- Arrest van 6 januari 2012

06/01/2012 - 2011/AB/28

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 78 A.O.W. wordt beëindigd nadat de werknemer meer dan 6 maanden arbeidsongeschikt is geweest is er geen sprake van een handelswijze van de werknemer, en uiteraard niet van feiten die hem ten laste kunnen worden gelegd.

Op dergelijk ontslag is artikel 4 van de C.A.O. van 9 november 1987 niet van toepassing.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 JANUARI 2012

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

heropening der debatten

In de zaak:

DE FEDERALE VERZEKERINGEN - B.O.A.R. C.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Stoofstraat 12,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. DE BRUYN Guido, advocaat te 9300 AALST, Capucienenlaan 63.

Tegen:

D. ,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. WALRAVENS Ingrid loco mr. VAN AKEN Geert, advocaat te 9300 AALST, Keizersplein 8.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 23 december 2010 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 24e kamer (A.R. 2575/07).

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 11 januari 2011;

de conclusie voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 29 maart 2011;

de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 9 december 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN

De heer D. trad op 7 mei 1979 in dienst van de Federale Verzekeringen CVBA (hierna genoemd de CVBA als bediende - loonbeheerder).

Op 8 oktober 2005 werd hij arbeidsongeschikt. Volgens een attest van de hem behandelende geneesheer was hij tijdens de periode van 15 december 2005 tot 14 maart 2006 halftijds arbeidsgeschikt, doch de CVBA liet geen deeltijdse werkhervatting toe. Na 14 maart 2006 bleef hij arbeidsongeschikt.

Met aangetekende brief van 15 mei 2006 beëindigde de CVBA de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 78 van de Arbeidsovereenkomstenwet en met betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 25 maanden loon, waarop het loon dat werd betaald sinds de aanvang van de arbeidsongeschiktheid in mindering werd gebracht.

Met brief van 7 juni 2006 vorderde de vakorganisatie van de heer D. betaling door de CVBA van een aanvullende opzeggingsvergoeding gelijk aan twee maanden loon en een forfaitaire vergoeding gelijk aan negen maanden loon wegens niet naleving van de collectieve regeling inzake vastheid van betrekking. Tenslotte werd opname van de maaltijdcheques in de berekeningsbasis van de opzeggingsvergoeding gevraagd.

Met brief van 19 juni 2006 antwoordde de raadsman van de CVBA dat deze in het kader van een minnelijke regeling bereid zou zijn een aanvullende opzeggingsvergoeding van twee maanden loon te betalen, doch dat er geen sprake was van een ontslag om economische of technische reden, enkel om een loutere toepassing van artikel 78 van de Arbeidsovereenkomstenwet.

Verdere correspondentie tussen de vakorganisatie van de heer D. en de raadsman van de CVBA, waarin beiden hun standpunten uitvoerig verdedigden, leidde niet tot een oplossing.

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met inleidende dagvaarding van 26 januari 2007 vorderde de heer D. voor de Arbeidsrechtbank te Brussel betaling door de CVBA van:

21.886,87 EUR aanvullende opzeggingsvergoeding

38.824,52 EUR forfaitaire vergoeding

te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intrest.

Hij vorderde tevens afgifte van de overzichten inzake de groepsverzekering voor de jaren 2005 en 2006, en de afgifte van de sociale documenten, dit laatste onder de verbeurte van een dwangsom van 25 EUR per stuk per dag vertraging in de afgifte.

Tenslotte vorderde hij de veroordeling van de CVBA tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding en de voorlopige uitvoerbaarheid van het vonnis zonder enige reserve.

b.-

Met vonnis van 23 december 2010 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk en grotendeels gegrond. De CVBA werd veroordeeld tot betaling aan de heer D. van 21.886,87 EUR saldo opzeggingsvergoeding en 38.824,52 EUR forfaitaire vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intrest, tot afgifte van de overzichten inzake de groepsverzekering voor de jaren 2005-2006, tot afgifte van sociale documenten onder verbeurte van een dwangsom van 25 EUR per dag vertraging in de aflevering, te rekenen vanaf een maand na de betekening van het vonnis en met [een] maximum van 500 EUR. De CVBA werd tevens veroordeeld tot de kosten van het geding.

c.-

Er wordt geen melding gemaakt van een betekening van dit vonnis.

