- Arrest van 3 januari 2012

03/01/2012 - 2010/AB/309

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Btj afwezigheid van unanieme besiissing van het verzoeningsbureau of van overeenstemming tussen partijen over de aanstelling heeft de werknemer geen geldig mandaat als lid van de vakbondsafvaardiging.

Bij afwezigheid van unanieme beslissing van het verzoeningsbureau over de reden van het voorgenomen ontslag, moet niet gewacht worden op een uitspraak van de arbeidsrechtbank alvorens over te gaan tot ontslag.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

─────────

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 3 JANUARI TWEEDUIZEND EN TWAALF.

3e KAMER

bediendecontract

tegenspraak

definitief

In de zaak :

A. ,

Appellant, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester Crabbe Soetkin, loco meester Bollen Rudi, advocaat te Leuven,

tegen :

ORACLE BELGIUM BVBA, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1800 Vilvoorde, Medialaan 50,

Geïntimeerde, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester Naesens Caroline, loco meester Luyten Nancy, advocaat te Brussel,

* * *

*

Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op :

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak, door de 24e kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel op 19 november 2009 ;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 31 maart 2010 ;

- de conclusies voor de appellante neergelegd ter griffie op 14 december 2010, 26 augustus 2011 en 29 augustus 2011;

- de conclusies, aanvullende syntheseconclusies en syntheseconclusies voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 15 september 2010, 15 maart 2011 en 14 oktober 2011;

- de voorgelegde stukken;

De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 29 november 2011 waarna de debatten werden gesloten. De heer Soetemans Diederik, eerste advocaat-generaal, brengt zijn mondeling advies uit. De zaak werd voor uitspraak gesteld op 20 december 2011 en verdaagd op heden.

* *

*

FEITEN EN RECHTSPLEGING

De heer A. trad op 1-6-2001 als accountant in dienst van de BVBA ORACLE Belgium met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 6 maanden. Vanaf 1-12-2001 werd hij voor onbepaalde duur in dienst genomen met een schriftelijke arbeidsovereenkomst van 14-9-2001.

In een bijzondere ondernemingsraad van 8-6-2006, kondigde de vennootschap een herstructurering aan van het Belgische departement "Finance", waardoor 50% van de werknemers zou worden ontslagen. De afdeling "credit and collections" waarbinnen de heer A. als "credit collections specialist" was tewerkgesteld, zou worden overgebracht naar Roemenië.

Met een aangetekende brief van 12-7-2006 deelde de vakorganisatie LBC-NVK aan de vennootschap mee dat mevrouw M. had beslist om haar mandaat van effectief lid van de syndicale afvaardiging in de vennootschap onmiddellijk neer te leggen en dat de heer A. was aangesteld om in haar vervanging te voorzien, in toepassing van de CAO van 9-7-2006 afgesloten binnen het Paritair Comité nr.218.

Bij brief van 29-7-2007 bevestigde de vennootschap ontvangst van de aangetekende brief van 12-7-2006. Zij schreef dat het haar eigenaardig voorkwam dat precies de heer A. die de functie van "credit & collections specialist" waarnam als effectief lid van de vakbondsafvaardiging werd aangesteld aangezien de afdeling waarin hij was tewerkgesteld binnen korte termijn lokaal zou verdwijnen en op Europees niveau te Roemenië zou worden gerelocaliseerd in het kader van de EMEA reorganisatie van de financiële structuren, zoals toegelicht op de ondernemingsraad van 8-6-2006 waar werd aangekondigd dat de arbeidsrelatie van de Belgische werknemers van die afdeling beëindigd diende te worden.

Mocht de vakvereniging menen de aanstelling van de heer A. te moeten handhaven in weerwil van de feitelijke omstandigheden dan verzocht zij haar brief te willen beschouwen als een kennisgeving van haar voornemen om zijn arbeidsovereenkomst wegens economische redenen te beëindigen, op grond van art. 27 van de CAO van 29-7-1997 betreffende het statuut van de syndicale afvaardiging afgesloten binnen paritair comité 218.

De vakvereniging antwoordde met een aangetekende brief van 1-8-2006 dat zij geen weet had van een noodzakelijk ontslag van de heer A. en er daarover geen overleg was geweest, dat zij diens aanstelling bijgevolg handhaafde en niet akkoord kon gaan met een ontslag om economische of technische redenen.

Indien de vennootschap zou menen de heer A. te moeten ontslaan, achtte zij dit verbonden met zijn aanstelling als lid van de vakbondsafvaardiging, mede gelet op andere precedenten i.v.m. inbreuken op de beschermingswetgeving.

