- Arrest van 10 september 2012

10/09/2012 - 2011/AA/352

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 6.1 EVRM is van toepassing op de vordering aangaande de erkenning van het percentage van blijvende arbeidsongeschiktheid.

De beslissing van de Gerechtelijk geneeskundige dienst bindt de bevoegde overheid en bindt de rechter. Dit betreft een materiële beperking maar de toegang tot de rechter blijft mogelijk. Er is geen schending van het gelijkheidsbeginsel, door het loutere feit dat de werkgever niet betrokken wordt in de procedure. Hoewel het twee verschillende stelsels betreft, is de werkgever in de privésector evenmin aanwezig bij het geneeskundig onderzoek. Er is geen schending van de tegenspraak zoals gewaarborgd in artikel 6.1 EVRM, nu de werkgever opmerkingen kan formuleren aan de rechter.


Arrest - Integrale tekst

zevende kamer

tussenarrest op tegenspraak

(heropening der debatten)

arbeidsongeval (openbare sector) ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

afdeling Antwerpen

ARREST

AR nr. 2011/AA/352

OPENBARE TERECHTZITTING VAN TIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN TWAALF

in de zaak:

De STAD BRUSSEL,

vertegenwoordigd door haar College van Burgermeester en Schepenen, met kantoren gevestigd te 1000 Brussel, Anspachlaan 6,

appellante,

verschijnend bij mr. G. De Coene loco mr. J.-P. Lagasse, advocaat te 1030 Brussel,

tegen:

A.V.D.,

wonende te ...,

geïntimeerde,

verschijnend bij mr. E. Joris loco mr. F. Coel, advocaat te Mechelen.

Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest.

Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen van 12 september 2011 en 18 juni 2012.

Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer:

- de dagvaarding van de stad Brussel, betekend aan A.V.D. door J. Van Lierde, gerechtsdeurwaarder te Mechelen, op 15 juni 2006;

- het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van 7 juni 2010 van de arbeidsrechtbank te Mechelen, waarbij, alvorens verder recht te spreken, ambtshalve de heropening van de debatten werd bevolen;

- het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van 28 februari 2011 van de arbeidsrechtbank te Mechelen, waarbij de hoofdvordering van de stad Brussel ontvankelijk werd verklaard en de tegenvordering van A.V.D. ontvankelijk werd verklaard, doch alvorens hierover verder recht te spreken, ambtshalve de heropening van de debatten werd bevolen; er werd geen akte van betekening van dit vonnis bijgebracht;

- het verzoekschrift tot het instellen van hoger beroep, uitgaande van de Stad Brussel, neergelegd ter griffie van dit hof op 9 juni 2011, regelmatig ter kennis gebracht aan de stad Antwerpen overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de beschikking d.d. 12 september 2011 met toepassing van artikel 747, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de conclusie voor A.V.D., neergelegd ter griffie van dit hof op 8 december 2011;

- de conclusie voor de stad Brussel, ontvangen ter griffie van dit hof op 24 februari 2012.

Partijen verklaarden op de openbare terechtzitting van 18 juni 2012 elkaars laattijdig neergelegde conclusies te aanvaarden, zodat zij niet worden geweerd uit de debatten (cfr. PV zittingsblad d.d. 18 juni 2012).

Gelet op de regelmatige oproeping van partijen overeenkomstig artikel 747, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek voor de openbare terechtzitting van 18 juni 2012.

De partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 18 juni 2012, waarna de debatten werden gesloten en het hof de zaak in beraad nam.

1. Ontvankelijkheid.

Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist; het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk verklaard te worden.

2. Feiten en voorgaanden.

A.V.D., politie-inspecteur, werd op 21 december 2001, omstreeks 15.45 uur, het slachtoffer van agressie als gevolg van een interventie in de nabijheid van het winkelcentrum City 2 te Brussel.

Hierbij liep hij kneuzingen op aan de linkerwang, kaakbeen, rechterduim, wervelkolom en rechterknie.

Hij was arbeidsongeschikt van 21 december 2001 tot 23 december 2001, waarna deze arbeidsongeschiktheid werd verlengd tot 30 december 2001.

De stad Brussel erkende op 8 mei 2002 voormeld ongeval als een arbeidsongeval (bundel A.V.D., kaft I - st. 3).

Met schrijven van 31 mei 2002 werd de aangifte van arbeidsongeval door de stad Brussel overgemaakt aan de Gerechtelijk Geneeskundige Dienst (kort: GGD) met toepassing van artikel X.III.7, tweede lid van het K.B. van 30 maart 2001 "tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten".

Op 30 november 2004 maakte de behandelend arts van de heer V.D., dr. K. M., een verslag over aan de geneesheer-expert van de GGD, dr. B., waarin deze verklaarde dat de heer V.D. depressieve symptomen vertoonde en een posttraumatisch stresssyndroom had.

Dr. Massant kwam tot de conclusie dat A.V.D. niet meer in staat was om zijn werk als politieagent op het terrein te vervullen. Hij achtte de kans op een suicide of paracide bij hoge stress niet onwaarschijnlijk. Gezien de reeds intensieve behandelingen die de heer V.D. had ondergaan verwachtte hij in de toekomst hierin geen verandering. Hij achtte de heer V.D. wel in staat tot een loutere administratieve functie.

Na geneeskundig onderzoek van de GGD op 14 februari 2005 werd met een aangetekend schrijven de beslissing van de GGD aan A.V.D. betekend op 27 april 2005 met toepassing van artikel X.III.14 van het K.B. van 30 maart 2001:

De GGD aanvaardde volgende gevolgen van het arbeidsongeval van 21 december 2001:

"posttraumatische stressstoornis met depressieve symptomen

Subjectief: - depressieve stemming - prikkelbaarheid

- herbeleving onder vorm van nachtmerries

- overmatige emotionele reacties

- vermijdingsgedrag

Objectief: zie verslag dokter K. M. d.d. 30 november 2004."

De GGD weerhield een gedeeltelijke blijvende arbeidsongeschiktheid van 50% en stelde de datum van consolidatie vast op 30 november 2004.

