- Arrest van 12 januari 2012

12/01/2012 - 2010/AB/683

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De artikelen 98 en 99 van de wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn sommen op limitatieve wijze de gevallen op waarin tot terugvordering van de maatschappelijke steun kan worden overgegaan. De omstandigheid dat, na de toekenning van de hulpverlening, de betrokkene in een later stadium tot een " beter fortuin" gekomen is, is door de wetgever niet weerhouden als een grond tot terugvordering van de toegekende steun.


Arrest - Integrale tekst

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 12 JANUARI 2012

7e KAMER

OCMW - maatschappelijke dienstverlening

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 8°, Ger. W.)

in de zaak:

OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN MALLE, openbare instelling, met zetel te 2390 MALLE, Blijkerijstraat 51,

appellant, vertegenwoordigd door mr. VANDE CASTEELE B. loco mr. DE KONINCK Rob, advocaat te 2610 WILRIJK (ANTWERPEN), Prins Boudewijnlaan 177-179,

tegen:

V L.,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. OGUMULA Maxwell, advocaat te 1050 BRUSSEL, Gen. Geneesheer Derachelaan 127 B.3.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 10-06-2010 door de Arbeidsrechtbank te Brussel, 31e kamer (A.R. 13.720/08),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 15 juli 2010,

- de neergelegde conclusies,

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 30 november 2011 door advocaat-generaal J.-J. André,

- de repliek op dit advies, neergelegd ter griffie op 15 december 2011 door de partij V,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 24 november 2011, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 30 november 2011 zijn schriftelijk advies ter griffie van dit arbeidshof neergelegd. De termijn om een repliekconclusie op dat schriftelijk advies ter griffie neer te leggen verstreek op 15 december 2011, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De heer V, zelfstandige, kwam in de loop van het jaar 2002 in financiële problemen die geleid hebben tot zijn faillissement in de maand oktober 2002. Hij heeft zich gewend tot het ocmw Malle die hem een leefloon toekende en ook een steun voor het huren van een woning.

De heer V werd van 27 juli 2002 tot 20 augustus 2002 opgenomen in het AZ St.Jozef te Malle. Vermits hij niet in de regel bleek met zijn sociale bijdrage werd de factuur van opname niet ten laste genomen door zijn mutualiteit.

Op 16 september 2002 besliste het ocmw Malle om de ziekenhuisfactuur ten belope van 6.152,09 euro ten laste te nemen, indien de ziekteverzekering van de heer V niet in orde kwam. Klaarblijkelijk kwam deze ziekteverzekering niet in orde vermits op 18 juni 2003 het ocmw Malle opnieuw besliste de ziekenhuisfacturen ten laste te nemen, onder dezelfde voorwaarden, maar met de vermelding dat het bedrag van de ziekenhuisfacturen ook terugvorderbaar was indien de ziekteverzekering van de heer V niet in orde kwam.

2.

Nadat het ocmw Malle had vernomen dat de heer V belangrijke sommen verworven had ingevolge een schenking en nalatenschap, heeft het ocmw Malle de heer V gedagvaard voor de rechtsbank van eerste aanleg in betaling van de som van 6.152,09 euro , te vermeerderen met de intresten op dit bedrag, en verder nog een som van 21,70 euro als huur en achterstal kosten.

Bij wijze van tegenvordering vorderde de heer V de opheffing van een bewarend beslag, dat het ocmw Malle gelegd had in handen van de N.V. Dexia Bank en de NV KBC Bank.

Bij vonnis van 10 juni 2010, ter kennis gebracht aan het ocmw Malle op 18 juni 2010, heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de hoofdvordering van het ocmw Malle als ongegrond afgewezen. De tegenvordering van de heer V werd gegrond bevonden en de opheffing werd bevolen van het bewarend beslag onder derden in handen van de NV Dexia Bank en de NV KBC Bank.

3.

Bij verzoekschrift van 15 juli 2010 heeft het ocmw Malle hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing en is aldus tijdig. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

De eerste rechter wees de vordering van het ocmw Malle, in zoverre ze betrekking had op de hospitalisatiefactuur, in essentie af op de overweging dat de ocmw wetgeving op limitatieve wijze de gevallen bepaalt waarin een toegekende ocmw steun kan teruggevorderd worden, en de terugvordering van het ocmw Malle niet in één van deze gevallen kon gesitueerd worden. De eerste rechter aanvaardde wel dat in uitzonderlijke omstandigheden een toegekende steun terugvorderbaar kan gesteld worden, maar oordeelde dat deze uitzonderlijke omstandigheden niet voorhanden waren en overigens nergens gemotiveerd werden.

De vordering van de som van 21,70 euro werd afgewezen bij gebrek aan bewijs.

2.

