruit blijkt dat de woorden negentiende juni op zijn exemplaar niet zijn ingevuld, maar op de achterzijde van dit stuk heeft de gerechtsdeurwaarder wel de datum 19 juni 1992 met een stempel aangebracht.

Het exemplaar van L. V. I. werd ontvangen door zijn moeder, mevrouw E. D. D., die zelf ook werd gedagvaard, doch die haar afschrift niet voorbrengt, evenmin als dit van haar dochter B. V. I. , van wie ze het afschrift eveneens in ontvangst nam.

In die omstandigheden kan uit de datumstempel van de gerechtsdeurwaarder van 19 juni 1992 en uit het exemplaar van de dagvaarding, zoals het zich bevindt in het dossier van de rechtspleging, met voldoende zekerheid de volledige en juiste datum van de dagvaarding aan de heer L. V. I. worden afgeleid.

Bovendien kan uit de onmiddellijke reactie van de raadsman van de erfgenamen bij brief van 22 juni 1992 aan de voorzitter van de arbeidsrechtbank worden besloten dat de dagvaarding het doel bereikt had, dat de wet ermee beoogde.

Anders dan de erfgenamen voorhouden, is de datum van de dagvaarding niet noodzakelijk om de gevolgen van de verjaring te beoordelen, omdat de verjaring gestuit werd door de aangetekende aanmaningsbrieven van 1 augustus 1991 en Partena aanvaardt dat de bijdragen voor de kwartalen 1/80 tot en met 4/1985 verjaard zijn.

Samen met het Openbaar Ministerie kan dan ook worden besloten dat de eerste rechter terecht aanvaard heeft dat de dagvaarding niet nietig kan worden verklaard omwille van het ontbreken van de datum op het exemplaar van de heer L. V. I. .

Het hoger beroep is op dit punt dan ook ongegrond.

Het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering.

4. Op grond van artikel 702, 3° Ger. W. moet de dagvaarding op straffe van nietigheid het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering bevatten.

Met de woorden korte samenvatting van de middelen wordt geen rechtsregel bedoeld, maar wel de feitelijke gegevens die aan de vordering ten grondslag liggen (Cass., 24 november 1978, Arr. Cass. 1978-79, 341).

De nietigheid wegens schending van artikel 702, 3° Ger. W. is een relatieve nietigheid, zodat in overeenstemming met artikel 861 Ger. W. moet vaststaan of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt.

Deze belangenschade wordt afgemeten aan de mogelijkheid van de verweerder om zich te verdedigen op basis van de feiten die in de dagvaarding zijn opgenomen (S. Gilson, À propos des décisions et citations de l' O.N.S.S.: exceptio obscuri libelli..., Soc. Kron. 2004, 514 en de rechtsleer en rechtspraak aangehaald in de voetnoten 2 tot 5).

De belangenschade kan mogelijk ook zonder voorwerp worden door de overmaking van het dossier ( dezelfde auteur, en de rechtspraak besproken in de voetnoten 6 en 7).

Bij het innen van bijdragen sociale zekerheid wordt doorgaans aangenomen dat de innende instantie in de dagvaarding het globale bedrag van de achterstallen vermeldt, terwijl de precisering van de achterstallen opgegeven wordt in het met de dagvaarding betekende rekeninguittreksel (S. Gilson, aw, Soc. Kron 2004, 514-515).

5. Het met de dagvaarding betekende rekeninguittreksel dient dan wel correct en volledig te zijn, wat in onderhavige zaak niet het geval was.

Immers, het in de dagvaarding van 19 juni 1992 vermelde bedrag betrof 647.201 frank, terwijl de optelling van de achterstallen in het rekeninguittreksel slechts 136.449 frank bedroeg.

De raadsman van de erfgenamen heeft onmiddellijk in zijn schrijven van 22 juni 1992 gemeld dat zijn cliënten de vordering betwisten en dat de cijfers van het rekeninguittreksel niet kloppen. Anders dan Partena voorhoudt, hebben appellanten dus wel degelijk gewezen op het onjuiste rekeninguittreksel, zodat Partena in staat gesteld werd om onmiddellijk de noodzakelijke verduidelijking te geven. Er kan op dit punt geen onbehoorlijke proceshouding aan appellanten worden verweten.

Gedurende meer dan 17 jaar wordt vervolgens het dossier door het sociale verzekeringsfonds onaangeroerd gelaten en het is slechts door de besluiten van de VZW Partena van 19 november 2009 dat het volledige rekeninguittreksel wordt meegedeeld, zodat de erfgenamen dan kennis kunnen nemen van het feit dat het gevorderde bedrag betrekking heeft op achterstallige bijdragen vanaf het eerste kwartaal 1980 in plaats van vanaf het derde kwartaal 1988.

