- Arrest van 16 februari 2012

16/02/2012 - 2011/AB/880

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer een leefloongerechtigde verzuimt bepaalde inkomsten aan te geven kan hem een sanctie opgelegd worden overeenkomstig art. 30 van de wet van 26 mei 2002. Het leefloon kan echter op die basis niet zonder meer stopgezet worden. Anderzijds kan het recht op leefloon ontzegd worden voor de periode waarin de leefloongerechtigde inkomsten genoot, in zoverre deze inkomsten het bedrag van het leefloon te boven gaan. Het recht op leefloon kan op basis van het verzuim inkomsten aan te geven echter niet ingetrokken worden voor een periode die voorafgaat aan deze waarin bepaalde inkomsten genoten werden.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 16 FEBRUARI 2012

7e KAMER

OCMW - leefloon

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 8°, Ger. W.)

in de zaak:

OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN HALLE, openbare instelling, met zetel te 1500 HALLE, August Demaeghtlaan 30, appellant, vertegenwoordigd door mr. ROOBAERT Anton, advocaat te 1500 HALLE, Vestingstraat 8,

tegen:

M. G.,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. VANDERMEERSCH Sofie, advocaat te 1500 HALLE, Nijvelsesteenweg 420.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 09-08-2011door de Arbeidsrechtbank te Brussel, vakantiekamer (A.R. 11/6262/A),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 16 september 2011,

- de ter griffie neergelegde conclusies,

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 5 januari 2012 door advocaat-generaal J.-J. André,

- de repliek op dit advies, neergelegd ter griffie op 19 januari 2012 door de partij M.,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 22 december 2011. O.g.v. art. 769 Ger. W. werden de debatten van rechtswege gesloten op 29 december 2011. Het openbaar ministerie heeft vervolgens op 5 januari 2012 zijn schriftelijk advies ter griffie van dit arbeidshof neergelegd. De termijn om een repliekconclusie op dat schriftelijk advies ter griffie neer te leggen verstreek op 19 januari 2012, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De heer M. is een erkend politiek vluchteling. Hij ontvangt sinds de maand juni 2009 een leefloon categorie alleenstaande van het ocmw Halle. Vanaf de maand september 2010 werd hij begeleid door de dienst jobcoaching van het ocmw Halle.

Bij deze opvolging hebben zich een aantal problemen gesteld, zodanig dat de aangestelde jobacoach adviseerde een einde te stellen aan het leefloon.

Bij beslissing van 17 maart 2011 heeft het ocmw Halle een einde gesteld aan de toekenning van het leefloon met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2011 op grond van een onvoldoende werkbereidheid.

2.

Bij verzoekschrift van 12 mei 2011 heeft de heer M. deze beslissing betwist voor de arbeidsrechtbank te Brussel.

Bij vonnis van 9 augustus 2011, dat ter kennis werd gebracht op 19 augustus 2011, heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de vordering van de heer M. ontvankelijk en gegrond verklaard. De arbeidsrechtbank zegde voor recht dat de heer M. aanspraak kon maken op het leefloon vanaf 1 maart 2011 onder aftrek van het loon dat hij inmiddels zou hebben ontvangen door tewerkstelling. De arbeidsrechtbank preciseerde dat dit leefloon eerst zou moeten aangewend worden voor de betaling van de schulden, bij voorkeur rechtstreeks door het ocmw. De arbeidsrechtbank verwees verder de zaak naar de rol, ten einde partijen toe te laten om, indien zich een probleem zou stellen bij de uitvoering van het vonnis, de zaak snel terug voor de rechtbank te brengen.

3.

Bij verzoekschrift van 15 september 2011 heeft het ocmw Halle hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis.

4.

In de loop van de maand september 2011 heeft de heer M. een nieuwe aanvraag tot het bekomen van een leefloon ingediend bij het ocmw Halle, of werd het recht op leefloon ambtshalve opnieuw onderzocht. Het leefloon werd geweigerd bij beslissing van 29 september 2011. Tegen deze weigeringsbeslissing werd geen beroep ingesteld. Volgens de informatie aangebracht door het ocmw Halle zou de heer M. vanaf einde september 2011 aan het werk zijn.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing en is aldus tijdig. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

De arbeidsrechtbank was van oordeel dat, indien uit de stukken van de partijen bleek dat er inderdaad een problematische samenwerking was geweest tussen de heer M. en de jobdienst, uit de aan haar voorgelegde stukken bleek dat de heer M. voldoende werkbereid was geweest, maar zich enkel onvoldoende aan de instructies van de jobdienst had gehouden.