d.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 11 januari 2011 tekende de CVBA hoger beroep aan tegen dit vonnis. Zij vorderde dat het arbeidshof het vonnis zou teniet doen en de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond zou verklaren; in ondergeschikte orde vorderde zij de aanvullende opzeggingsvergoeding te begroten op 7.837,60 EUR en de forfaitaire vergoeding op 35.270,01 EUR, met verwijzing van de heer D. in de kosten van het geding.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

IV. BEOORDELING

1. Aanvullende opzeggingsvergoeding

a.-

Bij ontstentenis van akkoord tussen partijen dient de opzeggingsvergoeding met toepassing van artikel 82 § 3 en artikel 39 § 1 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaald te worden door de rechter.

De opzeggingstermijn moet bepaald worden met inachtneming van de op het tijdstip van de opzegging voor de bediende bestaande kans om een gelijkwaardige en passende betrekking te vinden, rekening houdend met de hiernavolgende criteria:

anciënniteit: 27 jaar

leeftijd: 46 jaar en 9 maanden

functie: loonbeheerder

loon: 51.766,03 EUR

mede in acht genomen de gegevens eigen aan de zaak en de belangen van beide partijen.

(vgl. Cass. 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass. 3 februari 1986, J.T.T. 1987, 58; Cass. 4 februari 1991, R.W. 1990-91, 1409; Cass. 9 mei 1994, Arr. Cass. 1994, 461; Cass. 2 december 2002, Soc. Kron. 2003, 166; Cass. 3 februari 2003, J.T.T. 2003, 262; Cass. 5 januari 2009, nr. S.08.0086.N)

Rekening houdend met deze criteria heeft de heer D. recht op een opzeggingsvergoeding gelijk aan 27 maanden loon en voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst, zoals terecht geoordeeld door de arbeidsrechtbank.

Het arbeidshof heeft hierbij rekening gehouden met de belangrijke anciënniteit van de heer D.. Deze anciënniteit moet als objectief criterium doorwegen bij de bepaling van de opzeggingstermijn.

(vgl. Arbh. Brussel 17 december 1985, J.T.T. 1986, 292)

Tevens werd rekening gehouden met het feit dat gedurende een zeer lange periode een gespecialiseerde functie werd uitgeoefend, een negatieve invloed heeft op het terugvinden van een gelijkwaardige betrekking.

(vgl. Arbh. Brussel 15 maart 2002, Med. VBO 2002, nr. 9, 114)

Tenslotte werd rekening gehouden met de leeftijd van de heer D. in de mate dat deze gerelateerd is aan een behoorlijke anciënniteit.

(vgl. Arbh. Brussel 7 maart 1997, R.W. 1997-98, 128)

b.-

Er bestaat geen of alleszins niet langer discussie over de samenstelling van het jaarloon waarmee rekening gehouden moet worden voor de bepaling van de aan de heer D. toekomende opzeggingsvergoeding, door beide partijen bepaald op 51.766,03 EUR, en evenmin over het bedrag dat met toepassing van artikel 78 van de Arbeidsovereenkomstenwet in mindering mag worden gebracht als loon dat sinds het begin van de arbeidsongeschiktheid werd betaald.

De verschuldigde aanvullende opzeggingsvergoeding werd door de eerste rechter correct bepaald op 21.886,87 EUR, zodat dit onderdeel van het hoger beroep van de CVBA als ongegrond moet worden afgewezen.

2. De forfaitaire vergoeding met toepassing van de CAO van 9 november 1987

a.-

Artikel 15 van de in het paritair comité voor het verzekeringswezen op 9 november 1987 gesloten collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de vastheid van betrekking bepaalt dat in geval van ontslag zonder dat de in de artikelen 4 en 5 van de CAO bepaalde procedures zijn nageleefd, en in het geval van ontslag dat in strijd is met artikel 10, de werkgever ertoe gehouden is de werknemer een forfaitaire vergoeding te betalen die gelijk is aan het loon van 6 maanden voor de personeelsleden met een anciënniteit tussen 1 en 5 jaar, en van 9 maanden voor de personeelsleden met een anciënniteit van meer dan 5 jaar, onverminderd de bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenwet.

