- Arrest van 10 december 2012

10/12/2012 - 2011/AA/717

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een contractant in overheidsdienst heeft nog, in tegenstelling tot de werknemers in de private sector, op grond van de Arbeidsongevallenwet voor de publieke sector een optierecht in die zin dat hij kan opteren om zich onmiddellijk tot de voor het ongeval aansprakelijke derde te wenden ten einde schadeloosstelling te bekomen van de volledige schade of zich eerst te wenden tot de arbeidsongevallenverzekeraar, d.w.z. de werkgever. Dit onderscheid tussen de private en de publieke sector houdt geen ongerechtvaardige discriminatie in.

Wanneer het slachtoffer eerst een procedure in gemeen recht opstart en van de aansprakelijke derde een vergoeding verkrijgt voor de lichamelijke schade die tevens gedekt wordt door de Arbeidsongevallenwet, kan hij naderhand nog een vordering instellen op grond van de Arbeidsongevallenwet, welke vordering evenwel gelet op het cumulatieverbod slechts kan gegrond verklaard worden voor het verschil tussen beide vergoedingen.

In dat geval wordt de verjaring gestuit door de dagvaarding in gemeen recht.

Wanneer het slachtoffer zijn akkoord heeft betuigd met de consolidatie in wet van zijn letsels op een bepaalde datum zonder blijvende arbeidsongeschiktheid en hij nog een bezoek bracht aan zijn huisarts voorafgaand aan de ondertekening, worden de acute geestesstoornis en het wilsgebrek niet bewezen.


Arrest - Integrale tekst

zevende kamer

eindarrest op tegenspraak

arbeidsongeval (openbare sector)

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

afdeling Antwerpen

ARREST

AR 2011/AA/717

OPENBARE TERECHTZITTING VAN TIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN TWAALF

In de zaak:

NV naar publiek recht NATIONALE MAATSCHAPPIJ DER BELGISCHE SPOORWEGEN HOLDING,

kort: NMBS HOLDING, met vennootschapszetel gevestigd te 1060 Sint-Gillis - Brussel, K.B.O. nr. 0203.430.576,

appellante, incidenteel geïntimeerde,

verschijnend bij mr. Ph. Van Steenkiste, advocaat te Brussel,

tegen:

G.V.G.,

wonende te ...,

geïntimeerde, incidenteel appellant,

verschijnend bij mr. E. Van Goidsenhoven loco mr. S. Mertens, advocaat te Mechelen.

Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest.

Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzittingen d.d. 13 februari 2012 en 12 november 2012.

Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer:

- de dagvaarding d.d. 14 oktober 2010, uitgaande van G.V.G., betekend door A. Van Den Berghe, gerechtsdeurwaarder te Elsene, aan de NMBS Holding (AR 10/1771/A);

- het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen tussenvonnis van 5 september 2011 van de arbeidsrechtbank te Mechelen, waarbij de vordering van G.V.G. ontvankelijk werd verklaard doch vooraleer verder te oordelen dr. B. Leroy als geneesheer-deskundige werd aangesteld en waarvan geen akte van betekening wordt bijgebracht;

- het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van de NMBS Holding, ontvangen op de griffie van dit hof op 30 december 2011, regelmatig ter kennis gebracht aan geïntimeerde overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de beschikking d.d. 13 februari 2012 met toepassing van artikel 747, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de conclusie voor geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit hof op 30 april 2012;

- de conclusie voor appellante, neergelegd ter griffie van dit hof op 29 juni 2012 en opnieuw ontvangen ter griffie van dit hof op 2 juli 2012;

- de syntheseconclusie voor geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit hof op 21 september 2012.

Gelet op de regelmatige oproeping van partijen voor de openbare terechtzitting van 12 november 2012 overeenkomstig artikel 747, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek.

De partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 12 november 2012, waarna de debatten werden gesloten en het hof de zaak in beraad nam.

1. Ontvankelijkheid.

Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist; het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk verklaard te worden.

Het incidenteel beroep ingesteld door geïntimeerde werd eveneens regelmatig ingesteld en is bijgevolg eveneens ontvankelijk.

2. Feiten en relevante voorgaanden.

G.V.G., verder in dit arrest het "slachtoffer" genoemd, werd op 6 februari 2002, omstreeks 14 uur, getroffen door een arbeidswegongeval. Hij was op dat moment tewerkgesteld als contractueel personeelslid, meer bepaald als ... op het rangeerstation NMBS - sectie ...

G.V.G. was op weg naar het werk, toen hij op de Antwerpse ring plots diende uit te wijken voor een vrachtwagen die wou voorbijsteken en uitweek. Hij werd daarbij achteraan aangereden door een derde voertuig.

G.V.G. werd overgebracht naar het Stuivenbergziekenhuis te Antwerpen, waar men een hersenschudding constateerde en later naar het H. Familieziekenhuis te Reet, waar men een angstaanval vaststelde, later gevolgd door een psychotische decompensatie. Hij werd overgebracht naar de afdeling psychiatrie PAAZ van het Imeldaziekenhuis te Bonheiden. Hij verbleef hier van 8 februari 2002 tot en met 11 februari 2002.

In een eerste fase hervatte hij het werk op 11 maart 2002, dit na onderzoek door de medische dienst van de NMBS Holding.