Zij maande de vennootschap aan niet tot ontslag over te gaan en deelde mee dat zij zich ter beschikking hield voor overleg tussen de syndicale afvaardiging en de directie m.b.t. het bestaan van economische motieven

Met aangetekende brief van 1-9-2006 verzocht de vennootschap het Verzoeningsbureau van het paritair comité nr. 218 om tussen te komen op grond van art 27 CAO 9-7-1997.

Met een aangetekende brief van 24-10-2006 deelde zij aan het Verzoeningsbureau mee dat zij op de voorziene vergadering eerst haar bezwaar tegen de aanstelling van de heer A. (art. 22 CAO) wilde laten gelden en pas daarna, indien het niet tot een unanieme beslissing kwam met betrekking tot de rechtsongeldigheid van de kandidatuur, de economische redenen met het oog op het voorgenomen ontslag van de heer A. op grond van art 27 CAO zou laten gelden.

Er ontstond een discussie tussen de vakbond en de vennootschap over de vraag of zij al dan niet van bij de aanvang de aanstelling van de heer A. als lid van de vakbondsafvaardiging had aanvaard en daar nadien was op teruggekomen.

Op 6-11-2006 nam de heer A. contact op met de externe preventiedienst, MENSURA, en maakte een formele klacht over wegens geweld op het werk.

Met een aangetekende brief van 20-11-2006 werd de vennootschap door MENSURA van die klacht op de hoogte gesteld.

Het Verzoeningsbureau van het Paritair Comité nr. 218 vergaderde op 7-12-06 en stelde vast dat het "niet kon verenigen".

Op 15-12-2006 stelde de vennootschap een einde aan de arbeidsovereenkomst, mits betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 6 maanden loon. Op het C4 formulier vermeldde zij als ontslagreden: "reorganisatie".

Met een aangetekende brief van 23-12-2006 diende de heer A. via zijn vakbond een aanvraag tot reïntegratie in zoals voorzien door art 32 tredecies §3 van de Welzijnswet van 4-8-1996.

De vennootschap weigerde in te gaan op dit verzoek met aangetekende brief van 4-1-2007.

Met een aangetekende brief van 6-12-2007 stelde de heer A. de vennootschap in gebreke tot betaling van een aantal bedragen. Nadien bij dagvaarding van 13-12-2007 vorderde hij de veroordeling van de vennootschap tot betaling van die bedragen te weten:

-1.614,85 euro als saldo van de toegezegde opzeggingsvergoeding ingevolge aanpassing van het basisloon

-12.226,55 euro als aanvullende opzeggingsvergoeding gelijk aan 3 maanden loon

-48.906,20 euro als vergoeding wegens onrechtmatig ontslag van een effectief lid van de syndicale afvaardiging overeenstemmend met 12 maanden loon

-24.453,10 euro als schadevergoeding wegens onrechtmatig ontslag van een slachtoffer van geweld in toepassing van art 32 tredecies van de Welzijnswet

-275,55 euro als feestdagenloon voor 25-12-2006 en 1-1-2007 en 42,27 euro als vakantiegeld daarop.

De wettelijke en gerechtelijke intresten op die bedragen vanaf hun eisbaarheid en de kosten van het geding.

Hij vorderde tevens de veroordeling van de vennootschap tot aflevering van de aangepaste sociale en fiscale documenten m.b.t. die vordering onder verbeurte van een dwangsom.

Met het bestreden vonnis verklaarde de arbeidsrechtbank, op andersluidend advies van het Openbaar Ministerie, de vordering ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelde hem tot de kosten van het geding.

Met betrekking tot het in aanmerking te nemen basisloon, oordeelde zij dat er geen reden was tot aanpassing ervan en bijgevolg evenmin tot betaling van een saldo op de toegezegde opzeggingsvergoeding.

Zij achtte geen aanvullende opzeggingsvergoeding verschuldigd. Daar de functie van de heer A. was opgenomen in de lijst van knelpuntberoepen meende zij dat de minimum opzeggingsvergoeding van 6 maanden volstond.

Zij was verder van oordeel dat de vennootschap zich tijdig had verzet tegen de aanstelling van de heer A. als vakbondsafgevaardigde zodat zijn aanstelling geschorst was zolang er geen akkoord was tussen partijen of een beslissing van het verzoeningscomité.

Het verzet van de vennootschap maakte zij hieruit op dat zij de vakvereniging haar bezwaren tegen zijn aanstelling kenbaar maakte en haar verzocht iemand anders aan te stellen. Het voornemen om de heer A. om economische redenen te ontslaan werd slechts in ondergeschikte orde geformuleerd, voor het geval de vakvereniging zijn aanstelling zou handhaven. Zij besloot dat er op het ogenblik van het ontslag geen geldig mandaat was als lid van de vakbondsafvaardiging.