De GGD bepaalde dat volgende afwezigheden in causaal verband stonden met het arbeidsongeval van 21 december 2001:

"Totale ongeschiktheid van 3 dag(en) vanaf 21/12/2001

Totale ongeschiktheid van 7 dag(en) vanaf 24/12/2001

Gedeeltelijke ongeschiktheid van 50 % van 30 dag(en,) vanaf 01/07/2002

Gedeeltelijke ongeschiktheid van 50 % van 30 dag(en) vanaf 31/07/2002

Gedeeltelijke ongeschiktheid van 50 % van 30 dag(en) vanaf 30/08/2002

Gedeeltelijke ongeschiktheid van 50 % van 30 dag(en) vanaf 17/02/2003

Gedeeltelijke ongeschikt held van 50 % van 30 dag(en,) vanaf 19/03/2003

Gedeeltelijke ongeschiktheid van 50 % van 30 dag(en) vanaf 18/04/2003

Gedeeltelijke ongeschikt held van 50 % van 30 dag(en) vanaf 18/05/2003

Gedeeltelijke ongeschiktheid van 50 % van 30 dag(en) vanaf 17/06/2003

Gedeeltelijke ongeschiktheid van 50 % van 30 dag(en) vanaf 17/07/2003

Gedeeltelijke ongeschiktheid van 50 % van 30 dag(en) vanaf 1 6/08/2003

Gedeeltelijke ongeschiktheid van 50 % van 16 dag(en) vanaf 15/09/2003

Gedeeltelijke ongeschiktheid van 20 % van 30 dag(en) vanaf 08/11/2003

Gedeeltelijke ongeschiktheid van 20 % van 30 dag(en) vanaf 15/12/2003".

Aangezien De stad Brussel zich hiermee niet akkoord kon verklaren, dagvaardde zij A.V.D. op 15 juni 2006 voor de arbeidsrechtbank te Mechelen, teneinde te horen zeggen voor recht dat A.V.D. ingevolge het arbeidsongeval van 21 december 2001 geen blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid heeft overgehouden en de beslissing van 27 april 2005 van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu (waaronder de GGD ressorteert) teniet te doen.

In ondergeschikte orde vorderde De stad Brussel een geneesheer-deskundige aan te stellen met de gebruikelijke opdracht inzake arbeidsongevallen, met het oog op het verlenen van een advies in verband met de duur van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid, de datum van consolidatie en de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid die A.V.D. opliep als gevolg van het arbeidsongeval van 21 december 2001.

"Kosten als naar recht".

Tenslotte vorderde De stad Brussel het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en niettegenstaande elk aanbod tot kantonnement.

Met syntheseconclusie, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 30 juni 2008, vorderde A.V.D. de hoofdvordering van de stad Brussel niet ontvankelijk, minstens ongegrond, te verklaren.

- A.V.D. stelde een tegenvordering in waarbij hij verzocht deze ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens te zeggen voor recht dat hij t.a.v. de stad Brussel recht heeft op vergoeding wegens het hem overkomen arbeidsongeval op 21 december 2001, vergoeding te berekenen overeenkomstig de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector en overeenkomstig het K.B. van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en dit op basis van:

- een blijvende arbeidsongeschiktheid van 50%;

- consolidatiedatum: 30 november 2004;

- verder vorderde A.V.D. te zeggen voor recht dat de stad Brussel hem hiervan in kennis dient te stellen overeenkomstig artikel X.III.19 van het K.B. van 30 maart 2001, binnen de twee maanden na de uitspraak van het vonnis, op straffe van een dwangsom van 50 EUR per dag vertraging;

- A.V.D. vorderde ten slotte het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

A.V.D. was van oordeel dat vermits de beslissing van de GGD bindend is voor de betrokken overheid, deze laatste de nietigheid ervan niet kan vorderen voor de arbeidsrechtbank en enkel het slachtoffer of zijn rechthebbenden beroep kunnen aantekenen bij de arbeidsrechtbank indien zij niet akkoord gaan met het door de GGD vastgestelde percentage van blijvende invaliditeit. Overeenkomstig art. X.III.18 van voormeld K.B. van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten kan de overheid immers enkel nagaan of de toekenningsvoorwaarden vervuld zijn en onderzoek voeren naar de bestanddelen van de geleden schade.

De stad Brussel daarentegen was de mening toegedaan dat voormeld K.B. van 30 maart 2001 niet voorziet dat de overheid of de door de overheid aangeduide dienst betrokken worden in de procedure van medisch onderzoek. Om die reden verschilt dit K.B. en de wet van 3 juli 1967 en het K.B. van l3 juli 1970 van de wet van 10 april 1971 in de mate dat er geen verzoeningsprocedure is tussen het slachtoffer van het ongeval en diegene die uitkeringen verschuldigd is. Volgens de stad Brussel is het gelijkheidsbeginsel geschonden, temeer indien men zou aannemen dat zij de beslissing van de GGD niet zou mogen betwisten voor de arbeidsrechtbank.

Bovendien zou er volgens de stad Brussel een schending zijn van artikel 6 EVRM omdat overeenkomstig dit artikel iedere partij over de mogelijkheid dient te beschikken om kennis te nemen van alle stukken om ze te kunnen bespreken of van alle opmerkingen voorgelegd aan de rechter, met het oog op het beïnvloeden van zijn beslissing. Volgens de stad Brussel kan zij in de praktijk de resultaten van het medisch onderzoek niet bespreken.

Bij tussenvonnis van 7 juni 2010 hebben de eerste rechters ambtshalve de heropening van de debatten bevolen teneinde partijen toe te laten hun standpunten toe te lichten met betrekking tot het feit of de bepalingen van het K.B. van 30 maart 2001, krachtens dewelke de medische beslissing van de GGD bindend is voor de stad Brussel een "materiële" dan wel een "procedurele" beperking uitmaakt in het kader van artikel 6 EVRM en of het feit dat de beslissing van de GGD bindend is niet volgt uit het feit van de rechtspositie van A.V.D. en overeenstemt met de logica van het systeem in het kader van een mogelijke schending van het gelijkheidsbeginsel.

Met tussenvonnis van 28 februari 2011 heropenden de eerste rechters opnieuw ambtshalve de debatten teneinde de stad Brussel toe te laten de berekening van de bezoldiging waarop de rente wordt berekend alsnog neer te leggen.

De eerste rechters oordeelden dat artikel 6, § 1 van het EVRM niet geschonden werd.

Tevens oordeelden zij dat er geen sprake was van een schending van het gelijkheidsbeginsel.

Wat betreft de toepassing van het K.B. van 30 maart 2001, inzake de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, overwogen de eerste rechters onder andere dat de overheid en de arbeidsgerechten gebonden zijn aan het advies van de gerechtelijke geneeskundige dienst (vgl. Cass. 19 december 1994, JTT 1995, 238; Cass. 7 februari 2000, JTT 2000, 129, noot; Cass. 8 mei 2000, Arr. Cass. 2000, 871 met concl. J.F. Leclercq; Arbh. Antwerpen 23 mei 2005, AR 2040208, onuitg.), zodat zij niet voor recht konden zeggen dat geen blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid kon worden weerhouden en zij de beslissing d.d. 14 februari van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu niet konden teniet doen.