Daarna was de heer G.V.G. opnieuw arbeidsongeschikt van 15 maart 2002 tot en met 12 mei 2002.

Hij hervatte het werk op 13 mei 2002 tot en met 10 juli 2002.

Daarna was hij opnieuw arbeidsongeschikt.

Met schrijven d.d. 19 maart 2002 deelde de NMBS Holding aan de heer G.V.G. mee de arbeidsongeschiktheid vanaf 15 maart 2002 niet meer ten laste werd genomen door de kas II (arbeidsongevallen) maar beschouwd werd als het gevolg van een ziekte.

Op 1 augustus 2002 werd aan G.V.G. een document, uitgaande van de NMBS Holding, overhandigd met de titel "consolidatie zonder blijvende arbeidsongeschiktheid", dat hij ondertekende. Hierin werd vermeld dat G.V.G. zich akkoord verklaarde met een consolidatie op 11 maart 2002 zonder blijvende arbeidsongeschiktheid.

De heer V.G. voert aan dat hij geen weet heeft van voormeld document, noch de ondertekening ervan, gelet op zijn psychische toestand.

Volgens het slachtoffer zou diezelfde dag er zich namelijk een nieuwe psychotische decompensatie hebben voorgedaan. Deze zou op termijn hebben geleid tot 3 collocaties met verplichte opname in een psychiatrische dienst.

Er werd een procedure in gemeen recht gevoerd betreffende de gevolgen van het verkeersongeval d.d. 6 februari 2002 voor de politierechtbank te Mechelen in het kader waarvan dr. Mulier werd aangesteld als gerechtsdeskundige, die op zijn beurt prof. dr. Dillen aanzocht teneinde zijn advies te geven betreffende de psychotische decompensatie van de heer V.G..

Dr. Mulier kwam tot de bevinding dat er een summiere vooraf bestaande schizofreniforme toestand was bij de heer V.G., die werd "getriggerd" door het bewuste ongeval.

Dr. Mulier kwam tot het volgende besluit:

- "periodes van tijdelijke ongeschiktheid en invaliditeit als volgt:

100% van 06.02.2002 tot en met 09.03.2002;

werkhervatting van 10.03.2002 tot en met 14.03.2002

100% van 15.03.2002 tot en met 12 mei 2002

Werkhervatting van 13.05.2002 tot en met 10.07.2002

- consolidatie d.d. 11.07.2002 met een blijvende ongeschiktheid lastens het ongeval van 25%

Patiënt is op dat moment 100% arbeidsongeschikt doch waarvan het aandeel ten gevolge van het ongeval kan beschouwd worden als 25%."

Met eindvonnis van 13 oktober 2009 sloten de rechters van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, zetelend in hoger beroep, zich aan bij de medische bevindingen van dr. Mulier, en kenden de heer V.G. een schadevergoeding toe ten bedrage van 201.286,40 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten. De kosten werden ten laste gelegd van het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds.

G.V.G. dagvaardde de NMBS Holding op 14 oktober 2010 voor de arbeidsrechtbank te Mechelen (AR 10/1771/A) teneinde te horen zeggen voor recht dat hij op 6 februari 2002 het slachtoffer werd van een arbeidsongeval. Hij vorderde de veroordeling van de NMBS Holding tot betaling van de wettelijke vergoedingen. Desgevallend vorderde de heer V.G., alvorens recht te spreken, de aanstelling van een deskundige met de opdracht:

"(...) een gemotiveerd advies uit te brengen rond de gevolgen van het arbeidsongeval dat G.V.G. op 6.2.2002 overkwam, meer bepaald omtrent:

- de periode en de graad van tijdelijke arbeidsongeschiktheid

- als er consolidatie is, de datum hiervan vast te stellen

- de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid, hierbij rekening te houden met de fysieke minderwaarde, de leeftijd, de vakkundigheid, de mogelijkheid van aanpassing en omscholing en het concurrentievermogen op de algemene arbeidsmarkt."

Verder vorderde G.V.G. de NMBS Holding te veroordelen tot de kosten van het geding en vorderde hij de voorlopige tenuitvoerlegging van het uit te spreken vonnis.

Met conclusie, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 25 februari 2011, vorderde G.V.G. verder in ondergeschikte orde:

- "tevens advies te verlenen rond de vraag of G.V.G. op 01.08.2002 in staat zou geweest zijn om met kennis van zaken en bewust van de gevolgen van zijn daden, een overeenkomst te ondertekenen waarin zijn blijvende arbeidsongeschiktheid ingevolge het arbeidsongeval op nihil werden bepaald, rekening houdende met zijn psychische toestand en de hem toegediende medicatie op dat ogenblik."

Verder vorderde de heer V.G. de NMBS Holding op te dragen, conform artikel 971 - 877 van het Gerechtelijk Wetboek, de gegevens in verband met het basisloon bij te brengen.