De brief die de heer A. verstuurde aan MENSURA voldeed volgens de arbeidsrechtbank niet aan de vereiste van een gemotiveerde klacht, en zij besloot dat de heer A. zich ten onrechte beriep op de ontslagbescherming voorzien in art 32 tredecies van de Welzijnswet.

Zij achtte verder niet bewezen dat het loon voor feestdagen verschuldigd was.

VORDERINGEN IN HOGER BEROEP

De heer A. kan zich niet neerleggen bij de uitspraak van de arbeidsrechtbank. Hij verzoekt het hof deze te vernietigen en zijn oorspronkelijke vordering integraal te willen inwilligen, behalve wat de aanpassing van de berekeningsbasis van de opzeggingsvergoeding betreft.

Hij vordert de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van volgende bedragen:

euro 11.380, 27 bruto ten titel van aanvullende opzeggingsvergoeding,

euro 45.521,09 bruto ten titel van vergoeding wegens onrechtmatig ontslag van een effectief lid van de syndicale afvaardiging,

euro 22.760,55 bruto ten titel van schadevergoeding wegens onrechtmatig ontslag van een slachtoffer van geweld in toepassing van art. 32terdecies van de Wet Welzijn van 4 augustus 1996,

euro 275,55 bruto ten titel van feestdagenloon voor 25 december 2006 en 1 januari 2007,

euro 42,27 bruto ten titel van vakantiegeld op het feestdagenloon,

te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten op voormelde brutobedragen en de kosten van het geding.

De vennootschap verzoekt het hof het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te willen bevestigen en de heer A. te veroordelen tot de kosten.

BEOORDELING

I.ONTVANKELIJKHEID

Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep dat regelmatig is naar vorm, binnen de wettelijke termijn werd ingesteld. Aan de andere ontvankelijkheidvereisten is eveneens voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.

II.TEN GRONDE

Opzegvergoeding

Over het jaarloon dat in acht moet worden genomen ter berekening van de opzeggingsvergoeding, wordt in hoger beroep geen betwisting meer gevoerd Het werd door de arbeidsrechtbank bepaald op een bedrag van 45.521,09 euro

Wel is er nog een betwisting over de opzeggingstermijn die in acht had dienen genomen worden. De arbeidsrechtbank achtte de wettelijke minimumopzegtermijn van 6 maanden toereikend. De heer A. vraagt een bijkomende vergoeding gelijk aan 3 maanden loon.

Voor bedienden wier jaarloon het in art 82§2 en §3 van de wet van 3-7-1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (WAO) bepaalde grensbedrag te boven gaat, wordt de opzegtermijn, bij gebreke aan een overeenkomst daarover tussen partijen bepaald door de rechter.

Volgens een vaststaande cassatierechtspraak neemt deze daarbij de termijn in acht die op het ogenblik van de opzegging of het ontslag zonder opzegging nodig is om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden, rekening houdend met de leeftijd, de anciënniteit, de uitgeoefende functie en het genoten jaarloon.

(Cass. 17 september 1975, TSR 1976, 14; Cass. 8 september 1980, Arr. Cass. 1980-1981, 17; Cass. 3 februari 1986, JTT 1987, 58; Cass. 4 februari 1991, RW 1990-1991, 1407; Cass. 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994, 253).

De heer A. was op het ogenblik van het ontslag 42 jaar oud, en had een anciënniteit van iets meer dan 5 jaar.

De vennootschap betoogt dat rekening kan worden gehouden met het feit dat hij tijdens de opzegtermijn werd vrijgesteld van prestaties. Het hof acht dit niet relevant m.b.t de termijn die theoretisch nodig is voor het vinden van een gelijkaardige betrekking op het ogenlik van de opzegging. De wet voorziet niet in een uitzondering in dat geval. De regel is dat een opzeggingstermijn wordt toegekend. Indien die regel niet wordt gevolgd moet een opzeggingsvergoeding worden betaald overeenstemmend met de opzegtermijn die in acht had moeten genomen worden.

De door de heer A. uitgeoefende functie behoort inderdaad tot de knelpuntberoepen, wat het vinden van een nieuwe betrekking vergemakkelijkt. Het hof is echter van oordeel dat rekening gehouden met het geheel van de in aanmerking te nemen criteria, een opzeggingstermijn gelijk aan 7 maanden loon passend is, zodat aan de heer A. nog een aanvullende opzeggingsvergoeding gelijk aan 1 maand loon verschuldigd is, hetzij:

45.676,49 euro : 12 = 3.806,37 euro

Vergoeding wegens beweerd onrechtmatig ontslag als lid van de syndicale afvaardiging

Binnen het paritair comité 218, waaronder Oracle ressorteert, regelt een CAO van 9-7-1997 (algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 20-7-1998, verschenen in het BS van 10-10-1998) het statuut van de syndicale afvaardiging, in uitvoering van de niet algemeen verbindend verklaarde CAO nr. 5 afgesloten op 24-5-1971 binnen de NAR.