Het ocmw Halle herneemt in zijn verzoekschrift in hoger beroep en in zijn beroepsbesluiten uitvoerig het relaas van de opvolging van de heer M. door de jobdienst, waaruit volgens het ocmw duidelijk een negatieve ingesteldheid van de heer M. bleek.

Het ocmw Halle stelt verder vast dat de heer M. slechts voldoende bewijzen van zijn werkbereidheid heeft voorgelegd naar aanleiding van het instellen van de procedure voor de arbeidsrechtbank. Deze stukken werden slechts op 15 juni 2011 medegedeeld aan de raadsman van het ocmw. Het ocmw Halle leidt daaruit af dat, zelfs indien de bestreden beslissing zou hervormd worden, het recht op leefloon slechts opnieuw zou kunnen toegekend worden vanaf die datum.

Het ocmw Halle stelt verder vragen met betrekking tot de behoeftigheid van de heer M.. Het verwijst daarbij naar de levensstijl van de heer M. en de omstandigheid dat hij in het bezit was van een I-pod en I-pad. Het ocmw Halle wijst er verder op dat uit een onderzoek van de rekeningen van de heer M., naar aanleiding van een hernieuwde leefloonaanvraag in de loop van de maand september, gebleken is dat de heer M. op 18 juli 2011 een bedrag op zijn rekening ontving van 2.250 euro , waarvoor hij geen voldoende verklaring kon geven en dat hij bovendien bewust aan het ocmw Halle verborgen heeft. Het ocmw wijst erop dat in functie van dit laatste element de nieuwe aanvraag van de heer M. tot het bekomen van een leefloon vanaf 1 september 2011 afgewezen werd bij beslissing van 30 september 2011.

De heer M. vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. Met betrekking tot de som van 2.250 euro die op zijn rekening gestort werd voert hij aan dat deze som hem niet toebehoorde, maar op verzoek van een vriend op zijn rekening werd geboekt, omdat de rekening van de vriend tijdelijk niet beschikbaar was. Hij zou deze som onmiddellijk daarna terugbetaald hebben.

2.

Met de eerste rechter en met het openbaar ministerie in zijn advies is het hof van oordeel dat onvoldoende vast staat dat de heer M. niet werkbereid was. Uit een aandachtig onderzoek van de verslagen van de jobdienst blijkt dat de heer M. zich steeds aangeboden heeft op alle afspraken van de jobdienst en dat hij minstens voor een groot gedeelte gevolg gegeven heeft aan de suggesties die hem gedaan werden door de dienst. Daarnaast heeft de heer M. op eigen initiatief een aantal sollicitaties verricht, die ook geleid hebben tot beperkte tewerkstellingen. Enkel dient vastgesteld te worden dat de heer M. zich liet opmerken door een nogal eigengereid optreden, wat ongetwijfeld geleid heeft tot een vrij negatieve beoordeling door de jobcoach.

In ieder geval dient ook met de eerste rechter vastgesteld te worden - en het ocmw Halle betwist dit niet als dusdanig - dat uit de stukken die neergelegd werden voor de eerste rechter blijkt dat de heer M. zeer actief achter werk is gaan zoeken na de bestreden beslissing. Volgens het stuk 4 van het dossier van het ocmw Halle, waarvan de interpretatie echter niet helemaal zeker is, zou de heer M. gewerkt hebben van 15 maart 2011 "tot op heden", waarbij het gaat om een overzicht opgesteld op 27 mei 2011.

3.

In tegenstelling met hetgeen het ocmw Halle voorhoudt kan uit de omstandigheid dat de heer M. slechts in de loop van de maand juni 2011 een aantal bijkomende stukken in verband met zijn werkbereidheid voorgelegd heeft, niet afgeleid worden dat het recht op leefloon slechts vanaf die datum zou kunnen hersteld worden.

Enerzijds leidt de vaststelling dat een leefloonaanvrager op een gegeven ogenblik niet voldoende werkbereid is of lijkt, niet tot de conclusie dat hem het recht op leefloon zonder meer kan ontzegd worden. De conclusie van een dergelijke vaststelling kan enkel zijn dat het recht op leefloon geschorst wordt tot op het ogenblik dat de leefloonaanvrager zich opnieuw voldoende werkbereid toont en aldus opnieuw aan de voorwaarden voldoet om aanspraak te kunnen maken op leefloon.