Met tussenvonnis d.d. 5 september 2011 oordeelden de eerste rechters dat bij aanvang van de verjaringstermijn de Arbeidsongevallenwet Overheids-personeel van 3 juli 1967 van toepassing is, gelet op art. 2, I, 5° van het Koninklijk besluit van 12 juni 1970, zoals van toepassing op het ogenblik van de betwiste beslissing. Pas vanaf 1 januari 2003, ingevolge de wijziging door het K.B. van 12 december 2002, is volgens de eerste rechters de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 van toepassing. Zij overwogen het volgende:

"Met toepassing van art. 70, tweede zin Arbeidsongevallenwet met betrekking tot de rechtsvordering tot betaling wegens het arbeidsongeval, gesteund op een andere rechtsgrond oordeelde het Hof van Cassatie reeds dat de vordering van het slachtoffer tegen zijn werkgever de verjaring van de vordering die hij heeft tegen de verzekeraar of Fonds voor Arbeidsongevallen stuit (cfr. Cass. 23 februari 1939, Pas. 1939, i, 94; Cass. 19 maart 1984, J.T.T., 1985, 29, concl. proc.-gen. Lenaerts, R.W. 1985-86, kol. 2688; Cass. AR 9433, 7 december 1992, http://www.cass.be\ Cass. 20

mei 1985, Soc. Kron. 1985,180).

De vordering van het slachtoffer tegen de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid van de voor het ongeval aansprakelijke persoon stuit eveneens de verjaring van de vordering tegen de wetsverzekeraar (cfr. Arbh. Brussel 20 februari 1984, Soc. Kron. 185, 206).

De rechtbank merkt op dat in deze zaken de vordering telkens tegen een andere partij werd gesteld.

Het feit dat de procedure voor de Politierechtbank en de Rechtbank van Eerste Aanleg niet tegen verweerster werd gevoerd, is bijgevolg niet relevant.

Gelet op het feit dat de gemeenrechtelijke procedure werd ingesteld vóór 2 februari 2005 en de procedure voor deze rechtbank werd ingesteld vóór het verstrijken van de nieuwe termijn van drie jaar na het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen dd. 13 oktober 2009, is de vordering bijgevolg niet verjaard."

Wat betreft de gegrondheid van de vordering bleek volgens de eerste rechters uit de conclusies dat de heer V.G. geen herziening vordert maar wel de beslissing met betrekking tot de genezenverklaring betwist.

De eerste rechters oordeelden dat het aangewezen was een geneesheer-deskundige aan te stellen, met name dr. B. Leroy, om na te gaan of G.V.G. op 1 augustus 2002 in zodanige toestand van geestesstoornis verkeerde dat hij geen vrije wil had om zich akkoord te verklaren met de gevolgen van het arbeidsongeval van 6 februari 2002.

Voor zover er geen sprake zou zijn van een vrije wilsuiting, stelden zij dat het tevens aangewezen was dat de geneesheer-deskundige advies zou verlenen over de graad en periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, consolidatiedatum en graad van blijvende arbeidsongeschiktheid.

De NMBS Holding kon zich niet akkoord verklaren met het tussenvonnis van 5 september 2011 en tekende hoger beroep aan bij verzoekschrift, ontvangen op de griffie van dit hof op 30 december 2011.

Met conclusie, neergelegd ter griffie van dit hof op 30 april 2012, tekende G.V.G. incidenteel beroep aan tegen voormeld tussenvonnis van 5 september 2011: hij verzocht het arbeidshof een geneesheer-deskundige aan te stellen die een advies dient te geven over de gevolgen van het arbeidsongeval d.d. 6 februari 2002.

3. Eisen in hoger beroep:

- De NV van publiek recht NMBS Holding, appellante, incidenteel geïntimeerde, vordert haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis te hervormen en opnieuw recht te spreken, meer bepaald de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren en hem van het gevorderde af te wijzen.

Appellante vraagt, rechtsprekend over het incidenteel beroep, dit eveneens ongegrond te verklaren.

Tenslotte vordert appellante geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding.

- G.V.G., geïntimeerde, incidenteel appellant, vordert het hoger beroep van appellante "indien ontvankelijk minstens ongegrond te verklaren", dienvolgens in hoofdorde het bestreden vonnis te hervormen en de deskundige te gelasten met navolgende zending:

"na kennis genomen te hebben van alle informatie en alle stukken aangebracht door partijen en/of hun raadslieden, na beroep gedaan te hebben op eventueel noodzakelijke specialisten of andere technische raadsgevers en na G.V.G. onderzocht te hebben, een gemotiveerd advies uit te brengen rond de gevolgen van het arbeidsongeval dat G.V.G. op 6.2.2002 overkwam, meer bepaald omtrent:

* de periode en de graad van tijdelijke arbeidsongeschiktheid

* als er consolidatie is, de datum hiervan vast te stellen

* de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid, hierbij rekening te houden met de fysieke minderwaarde, de leeftijd, de vakkundigheid, de mogelijkheid van aanpassing en omscholing en het concurrentievermogen op de algemene arbeidsmarkt".

Geïntimeerde vraagt in ondergeschikte orde het bestreden vonnis te bevestigen.

Tenslotte vraagt geïntimeerde appellante te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding.

4. Beoordeling.

4.1. Voorwerp van het hoger beroep.

G.V.G. werpt in hoofdorde op dat voor het arbeidshof thans over de grond van de zaak nog niet zou kunnen worden geoordeeld en verwijst hiervoor naar artikel 963, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, dat luidt als volgt:

"De beslissingen die het onderwerp kunnen zijn van een gewoon rechtsmiddel in de zin van § 1 zijn uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep. In afwijking van artikel 1068, eerste lid, maakt het hoger beroep tegen deze beslissingen de andere aspecten van het geschil zelf niet aanhangig bij de rechter in hoger beroep".