Art 21 van de sectorale CAO bepaalt:

"Elke organisatie zal tijdig zorgen voor de vervanging van afgevaardigden die hun opdracht definitief niet meer kunnen vervullen.

Hiertoe deelt de betrokken vakorganisatie per aangetekend schrijven aan de werkgever de naam van de vervanger mee, samen met de naam van de gewone kandidaat die hij vervangt.

Uiterlijk 15 dagen na deze mededeling neemt de plaatsvervangende zijn effectief mandaat op. Deze termijn wordt geschorst in geval van betwisting.

Overeenkomstig art 22 van de CAO van 9-7-1997 m.b.t. het statuut van de syndicale afvaardiging kan de werkgever zich altijd om ernstige redenen tegen de aanduiding van een afgevaardigde verzetten.

Desgevallend laat de werkgever aan de betrokken vakvereniging voor bedienden weten waarom hij zich verzet en dit binnen de 14 werkdagen na voorlegging van de kandidatuur van de vervanger."

Art 22 luidt:

"De werkgever kan zich altijd om ernstige redenen tegen de aanduiding of het behoud van een afgevaardigde verzetten. De werkgever laat in het eerste geval aan de betrokken vakvereniging voor bedienden weten waarom hij zich verzet, zulks binnen de 14 werkdagen na voorlegging van de in art 19derde lid bedoelde lijst.

Bij onenigheid tussen partijen wordt het geschil aan het verzoeningscomité van het Nationaal Paritair Comité voorgelegd, die de partijen, gebeurlijk bijgestaan door een raadsman zal aanhoren en het geschil beslechten."

Art 23 bepaalt ten slotte:

"De syndicale afvaardiging wordt officieel ingesteld binnen de 14 dagen na het verstrijken van de termijn bedoeld in art 22, eerste lid. In geval van onenigheid tussen de partijen gaat deze termijn na betekening van de beslissing van het verzoeningsbureau bedoeld in art 22, tweede lid.

Ter gelegenheid van de officiële instelling stellen de partijen in uitvoering van hoofdstuk VI, de werkingsmodaliteiten van de syndicale afvaardiging vast.

De aanstelling van de heer A. als vervanger van mevrouw Nathalie M. werd door de vakvereniging aan de werkgever meegedeeld bij aangetekende brief van 12-7-2006.

De vennootschap heeft daarop geantwoord met brief die 27-7-2006 als postdatum droeg, dit is binnen de 14 werkdagen zoals bepaald bij art 21 voormeld. De heer A. betoogt ten onrechte dat die reactie buiten termijn zou zijn en gaat eraan voorbij dat art 21 hiervoor wel degelijk een termijn van 14 werkdagen en niet van 14 kalenderdagen bepaalt.

Terecht heeft de arbeidsrechtbank geoordeeld dat de werkgever zich in die brief wel degelijk tegen de aanstelling van de heer A. heeft verzet, zij het in voorzichtige bewoordingen. Dit kan worden afgeleid uit volgende passages:

"Het komt ons enigszins eigenaardig voor dat precies de heer A. die in onze onderneming de functie van "credit&collections specialist" waarneemt, wordt aangesteld.

Inderdaad, zoals u weet zullen de activiteiten van de afdeling "credit &collections" waartoe de heer A. behoort, binnen korte termijn lokaal verdwijnen en gecentraliseerd worden op Europees niveau te Roemenië in het kader van de EMEA reorganisatie van de financiële structuren.

Dit werd reeds uitvoerig toegelicht door de heer P., Benelux Finance Director, tijdens de vergadering van de ondernemingsraad van 8-6-06. Binnen dit kader werd reeds aangekondigd dat de arbeidsrelaties van de Belgische werknemers tewerkgesteld in deze afdeling om de toegelichte relevante redenen beëindigd zouden dienen te worden.

In het licht daarvan zou het bijgevolg in de lijn der verwachtingen liggen dat u een andere kandidaat zou voorstellen.

Indien u desalniettemin meent de aanstelling van de heer A. te moeten handhaven, in weerwil van de feitelijke omstandigheden, verzoeken wij u huidig schrijven te willen beschouwen als een kennisgeving van ons voornemen om de arbeidsovereenkomst van de heer A. te beëindigen wegens economische redenen overeenkomstig art 27 van de CAO dd 9 juli 1997 betreffende het statuut van de syndicale afvaardiging zoals afgesloten in het paritair comité 218."