Anderzijds is, wanneer een beslissing van een OCMW waarbij het leefloon of een steun geweigerd wordt, betwist wordt voor de arbeidsrechtbank, de arbeidsrechtbank gevat en bevoegd om uitspraak te doen over het recht op leefloon vanaf de datum van de bestreden beslissing (of vanaf de datum waarop deze uitwerking heeft), met in achtneming van alle elementen die in de loop van het geding ter zijner beschikking zijn gesteld. De omstandigheid dat de bestreden beslissing gerechtvaardigd kon zijn op basis van de elementen die voorlagen op het ogenblik dat deze beslissing genomen werd, houdt in rechte niet in dat deze beslissing door de rechtbank moet bevestigd worden.

Het vonnis van de eerste rechter dient dan ook principieel bevestigd te worden in zoverre het vonnis het recht op leefloon herstelt vanaf 1 maart 2011, onder het voorbehoud dat rekening dient gehouden te worden met de inkomsten van de heer M., zoals deze kunnen gereconstrueerd worden op basis van de gegevens van de Kruispuntbank voor sociale zekerheid of op basis van andere elementen.

4.

Het hof stelt, samen met het ocmw Halle, vast dat de heer M. in de loop van de maand juni 2011 een bedrag op zijn rekening heeft ontvangen van 2.250 euro waaromtrent geen overtuigende uitleg wordt gegeven. De uitleg van de heer M. dat hij het geld zou ontvangen hebben voor een vriend wordt tegengesproken door de omstandigheid dat hij de volgende dag een eerste gedeelte van deze som heeft afgehaald van de rekening, de daaropvolgende dag nog een gedeelte en dat het saldo blijkbaar op de rekening is gebleven. Het aangeboden getuigenverhoor is niet dienend. Op basis van de voorgelegde stukken van het ocmw Halle blijkt ook dat, wanneer er in de loop van de maand september een nieuw onderzoek gebeurde naar zijn financiële toestand, de heer M. deze som bewust verborgen heeft gehouden voor het ocmw Halle door onvolledige rekeninguittreksels voor te leggen.

De vraag is welk juridisch gevolg uit deze handelswijze kan afgeleid worden.

5.

Overeenkomstig artikel 30 §1 van de wet van 26 mei 2002 op de maatschappelijke integratie kan de uitbetaling van het leefloon geheel of gedeeltelijk geschorst worden voor een periode van ten hoogste zes maanden of, ingeval van bedrieglijk opzet, voor ten hoogste 12 maanden, indien de betrokkene verzuimd bestaansmiddelen aan te geven waarvan hij het bestaan kent of als hij onjuiste of onvolledige verklaringen afgelegd heeft die het bedrag van het leefloon beïnvloeden. Overeenkomstig art. 30 § 2 van het de wet gaat de sanctie in de eerste dag van de tweede maand volgend op de beslissing van het centrum.

Het ocmw Halle heeft, op basis van het vastgestelde verzuim inzake de aangifte van de bestaansmiddelen, het recht op het leefloon stopgezet vanaf 1 september 2011. Deze reactie is niet in overeenstemming met de wettelijke bepalingen. Het ocmw Halle mocht het leefloon niet zonder meer afwijzen of stopzetten voor onbepaalde duur maar had een schorsing van het recht op leefloon voor een bepaalde duur moeten uitspreken. Dit laatste is echter voor het geschil waarover het hof gevat is zonder belang, omdat de heer M. de beslissing van 29 september 2011 niet betwist heeft voor de arbeidsrechtbank

Rekening houdend met de wettelijke bepalingen kan echter niet geoordeeld worden dat aan de heer M. het recht op leefloon mocht ontzegd worden vanaf 1 maart 2011, op basis van een tekortkoming die zich voordeed in de loop van de maand juli 2011, en waarvoor een bepaalde tuchtprocedure diende gevolgd te worden.

6.

De rechter die gevat is over een betwisting met betrekking tot een administratieve beslissing inzake sociale zekerheidsgeschillen, waarvan het reële voorwerp de erkenning is van een subjectief recht op een uitkering voorzien door de wet, kan dit subjectief recht enkel toekennen wanneer hij vaststelt dat voldaan is aan al de wettelijke voorwaarden voor het bekomen van het recht. Zulks houdt in dat de rechter, wanneer hij oordeelt dat de motieven die ten grondslag liggen aan een beslissing niet standhouden, maar anderzijds op basis van het dossier dat hem wordt voorgelegd vaststelt dat niet aan (andere) voorwaarden is voldaan om aanspraak te maken op de gevorderde prestatie, hij deze niet kan toekennen (Cass. 27.09.1999, J.T.T. 1999, 419; Cass. 24.01.2000, Pas. 2000, 145; H. Mormont, K.Stangherlin e.a. " Aide sociale. Intégration sociale", La Charte 2011, 726 e.v.)