G.V.G. leidt uit deze bepaling af dat het voorwerp van het hoger beroep uitsluitend betrekking kan hebben op het al dan niet gegrond karakter van de aanstelling van een deskundige, zoals bevolen in het bestreden vonnis.

De NMBS HOLDING merkt in haar beroepsconclusies terecht op dat de eerste rechters in het bestreden vonnis meer hebben gedaan dan enkel een gerechtsdeskundige aan te stellen, nu zij in dat vonnis over verschillende punten een beslissing hebben genomen ten gronde.

Zo hebben de eerste rechters zich uitgesproken over de toepasselijke wetgeving en geoordeeld dat G.V.G. geen herziening vordert, maar wel de beslissing tot de genezenverklaring van 1 augustus 2002 betwist.

Tevens hebben de eerste rechters geoordeeld dat de verjaring is gestuit door de burgerlijke procedure in gemeen recht en dat het niet vaststaat dat G.V.G. zich op het ogenblik van het ondertekenen van het akkoord zich in een "betere periode" bevond.

In graad van beroep kan het arbeidshof deze beslissingen van de eerste rechters ten gronde beoordelen, naast het al dan niet gegrond karakter van de aanstelling van een deskundige.

4.2. Ontvankelijkheid van de vordering.

4.2.1. De toepasselijke wetgeving.

Partijen zijn het er in graad van beroep over eens dat niet de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 van toepassing is, maar wel de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel van 3 juli 1967.

Het personeel dat door de NMBS HOLDING met een arbeidsovereenkomst in dienst is genomen (de zgn. ‘tijdelijke' contractuelen), zoals in casu G.V.G., was t.e.m. 31 december 2002 onderworpen aan de Wet van 3 juli 1967.

Artikel 2.1.5°, E, van het K.B. van 12 juni 1970 betreffende de schadevergoeding, ten gunste van de personeelsleden van de instellingen van openbaar nut, van de publiekrechtelijke rechtspersonen en van de autonome overheidsbedrijven, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, zoals toepasselijk op datum van het litigieus arbeidswegongeval, verklaart de Wet van 3 juli 1967 van toepassing op de personeelsleden die bij de NMBS bij arbeidsovereenkomst in dienst zijn genomen.

Slechts vanaf 1 januari 2003 is voor de arbeidsongevallen van tijdelijke personeelsleden van de NMBS HOLDING de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 van toepassing geworden (cfr. K.B. van 12 december 2002, B.S., 24 december 2002, 1ste editie).

Dit impliceert dat het arbeidswegongeval dat G.V.G. overkwam op 6 februari 2002, ook wat de gevolgen ervan betreft, steeds is blijven vallen onder de regeling van de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel van 3 juli 1967.

4.2.2. De aard van de vordering.

De NMBS HOLDING gaat ervan uit dat de door G.V.G. ingestelde vordering voor de arbeidsrechtbank geen vordering betreft tot betaling van de wettelijke vergoedingen, doch een herzieningsaanvraag betreft die verjaard zou zijn.

Hiervoor verwijst de NMBS HOLDING naar het consolidatieattest dat G.V.G. op 1 augustus 2002 ondertekend heeft.

De eerste rechters oordeelden terecht dat er in casu geen sprake is van enige vordering tot herziening aangezien G.V.G. de beslissing tot genezenverklaring zonder blijvende arbeidsongeschiktheid betwist omdat er destijds door G.V.G. geen geldig akkoord kon gegeven worden ingevolge zijn geestestoestand en er dus ook geen overeenkomst is tot stand gekomen die eventueel het voorwerp van een herziening zou kunnen uitmaken.

Een vordering tot herziening moet overigens berusten op een nieuw feit, dat onbekend was of niet gekend kon zijn op de datum van de overeenkomst of de rechterlijke beslissing waarbij de blijvende arbeidsongeschiktheid werd bepaald (J. PETIT, Arbeidsongevallen in A.P.R., E. Story-Scientia, Mechelen, 2005, p. 358 e.v.).

In deze procedure voor de arbeidsgerechten voert G.V.G. geen dergelijk ‘nieuw feit' aan.

Bovendien dient de vordering tot herziening te worden ingesteld binnen de drie jaar te rekenen vanaf de kennisgeving tot vaststelling van het akkoord. In deze zaak heeft G.V.G. deze termijn hoe dan ook laten verstrijken.

De door G.V.G. ingestelde vordering heeft betrekking op het bepalen van de gevolgen van het arbeidsongeval en de overeenkomstige verschuldigde vergoedingen op grond van de Arbeidsongevallenwet.

4.2.3. De verjaring.

Overeenkomstig artikel 20 van de Arbeidsongevallenwet Overheidsperso-neel verjaren de vorderingen tot betaling van vergoedingen na het verstrijken van een termijn van drie jaar te rekenen van de dag waarop de betwiste administratieve rechtshandeling ter kennis werd gebracht, en worden deze verjaringen gestuit of geschorst op dezelfde wijze en op dezelfde gronden als bepaald door de wetgeving op de arbeidsongevallen.

Artikel 70 van de Arbeidsongevallenwet bepaalt terzake het volgende:

"De verjaringen (...) worden op de gewone wijzen geschorst of gestuit. Die verjaringen kunnen bovendien gestuit worden door een per post aangetekende brief of door een rechtsvordering tot betaling wegens het arbeidsongeval, gesteund op een andere rechtsgrond (...)."