Hiermee heeft de vennootschap verzocht een andere kandidaat aan te stellen. Slechts in ondergeschikte orde werd er het voornemen aangekondigd de arbeidsovereenkomst om economische redenen te beëindigen.

Het feit dat de vennootschap reageerde binnen de termijn voorzien in geval van betwisting was reeds een aanwijzing dat zij het niet eens was met de aanstelling, zo niet diende zij helemaal niet te reageren.

De aanhef van de brief luidde: Aanstelling/vervanging leden syndicale afvaardiging, zodat niet kan gesteld worden dat hij enkel werd verstuurd om een voornemen tot ontslag van de heer A. mee te delen.

De vakorganisatie heeft dit kennelijk eveneens als een betwisting opgevat daar zij bij aangetekende brief van 1-8-2006 meedeelde dat zij de aanstelling van de heer A. als vakbondsafgevaardigde handhaafde. Tegelijkertijd deelde zij mee niet akkoord te kunnen gaan met het voorgenomen ontslag.

In haar brief van 24-10-2006 leidt de vakorganisatie de aanvaarding van de aanstelling af uit het feit dat de vennootschap het verzoeningsbureau van het paritair comité op 1-9-2006 had gevat op grond van art 27 van de CAO en niet uit het feit dat er na de mededeling van de aanstelling bij brief van 12-7-2006 geen protest zou zijn gevolgd binnen de daartoe voorziene termijn.

Door de betwisting van de aanstelling, was deze geschorst, zolang daarover geen beslissing was genomen door het verzoeningsbureau van het paritair comité of tot partijen een overeenkomst hadden bereikt zoals kan worden afgeleid uit art 21 en 23 van de CAO van

9-7-1997.

Uit de voorliggende gegevens blijkt niet dat de vennootschap de aanstelling intussen had aanvaard. Uit de omstandigheid dat zij in haar brief aan het verzoeningsbureau bij het paritair comité enkel art 27 van de CAO vermeldde kan dit niet worden afgeleid, nu nadien het verzoeningsbureau vooraleer het was samengekomen, bij brief van 24-10-2006 werd gevat over de betwisting betreffende de aanstelling van de heer A. als vakbondafgevaardigde

Het hof merkt op dat in de CAO geen termijn wordt bepaald binnen dewelke het verzoeningsbureau moet worden gevat bij betwisting van de aanstelling, zodat dit nog geldig gebeurde bij brief van 24 -10-2006.

Er blijkt nergens uit dat intussen een akkoord werd bereikt tussen partijen over die aanstelling.

In haar brief van 24-10-2006 aan het verzoeningsbureau verzocht de vennootschap dat het verzoeningsbureau eerst de "ernstige redenen" tegen de aanstelling van de heer A. zou behandelen zoals uiteengezet in de brief van 26-7-2006 en slechts indien het verzoeningsbureau niet tot de unanieme beslissing zou komen dat de aanstelling niet rechtsgeldig was, verzocht ze het bureau een beslissing te nemen m.b.t. de ingeroepen economische redenen van het voorgenomen ontslag van de heer A..

Op 9-11-2006 zou er binnen de onderneming een intern overleg met de vakbondsafgevaardigden plaats vinden doch het blijkt dat nog steeds betwisting bestond over de geldigheid van de aanstelling van de heer A.. De vennootschap weigerde dat hij als lid van de vakbondsafvaardiging zou aanwezig zijn. Er werd geen akkoord bereikt en de vennootschap wilde opnieuw het verzoeningsbureau vatten.

Er zijn geen vormvoorschriften met betrekking tot het vatten van het verzoeningsbureau.

Het verzoeningsbureau achtte zich kennelijk geldig gevat aangezien de aanstelling er werd besproken. Uit het PV van de bijeenkomst van het verzoeningsbureau van 7-12-2006, blijkt immers dat partijen er standpunt hebben ingenomen met betrekking tot de geldigheid/ongeldigheid van de aanstelling van de heer A. als vakbondsafgevaardigde.

Op 15-12-2006 besliste de vennootschap tot ontslag met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 6 maanden loon.

Het verzoeningsbureau kwam niet tot een unanieme beslissing. Evenmin bereikten de betrokken partijen overeenstemming, zodat de arbeidsrechtbank terecht heeft beslist dat de heer A. op het ogenblik van het ontslag op 15-12-2006 geen geldig mandaat had als lid van de vakbondsafvaardiging.

Aangenomen dat dit wel het geval zou geweest zijn, dan moet in ieder geval worden vastgesteld:

- dat het voornemen tot ontslag in overeenstemming met art. 27 van de CAO 9-7-1997 aan de vakorganisatie en de syndicale delegatie werd meegedeeld bij brief van 26-7-2006.