Overeenkomstig artikel 3, 4° van de wet van 26 mei 2002 is vereist dat, opdat een persoon zou kunnen genieten van het recht op maatschappelijke integratie, dat deze persoon niet over toereikende bestaansmiddelen beschikt noch er aanspraak op kan maken. Overeenkomstig artikel 16 § 1 van dezelfde wet komen in de regel alle bestaansmiddelen in aanmerking van welke aard en oorsprong ook waarover de aanvrager beschikt, met inbegrip van alle uitkeringen krachtens de Belgische of buitenlandse sociale wetgeving. De Koning kan wel bepalen op welke wijze met de bestaansmiddelen rekening wordt gehouden, en met welke bestaansmiddelen eventueel geen rekening gehouden wordt.

Het hof dient vast te stellen dat de heer M. in de loop van de maand juli 2011 de beschikking gekregen heeft over een som van 2.250 euro , waarover hij geen overtuigende uitleg kan geven met betrekking tot de oorsprong van deze som. Het hof is dan ook van oordeel dat deze som als een bestaansmiddel moet worden aanzien dat moet aangerekend worden op de maand waarin deze som werd ontvangen en de daaropvolgende maanden, ten belope van het vastgestelde recht op leefloon (in feite ongeveer drie maanden).

Het gevorderde leefloon kan in die omstandigheden niet toegekend worden voor de maanden juli en augustus 2011. Het recht op leefloon werd op dezelfde basis reeds ontzegd voor de maand september 2011.

7.

De eerste rechter besliste dat het achterstallig leefloon in de eerste plaats diende aangewend te worden voor de betaling van de schulden van de heer M., bij voorkeur rechtstreeks door het ocmw Halle. Het hof kan niet nagaan of gelet op de verlopen periode, de beslissing op dit punt nog relevant is (met andere woorden of de heer M. nog schulden heeft). Het vonnis van de eerste rechter wordt echter door geen van de partijen op dit punt betwist zodanig dat dit onderdeel van het vonnis moet bevestigd worden, met dien verstande dat het ocmw Halle slechts de rechtstreekse betaling van het achterstallig leefloon kan opschorten, in zoverre duidelijk vaststaat dat de heer M. nog openstaande schulden heeft.

8.

De eerste rechter heeft, na een principiële uitspraak gedaan te hebben over het recht op leefloon, de zaak verder naar de rol verzonden met de bedoeling dat, indien een betwisting tussen partijen zouden rijzen over de precieze omvang van het recht op leefloon vanaf 1 maart 2011, deze beslissing snel terug voor de rechtbank kon gebracht worden.

Overeenkomstig artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek dient het hof het geheel van de betwisting te evoceren. Het hof is van oordeel dat er op dit ogenblik geen voldoende gronden meer zijn om de zaak naar de rol te verzenden. De periode waarvoor het recht op leefloon kan opgevorderd worden is afgelijnd tot de periode van 1 maart 2011 tot 30 juni 2011. Het ocmw Halle kan aan de hand van de gegevens van de Kruispuntbank voor sociale zekerheid perfect verifiëren in welke periodes de heer M. arbeid geleverd heeft en op deze basis het recht op achterstallig leefloon vaststellen.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Hervormt het bestreden vonnis in zoverre dit vonnis het leefloon toekent voor de periode na 30 juni 2011. Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige.

Veroordeelt, in overeenstemming met artikel 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek, het ocmw Halle tot de kosten van beide aanleggen, tot op heden begroot in hoofde van de heer M. op 240,50 euro rechtsplegingsvergoeding voor de arbeidsrechtbank en 320,65 euro rechtsplegingsvergoeding voor het hof.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Ivo VAN DAMME, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Karel GACOMS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Karel GACOMS

Ivo VAN DAMME Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 16 februari 2012 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Vrije woorden

  • SOCIALE VOORZORG

  • RECHT OP MAATSCHAPPELIJK INTEGRATIE

  • Sociaal recht. Leefloon. Wet van 26 mei 2002 op de maatschappelijke integratie. Artikel 30.