Samen met het Openbaar Ministerie meent het hof dat een dergelijke laattijdige mededeling van de juiste gegevens van de vordering de erfgenamen van de heer F. V. I. alleszins schaadt in hun rechten van verdediging. Zij konden er zich geen rekenschap van geven dat de vordering eigenlijk betrekking had op een veel ruimere periode dan aangegeven was in het onvolledige rekeninguittreksel dat gevoegd was bij de inleidende dagvaarding en het is aannemelijk dat zij eind 2009 nog slechts zeer moeilijk gegevens konden terugvinden over de financiële situatie van wijlen de heer F. V. I. , temeer daar deze periode nog doorkruist werd door het faillissement van de cuius.

Partena ondervond bovendien zelf de moeilijkheid dat na verloop van een lange periode de correcte stukken en informatie niet altijd meer kunnen worden teruggevonden, want ze diende de verjaring te aanvaarden voor de kwartalen 1/1980 tot 4/1985 omdat ze hiervoor de stuitingbewijzen niet meer kon voorleggen. Des te meer zal deze hinder zich opdringen aan erfgenamen, wiens echgenoot/vader failliet verklaard werd.

Hun rechten van verdediging zijn dan ook geschaad; het feit dat de sociale zekerheidswetgeving de openbare orde raakt, doet daaraan geen afbreuk. Appellanten hebben immers het recht om zich ordentelijk te verdedigen tegen de vorderingen van het sociale zekerheidsfonds, dat voorhoudt dat bijdragen niet zijn betaald.

6. Voor de dagvaarding werden de erfgenamen bij aangetekend schrijven van 1 augustus 1991 wel uitgenodigd om elk een derde van de schuld van wijlen de heer F. V. I. t.b.v. 614.194 frank te voldoen, maar ook aan deze ingebrekestelling was geen rekeninguittreksel gehecht.

Op 27 januari 1992 verzond het sociale verzekeringsfonds een ingebrekestelling met het volledige rekeninguittreksel, maar dan naar wijlen de heer F. V. I. , die reeds sedert 28 augustus 1990 overleden was. Deze ingebrekestelling had geen zin meer en diende aan de erfgenamen te zijn gericht, die aan het sociaal verzekeringsfonds bekend waren, zoals blijkt uit de brief van 1 augustus 1991; er is geen enkele zekerheid dat ze de erfgenamen heeft bereikt.

De overige aangebrachte elementen, zoals de verwijzing naar de meldingsplicht van de sociale verzekerde bij wijziging van situatie (Partena kende de erfgenamen op 27 januari 1992) alsook de gegevens over de verjaarde periode, zijn irrelevant en kunnen aan het bovenstaande geen afbreuk doen.

7. Door het onvolledige rekeninguittreksel en de onzekerheid over de juiste kwartalen waarop de vordering betrekking had, wat slechts meer dan 17 jaar na de datum van de dagvaarding door geïntimeerde verduidelijkt werd, werden de belangen van de erfgenamen geschaad om zich behoorlijk te verdedigen op de inhoud van de dagvaarding.

De dagvaarding is dan ook nietig bij toepassing van artikel 861 Ger. W., zodat de vordering onontvankelijk is.

Het hoger beroep is aldus gegrond.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van advocaat-generaal JJ André van 6 oktober 2011, waarop zowel appellanten als geïntimeerde partij repliceerden,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende;

Zegt voor recht dat de inleidende dagvaarding van 19 juni 1992 nietig is en verklaart de oorspronkelijke vordering onontvankelijk.

Veroordeelt de VZW Partena tot de kosten van beide aanleggen

deze aan de zijde van appellanten vereffend op

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg basisbedrag euro 1.100

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep basisbedrag geïndexeerd euro 990

totaal euro 2.090

En voor zover als nodig aan de zijde van Partena begroot en vereffend op

- dagvaarding euro 162,77

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg basisbedrag euro 1.100,00

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep basisbedrag geïndexeerd

euro 990,00

totaal euro 2.252,77

Aldus gewezen door de 9de Kamer van het Arbeidshof te Brussel samengesteld uit

Mevrouw B. CEULEMANS, Eerste Voorzitter,

De Heer L. LENAERTS, Raadsheer,

De Heer A. MERTENS, Raadsheer in sociale zaken als zelfstandige arbeider,

Mevrouw L. HERREGODTS, griffier.

B. CEULEMANS, L. LENAERTS,

L. HERREGODTS, A. MERTENS.

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 9de kamer van het Arbeidshof te Brussel op maandag 5 december 2011, waar aanwezig waren :

Mevrouw B. CEULEMANS, Eerste Voorzitter,

Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier

B. CEULEMANS. L. HERREGODTS.

Vrije woorden

  • Gerechtelijk recht

  • Ger. W. art. 43, 702, 3° en 861 Ger. W.

  • Relatief nietige dagvaarding