De heer A. betwist de mededeling aan de syndicale delegatie, doch deze werd in cc. vermeld en de vakbond heeft daartegen toen niet geprotesteerd.

- dat de betwisting daarover aan het verzoeningsbureau van het paritair comité werd voorgelegd

- dat het ontslag pas werd gegeven nadat het verzoeningsbureau had meegedeeld dat het niet tot een beslissing was gekomen.

Uit art. 27 van de CAO kan worden afgeleid dat geen ontslag mocht worden gegeven zolang de verzoeningsprocedure liep.

De CAO bepaalt niet dat de arbeidsrechtbank eerst uitspraak moet doen over het voorhanden zijn van economische en technische redenen vooraleer een ontslagbeslissing mag worden getroffen.

Of er voor het ontslag economische en technische redenen waren kon ook na het ontslag nog door de arbeidsrechtbank worden nagegaan.

Dit kan worden afgeleid uit de samenlezing van volgende passages:

"de maatregel tot afdanking mag niet worden uitgevoerd gedurende de duur van deze procedure"(voor het verzoeningsbureau).

Indien het verzoeningsbureau tot geen eenparige beslissing is kunnen komen binnen de twee maanden van de aanvraag tot tussenkomst, wordt het geschil betreffende de geldigheid van de redenen die door de werkgever worden ingeroepen om de afdanking te verantwoorden aan de Arbeidsrechtbank (voorgelegd).

In geval van onenigheid tussen de partijen gaat deze termijn na betekening van de beslissing van het verzoeningsbureau bedoeld in art. 22, tweede lid.

Dat er voor het ontslag economische en technische redenen waren blijkt reeds uit het verslag van de ondernemingsraad van 8-6-2006 . Toen werd reeds aangekondigd dat de afdeling waar de heer A. was tewerkgesteld naar Roemenië zou worden overgebracht en dat de werknemers die in deze afdeling tewerkgesteld waren zouden ontslagen worden. Op dat tijdstip had de vennootschap er geen kennis van dat de heer A. als vervanger voor een lid van de vakbondsafvaardiging zou worden aangesteld.

Wel mag aangenomen worden dat die omstandigheden aan de vakvereniging en aan de heer A. bekend waren. In dat verslag kan men immers lezen dat aan de werknemersvertegenwoordigers slechts werd gevraagd die informatie geheim te houden tot de avond van dezelfde dag, waarop de financieel directeur de werknemers zou inlichten.

Op het ogenblik van het ontslag van de heer A. was die afdeling reeds daadwerkelijk overgeplaatst naar Roemenië.

Bovendien geldt de ontslagbescherming slechts in verband met redenen die eigen zijn aan de uitoefening van het mandaat (art. 26 van de CAO), en blijkt in voorliggende zaak niet dat het mandaat daadwerkelijk is uitgeoefend

Schadevergoeding wegens het indienen van een klacht op grond van art. 32 tredecies van de welzijnswet van 4-8-1996

Ter zitting verklaart appellant dat die vordering in ondergeschikte orde werd ingesteld, in de mate de vordering gesteund op zijn bescherming als syndicaal afgevaardigde niet zou worden ingewilligd.

De heer A. diende op 6-11-2006 een klacht in bij de externe preventieadviseur wegens geweld op het werk.

De preventieadviseur bracht de vennootschap van die klacht op de hoogte op 20-11-2006.

De heer A. werd ontslagen vooraleer een vergadering tussen werkgever en preventieadviseur had kunnen plaats vinden.

Op 23-12-2006 vroeg de LBC-NVK over te gaan tot reïntegratie van de heer A. op grond van art. 32 trediecies §3 van de welzijnswet.

De vennootschap antwoordde op 4-1-2007 dat ze de reïntegratie weigerde daar het ontslag vreemd was aan de beweerde klacht.

De vennootschap meent dat de heer A. de vormvoorwaarden niet heeft nageleefd zoals bepaald in het IB van 11-7-2002, nl.

- dat de klacht met redenen moet omkleed zijn (hetgeen inhoudt dat de feiten er uitvoerig worden in omschreven),

dat het document gedateerd wordt en dat de verklaringen van slachtoffer en getuigen erin worden opgenomen

dat de klacht door de preventieadviseur zelf moet worden opgesteld en dat het niet om een eenzijdige klacht mag gaan uitgaande van de klager.

Zij merkt op dat de klacht geen vermelding bevat i.v.m. de aanvang van de formele procedure en dat ze zich beperkt tot de loutere bespreking van de reorganisatie

Zij meent dat de motivering die achteraf in conclusie wordt gevoerd laattijdig is en niet kan worden weerhouden. Ondergeschikt acht zij de ingeroepen feiten niet bewezen

In ondergeschikte orde benadrukt zij dat de redenen voor het ontslag van economische aard waren en vreemd aan de klacht zodat geen schadevergoeding kan verschuldigd zijn.