Partijen zijn het er over eens dat het ontslag van de heer D. geen ontslag is wegens economische of technische redenen in de zin van artikel 5 van de CAO, en het staat evenmin ter discussie dat geen toepassing moet worden gemaakt van artikel 10 van de CAO, daar er geen sprake is van fusie of opslorping van ondernemingen.

Aan de orde is bijgevolg de vraag of het ontslag van de heer D. onder toepassing valt van artikel 4 van de CAO, dat betrekking heeft op ontslag dat niet is gebonden aan omstandigheden van economische of van technische aard.

b.-

Artikel 4 van de toepasselijke CAO bepaalt:

"a) De werkgevers lichten de werknemers in betreffende de feiten welke hen te laste kunnen worden gelegd als gevolg van hun handelwijze, om te voorkomen dat deze feiten voor de eerste maal zouden worden ingeroepen, gehergroepeerd, een te lange tijd nadat ze zich hebben voorgedragen.

b) De werkgevers verbinden zich ertoe, behoudens verzet van de betrokken werknemer in een binnen de twee werkgever gericht afzonderlijk schrijven:

de syndicale afvaardiging of de personeelsafvaardiging in te lichten betreffende het bestaan van bezwarende feiten bedoeld onder a) en welke later kunnen worden ingeroepen tot staving van een ontslagprocedure

inlichtingen te verstrekken aangaande dergelijke afdankingen aan de syndicale afvaardiging of aan de personeelsafvaardiging. In dit laatste geval, moet er een onderscheid gemaakt worden tussen drie hypothesen:

1. de werkgever laat aan een werknemer een schriftelijke verwittiging geworden welke van aard is te worden gevolgd door een ontslag zo er zich geen wijziging voordoet in de feiten welke hem ten laste worden gelegd: de werkgever laat de syndicale afvaardiging een bericht geworden waarin de overhandiging of de verzending van de schriftelijke verwittiging gewoon wordt medegedeeld; in geval de werkgever er later toe wordt genoodzaakt de beslissing van het ontslag te moeten nemen, deelt hij dit aan de syndicale afvaardiging mede bij de betekening van de arbeidsovereenkomst van de betrokkene;

2. de werkgever verbreekt de arbeidsovereenkomst om dringende reden in de zin zoals bedoeld in de wetgeving en in de rechtspraak inzake de arbeidsbetrekkingen: hij informeert de syndicale afvaardiging zodra het ontslag aan de betrokkene wettelijk wordt betekend;

3. in al de andere gevallen van ontslag steunend op een individuele handelswijze zonder dat het onder de toepassing valt van de hypothesen punt 1 en punt 2 hiervoor vermeld: de werkgever, voorafgaandelijk aan de formele betekening van de beslissing aan de betrokkene, informeert deze laatste, alsook de syndicale afvaardiging binnen een termijn welke voldoende is om deze afvaardiging de mogelijkheid te bieden om tussen te komen. De betrokkene mag zijn werkgever vragen hem een geschreven motivering te bezorgen waarin de afdanking wordt gerechtvaardigd.

c) Zonder afbreuk te doen aan de verworven toestanden, worden de toepassingsmodaliteiten van bovenstaande beschikkingen op het niveau van de onderneming geregeld, ten einde de tussenkomstmogelijkheden van de syndicale afvaardiging te vrijwaren.

d) De geschillen welke kunnen rijzen met betrekking tot de motivering van de afdankingen of de procedure worden aan de werkgever voorgelegd door de syndicale afvaardiging welke zich vervolgens tot het paritair verzoeningscomité kan wenden. Deze procedure moet tot een beslissing leiden binnen een termijn van één maand na de kennisgeving aan de syndicale afvaardiging.

e) Elk beroep op de arbeidsrechtbank wordt geregeld door de bepalingen aangaande de bevoegdheid van deze rechtbank wat de grond en de vorm betreft."

Lezing van deze bepaling in haar geheel maakt duidelijk dat onder 'ontslag dat niet is gebonden aan omstandigheden van economische of van technische aard' moet worden verstaan, een ontslag dat de maken heeft met een handelswijze van de werknemer, die feiten tot gevolg heeft die hem ten laste kunnen worden gelegd.

Wanneer de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 78 van de Arbeidsovereenkomstenwet wordt beëindigd nadat de werknemer meer dan zes maanden arbeidsongeschikt is geweest, is er geen sprake van een handelswijze van de werknemer, en uiteraard niet van feiten die hem ten laste kunnen worden gelegd.

