- Arrest van 16 december 2011

16/12/2011 - 2010/AB/1191

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer een werknemer na enkele niet optimale evaluaties aangeeft dat het zo niet verder kan en wanneer de werkgever daarop volgend in grote lijnen tegemoet komt aan de brugpensioenvoorstellen van de werknemer, kan deze niet inroepen dat zijn ontslag gegeven werd met schending van zijn bescherming wegens tijdskrediet.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 16 DECEMBER 2011

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

B. M.,

appellant,

vertegenwoordigd door mr. STAPPERS Koen, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Vlaamse Kaai 54-57.

Tegen:

AVEVE NV, met maatschappelijke zetel te 3000 LEUVEN, Minderbroedersstraat 8,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. RONDELEZ Stéphanie loco mr. ROOSENS Peter, advocaat te 3000 LEUVEN, Maria-Theresiastraat 34 A.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 24 juni 2010 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 1e B kamer (A.R. 09/1831/A).

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 24 december 2010;

- de conclusie en de syntheseconclusie voor de appellant neergelegd ter griffie, respectievelijk op 8 juni 2011 en 8 september 2011,

- de conclusie en de syntheseconclusies voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 8 april 2011, 18 juli 2011 en 4 november 2011;

- de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 18 november 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 24 oktober 1979 sloten de heer M. B. en de NV Aveve een arbeids-overeenkomst voor bedienden van onbepaalde tijd, die inging op 1 november 1979 en waardoor de heer B. werd aangeworven als industrieel ingenieur.

Op 29 maart 2001 ondertekenden de partijen een bijlage, waardoor met ingang van 1 april 2001 de arbeidsduur bij wijze van loopbaanvermindering werd herleid tot 80%.

De heer B. ontving jaarlijks een prestatiebeoordeling, die schommelde rond C+, wat staat voor functioneert goed (de norm), maar waarin meermaals opmerkingen werden gemaakt over zijn externe, maar vooral interne communicatie en het respecteren van deadlines en planning.

2. Naar aanleiding van een e-mail van de werkgever van 6 maart 2006, reageerde de heer B. met een nota van 7 maart 2006 aan zijn overste en aan de adjunct directeur-generaal van Aveve dat hij weinig tijd had voor het opmaken van de gevraagde zoneringsplannen en dat hij hiervoor bijkomende hulp vroeg.

Hij beklaagde zich over het stijgende werkvolume en hij stelde het volgende voor:

Bovendien word ik deze maand 55 jaar. Zoals het generatiepact er nu uitziet, denk ik dat ik op 60 jaar met brugpensioen zal kunnen gaan, wat ik zeker graag zou doen.

Eventueel (en indien mogelijk) zou ik een overgang naar een halftijdse job overwegen. Dit zou voor jullie bovendien een "goedkope" gelegenheid zijn om een tweede persoon samen met mij deze job te laten uitvoeren....

Ik hoop jullie met deze brief voldoende duidelijk gemaakt te hebben dat het zo niet verder kan en dat we de zaken samen zullen moeten bespreken en organiseren.

In een navolgende nota van 28 maart 2006 herinnerde de heer B. aan dit voorstel van deeltijdse arbeid. Hij beklaagde zich erover dat een afspraak niet was kunnen doorgaan en dat hij bovendien teleurgesteld was dat op een bericht dat niet alleen Aveve aanbelangt maar ook mij als mens, niet eens wordt geantwoord.

Hij drong dan ook met nadruk aan op een dergelijk antwoord.

Aveve vroeg hem in een e-mail van 28 maart 2006 nog wat geduld omwille van een aan de gang zijnde onderzoek naar zijn voorstel van 7 maart 2006.

3. Bij overeenkomst van 13 april 2006 tussen partijen werd de arbeidstijdregeling van de heer B. herleid tot 50% omwille van tijdskrediet.

Bij aangetekende brief van 23 november 2006 werd de arbeidsovereenkomst van de heer B. beëindigd met een opzeggingstermijn van 28 maanden, aanvangend op 1 december 2006.

Op 22 november 2006 hadden de partijen een onderlinge overeenkomst ondertekend, waardoor de heer B. tijdens deze opzeggingstermijn vrijgesteld werd van prestaties met aanbod van outplacement en met afspraken voor het geval de heer B. ondertussen een nieuwe arbeidsovereenkomst zou aangaan.

4. Op 11 januari 2007 stelde de raadsman van de heer B. Aveve in gebreke in betaling van een beschermingsvergoeding van 6 maanden, omdat hij tijdens een periode van tijdskrediet werd ontslagen.

Bij antwoordschrijven van Aveve van 26 januari 2007 wees de werkgever deze aanspraak af omdat het ontslag het gevolg was van een dermate verslechterde vertrouwensituatie met de directie over de jaren heen dat samenwerking onmogelijk werd.

Op 26 februari 2007 reageerde de raadsman van de heer B. dat hij het niet eens was met deze reden en dat hij voorbehoud bleef maken voor de beschermings-vergoeding.

Bij aangetekende brief van 9 maart 2009 werd gemeld dat de opzeggingstermijn van 28 maanden om reden van schorsingen tijdens de opzeggingstermijn verlengd werd en eindigde op 31 maart 2009. Niet betwist wordt dat de heer B. na deze datum op 58 jaar met brugpensioen is gegaan.

5. Op 6 oktober 2009 dagvaardde de heer B. Aveve door de arbeidsrechtbank te Leuven in betaling van de beschermingsvergoeding tijdskrediet van euro 32.809,64, meer de wettelijke en gerechtelijke intresten plus de kosten en in afgifte van de aanvullende sociale en fiscale bescheiden.

6. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven van 24 juni 2010 werd deze vordering afgewezen als zijnde ongegrond. De arbeidsrechtbank oordeelde dat Aveve op voldoende wijze aantoonde dat het ontslag van de heer B. vreemd was aan de uitoefening van diens recht op vermindering van arbeidsprestaties.

Aveve maakt melding van de betekening van dit vonnis op 24 november 2010.

7. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 24 december 2010, tekende de heer B. hoger beroep aan en hernam hij zijn oorspronkelijke vordering.

II. BEOORDELING

1. Gelet op de voorhouden betekening van 24 november 2010, werd het hoger beroep op 24 december 2010 alleszins tijdig aangetekend. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk.

Beschermingsvergoeding tijdskrediet

2. Op grond van artikel 20 §2 van de C.A.O. nr. 77 bis mag de werkgever geen handeling verrichten die tot doel heeft éénzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking behalve om een dringende reden als bedoeld in artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet of om een reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst of de vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking vanwege de uitoefening van het recht op tijdskrediet.

Wanneer de werkgever in de periode van het ontslagverbod van artikel 20 §2 de dienstbetrekking éénzijdig wijzigt, moet hij bewijzen dat hij de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd om een dringende reden of om een reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de uitoefening van het recht op tijdskrediet (Cass. 14 januari 2008, JTT 2008, 243).

3. Het hof treedt de beoordeling van de eerste rechter bij dat het ontslag van de heer B. vreemd was aan de uitoefening van zijn recht op tijdskrediet.

Aveve grondt de reden van het ontslag in de verslechterde vertrouwensrelatie met de directie; het hof kan niet anders dan vaststellen dat de heer B. zelf in zijn nota van 7 maart 2007 kritiek geeft op zijn taakinvulling en daarbij aangeeft dat het zo niet verder kan. Niettemin stelt hijzelf in deze nota voor om over te gaan naar halftijds tijdskrediet en daarna van zodra het mogelijk is op brugpensioen te gaan

(Anders dan de heer B. in besluiten voorhoudt, stelde hij het in deze nota niet voor als zou hij slechts op 56 jaar het tijdskrediet hebben willen uitgebreid zien naar halftijds, hij zegt enkel dat zijn toekomstige vervanger gedurende een viertal jaren zou kunnen inlopen).

4. Aveve is aan de wens van de heer B. tegemoetgekomen door hem de gevraagde verruiming van het tijdskrediet al vanaf 1 mei 2006 toe te kennen, wat bevestigd werd in een door beide partijen ondertekende bijlage van de arbeidsovereenkomst van 13 april 2006.

5. De arbeidsovereenkomst van de heer B. werd met ingang van 1 december 2006 opgezegd voor een duur van 28 maanden, die wegens schorsing van de opzeggingstermijn zou lopen tot 31 mei 2009, maar naar aanleiding van de betekening van de opzegging werd tussen partijen een overeenkomst gesloten, waardoor hij gedurende gans de opzeggingstermijn werd vrijgesteld van prestaties.

Niet betwist wordt dat de heer B. na deze opzeggingstermijn op 58 jaar met brugpensioen is gegaan, en dit in overeenstemming met de aankondiging en het verzoek van zijn raadsman van 25 mei 2009.

6. Hieruit kan afgeleid worden dat de werkgever in ruime mate heeft willen tegemoet komen aan het verzoek van de heer B. van 7 maart 2007. De uiteindelijke uitwerking van deze vraag was door de vrijstelling van prestaties zelf nog genereuzer dan wat in het verzoek werd vooropgesteld.

7. Aveve houdt voor dat zij deze regeling heeft uitgewerkt omwille van de verslechterde vertrouwensrelatie met de directie over de jaren heen.

Uit de jaarlijkse persoonsbeoordelingen volgt dat de heer B. de vooropgestelde normen gewoonlijk wel bereikte maar dat er toch herhaaldelijk opmerkingen werden geformuleerd over zijn communicatie en zijn opvolging van de planning.

Ondanks de verbeteringen in 2005 op het vlak van communicatie, bevestigde de productmanager van de heer B. , mevrouw A. V., dat einde 2006 haar persoonlijke samenwerking en deze van de andere collega's met de heer B. zeer moeilijk was geworden, waardoor de sfeer onder het personeel in Landen sterk begon te verslechteren.

Ondanks de ook positieve elementen in de beoordelingen, waarop de heer B. de nadruk legt, blijkt hieruit dat er samenwerkingsproblemen waren. Dit wordt ook geïllustreerd door de nota van de heer B. van 7 maart 2006, waarin hijzelf aangeeft en benadrukt dat het zo niet verder kon.

8. Deze elementen samen genomen, doen dan ook besluiten dat Aveve omwille van een moeilijke samenwerking tussen de heer B. en zijn directie, ingegaan is op een voorstel tot loopbaanafbouw van de heer B. en hierbij een formule heeft uitgewerkt die zelfs nog voordeliger was dan het aanvankelijke voorstel van betrokkene.

Hieruit vloeit voort dat de aard en de oorsprong van de reden van het ontslag vreemd was aan de vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking vanwege zijn uitoefening van het recht op tijdskrediet.

Terecht heeft de eerste rechter dan ook vastgesteld dat de heer B. geen aanspraak kan maken op de beschermingsvergoeding tijdskrediet bij toepassing van artikel 20 van de CAO 77 bis NAR.

Het hoger beroep is daardoor ongegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt de heer B. tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van beide partijen begroot en door het hof vereffend op:

- rechtsplegingsvergoeding beroep basisbedrag euro 2.200.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Lucrèce REYBROECK, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Daniël HEYVAERT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Lucrèce REYBROECK, Daniël HEYVAERT.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 16 december 2011 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Vrije woorden

  • Arbeidsovereenkomsten Tijdskrediet -CAO 77bis NAR 19 december 2001, artikel 20§2