G.V.G. stelde na zijn arbeidswegongeval een rechtsvordering in tot betaling van schadevergoeding voor de politierechtbank te Mechelen volgens gemeen recht tegen de voor het ongeval aansprakelijke derde en het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds.

Dergelijke vordering gesteund op een andere rechtsgrond heeft wel degelijk stuitende werking in het kader van de op grond van de Arbeidsongevallenwet gevoerde procedure nu artikel 70 van deze wet zulks uitdrukkelijk voorziet en op dit punt afwijkt van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek.

In afwijking van deze laatste bepaling die voorschrijft dat een stuiting van de verjaring moet gericht zijn tegen hem die men wil beletten de verjaring rechtstreeks te verkrijgen, mag de rechtsvordering gesteund op een andere rechtsgrond gericht zijn tegen derden (cfr. Cass. 7 december 1992, R.W. 1992-93, 1300; Arbh. Brussel, 20 februari 1984, Soc.Kron. 1985, 206).

Het hof stelt vast dat de oorspronkelijke verjaringstermijn van drie jaar tijdig werd gestuit door het inleiden van de procedure voor de politierechtbank te Mechelen.

De nieuwe termijn van drie jaar nam ten vroegste een aanvang op 13 oktober 2009, datum waarop het eindvonnis in deze procedure werd uitgesproken (bundel G.V.G., st. 5).

De vordering voor de arbeidsrechtbank werd tijdig ingeleid met een dagvaarding betekend op 14 oktober 2010.

De eerste rechters hebben dan ook terecht vastgesteld dat de vordering van G.V.G. geldig gestuit werd en niet verjaard is.

4.2.4. Het cumulatieverbod.

a. In haar beroepsconclusies werpt de NMBS HOLDING op dat "de eerste rechter met zijn tussenvonnis van 5 september 2011 voorbij is gegaan aan het feit dat er in de procedure in gemeen recht door geïntimeerde reeds een vergoeding voor de vermindering van zijn waarde op de algemene arbeidsmarkt werd gevorderd en dat deze vergoeding ook werd toegekend." (...)

"Nu geïntimeerde in het gemeen recht reeds vergoed is geweest, kan hij bijgevolg geen vordering meer instellen in de zin van de reglementering inzake arbeidsongevallen." (Beroepsconclusies NMBS HOLDING, p. 7 e.v.).

b. Artikel 14, § 2, tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel voorziet in een cumulatieverbod:

"De volgens het gemeen recht toegekende schadevergoeding kan evenwel niet samengevoegd worden met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen."

Aangezien de arbeidsongevallenwetgeving in essentie de forfaitaire schadeloosstelling beoogt van de lichamelijke schade met weerslag op het economisch potentieel, spreekt het voor zich dat voor de ‘andere schade' die zich buiten dit terrein situeert, steeds een volledige vergoeding kan worden gevraagd in gemeen recht. Dit is in het bijzonder het geval voor:

- de stoffelijke schade of schade aan goederen;

- de extra patrimoniale schade of morele schade;

- de te leveren bijkomende inspanningen tijdens een periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid zonder loonverlies;

- de louter fysieke schade zonder weerslag op het economisch potentieel;

- de extra professionele schade, meer bepaald het verlies van economische waarde die zich situeert buiten de arbeidsmarkt, de beperking aan de mogelijkheden tot het verrichten van een bijverdienste of voor zichzelf uitgevoerde werkzaamheden, en de verminderde mogelijkheden inzake vrijetijdsbesteding;

- de postprofessionele of postlucratieve schade ingevolge het verlies van de mogelijkheid om na pensionering een andere beroepsactiviteit aan de dag te leggen, nu "deze schadepost niet in aanmerking komt voor vergoeding uit kracht van de arbeidsongevallenwetgeving" (R. JANVIER, Arbeidsongevallen Publieke Sector, Universiteit Antwerpen-Management School, oktober 2001, p. 79).

Opdat het cumulatieverbod toepassing zou vinden, is vereist dat in gemeen recht vergoedingen worden toegekend die betrekking hebben op de lichamelijke schade of persoonsschade, zoals zij door de arbeidsongevallenwetgeving is gedekt. Wanneer de vergoedingen voor dezelfde schade in gemeen recht hoger uitvallen als de vergoedingen die op basis van de arbeidsongevallenregeling verschuldigd zijn, kan het slachtoffer een recht doen gelden op het supplement.

De uitkeringen wegens tijdelijke en blijvende arbeidsongeschiktheid moeten worden beschouwd als vergoedingen voor dezelfde schade (R. JANVIER, o.c., p. 80).

c. Gelet op het cumulatieverbod enerzijds, en de pluraliteit van schuldenaars voortvloeiende uit het naast elkaar bestaan van twee systemen inzake schadeloosstelling voor een zelfde arbeidsongeval anderzijds, rijst de vraag of het slachtoffer beschikt over een keuzemogelijkheid om de forfaitaire schadevergoeding te vorderen vanwege de tewerkstellende overheid, ofwel om een vergoeding voor de volledige schade rechtstreeks van de aansprakelijke dader te eisen.