De langdurige arbeidsongeschiktheid die de werkgever met toepassing van artikel 78 van de Arbeidsovereenkomstenwet het recht geeft de arbeidsovereenkomst te beëindigen met betaling van een opzeggingsvergoeding onder aftrek van het loon dat werd betaald vanaf de aanvang van de arbeidsongeschiktheid, is een feit dat de werknemer overkomt en niet het gevolg is van zijn handelswijze.

Op dergelijk ontslag is de bepaling van artikel 4 van de CAO van 9 november 1987 niet van toepassing, zodat geen forfaitaire vergoeding met toepassing van artikel 15 van de CAO kan worden toegekend.

c.-

De lezing van de heer D. van de bepaling van artikel 4 van de CAO is strijdig met de inhoud ervan.

Zelfs indien aanvaard zou worden dat de regel vastgelegd in artikel 4, b tweede gedachtenstreepje 3 niet uitgaat van enige verwijtbaarheid aan de werknemer van zijn individuele handelswijze, wat naar het oordeel van het arbeidshof niet correct is wanneer deze bepaling samengelezen wordt met artikel 4a), blijft vaststaan dat deze bepaling uitgaat van een handelswijze, en zoals hiervoor geoordeeld is ziekte geen handelswijze, doch een feit dat de werknemer overkomt.

d.-

Ten onrechte beroept de CVBA zich op de bepaling van artikel 51 van de CAO-wet, dat de hiërarchie van de rechtsnormen van toepassing op de arbeidsrelatie regelt.

Artikel 51 van de CAO-Wet dat de hiërarchie van de bronnen der verbintenissen in de arbeidsverhoudingen vaststelt, bepaalt dat wanneer twee normen met hetzelfde voorwerp onderling onverenigbaar zijn, de norm van de lagere orde ter zijde moet geschoven worden.

(vgl. Cass. 5 juni 2000, J.T.T. 2000, 420)

In deze is er echter geen onderlinge onverenigbaarheid tussen de bepaling van artikel 78 van de Arbeidsovereenkomstenwet en deze van artikel 4 en 15 van de CAO van 9 november 1987. Dit wordt overigens bevestigd in artikel 15 van de CAO van 9 november 1987, waarin wordt aangegeven dat de in dit artikel bepaalde forfaitaire vergoeding toegekend wordt 'onverminderd de bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenwet.

Artikel 78 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt op welke vergoeding de bediende recht heeft wanneer de werkgever de arbeidsovereenkomst beëindigt na meer dan zes maanden ziekte; artikel 15 van de CAO van 9 november 1987 bepaalt op welke vergoeding de werknemer recht heeft wanneer hij ontslagen wordt zonder naleving van de in artikel 4 van de CAO voorgeschreven procedure.

e.-

Eveneens ten onrechte beroept de heer D. zich op de bepalingen van de CAO van 15 oktober 2003 betreffende het sectorakkoord 2003-2004.

Artikel I.2 van deze CAO doet inderdaad niets meer dan de bepalingen van artikel 4 van de CAO van 9 november 1987 inzake de vastheid van betrekking te versterken, zonder echter af te wijken van het in voornoemd artikel 4 van deze laatste CAO vooropgestelde principe dat dit artikel van toepassing is op een ontslag dat te maken heeft met een handelswijze van de werknemer, die feiten tot gevolg heeft die hem ten laste kunnen worden gelegd.

f.-

In zijn conclusie, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 29 maart 2011, merkt de heer D. zijdelings op dat de CAO van 9 november 1987 een ongelijkheid in het leven roept tussen de werknemer die verwijtbare feiten wordt ten laste gelegd en de werknemer die niet-verwijtbare feiten ten laste wordt gelegd, wat volgens hem strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Hij verbindt aan deze stelling evenwel geen gevolgen met betrekking tot zijn vordering tot betaling van een forfaitaire vergoeding.