Volgens de eerste rechters kwam het bijgevolg evenmin aangewezen voor een deskundige aan te stellen om advies te verlenen over de gevolgen van het arbeidsongeval.

De hoofdvordering van de stad Brussel werd ongegrond verklaard.

Wat de tegenvordering van A.V.D. betrof, stelden de eerste rechters vast dat de berekening van de bezoldiging waarop de rente wordt berekend niet neerlag en zij heropenden de debatten teneinde de stad Brussel toe te laten deze alsnog neer te leggen.

De eerste rechters oordeelden dat A.V.D. recht heeft op de vergoedingen ingevolge het arbeidsongeval op 21 december 2001, vergoedingen te berekenen overeenkomstig de wet van 3 juli 1967 en het K.B. van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en zulks op basis van:

- een blijvende arbeidsongeschiktheid van 50%;

- met als consolidatiedatum 30 november 2004.

"Aangezien er thans een gerechtelijke procedure aanhangig is, dient de administratieve procedure waarbij de Stad Brussel verweerder hiervan in kennis dient te stellen overeenkomstig artikel XIII 19 van het voormeld KB van 30 maart 2001, niet meer gevolgd te worden, doch worden de gevolgen vastgelegd in een rechterlijke uitspraak, hetgeen een titel verleent aan het slachtoffer (cfr Arbh Antwerpen, 18 oktober 2010, AR 2010/AA/68, onuitg)."

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 9 juni 2011, tekende de stad Brussel hoger beroep aan tegen voormeld tussenvonnis d.d. 28 februari 2011.

3. Eisen in hoger beroep.

- De stad Brussel, appellante, vordert, wat betreft haar hoofdeis, in hoofdorde deze vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg voor recht te zeggen dat ingevolge het arbeidsongeval van 21 november 2001, A.V.D. geen blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid heeft overgehouden en de beslissing d.d. 14 februari 2005 van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu teniet te doen.

In ondergeschikte orde vordert appellante een geneesheer-deskundige aan te stellen met de gebruikelijke opdracht, teneinde advies te verstrekken over de duur van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid, de datum van consolidatie en de graad van blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid te bepalen. De kosten aan te houden.

In meer ondergeschikte orde vordert appellante, alvorens recht te spreken, aan het Grondwettelijk Hof volgende prejudiciële vraag te stellen:

"Schendt het artikel 19 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met de artikelen 6 §1 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden wanneer het beroep dat dit artikel 19 voorziet niet toelaat aan de tewerkstellende overheid de vaststelling van het percentage van blijvende ongeschiktheid te betwisten met het oog op de vermindering van dit percentage, in de zin die haar tot voordeel kan strekken, terwijl de publieke ambtenaar, slachtoffer van een arbeidsongeval die dergelijk beroep instelt, de vastlegging van het percentage van blijvende ongeschiktheid wel kan betwisten, met het oog op de verhoging van dit percentage, dit dus op een manier die hem tot voordeel kan strekken."

De kosten aan te houden.

Wat betreft de tegeneis vordert appellante deze vordering ongegrond te verklaren en geïntimeerde ervan af te wijzen. Te zeggen dat er geen dwangsom dient te zijn.

- A.V.D., geïntimeerde, vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, appellante integraal af te wijzen van het door haar gevorderde, het bestreden vonnis integraal te bevestigen en appellante te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen.

Geïntimeerde verzoekt het hof wat zijn tegenvordering betreft, waar deze ontvankelijk en gegrond verklaard werd verder uit te werken, appellante op te dragen de berekening van de bezoldiging waarop de rente dient te worden berekend neer te leggen alvorens recht te doen, dienvolgens te zeggen voor recht dat hij recht heeft op vergoeding voor het arbeidsongeval hem overkomen op 21 december 2001, vergoeding te berekenen overeenkomstig de wet van 3 juli 1967 en overeenkomstig het K.B. van 30 maart 2001 en zulks op basis van:

- een blijvende arbeidsongeschiktheid van 50%

- met als consolidatiedatum 30 november 2004.

Verder vordert geïntimeerde te zeggen voor recht dat de stad Brussel hem hiervan in kennis dient te stellen overeenkomstig artikel X.III.19 van het voormeld K.B. van 30 maart 2001, binnen de twee maanden na de uitspraak van het vonnis, op straffe van een dwangsom van 50 EUR per dag vertraging.

Tenslotte vordert geïntimeerde het tussen te komen arrest uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

4. Beoordeling.

4.1. De beslissing van de gerechtelijk geneeskundige dienst - wettelijk kader.

Artikel X.III.10. § l van het K.B. van 30 maart 2001 bepaalt de opdracht van de gerechtelijk geneeskundige dienst als volgt:

"In geval van arbeidsongeval bepaalt de gerechtelijk geneeskundige dienst de volgende medische aspecten:

1 ° de aard van de fysiologische letsels;

2° het medisch oorzakelijk verband tussen de letsels of het overlijden en de aangegeven feiten;

3° het percentage van de blijvende invaliditeit als gevolg van het fysiologisch letsel door het ongeval veroorzaakt;

4° de datum van de consolidatie van de letsels;

5° de tijdelijke werkonbekwaamheid die het gevolg is van het ongeval".

Deze bepaling voorziet aldus dat het percentage van de blijvende invaliditeit wordt vastgesteld door de gerechtelijk geneeskundige dienst (hierna: ‘GGD').

Volgens het besluit van de GGD van 14 februari 2005 is A.V.D., als gevolg van het arbeidsongeval van 21 december 2001, 50% blijvend arbeidsongeschikt vanaf 30 november 2004 (consolidatiedatum).

Deze beslissing werd door de GGD aan A.V.D. betekend bij aangetekend schrijven van 27 april 2005, overeenkomstig artikel X. III.14 van het K.B. van 30 maart 2001 (bundel geïntimeerde, stuk 5).

Tegen dit besluit is, voor het slachtoffer, beroep mogelijk bij de beroepskamer van de GGD overeenkomstig artikel X.III.15, eerste lid, van het K.B. van 30 maart 2001.

A.V.D. tekende geen beroep aan tegen deze beslissing.

Wanneer geen beroep aangetekend wordt, maakt de GGD haar gemotiveerde beslissing tevens bekend aan de bevoegde overheid (cfr. artikel X.III.15, tweede lid, K.B. 30 maart 2001).

In haar brief van 6 september 2005 bevestigde de stad Brussel, als bevoegde overheid, die beslissing inderdaad te hebben ontvangen (bundel appellante, st. 4).

De beslissing van de GGD beoogt de verplichtingen van de overheid, voortspruitend uit de wet van 3 juli 1967, vast te stellen (Cass. 20 maart 1981, Pas. 1981, I, 783).