Het ocmw Malle stelt dat de toegekende steun in de eerste plaats kon teruggevorderd worden op grond van artikel 99 § 1 van de wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, dat bepaalt dat de begunstigde de toegekende steun dient terug te betalen indien hij de beschikking krijgt over inkomsten, krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor een tussenkomst werd verleend door het ocmw. Zulks is volgens het ocmw Malle het geval vermits de heer V zelf in besluiten stelde dat ondertussen zijn verzekerbaarheid bij zijn ziekenfonds geregulariseerd was. Het ocmw Malle stelt daarbij dat hetzij de heer V effectief de terugbetaling bekomen heeft van de ziekenhuiskosten, in welk geval hij uiteraard de genoten steun moet terugbetalen ofwel deze terugbetaling niet bekomen heeft ten gevolge zijn eigen nalatigheid, en hij daarvan dan de gevolgen dient te dragen.

Het ocmw Malle stelt verder dat de terugvordering mogelijk is op grond van artikel 98 ,§ 1, 4e lid van de ocmw wet omdat de heer V. de tussenkomst van het ocmw zou bekomen hebben op basis van bedrieglijke verklaringen, en met name op basis van de verklaring dat zijn toestand bij de mutualiteit geregulariseerd was of zou worden.

Het ocmw Malle stelt ten slotte dat de heer V zich contractueel verbonden heeft om tot terugbetaling van de ziekenhuiskosten over te gaan.

3.

In de regel kan, zoals de eerste rechter stelt, ocmw steun slechts teruggevorderd worden in de door de wet voorziene gevallen, te weten: (cfr. D. Simoens, OCMW Dienstverlening, Die Keure, Losbladig, juni 2010, p. 418 e.v)

 bij vrijwillig onjuiste of onvolledige aangifte, waarbij het geheel van de steun kan teruggevorderd worden ongeacht de financiële toestand van de betrokkene (art.98 §1, al. 4 van de wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn);

 wanneer de betrokkene de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor de hulp werd verleend (art.99 §1):

 wanneer een voorschot wordt toegekend op een pensioen of iedere andere sociale uitkering (art.99 §2.)

De geciteerde auteur voegt daar nog een 4e grondslag aan toe, die in huidige situatie zonder belang is, te weten een juridische of materiële vergissing van het ocmw.

De omstandigheid dat, na de toekenning van de hulpverlening, de betrokkene in een later stadium tot een " beter fortuin" gekomen is, is door de wetgever niet weerhouden als een grond tot terugvordering van de toegekende steun, zoals blijkt uit de voorbereidende werken van de wet ( D. Simoens, op. cit. p. 423 met verdere verwijzingen).

Wel aanvaardt dezelfde auteur dat, in uitzonderlijke omstandigheden, de toekenning van een financiële steun bij wijze van voorschot, met de verplichting deze terug te betalen, kan aanvaard worden in de vorm van een lening. (D.Simoens, OCMW dienstverlening, p. 424 e.v.). Het type voorbeeld van een dergelijke toegelaten lening is een tussenkomst in de huurwaarborg.

4.

Partijen besluiten uitvoerig over de vraag of de heer V, ingevolge de regularisering van zijn bijdragetoestand, al dan niet een tussenkomst kon bekomen van zijn ziekenfonds en, in bevestigend geval, welke partij die tussenkomst had moeten vragen, zonder dat blijkbaar één van de partijen het initiatief genomen heeft om daarover het betrokken ziekenfonds, de Landsbond der Christelijke Ziekenfondsen, te ondervragen.

Voor het hof is het, en dit in tegenstelling met wat de heer V zelf voorhoudt, op basis van de voorgelegde stukken duidelijk, deze niet aan de voorwaarden voldeed om een tegemoetkoming te krijgen in de verplichte ziekte en invaliditeitsverzekering. Om een tussenkomst te verkrijgen voor kosten van geneeskundige verzorging in het jaar 2002 dient immers de bijdragetoestand in orde te zijn voor het jaar 2000. De heer V heeft wel een vrijstelling van bijdragen aangevraagd voor de jaren 2000, 2001 en 2002, maar heeft enkel de vrijstelling bekomen voor de periode van het derde kwartaal 2001 tot en met het vierde kwartaal 2001. Voor het jaar 2000 was zijn aanvraag laattijdig en dus onontvankelijk. De verzekerbaarheid van de heer V kan ook niet afgeleid worden uit het attest van 14 januari 2003, dat door de heer V aan het ocmw Malle bezorgd werd, vermits dit attest als begindatum voor de geldigheid van het attest de datum van 14 januari 2003 vermeldt.

Voor het ocmw Malle was dit ook voldoende duidelijk vermits hij op 6 maart 2006 de heer V nog in volgende bewoordingen aanschreef:

" Wij hebben Uw documenten nogmaals nagekeken en hieruit blijkt dat u voor het jaar 2000 geen vrijstelling van sociale bijdragen werd verleend en U zodoende ook niet in orde bent met de ziekteverzekering voor het jaar 2002 (om in orde te zijn voor 2002 moet uw bijdrage voor het jaar 2000 betaald zijn). De factuur gaat over een opname in het jaar 2002. Er wordt voor deze factuur geen tussenkomst verleend door de ziekteverzekering. De factuur is volledig ten laste van uzelf."