Vóór de Wet van 7 juli 1978 had het slachtoffer van een arbeidsongeval de keuze om een vordering tot vergoeding eerst in te stellen ofwel op grond van het gemeen recht, ofwel op grond van het arbeidsongevallenrecht. Het was alleen verboden om beide vergoedingen te cumuleren.

De Wet van 7 juli 1978 heeft voor de private sector het optierecht van het slachtoffer afgeschaft door een wijziging van artikel 46, § 2, tweede lid, van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.

In de private sector moet sindsdien eerst de arbeidsongevallenvergoeding worden bekomen voor de arbeidsgerechten, en voor het eventueel excedent kan het slachtoffer zich vervolgens wenden tot de derde aansprakelijke (J. PETIT, Arbeidsongevallen, in A.P.R., Mechelen, E. Story-Scientia, 2005, p. 475-476, nr. 701; B. LIETAERT, Burgerlijke aansprakelijkheid en zwakke weggebruiker - Arbeidsongevallen, Kluwer, Comm. 3.1/6.1).

Ook voor het statutaire personeel van de NMBS HOLDING, waartoe evenwel G.V.G. niet behoort, bestaat er geen optierecht: in artikel 81, § 3 van de Bundel 572 van het ARPS (Bundel betreffende het Algemeen Reglement voor de Arbeidsongevallen, de ongevallen op de weg naar of van het werk en de beroepsziekten van het Algemeen Reglement van het personeel en de sociale diensten) is immers eveneens voorzien in de voorrang van de regeling inzake de arbeidsongevallen.

De Arbeidsongevallenwet voor de publieke sector van 3 juli 1967 voorziet nog steeds in een optierecht nu dit niet uitdrukkelijk werd uitgesloten, zodat het slachtoffer in de overheidssector er dus kan voor opteren om zich onmiddellijk te wenden tot de derde aansprakelijke ten einde schadeloosstelling te bekomen voor de volledige schade (V. VERVLIET, Buitencontractuele aansprakelijkheid bij professionele risico's, Antwerpen, Intersentia, 2007, 142-143).

Het Grondwettelijk Hof heeft reeds geoordeeld dat dit onderscheid tussen de private en de publieke sector geen ongerechtvaardigde discriminatie inhoudt (Grondw. H., 21 oktober 1998, nr. 101/98, B.S., 1 december 1998; J.T.T., 1999, 33; Grondw. H., 9 februari 2000, B.T.S.Z., 2000, 1117).

d. Het hof oordeelt dan ook dat G.V.G. over de mogelijkheid beschikte eerst een burgerlijke procedure te voeren voor de politierechtbank te Mechelen tegen de verantwoordelijken van het ongeval van 6 februari 2002.

Met haar vonnis van 13 oktober 2009 veroordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen in hoger beroep, het Gemeenschappelijk Motorwaar-borgfonds tot het betalen van een schadevergoeding aan G.V.G. van 201.286,40 EUR (te vermeerderen met de gerechtelijke intresten) ten gevolge van het ongeval van 6 februari 2002.

Die rechtbank sloot zich aan bij de medische bevindingen van de aangestelde gerechtsdeskundige, dr. Mulier, die, na adviesverlening van dr. Dillen aangaande de psychotische decompensatie van G.V.G., tot het volgende besluit kwam:

- "periodes van tijdelijke ongeschiktheid en invaliditeit als volgt:

100 % van 06.02.2002 tot en met 09.03.2002;

werkhervatting van 10.03.2002 tot en met 14.03.2002

100 % van 15.03.2002 tot en met 12 mei 2002

Werkhervatting van 13.05.2002 tot en met 10.07.2002

- consolidatie dd. 11.07.2002 met een blijvende ongeschiktheid lastens het ongeval van 25%

Patiënt is op dat moment 100 % arbeidsongeschikt doch waarvan het aandeel ten gevolge van het ongeval kan beschouwd worden als 25%."

G.V.G. kreeg aldus tevens een schadevergoeding toegekend voor zijn blijvende arbeidsongeschiktheid.

e. De NMBS HOLDING werpt op dat nu G.V.G. er aldus voor heeft geopteerd om zijn schadevergoeding voor de politierechtbank te vorderen tegen de voor het ongeval aansprakelijke derde, met inbegrip van de vergoeding voor zijn lichamelijke schade en zijn schade ingevolge arbeidsongeschiktheid, en hem in gemeen recht voor deze door de arbeidsongevallenwetgeving gedekte schadeposten reeds een schadevergoeding werd toegekend, hij thans, gelet op het cumulatieverbod, geen procedure in wet meer kan voeren voor de arbeidsgerechten tegen zijn tewerkstellende overheid.

Dit standpunt kan niet worden gevolgd.

Het cumulverbod vervat in artikel 46, § 2, tweede lid, Arbeidsongevallenwet en artikel 14, § 2, tweede lid, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, betreft een verbod tot cumul van vergoedingen voor dezelfde schade.

Dit cumulatieverbod geldt slechts in zoverre de schade waarvoor vergoeding gevorderd wordt, gedekt wordt door de Arbeidsongevallenwet.