Deze beslissing is derhalve bindend voor de betrokken overheid (M. BOLLAND, Approche juridique de la procédure d'octroi des rentes pour invalidité permanente en matière d'accidents de travail, J.T.T. 1991, (337), 344).

Dit bindend karakter blijkt tevens uit artikel X.III.18 van het K.B. van 30 maart 2001. Dit artikel omschrijft de taak van de overheid na ontvangt van de beslissing van de GGD als volgt:

"De in artikel X.III.7 bedoelde dienst gaat na of de toekenningsvoorwaarden van de vergoedingen vervuld zijn. Hij onderzoekt de bestanddelen van de geleden schade en bereidt de betaling van een rente voor."

De overheid kan bijgevolg enkel:

- nagaan of de toekenningsvoorwaarden vervuld zijn;

- onderzoek voeren naar de bestanddelen van de geleden schade.

Wanneer de overheid de "toekenningsvoorwaarden" nagaat, zal zij onderzoeken of de hoedanigheid van het slachtoffer of die van de rechtverkrijgenden beantwoordt aan de wettelijke vereisten (R. JANVIER, Arbeidsongevallen publieke sector, Brugge, die Keure, 1988, p. 403).

De overheid onderzoekt tevens de "bestanddelen van de geleden schade". Deze uitdrukking werd overgenomen uit het artikel 9 van het K.B. van 13 juli 1970 "betreffende de schadevergoeding ten gunste van sommige personeelsleden van provincies, gemeenten (...) voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar het werk."

Bij het onderzoek van de "bestanddelen van de geleden schade" is de tewerkstellende overheid gebonden, door het percentage van de blijvende invaliditeit, zoals vastgesteld door de GGD.

Dit werd als volgt gepreciseerd in het verslag aan de Koning bij het K.B. van 13 juli 1970 (Pas. 1970, p. 1080):

"A cette occasion, elle est liée par la décision du service médical, seul compétent pour déterminer le pourcentage d'invalidité permanente après avoir établi la relation de cause à effet entre l'accident et l'invalidité".

(Vrije vertaling: Bij die gelegenheid is (de bevoegde overheid) gebonden door de beslissing van de geneeskundige dienst die alleen bevoegd is om het

percentage van de blijvende invaliditeit te bepalen na het oorzakelijk verband tussen het ongeval en de invaliditeit te hebben vastgesteld.)

Destijds kon de overheid het door de geneeskundige dienst bepaalde percentage alleen maar verhogen (R. JANVIER, o.c., p. 403; voor een toepassing, zie Cass. 7 februari 2000, A.C. 2000, 313). Deze mogelijkheid werd niet overgenomen in het nieuwe artikel X.III.18 van het K.B. van 30 maart 2001.

Dat het percentage van de blijvende invaliditeit t.a.v. de overheid op bindende wijze wordt vastgesteld door de GGD, en dat de rechter gebonden is door deze wettelijke regeling, blijkt tevens uit een arrest van het Hof van Cassatie van 7 februari 2000:

"Wat het eerste onderdeel betreft:

Overwegende dat, krachtens artikel 4, § 1, laatste lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, de Koning de nadere regelen voor het bepalen van de blijvende invaliditeit vaststelt, onverminderd artikel 19;

Dat artikel 19 van deze wet bepaalt dat de geschillen met betrekking tot de toepassing van deze wet, ook die over de vaststelling van het percentage aan blijvende invaliditeit, worden verwezen naar de rechterlijke overheid die bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen met betrekking tot de vergoedingen, waarin de wetgeving inzake herstel van schade uit arbeidsongevallen of uit beroepsziekten voorziet;

Overwegende dat, blijkens de artikelen 3, 3° en 8 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 "betreffende de schadevergoeding ten gunste van sommige personeelsleden van provincies, gemeenten, (..), voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk", de geneeskundige dienst, zijnde de geneeskundige dienst belast met de erkenning van de ongeschiktheid die aan het personeelslid recht geeft op een definitief of tijdelijk vervroegd pensioen, het percentage vaststelt van de blijvende invaliditeit, die het gevolg is van het fysiologisch letsel dat door het ongeval werd veroorzaakt;

Overwegende dat, krachtens artikel 9 van dit besluit, de overheid aan wie de beslissing van de geneeskundige dienst is bekendgemaakt, oordeelt of er aanleiding bestaat om het aldus vastgestelde percentage van de blijvende invaliditeit te verhogen en aan het slachtoffer de betaling van een rente voorstelt op basis van de verminderde arbeidsongeschiktheid;

Dat uit de bepalingen van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 volgt dat de beslissing van de geneeskundige dienst voor de overheid bindend is in zoverre deze dienst een blijvende invaliditeit erkent en dat de overheid alleen het vastgestelde percentage kan verhogen;

Dat hieruit volgt dat de arbeidsrechtbank die oordeelt over een geschil met betrekking tot het percentage aan blijvende invaliditeit van een personeelslid van een gemeente, zoals bedoeld in artikel 19 van de wet van 3 juli 1967, geen lager percentage van blijvende invaliditeit kan toekennen dan datgene dat door de voormelde geneeskundige dienst is erkend;

Wat het tweede onderdeel betreft:

Overwegende dat, krachtens artikel 4, § 1, laatste lid, van de voormelde wet van 3 juli 1967, de Koning een regeling kan invoeren tot bindende erkenning van de graad van blijvende invaliditeit van het personeelslid;

Overwegende dat de in de artikelen 8, 9 en 10 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 uitgewerkte regeling voor het bepalen van de invaliditeit van het personeelslid aldus gebaseerd is op een wet;

Overwegende dat deze regeling op grond van wettelijke bepalingen uitgewerkt in een koninklijk besluit, geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van het arbeidsgerecht om de geschillen met betrekking tot het percentage aan blijvende invaliditeit te beslechten, ook al dient het arbeidsgerecht voormelde wettelijke regeling in acht te nemen"

(Cass. 7 februari 2000, AR S.99.0122.N, Soc. Kron. 2002, 61; zie ook Arbh. Antwerpen 10 maart 2008, Soc. Kron. 2009, 346, en Arbh. Luik 25 juni 2003, Soc. Kron; 2004, 589)

4.2. De toepasselijkheid van artikel 6.1. van het EVRM.

A.V.D. betwist in zijn beroepsconclusies de toepasselijkheid van artikel 6.1. van het EVRM.

Hij voert terzake aan dat de verplichtingen voortspruitend uit de wet van 3 juli 1967 t.a.v. de overheid, geen "burgerlijke verplichtingen" zijn in de zin van artikel 6.1. van het EVRM nu deze verplichtingen voortvloeien uit publiekrechterlijke rechtsverhoudingen. A.V.D. werpt verder op dat het doel van het EVRM bestaat in de bescherming van het individu tegen het overheidsoptreden. De stad Brussel zou zich, als overheid, dan ook niet kunnen beroepen op de bescherming van het EVRM.