Volgens haar heeft de heer A. misbruik gemaakt van de klachtprocedure om het voorgenomen ontslag om economische redenen te verijdelen.

Aangezien de feiten waarover de betwisting handelt dateren van eind 2006 moeten de wettelijke bepalingen van de welzijnswet van 4-8-2006 worden toegepast zoals geformuleerd voor de wetswijziging van 10-1-2007.

Art. 32 nonies van die wet bepaalde dat de werknemer die meende het slachtoffer te zijn van feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, zich kon richten tot de preventieadviseur of de vertrouwenspersonen die hem bijstaan of tot de met het toezicht belaste ambtenaren bedoeld in art. 80, en in voorkomend geval bij die personen een met redenen omklede klacht kon indienen volgens de voorwaarden en nadere regels vastgesteld met toepassing van art. 32 quater §2.

Onder geweld verstaat art. 32 ter lid 1,1° welzijnswet elke feitelijkheid waarbij een werknemer of een ander persoon waarop het hoofdstuk Vbis van toepassing is, psychisch of fysiek wordt lastiggevallen, bedreigd of aangevallen bij de uitvoering van het werk.

De klacht moet voldoende duidelijk en nauwkeurig de feiten omschrijven die als geweld, pesterij of ongewenst seksueel gedrag worden beschouwd, met vermelding van de persoon van de dader en de aanduiding van plaats en tijd, om in voorkomend geval het tegenbewijs mogelijk te maken.

Overeenkomstig art. 32 tredecies §1 van de wet, mag een werkgever wanneer een werknemer die een met redenen omklede klacht heeft ingediend ... de arbeidsverhouding niet beëindigen, noch de arbeidsvoorwaarden eenzijdig wijzigen, behalve om redenen die vreemd zijn aan die klacht of aan die rechtsvordering.

Wanneer de werknemer na het verzoek tot reïntegratie in de onderneming onder de voorwaarden die bestonden voor de feiten die tot de klacht aanleiding hebben gegeven niet opnieuw wordt opgenomen of zijn functie niet onder dezelfde voorwaarden die bestonden voor de feiten die tot de klacht aanleiding hebben gegeven, kan uitoefenen en de rechter heeft geoordeeld dat het ontslag of de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden indruist tegen de bepalingen van §1, moet de werkgever aan de werknemer een vergoeding betalen die naar keuze van de werknemer gelijk is hetzij aan een forfaitair bedrag dat overeenstemt met een brutoloon voor 6 maanden, hetzij aan de werkelijk door de werknemer geleden schade. (Art. 32 tredecies §4 Welzijnswet.)

Het hof is van oordeel dat de klacht van eiser die de preventieadviseur in bijlage aan zijn brief van 6-11-2006 aan de vennootschap heeft gevoegd om haar er in kennis van te stellen, formeel kan worden beschouwd als een met redenen omklede klacht.

De externe preventieadviseur heeft deze ook als een formele klacht aan de werkgever overgemaakt en hem erover geïnformeerd dat deze aanleiding gaf tot de wettelijke bescherming tegen ontslag.

In die klacht wijst de heer A. de heer V. personeelsdirecteur aan als degene die via de financieel directeur en zijn onmiddellijke overste, druk heeft uitgeoefend en hem heeft bedreigd door hem een vrijwillig vertrek uit de vakbondsdelegatie voor te stellen in ruil voor decente arbeidsvoorwaarden en een decent vertrek.

Verder verduidelijkt hij dat hem werd gevraagd afstand te doen van de bescherming verbonden aan zijn statuut van vakbondsafgevaardigde zoniet zouden hem slechts secundaire taken worden opgelegd en zou hij een opzegtermijn dienen te presteren.

Voor het overige wordt de reorganisatie besproken en de wijziging van zijn taak als gevolg daarvan.

Het hof is van oordeel dat deze klacht voldoet aan de wettelijke voorschriften.

De persoon tegen wie ze is gericht is bij naam genoemd, de tussenpersonen zijn identificeerbaar, de uitgeoefende druk is voldoende concreet omschreven.

Het hof is echter van oordeel dat uit de elementen van het dossier voldoende blijkt dat het ontslag geen verband houdt met de neergelegde klacht.

Op de ondernemingsraad van 8-6-2006 werd reeds aangekondigd dat de afdeling "credits &collections" waarin de heer A. was tewerkgesteld naar Roemenië zou worden overgeplaatst en dat de functie van de werknemers die er waren tewerkgesteld zou beëindigd worden.