Zulks impliceert dat het slachtoffer van een arbeidsongeval die eerst een procedure in gemeen recht opstart tegen de voor het ongeval aansprakelijke derde en aldaar een vergoeding bekomt voor de lichamelijke schade die tevens gedekt wordt door de Arbeidsongevallenwet, naderhand over de mogelijkheid beschikt een vordering in te stellen voor de arbeidsgerechten op grond van de Arbeidsongevallenwet, welke vordering evenwel slechts kan worden gegrond verklaard voor het gedeelte van de vergoeding op grond van de Arbeidsongevallenwet dat de bekomen gemeenrechtelijke vergoeding voor dezelfde schadepost overtreft, en dus enkel tot beloop van het verschil (cfr. Cass, 4 oktober 2010, AR C.09.0475.N, www.cass.be; Cass., 22 juni 2010, AR P.09.1912.N, www.cass.be).

Om dit verschil te berekenen moet de rechter een vergelijking maken tussen de vergoedingen bekomen ingevolge de procedure gevoerd in gemeen recht en de vergoedingen berekend volgens de regels van de Arbeidsongevallenwet.

G.V.G. beschikte dus wel degelijk over de mogelijkheid een vordering in te stellen voor de arbeidsrechtbank (Cass., 22 juni 2010, AR P.09.1912.N, www.cass.be).

Waar G.V.G. in het motiverend gedeelte van zijn synthesebesluiten in hoger beroep terloops verwijst naar de schadepost "post professionele of post lucratieve schade", stelt het hof vast dat deze schadepost ingevolge het verlies van de mogelijkheid om na pensionering een andere beroepsactiviteit of lucratieve bezigheid aan de dag te leggen, "niet in aanmerking komt voor vergoeding uit kracht van de arbeidsongevallenwetgeving" (R. JANVIER, Arbeidsongevallen Publieke Sector, Universiteit Antwerpen-Management School, oktober 2001, p. 79).

4.3. Ten gronde.

Het hof stelt vooreerst vast dat de betwisting beperkt is tot de gevolgen van het arbeidswegongeval dat G.V.G. is overkomen op 6 februari 2002. De erkenning van het arbeidswegongeval wordt als zodanig niet in vraag gesteld.

Op 1 augustus 2002 heeft G.V.G. een document ondertekend waarmee hij akkoord is gegaan met de consolidatie in wet van zijn letsels op 11 maart 2002 zonder blijvende arbeidsongeschiktheid (bundel NMBS HOLDING, stuk 2).

G.V.G. beweert thans dat hij zich op 1 augustus 2002 in een toestand van geestesstoornis zou hebben bevonden, waarbij hij geen rechtsgeldige toestemming zou hebben kunnen geven en er zodoende geen geldig rechtsgeldig akkoord in wet tot stand zou zijn gekomen.

De NMBS HOLDING is echter van oordeel dat er wel degelijk een geldige toestemming werd gegeven door G.V.G., zodat er een rechtsgeldig akkoord werd bereikt.

In het bestreden tussenvonnis van 5 september 2011 hebben de eerste rechters dr. B. LEROY aangesteld als gerechtsdeskundige teneinde na te gaan of geïntimeerde op 1 augustus 2002 in zodanige toestand verkeerde dat hij geen vrije wil had om zich akkoord te verklaren met de gevolgen van het arbeidsongeval van 6 februari 2002.

De ingeroepen geestesstoornis moet worden bewezen door de partij die de nietigheid van de overeenkomst vordert, in casu G.V.G..

De rechtspraak is ter zake streng en vereist dat de fysieke en mentale toestand elke toestemming op het ogenblik van het sluiten van de dading onmogelijk maakt. (B. TILLEMAN, I. CLAEYS, Ch. COUDRO N en K. LOONTJENS, Dading, in A.P.R., Antwerpen, Kluwer, 2000, nr. 407, p. 205).

G.V.G. probeert tevergeefs aan de hand van verklaringen van dr. De Loecker aan te tonen dat zijn beoordelingsvermogen in augustus 2002 ernstig verstoord was, zodat hij geen geldige wilsuiting zou hebben kunnen geven.

Het hof merkt op dat deze verklaringen afkomstig zijn van de behandelde arts van G.V.G. en aldus eenzijdig en niet onpartijdig zijn.

Bovendien dient te worden vastgesteld dat het attest van dr. De Loecker dateert van 8 februari 2011 en dus niet werd opgesteld in tempore non suspecto.

Het hof kan ten volle rekening houden met de medische bevindingen die voortvloeiden uit de gerechtelijke expertise die heeft plaatsgevonden in de procedure in gemeen recht.

Prof. C. Dillen merkte in dit expertiseverslag n.a.v. de procedure in gemeen recht op, meer bepaald onder paragraaf 8.2 van zijn deskundig verslag, dat de periode waarin G.V.G. het consolidatieattest van de NMBS HOLDING heeft ondertekend (augustus 2002) als een "goede" periode dient te worden beschouwd:

"(...) De dag na het ongeval ontwikkelt zich een psychotische periode, waarbij betrokkene overal wielen van een vrachtwagen ziet Er zijn andere symptomen die in de eerste periode na het ongeval wijzen op een acute stress stoornis, met onder meer herbelevingsgedrag, alsook vermijdingsgedrag. De exacte duur hiervan is moeilijk te bepalen, maar blijft beperkt tot de eerste drie maanden na het ongeval.