Zoals de tewerkstellende overheid terecht stelt, verbiedt geen enkele bepaling van het EVRM aan een openbare overheid om haar rechten voorzien in dit verdrag te laten gelden. Uit de door de stad Brussel geciteerde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat het toepassingsgebied van het EVRM niet beperkt is tot de "individuen", nl. de fysieke personen, maar eveneens van toepassing is op de rechtspersonen.

Het artikel 6.1. van het EVRM niet-toepasselijk verklaren voor de openbare overheden zou een ongerechtvaardigde discriminatie inhouden tussen de rechtspersonen van privaatrechterlijke aard enerzijds, en de rechtspersonen van publiekrechtelijke aard anderzijds.

Artikel 6.1. van het EVRM wordt toegepast onafhankelijk van de hoedanigheid, publiek of privaat, van de partijen en van de aard van de wet die de betwisting bepaalt: het volstaat dat de uitkomst bepalend is voor de rechten en de verplichtingen van privaatrechtelijke aard (EHRM 23 september 2003, nr. 63.156, inzake Mirailles t. Frankrijk).

Vanuit deze optiek oordeelde het Europees Hof reeds dat het EVRM ook van toepassing is in de materie van de sociale zekerheid (EHRM 30 september 2003, nr. 40.892/98, § 56, inzake Koua-Poirrez t. Frankrijk; EHRM 26 februari 1993, nr. 13.023/87, inzake Salesi t. Italië).

Teneinde te kunnen bepalen of een geschil betrekking heeft op de "rechten en verplichtingen van burgerrechtelijke aard" dient het patrimoniaal aspect van de zaak te worden onderzocht. De garantie op een eerlijk proces hangt zodoende af van het patrimoniaal voorwerp van de vordering (J.-C. SOYER en M. DE SALVIA, "Article 6", in La Convention européenne des droits de l'homme - commentaire article par article, Economica, 1999, p. 241).

Dit patrimoniaal voorwerp is in casu niet alleen aanwezig in hoofde van A.V.D., maar ook in hoofde van de tewerkstellende overheid: de erkenning van een percentage van blijvende arbeidsongeschiktheid heeft immers een invloed op het bedrag van de vergoedingen die de stad Brussel aan A.V.D. dient te storten en raakt bijgevolg aan het patrimonium van de stad Brussel.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde overigens reeds dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in het kader van een arbeidsongeval van burgerlijke aard is (EHRM, 3 februari 2009, inzake Dauti t. Albanië, www.echr.coe.int).

De stad Brussel kan zich bijgevolg wel degelijk beroepen op artikel 6.1. van het EVRM.

4.3. De toegang tot de rechter en de ontvankelijkheid van de hoofdvordering.

A.V.D. werpt op dat vermits de beslissing van de GGD bindend is voor de betrokken overheid, deze laatste de nietigheid ervan niet kan vorderen voor de arbeidsrechtbank en enkel het slachtoffer of zijn rechtverkrijgenden beroep kunnen aantekenen bij de arbeidsrechtbank indien zij niet akkoord gaan met het door de GGD vastgestelde percentage van blijvende invaliditeit.

Ook de stad Brussel gaat ervan uit dat zij niet beschikt over het recht om in rechte op te treden.

De stad Brussel stelt zich de vraag of zij de facto nog een vordering kan instellen gezien zij en de arbeidsgerechten gebonden zijn door het door de GGD vastgesteld percentage van blijvende invaliditeit.

Overeenkomstig artikel 19 van de wet van 3 juli 1967 worden alle geschillen met betrekking tot de toepassing van deze wet, ook die over de vaststelling van het percentage van blijvende arbeidsongeschiktheid, verwezen naar de rechterlijke overheid die bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen met betrekking tot de vergoedingen, waarin de wetgeving inzake herstel van schade uit arbeidsongevallen of uit beroepsziekten voorziet.

Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechtelijke instantie welke bij de wet is ingesteld (art. 6, eerste lid EVRM).

Dit recht houdt een recht tot toegang tot de rechter in. Dit recht is evenwel niet absoluut. De beperkingen mogen echter niet zo groot zijn dat het recht op een rechterlijke instantie zelf wordt aangetast.

De beperkingen zijn slechts verenigbaar met artikel 6, § 1 EVRM indien ze een legitiem doel nastreven en er een redelijke proportionaliteit bestaat tussen de gebruikte middelen en het beoogde doel.

Het recht op de toegang tot een rechterlijke instantie wordt geschonden indien de reglementering ophoudt het doel van rechtszekerheid en goede werking van het gerecht te verwezenlijken en een soort van hindernis uitmaakt die de rechtsonderhorige verhindert zijn geschil ten gronde te laten beslechten door de bevoegde jurisdictie (cfr. EHRM 24 februari 2009, inzake L'Erablière a.s.b.l. t/ België, www.echr.coe.int).

Het recht op een rechterlijke instantie houdt zowel de behandeling van vragen in feite als vragen in rechte in. De beslissingen van administratieve overheden die zelf niet voldoen aan de vereisten van artikel 6 EVRM moeten onderworpen kunnen worden aan een rechterlijke instantie met volle rechtsmacht (cfr. Hof Mensenrechten, arrest Dauti t/ Albanie, 3 februari 2009, www.echr.coe.int).

De waarborg geldt echter enkel met betrekking tot rechten die, tenminste op verdedigbare gronden, door het interne recht erkend zijn.

In dit verband moet volgens het Europees Hof een onderscheid worden gemaakt tussen "materiële" beperkingen van het recht zelf en "procedurele" beperkingen van de toegang tot de rechter. Artikel 6, § 1 EVRM heeft immers niets te zien met de inhoud van het materiële recht van de verdragssluitende partijen, maar is wel relevant voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van procedurele beperkingen van de toegang tot de rechter: zo zal een immuniteit van aansprakelijkheid een materiële beperking betreffen en een immuniteit van jurisdictie een procedurele beperking zijn (EHRM zaak Roche/ Verenigd Koninkijk van 19 oktober 2005, www.echr.coe.int; weergave P. LEMMENS, R.W. 2007-08, 1091).

De vraag rijst bijgevolg of de bepalingen van het K.B. van 30 maart 2001, krachtens dewelke de medische beslissing van de GGD bindend is voor de stad Brussel, een "materiële" dan wel "procedurele" beperking uitmaakt (cfr. niet bestreden tussenvonnis d.d. 7 juni 2010, p. 6 en 7).