Het arbeidshof is van oordeel dat de debatten moeten worden heropend teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen over volgende vragen:

maakt het feit dat de forfaitaire vergoeding voorzien in artikel 15 van de de in het paritair comité voor het verzekeringswezen op 9 november 1987 gesloten collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de vastheid van betrekking wordt toegekend wanneer de in artikel 4 voorziene procedure van deze CAO niet wordt nageleefd indien het gaat over een ontslag dat te maken heeft met een handelswijze van de werknemer die feiten tot gevolg heeft die hem ten laste kunnen worden gelegd, en deze forfaitaire vergoeding niet wordt toegekend wanneer het ontslag een gevolg is van de langdurige en niet-verwijtbare ziekte van de werknemer, een schending uit van de artikels 10 en 11 van de Grondwet?

indien dit het geval is, betekent dit dat de werknemer waarvan het ontslag het gevolg is van zijn langdurige en niet-verwijtbare ziekte aanspraak kan maken op de forfaitaire vergoeding voorzien in artikel 15 van de in het paritair comité voor het verzekeringswezen op 9 november 1987 gesloten collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de vastheid van betrekking?

3. Vordering tot afgifte van overzichten inzake groepsverzekering voor de jaren 2005 en 2006 en van sociale documenten

De CVBA formuleert geen grieven ten opzichte van de beslissing van de arbeidsrechtbank met betrekking tot deze onderdelen van de oorspronkelijke vordering van de heer D., zodat het vonnis wat deze onderdelen betreft kan worden bevestigd.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en reeds gedeeltelijk ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis in de mate dat de CVBA werd veroordeeld tot betaling aan de heer D. van 21.886,87 EUR saldo opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intrest, tot afgifte van de overzichten inzake de groepsverzekering voor de jaren 2005-2006, en tot afgifte van sociale documenten met betrekking tot de toegekende opzeggingsvergoeding onder verbeurte van een dwangsom van 25 EUR per dag vertraging in de aflevering, te rekenen vanaf een maand na de betekening van het vonnis en met een maximum van 500 EUR.

Alvorens verder recht te doen over de vordering tot betaling van een forfaitaire vergoeding, heropent de debatten teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen over volgende vragen:

maakt het feit dat de forfaitaire vergoeding voorzien in artikel 15 van de de in het paritair comité voor het verzekeringswezen op 9 november 1987 gesloten collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de vastheid van betrekking wordt toegekend wanneer de in artikel 4 voorziene procedure van deze CAO niet wordt nageleefd indien het gaat over een ontslag dat te maken heeft met een handelswijze van de werknemer die feiten tot gevolg heeft die hem ten laste kunnen worden gelegd, en en deze forfaitaire vergoeding niet wordt toegekend wanneer het ontslag een gevolg is van de langdurige en niet-verwijtbare ziekte van de werknemer, een schending uit van artikel 10 en 11 van de Grondwet?

indien dit het geval is, betekent dit dat de werknemer waarvan het ontslag het gevolg is van zijn langdurige en niet-verwijtbare ziekte aanspraak kan maken op de forfaitaire vergoeding voorzien in artikel 15 van de in het paritair comité voor het verzekeringswezen op 9 november 1987 gesloten collectieve arbeidsovereenkomst betreffende de vastheid van betrekking?

Zegt dat de heer D. zijn standpunt ter zake dient uiteen te zetten onder de vorm van een conclusie, die uiterlijk op 29 februari 2012 dient neergelegd te worden ter griffie van het arbeidshof en medegedeeld aan de raadsman van de CVBA;

Zegt dat de CVBA haar standpunt ter zake dient uiteen te zetten onder de vorm van een conclusie, die uiterlijk op 16 april 2012 dient neergelegd te worden ter griffie van het arbeidshof en medegedeeld aan de raadsman van de heer D.;

Zegt dat partijen hieromtrent zullen worden gehoord op de zitting van 25 mei 2012 om 15u15.

Houdt de beslissing betreffende de kosten aan.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Daniel RYCKX, raadsheer,

Lucrèce REYBROECK, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Daniël HEYVAERT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Daniel RYCKX Kelly CUVELIER

Lucrèce REYBROECK Daniël HEYVAERT

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 6 januari 2012 door:

Daniel RYCKX, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Daniel RYCKX Kelly CUVELIER

Vrije woorden

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • BEDIENDEN

  • Paritair comité verzekeringswezen

  • C.A.O. vastheid van betrekking

  • Artikel 4 niet van toepassing ingeval van ontslag wegens langdurige ziekte.