Noch Dr Roosen, noch Dr De Loecker spreken hiervan in augustus 2002. Actueel verwoordt betrokkene dit in huidig onderzoek niet, maar bij Mw Galoppin bleven desbetreffend nog enkele symptomen aanwezig, zij het te beperkt om de diagnose alsnog te behouden. Er volgt dan een betere periode, waarin betrokkene onder meer door Dr Roosen, psychiater, gezien wordt te Mechelen. Deze spreekt van een faalangstige jongeman met psychofunctionele klachten. Er is geen sprake van enige vorm van psychose of cognitieve deterioratie, noch van sociaal defectueus functioneren. Deze periode wordt door de ouders ook als gunstig beschreven in een brief van Dr De Loecker van 02.08.2002. (...)" (bundel G.V.G., stuk 7, p. 16-17)

In het expertiseverslag naar gemeen recht is zodoende tot uiting gekomen dat G.V.G. zich in de periode van augustus 2002 niet in een toestand van geestesstoornis bevond.

Hij kon in deze periode zodoende wel degelijk een geldige toestemming geven.

Bovendien stelt het hof vast dat G.V.G. in de periode van augustus 2002 advies heeft ingewonnen bij zijn huisarts, dr. Janssens, omtrent de ondertekening van het consolidatieattest (bundel G.V.G., stuk 6, deskundig verslag van Prof C. Dillen, paragraaf 5.2)

Dr. Janssens heeft namelijk in een attest van 7 augustus 2002 het volgende geschreven:

"... Nav uw vraag naar advies ivm het attest voor consolidatie zonder blijvende arbeidsongeschiktheid deel ik u mee dat wij ons, na onderling overleg onder collega's niet positief noch negatief kunnen uitlaten over het al dan niet ondertekenen van dit attest,"

G.V.G. was in de periode van de ondertekening van het consolidatieattest wel degelijk bij zijn volle verstand, daar hij zijn huisarts heeft geraadpleegd vooraleer zich akkoord te verklaren met het voorstel tot consolidatie zonder blijvende arbeidsongeschiktheid.

Hieruit blijkt nogmaals dat G.V.G. in die periode een geldige toestemming heeft gegeven.

Het hof oordeelt dan ook dat het akkoord dat partijen op 1 augustus 2002 hebben bereikt, nl. dat er geen blijvende arbeidsongeschiktheid in wet kon worden aangenomen, rechtsgeldig tot stand is gekomen en strekt partijen thans tot wet.

Het hof stelt vast dat de aanstelling van een gerechtsdeskundige door de eerste rechters overbodig was.

Het hof besluit dat de gevolgen van het litigieus arbeidswegongeval aldus definitief werden vastgelegd, zonder blijvende arbeidsongeschiktheid, zodat er geen aanleiding toe kan bestaan G.V.G. uit dien hoofde een vergoeding toe te kennen op grond van de Arbeidsongevallenwet.

In deze omstandigheden is er van een excedent in wet t.o.v. de in gemeen recht voor dezelfde schade toegekende vergoeding uiteraard geen sprake.

De door G.V.G. voor de arbeidsrechtbank ingestelde vordering dient verworpen te worden.

Er bestaat bijgevolg aanleiding toe het bestreden vonnis te vernietigen.

Het hoger beroep is gegrond.

Hieruit volgt tevens dat het door G.V.G. ingesteld incidenteel beroep ontvankelijk is, doch ongegrond.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Verklaart het incidenteel beroep van G.V.G. ontvankelijk, doch ongegrond.

Vernietigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen d.d. 5 september 2011 (A.R. 10/1771/A).

Opnieuw rechtsprekend:

Trekt de zaak aan zich ingevolge de devolutieve kracht van het hoger beroep (cfr. art. 1068 Ger. W.).

Verklaart de door G.V.G. bij inleidende dagvaarding d.d. 14 oktober 2010 ingestelde vordering ontvankelijk, doch ongegrond.

Verwijst appellante in haar hoedanigheid van tewerkstellende overheid in de kosten van beide aanleggen met toepassing van artikel 16 van de wet van 3 juli 1967.

Vereffent deze kosten aan de zijde van geïntimeerde op 74,52 EUR dagvaardingskosten, 120,25 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 160,36 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep met toepassing van artikel 4 van het K.B. van 26 oktober 2007 (B.S., 9 november 2007).

Vereffent deze kosten aan de zijde van appellante op 120,25 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 160,36 EUR rechtsplegingsver-goeding hoger beroep met toepassing van artikel 4 van het K.B. van 26 oktober 2007 (B.S., 9 november 2007).

Aldus gewezen door:

M. ZEGERS, raadsheer, voorzitter van de kamer,

G. RIEBS, raadsheer in sociale zaken als werkgever,

Y. DE JONGE, raadsheer in sociale zaken als werknemer,

bijgestaan door P. DEVOCHT, griffier

en uitgesproken door voormelde voorzitter van de zevende kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend in openbare terechtzitting van 10 december 2012.

Vrije woorden

  • BEROEPSRISICO'S

  • ARBEIDSONGEVALLEN IN DE OPENBARE SECTOR

  • verjaring

  • overheidssector

  • schadevergoeding

  • schadeloosstelling in gemeen recht

  • optierecht

  • cumulatieverbod

  • stuiting

  • consolidatie zonder blijvende arbeidsongeschiktheid

  • akkoord van het slachtoffer

  • geestesstoornis

  • geen wilsgebrek