Uit de hoger geciteerde rechtspraak van het Hof van Cassatie volgt dat bedoelde bepalingen een materiële beperking uitmaken. Uit het arrest van 7 februari 2000 kan immers worden afgeleid dat de overheid zich kan richten tot de arbeidsrechtbank om de geschillen met betrekking tot het percentage blijvende invaliditeit te beslechten (geen procedurele beperking) maar dat de arbeidsrechtbank wel rekening dient te houden met de regeling vervat in het K.B. van 30 maart 2001 (materiële beperking).

Nu het recht van toegang tot de rechter voor de stad Brussel gewaarborgd wordt, kan er op dit punt dan ook geen sprake zijn van een schending van artikel 6.1. van het EVRM.

Het voorgaande impliceert dat de door de stad Brussel bij inleidende dagvaarding d.d. 15 juni 2006 ingestelde hoofdvordering door de eerste rechters terecht ontvankelijk werd verklaard.

4.4. De schending van het gelijkheidsbeginsel.

De Stad Brussel werpt ook de schending van het gelijkheidsbeginsel op.

Het hof dient bijgevolg te onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt doordat ze bij de vaststelling van de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid een verschil in behandeling instelt tussen personen werkzaam in de overheidssector en personen werkzaam in de privésector, die vallen onder de wet van 10 april 1971.

Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever een eenvoudige uitbreiding van het stelsel van de privésector tot de openbare sector heeft afgewezen, gelet op de eigen kenmerken van elke sector, in het bijzonder het feit dat de rechtspositie van ambtenaren over het algemeen reglementair van aard is, terwijl de tewerkstelling in de privésector contractueel van aard is:

"(...) Het statuut der ambtenaren bevat particulariteiten waarmee rekening dient gehouden en die in zekere gevallen, het aanvaarden van eigen regelen rechtvaardigen. Het doel blijkt evenwel hetzelfde: aan het slachtoffer een vergoeding verzekeren welke aangepast is aan het nadeel opgelopen tengevolge van een ongeval" (Parl. St., Kamer, 1964-1965, nr. 1023/1, pp. 3 en 4; Parl. St., Senaat, 1966-1967, nr. 242, pp. 2 en 3).

Aangezien de objectieve verschillen tussen beide categorieën van werknemers verantwoorden dat zij aan verschillende systemen onderworpen zijn, kan worden aanvaard dat bij een nadere vergelijking van beide systemen verschillen in behandeling aan het licht komen, nu eens in de ene zin, dan weer in de andere, onder voorbehoud dat elke regel dient overeen te stemmen met de logica van het systeem waarvan die regel deel uitmaakt (cfr. Grondwettelijk Hof 7 juli 2004, arrest nr. 125/2004, www.arbitrage.be).

De regel dat de beslissing van de GGD bindend is wat betreft het toegekende percentage van blijvende invaliditeit volgt uit de rechtspositie van het personeelslid en deze van de tewerkstellende overheid en stemt aldus overeen met de logica van het systeem.

Aangezien de tewerkstellende overheid de eigen verzekeraar is heeft de Koning ervoor gekozen een onafhankelijke dienst te belasten met het medisch onderzoek, in onderhavig geval de GGD (apart onderdeel van het Bestuur van de Medische expertise) wiens beslissing over de blijvende arbeidsongeschiktheid bindend is om de verzekeringswaarborg niet uit te hollen (vgl. Arbh. Luik (afd. Neufchateau) 15 december 1999, Soc. Kron. 2000, 218, noot J. Jacqmain).

De regeling werd bovendien uitgewerkt vanuit de doelstelling om het personeelslid dat het slachtoffer wordt van een arbeidsongeval een zo ruim mogelijke bescherming te bieden ten einde hem een vergoeding te verzekeren welke aangepast is aan het nadeel opgelopen tengevolge van het ongeval (Parl. St., Kamer, 1964-65, nr. 1023/1, pp. 3 en 4).

De eerbiediging van de privacy van het personeelslid in de overheidssector vereist dat de tewerkstellende overheid, net zoals de werkgever in de privésector, zich niet in te laten heeft met de medische aandoeningen van het personeelslid.

De eerste rechters hebben er in het bestreden vonnis terecht op gewezen dat van een schending van het gelijkheidsbeginsel slechts sprake is wanneer vergelijkbare categorieën op een verschillende wijze worden behandeld (Cass., 19 april 2012, AR C.11.0199.N, www.cass.be).

Ook het hof is van oordeel dat de situatie van de stad Brussel niet te vergelijken is met de situatie van de arbeidsongevallenverzekeraar in de privésector.

In de overheidssector is de tewerkstellende overheid de eigen verzekeraar van het arbeidsongeval (met in bepaalde gevallen de mogelijkheid zich te laten herverzekeren, doch er bestaat tussen het slachtoffer en de herverzekeraar geen rechtsrelatie).

In de privésector is de werkgever verplicht een verzekering arbeidsongevallen aan te gaan en bestaat er in het kader van de arbeidsongevallenverzekering een rechtsrelatie tussen de werknemer en de arbeidsongevallenverzekeraar en kan hij in principe niet de werkgever aanspreken.

Tevens is de situatie van de tewerkstellende overheid niet vergelijkbaar met deze van de ambtenaar die de hoedanigheid van slachtoffer heeft. Het is precies deze hoedanigheid die het verschil in behandeling rechtvaardigt, vanuit het oogmerk de grootst mogelijke bescherming te waarborgen van de fysische integriteit van het slachtoffer van een arbeidsongeval.

De stad Brussel laat verder gelden dat het K.B. van 30 maart 2001 niet voorziet dat de overheid of de door de overheid aangeduide dienst betrokken worden in de procedure van medisch onderzoek. Volgens de tewerkstellende overheid verschilt om die reden dit K.B. en de wet van 3 juli 1967 en het K.B. van 13 juli 1970 van de wet van 10 april 1971 in de mate dat er geen verzoeningsprocedure is tussen het slachtoffer van het ongeval en diegene die uitkeringen verschuldigd is.

Het hof stelt vast dat zowel het K.B. van 13 juli 1970 als dat van 30 maart 2001 voorzien dat een voorstel tot regeling wordt overgemaakt aan de getroffene. De gerechtelijk geneeskundige dienst maakt zijn beslissing inderdaad bekend aan de getroffene (Art. X.III.14 K.B. 30 maart 2001).

Wanneer de getroffene geen beroep instelt, dan wordt de beslissing van de GGD verwerkt in een administratieve beslissing van de overheid (Art. X.III.18 K.B. 30 maart 2001).

Het mechanisme van aanbod en aanvaarding, zoals voorzien in de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, is derhalve wel degelijk aanwezig voor de arbeidsongevallen in de publieke sector (M. BOLLAND, Approche juridique de la procédure d'octroi des rentes pour invalidité permanente en matière d'accidents du travail, J.T.T. 1991, 343).