De stelling van het ocmw Malle dat de terugvordering mogelijk is op grond van artikel 99 § 1 van de OCMW wet is dan ook onjuist. Het is niet aangetoond dat de heer V effectief een tussenkomst van zijn ziekenfonds gekregen heeft (hetgeen het ocmw Malle overigens zeer gemakkelijk had kunnen verifiëren door contact te nemen met het ziekenfonds). Het is evenmin aangetoond dat de heer Van Malle voor deze periode een tussenkomst had kunnen verkrijgen van zijn ziekenfonds, vermits zijn bijdrage niet betaald was en hij ingevolge zijn faillissement ook niet in staat was om deze bijdragen te betalen.

5.

De terugvordering is evenmin mogelijk op grond van artikel 98 § 1, 3e lid van de ocmw wet. Het is niet aangetoond dat de heer V een vrijwillig onjuiste of onvolledige aangifte gedaan. De heer V heeft alleen twee documenten bezorgd aan het ocmw Malle, waaruit hij meende te kunnen afleiden dat zijn bijdrage in orde gekomen was. Het ene document is de beslissing van de Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen. Het andere document is het attest van het ziekenfonds van 14 januari 2003. Het kan aangenomen worden dat de heer V onvoldoende vertrouwd was met deze documenten en met de wetgeving, en uit deze documenten conclusies getrokken heeft die daaruit niet konden uit afgeleid worden. Het is niet aannemelijk dat het ocmw Malle zelf niet onmiddellijk gezien heeft dat deze documenten geen bewijs van verzekerbaarheid inhielden voor het jaar 2002. Zulks wordt ook bevestigd door het hierboven geciteerd schrijven van het ocmw Malle van 6 maart 2006. Er dient bovendien vanuit gegaan te worden dat, indien het ocmw Malle van oordeel zou geweest zijn dat uit deze documenten effectief een verzekerbaarheid bleek, hij zeker zelf contact zou opgenomen hebben met het betrokken ziekenfonds om te verifiëren of al dan niet een betaling zou tussenkomen of eventueel reeds tussengekomen was.

6.

Tenslotte kan de vordering tot terugbetaling evenmin steunen op een contractuele verbintenis van de heer V. Zoals de eerste rechter terecht opmerkt is in de stukken van het ocmw Malle geen spoor van een dergelijke verbintenis terug te vinden. De heer V heeft zich enkel verbonden tot terugbetaling in het geval dat hij de tussenkomst zou bekomen van de mutualiteit. Overigens zou een verbintenis van de heer V, die in strijd is met wettelijke bepalingen die van openbare orde zijn, geen enkel effect kunnen ressorteren (cfr. D. Simoens, op.cit. p. 423, met verwijzing naar het antwoord van de bevoegde minister op een parlementaire vraag. )

7.

Er ligt tenslotte, en dit voor zover als nodig, geen enkele plausibele reden voor, die toeliet de tussenkomst in de kosten van geneeskundige verzorging, voor een substantieel bedrag van meer dan 6.000 euro , als een soort lening te beschouwen die later moest terugbetaald worden. Op het ogenblik van de tussenkomst van het ocmw Malle was niet bekend dat de heer V vooruitzicht had op de belangrijke sommen die hem later zouden toekomen uit de verkoop van een onroerend goed uit een nalatenschap heer bijnieren een schenking (die overigens wellicht voor een belangrijk deel zijn opgegaan aan de betaling van zijn schuldeisers. Deze documenten dagtekenen van het jaar 2005. Het is evenmin aannemelijk dat het ocmw Malle de tussenkomst alleen maar zou verleend hebben ingevolge de mondelinge verklaringen van de heer V dat de terugbetaling van de mutualiteit wel zou in orde komen. Wanneer het ocmw Malle ervan overtuigd zou geweest zijn dat er een tussenkomst van de mutualiteit zou volgen, was er geen reden om een tussenkomst te verlenen, die er dan alleen op neer kwam de rekening van het ziekenhuis te prefinancieren.

8.

Ten aanzien van het gevorderde bedrag van 21,70 euro legt het ocmw Malle geen enkel nieuw stuk voor, noch geeft het een aanvullende uitleg. De eerste rechter heeft terecht dit onderdeel van de vordering als niet bewezen beschouwd.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Veroordeelt in overeenstemming met artikel 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek het ocmw Malle tot de kosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van de heer V op 160,36 euro .

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Ivo VAN DAMME, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Karel GACOMS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Karel GACOMS

Ivo VAN DAMME Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 12 januari 2012 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Vrije woorden

  • sociale voorzorg

  • openbare centra voor maatschappelijk welzijn

  • Publiek recht.- Maatschappelijke dienstverlening.

  • Wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.- Artikel 98 en 99