De heer A. merkt trouwens zelf op dat zijn taak er intussen in bestond de Roemeense werknemers die hen zouden vervangen op te leiden.

Op het verzoek tot reïntegratie antwoordde de werkgever dat de beslissing om de heer A. te ontslaan voortvloeide uit de herstructurering van de financiële afdeling en aangezien de functie reeds in november naar Roemenië was getransfereerd, het ontslag werd betekend omdat hierdoor de taken van de heer A. in België vervallen waren. Hij benadrukte dat het ontslag van de heer A. volstrekt vreemd was aan de klacht waarnaar hij verwees.

Volgens de vennootschap diende de heer A. die klacht enkel in nadat hij al maanden op de hoogte was van zijn nakend ontslag en nadat duidelijk was geworden dat zij zijn aanstelling als vakbondsafgevaardigde bleef betwisten. Zij leidde daaruit af dat de heer A. misbruik maakte van de klacht procedure.

De heer A. heeft het antwoord van de vennootschap betreffende de transfer van de functie naar Roemenië in november 2006 niet betwist. Daaruit volgt dat de werkgever hem ook niet kon herplaatsen in dezelfde functie en tegen dezelfde arbeidsvoorwaarden, overeenkomstig de bepaling van art. 32 tredecies §4.

De heer A. beweert dat andere werknemers van zijn afdeling binnen de onderneming een andere functie hebben gekregen en dat de vennootschap geen inspanningen heeft gedaan om hem te herplaatsen. Dat bepaalde werknemers van dezelfde afdeling binnen de onderneming een andere functie hebben gekregen, doet niets af aan het feit dat de door de werkgever ingeroepen ontslagredenen juist zijn en vreemd waren aan de klacht. Alle functies binnen de afdeling werden wel degelijk opgeheven.

Slechts een gedeelte van de werknemers kregen een andere functie.

In die omstandigheden kan de vordering van de heer A. tot het bekomen van een schadevergoeding op grond van art. 32 tredecies welzijnswet niet worden ingewilligd.

Feestdagenloon

De heer A. maakt nog aanspraak op het loon voor de feestdagen van 25-12-2006 en 1-1-2007 die vallen binnen de maand na het ontslag.

De vennootschap acht niet bewezen dat de heer A. nog niet in dienst was getreden van een andere werkgever.

Gelet op het tijdstip van het ontslag en de aanvraag tot reïntegratie van 23-12-2006, is het hof van oordeel dat met voldoende zekerheid kan worden gesteld dat de heer A. niet in dienst was getreden van een andere werkgever zodat hij aanspraak kan maken op het loon voor die twee feestdagen.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak;

Gelet op het niet eensluidend mondeling advies van het Openbaar Ministerie, enkel betrekking hebbend op de vordering tot schadevergoeding op grond van de Welzijnswet van 4-8-1996,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch slechts gedeeltelijk gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis.

Veroordeelt de NV Oracle tot betaling aan de heer A.

- van een aanvullende opzeggingsvergoeding gelijk aan 1 maand loon, t.b.v. 3.806,37 euro en de wettelijke en gerechtelijke intresten daarop

- van een bedrag van 275,55 euro als feestdagenloon voor 25-12-2006 en 1-1-2007 en 42,27 euro als vakantiegeld daarop en de wettelijke en gerechtelijke intresten op die bedragen vanaf hun eisbaarheid

Zegt voor recht dat iedere partij haar eigen gedingkosten zal dragen.

Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige.

Voor appellant begroot op :

dagvaarding : euro 137,01

rechtsplegingvergoeding arbeidsrechtbank : euro 3.000

rechtsplegingvergoeding arbeidshof : euro 3.300

Voor geïntimeerde begroot op :

rechtsplegingvergoeding arbeidsrechtbank : euro 3.000

rechtsplegingvergoeding arbeidshof : euro 3.300

Aldus gewezen door de derde kamer en ondertekend door:

G. Balis, kamervoorzitter;

P. Kessels, raadsheer in sociale zaken, als werkgever;

G. Tissen, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-

bediende;

Bijgestaan door

K. Maes, afgevaardigd griffier.

G. Balis K. Maes

P. Kessels G. Tissen

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het arbeidshof te Brussel op 3 januari tweeduizend en twaalf door :

G. Balis kamervoorzitter

Bijgestaan door

K. Maes afgevaardigd griffier.

G. Balis K. Maes

Vrije woorden

  • COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN

  • SYNDICALE AFVAARDIGING

  • Vakbondsafgevaardigde

  • Betwiste aanstelling

  • Geen unanieme beslissing van het verzoeningsbureau

  • Ontslag.