De stad Brussel verliest daarbij uit het oog dat ook in de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 niet in een verzoeningsprocedure is voorzien tussen het slachtoffer van het arbeidsongeval en zijn werkgever.

De stad Brussel voert verder aan dat zij niet over de mogelijkheid beschikt om in het kader van een medisch onderzoek tussen te komen teneinde haar rechten te laten gelden terwijl de getroffene dit wel kan, hetgeen volgens haar een verschil in behandeling zou uitmaken.

Dit verschil in behandeling wordt precies verklaard doordat de situatie van het slachtoffer en deze van de tewerkstellende overheid niet vergelijkbaar zijn (cfr. hoger).

A.V.D. merkt in dit verband terecht op dat de GGD niet de opdracht heeft om de belangen van de getroffene te behartigen.

Haar wettelijke opdracht "is hoofdzakelijk deze van een medisch expert bestemd om de werkgever in te lichten over het slachtoffer van het ongeval." (Verslag aan de Koning bij het K.B. van 13 juli 1970, Pas. 1970, p. 1079; R. JANVIER, o.c., p. 396, voetnoot 45).

De geneesheer-expert van de GGD vervult derhalve dezelfde rol als de raadsgeneesheer van de verzekeringsondernemingen in het kader van de arbeidsongevallen in de privésector (L. VAN GOSSUM, o.c., p. 291, nr. 13).

Er bestaat dan ook geen ongelijkheid in de zin van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ingevolge het louter feit dat de stad Brussel, als tewerkstellende overheid, niet aanwezig is tijdens het medisch onderzoek, vermits de GGD de wettelijke opdracht heeft om de tewerkstellende overheid voor te lichten, zoals een raadsgeneesheer de verzekeringsonderneming voorlicht.

Het hof merkt in dit verband op dat in de privésector de werkgever niet aanwezig is tijdens het medisch onderzoek, evenmin als de tewerkstellende overheid in de publieke sector, zodat van enige ongelijkheid geen sprake kan zijn.

4.5. De schending van het tegensprekelijk karakter van de procedure zoals gewaarborgd door artikel 6.1. van het EVRM.

De stad Brussel argumenteert dat haar recht op een eerlijk proces zou miskend zijn ingevolge de procedure zoals ingesteld bij de wet van 3 juli 1967 en de Koninklijke besluiten van 30 maart 2001 en 13 juli 1970.

De stad Brussel stelt gerechtigd te zijn om kennis te nemen van alle stukken om ze te kunnen bespreken of van alle opmerkingen voorgelegd aan de rechter met het oog op het beïnvloeden van zijn beslissing.

A.V.D. werpt terzake terecht op dat de stad Brussel wel degelijk de mogelijk had kennis te nemen van alle stukken die aan de GGD werden overgemaakt. Het slachtoffer diende deze stukken immers in te dienen bij de stad Brussel, en het is de tewerkstellende overheid zelf die deze stukken op haar beurt overgemaakt heeft aan de GGD overeenkomstig artikel X.III. 8 en 9, tweede lid, van het K.B. van 30 maart 2001.

De stad Brussel beschikte bovendien over de mogelijkheid bij die gelegenheid opmerkingen te maken en alle stukken die zij voor de beoordeling van de gevolgen van het litigieus arbeidsongeval relevant achtte over te maken aan de GGD, zoals de medische verslagen die werden opgesteld naar aanleiding van het arbeidsongeval waarvan A.V.D. op 27 augustus 1986 het slachtoffer werd, en die volgens de stad Brussel wijzen op een vooraf bestaande toestand.

In dit verband dient er bovendien op gewezen dat de wettelijke regeling inzake de arbeidsongevallen in de publieke sector voor gevolg heeft dat Medex, hier de GGD, alleen bevoegd voor het bepalen van de gevolgen van een arbeidsongeval, geacht wordt de medische problematiek, met inbegrip van de medische antecedenten, van een ambtenaar, slachtoffer van een arbeidsongeval, te onderzoeken.

Bovendien merkt het hof op dat het bestaan van een vooraf bestaande toestand (het arbeidsongeval d.d. 27 augustus 1987 waarnaar de stad Brussel verwijst) de toepassing van de arbeidsongevallenwet niet uitsluit. Indien de letsels van het kwestieus ongeval d.d. 21 december 2001 de vooraf bestaande toestand blijvend hebben beïnvloed, dient rekening te worden gehouden met de arbeidsongeschiktheid in zijn geheel, zonder rekening te houden met de vooraf bestaande toestand.

Volledigheidshalve dient opgemerkt te worden dat een herziening mogelijk is van de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid, uiteraard binnen de door de wet gestelde voorwaarden.

Het hof oordeelt dan ook dat artikel 6.1. van het EVRM ook op dit punt niet werd geschonden.

Het hof stelt tenslotte vast dat de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waarnaar de stad Brussel verwijst op de p. 13, 14 en 15 van haar besluiten in hoger beroep in verband met de verplichtingen afgeleid uit artikel 6.1. van het EVRM op het vlak van de expertise, in casu niet relevant is, nu het gevallen betreft waarin een expert door een rechtbank werd aangesteld.

De GGD voert haar opdracht volkomen onafhankelijk uit en neemt een administratieve beslissing zonder dat zij door een rechter wordt aangesteld, dit in toepassing van het K.B. van 30 maart 2001.

In deze administratieve fase van de administratieve procedure tot bepaling van de gevolgen van het arbeidsongeval, is artikel 6.1. van het EVRM dan ook niet toepasselijk.

4.6. Het percentage van blijvende arbeidsongeschiktheid.

De stad Brussel vordert in hoofdorde dat A.V.D. aan het arbeidsongeval van 21 november 2001, geen blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid heeft overgehouden en de beslissing d.d. 14 februari 2005 van de FOD Volksgezondheid teniet te doen.

Zoals hoger reeds uiteengezet, zijn de arbeidsgerechten gebonden door de beslissing van de GGD inzake het toegekende percentage blijvende arbeidsongeschiktheid, in die zin dat geen lagere graad van blijvende arbeidsongeschiktheid kan worden toegekend, dan deze bepaald door de GGD (Cass. 7 februari 2000, J.T.T. 2000, 129, noot; Cass. 8 mei 2000, A.C. 2000, 871 met concl. eerste adv.-gen. J.-F. Leclercq).

De hoofdvordering is bijgevolg ongegrond.

Nu het hof het door de GGD toegekend percentage blijvende arbeidsongeschiktheid van 50% niet kan verminderen, heeft het geen zin terzake een geneesheer-deskundige aan te stellen zoals door de stad Brussel in ondergeschikte orde wordt gevraagd.

4.7. De door de stad Brussel voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.

De stad Brussel vordert n.a.v. de procedure in graad van beroep, in meer ondergeschikte orde, aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over een mogelijke schending door artikel 19 van de wet van 3 juli 1967 van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gecombineerd met de artikelen 6.1. en 13 van het EVRM (cfr. hoger punt 3 ).

Er is sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel wanneer vergelijkbare categorieën op een verschillende wijze worden behandeld. Zoals hoger reeds vermeld is de situatie van de tewerkstellende overheid niet vergelijkbaar met deze van een ambtenaar, slachtoffer van een arbeidsongeval.

De mogelijke ongelijkheid die de stad Brussel op het oog heeft, is bovendien niet gelegen in artikel 19 van de wet van 3 juli 1967, doch wel in de procedure zoals bepaald in het K.B. van 30 maart 2001 (cfr. besluiten in hoger beroep van appellante, p. 12).

De stad Brussel stelt overigens zelf dat dit artikel 19 aan de overheid het recht lijkt te geven om de hoven en rechtbanken te vatten teneinde de graad van blijvende ongeschiktheid zoals weerhouden door de GGD, te betwisten (cfr. besluiten in hoger beroep van appellante, p. 3).

Het hof kan evenwel geen prejudiciële vraag stellen aan het Grondwettelijk Hof over de verenigbaarheid van een koninklijk besluit met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

In deze omstandigheden bestaat er geen aanleiding toe een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

4.8. De toepassing van artikel 159 van de Grondwet.

De stad Brussel voert aan dat het hof op basis van artikel 159 van de Grondwet de toepassing van de bepalingen van het K.B. van 30 maart 2001, die de procedure inzake arbeidsongevallen regelen, kan weren. Zij stelt dat het hof hiertoe eveneens kan overgaan indien zij vaststelt dat dit K.B. en zelfs de Wet van 3 juli 1967 strijdig zijn met een norm van internationaal recht.

Nu het hof hoger reeds tot de bevinding is gekomen dat de wettelijke regeling inzake de arbeidsongevallen in de publieke sector geenszins strijdig is met het gelijkheidsbeginsel en met de waarborgen geboden door artikel 6.1. van het EVRM, bestaat er evenmin aanleiding toe deze regeling buiten toepassing te verklaren op grond van artikel 159 van de Grondwet.

4.9. De tegeneis van het slachtoffer.

A.V.D. vraagt te horen zeggen voor recht dat hij t.a.v. de stad Brussel recht heeft op de wettelijke vergoedingen wegens het arbeidsongeval dat hem is overkomen op 21 december 2001, op basis van een blijvende arbeidsongeschiktheid van 50% vanaf 30 november 2004 (consolidatiedatum). De stad Brussel dient daarvoor een besluit dient te nemen overeenkomstig artikel X.III.18 van het K.B. van 30 maart 2001 en hem daarvan in kennis te stellen overeenkomstig artikel X.III.19 van voormeld K.B., op straffe van een dwangsom.

Zoals de eerste rechters oordeelt het hof dat A.V.D. recht heeft op de wettelijke vergoedingen ingevolge het arbeidsongeval d.d. 21 december 2001, vergoedingen te berekenen overeenkomstig de bovenvermelde wet van 3 juli 1967 en het KB van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten en zulks op basis van:

- een blijvende arbeidsongeschiktheid van 50%;

- met als consolidatiedatum 30 november 2004.

Aangezien er thans een gerechtelijke procedure aanhangig is, dient de administratieve procedure waarbij de stad Brussel het slachtoffer in kennis dient te stellen overeenkomstig artikel X.III.19 van het voormeld K.B. van 30 maart 2001, niet meer gevolgd te worden, gezien de gevolgen worden vastgelegd in een rechterlijke uitspraak, hetgeen een titel verleent aan het slachtoffer.

Zoals de eerste rechters, stelt het hof vast dat de berekening van de bezoldiging waarop de rente wordt berekend, niet neerligt.

Het hof trekt de zaak aan zich gelet op devolutieve kracht van het hoger beroep, en heropent de debatten teneinde de stad Brussel toe te laten de berekeningsbasis van de verschuldigde wettelijke vergoedingen neer te leggen, zijnde de jaarlijkse bezoldiging op grond waarvan de rente wegens blijvende arbeidsongeschiktheid wordt berekend, eventueel begrensd tot de loongrens.

Het hof bevestigt het bestreden tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen d.d. 28 februari 2011.

Het hoger beroep komt dan ook ongegrond voor.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Rechtsprekend op tegenspraak.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen d.d. 28 februari 2011 (AR 07/89992/A).

Verklaart de tegenvordering van A.V.D. ontvankelijk en reeds gegrond in de volgende mate:

Zegt voor recht dat A.V.D. recht heeft op de wettelijke vergoedingen ingevolge het arbeidsongeval waarvan hij het slachtoffer werd op 21 december 2001, te berekenen overeenkomstig de wet van 3 juli 1967 en het K.B. van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, en zulks op basis van:

- een blijvende arbeidsongeschiktheid van 50%;

- met als consolidatiedatum 30 november 2004.

Trekt de zaak aan zich ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep.

Beveelt, alvorens verder recht te spreken, overeenkomstig artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek, de heropening der debatten om de stad Brussel toe te laten de berekening voor te leggen van de bezoldiging waarop de rente dient berekend te worden.

Het hof bepaalt, overeenkomstig artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek, de conclusietermijnen als volgt:

- voor de stad Brussel uiterlijk op 20 november 2012;

- voor A.V.D. uiterlijk op 20 januari 2013.

Stelt de zaak, overeenkomstig artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek, voor pleidooien, op de openbare terechtzitting van maandag 11 maart 2013, om 9.30 uur.

Houdt de kosten aan.

Aldus gewezen door:

M. ZEGERS, raadsheer, voorzitter van de kamer,

M. VAN GORP, raadsheer in sociale zaken, als werkgever,

R. DE SCHUTTER, raadsheer in sociale zaken, als werknemer,

bijgestaan door P. DEVOCHT, griffier

Vrije woorden

  • BEROEPSRISICO'S

  • ARBEIDSONGEVALLEN IN DE OPENBARE SECTOR

  • bevoegdheid van arbeidshoven en -rechtbanken

  • gerechtelijk recht

  • arbeidsongeschiktheid

  • geschil

  • eerlijk proces

  • overheidssector

  • gerechtelijk geneeskundige dienst (Medex)

  • beslissing bindend voor de rechter en voor de bevoegde overheid

  • gelijkheidsbeginsel

  • privacy

  • tegenspraak