- Arrest van 1 maart 2012

01/03/2012 - 2010/AB/746

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een vergoeding tot aanvulling aan de werkloosheidsuitkeringen wordt slechts toegekend aan de grensarbeiders die om redenen van economische restructuratie ontslagen worden of wier opzegperiode een einde neemt nadat ze de leeftijd van 60 jaar bereikt hebben en voor zover zij aantonen dat zij in de 9 jaren die de aanvraag om vergoeding voorafgaan gedurende

1.800 dagen hebben gewerkt.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 1 MAART 2012

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - werkloosheid

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 2°, Ger. W.)

in de zaak:

RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan, 7, appellant, vertegenwoordigd door mr. KEYMIS loco mr. LECOUTRE Rudi, advocaat te 2018 ANTWERPEN, De Damhouderestraat 13,

tegen:

S. ,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. HUYSMANS loco mr. VERBEECK Ivan, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Britselei 47-49 bus 1.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 4 mei 2001 door de Arbeidsrechtbank te Turnhout, 2e kamer (A.R. V.24.421),

het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest, uitgesproken op tegenspraak op 27 november 2008 door het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, 4e kamer, (A.R. 2010367),

het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest, uitgesproken op 3 mei 2010 door het Hof van Cassatie, 3e kamer (A.R. S.09.0021.N)

de dagvaarding na Cassatie, betekend op 20 juli 2010 en neergelegd ter griffie op 12 augustus 2010,

de conclusies,

het advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 8 februari 2012 door advocaat-generaal J.-J. André,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 10 februari 2011. De zaak werd voortgezet op de openbare terechtzitting 2 februari 2012, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 8 februari 2012 zijn schriftelijk advies ter griffie van dit arbeidshof neergelegd. De in het geding zijnde partijen hebben uitdrukkelijk afstand gedaan van hun recht op repliek. De zaak werd bijgevolg na de neerlegging van het advies van het openbaar ministerie in beraad genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De heer S. was van 20 juli 1970 tot en met 30 september 1994 tewerkgesteld bij de N.V. Philips te Eindhoven. Vanaf 1 oktober 1994 genoot hij uitkeringen als volledig werkloze.

Op 2 mei 2000 deed hij bij de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een aanvraag om toegelaten te worden tot het brugpensioen als grensarbeider vanaf 28 september 1999, dit is vanaf de datum waarop hij 60 jaar werd. Deze aanvraag was gesteund op de specifieke reglementering voor grensarbeiders, zoals die vastgelegd was in artikel 215 § 1 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 en het Koninklijk Besluit van 19 september 1980 betreffende het recht op werkloosheidsuitkeringen en op aanvullende vergoedingen van ontslagen bejaarde grensarbeiders.

Bij beslissing van 29 mei 2000 heeft de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de aanvraag van de heer S. afgewezen. Deze weigering steunde hierop dat de heer S., die slechts tot 30 september 1994 was tewerkgesteld en sindsdien volledig werkloos was, geen 1800 dagen tewerkstelling als grensarbeider aantoonde in die periode van 9 jaar die de aanvraag om de aanvullende vergoeding voorafging.

2.

Bij aangetekend schrijven van 30 augustus 2008 heeft de heer S. beroep ingesteld voor de arbeidsrechtbank te Turnhout tegen deze beslissing.

Bij vonnis van 4 mei 2001 heeft de arbeidsrechtbank te Turnhout de vordering van de heer S. gegrond verklaard. De arbeidsrechtbank steunde zich daarbij op de bepaling van artikel 2 bis van het Koninklijk Besluit van 19 september 1980 dat bepaalde dat de grensarbeiders, om de aanvullende vergoeding te kunnen genieten, dienden aan te tonen dat zij gedurende 1800 dagen hadden gewerkt in de loop van de negen jaar die de aanvraag om de vergoeding voorafging, en de bepaling dat werkloosheidsdagen gelijkgesteld werden met arbeidsdagen. Volgens de arbeidsrechtbank voldeed de heer S., op het ogenblik dat hij de uitkering aanvroeg, aan deze voorwaarde.

3.

De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening heeft tegen dit vonnis beroep aangetekend voor het arbeidshof te Antwerpen op 29 mei 2001.

Bij arrest van 27 november 2008 heeft het arbeidshof te Antwerpen het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Het arbeidshof te Antwerpen volgde de stelling van de eerste rechter.

4.

Tegen dit arrest werd een cassatievoorziening ingesteld door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening.

Bij arrest van 3 mei 2010 heeft het Hof van Cassatie het arrest van het arbeidshof te Antwerpen vernietigd. Het Hof van Cassatie oordeelde dat het arbeidshof te Antwerpen tekort gekomen was aan zijn motiveringsplicht door niet te antwoorden op de argumentatie van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dat uit de samenlezing van de artikelen 2, 2bis en 5 van het Koninklijk Besluit van 19 september 1980 volgde dat de (mannelijke) grensarbeiders slechts recht konden hebben op werkloosheidsuitkeringen en aanvullende uitkeringen, op voorwaarde dat zij de leeftijd van 60 jaar hadden bereikt op het ogenblik dat de opzeggingstermijn afliep die in acht genomen werd of die in acht moest worden genomen.

5.

Bij exploot van 20 juli 2010 heeft de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening het arrest van het Hof van Cassatie betekend aan de heer S. en heeft hij de heer S. gedagvaard voor de zitting van het arbeidshof van 2 september 2010.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werd ontvankelijk verklaard door het arbeidshof te Antwerpen. Het Hof van Cassatie heeft het arrest van het arbeidshof te Antwerpen op dit punt niet vernietigd.

De zaak werd na cassatie rechtsgeldig aanhangig gemaakt voor dit hof bij dagvaarding met betekening van het cassatiearrest.

III. BEOORDELING.

1.

De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is van oordeel dat de arbeidsrechtbank te Turnhout zich ten onrechte enkel gesteund heeft op de toepassing van artikel 2 bis van het Koninklijk Besluit van 19 september 1980. Volgens de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is het nooit de bedoeling geweest dat de grensarbeiders, die niet onderworpen waren aan de reglementering betreffende het brugpensioen zoals ingesteld door de cao nr. 17 van de Nationale Arbeidsraad van 19 december 1974, aanspraak zouden kunnen maken op werkloosheidsuitkeringen en een aanvullende vergoeding vanaf de leeftijd van 60 jaar, ook indien zij ontslagen werden vooraleer zij de leeftijd van 60 jaar bereikten. Volgens de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening is een dergelijke interpretatie niet in overeenstemming te brengen noch met de bedoeling van de wetgever, noch met de tekst van het Koninklijk Besluit van 19 september 1980, in zijn geheel gelezen. De bedoeling van de wetgever was, volgens de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, enkel om aan de grensarbeiders, die niet onderworpen waren aan de Belgische reglementering op het brugpensioen, een gelijkaardig voordeel toe te kennen als aan de Belgische werknemers, te weten een brugpensioen voor de werknemers die ontslagen werden of wiens opzegperiode een einde nam nadat zij de leeftijd van 60 jaar bereikt hadden. Voor wat betreft de wettelijke bepalingen wijst de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening erop dat artikel 2 bis moet samen gelezen worden met artikel 5, 1e lid van het Koninklijk Besluit dat bepaalt dat het recht op de aanvullende vergoeding ingaat op het einde van de duur van de opzeggingstermijn, voorzien door de toepasselijke wettelijke regeling.

De heer S. vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. Hij verwijst naar de toepassing van artikel 2 bis van het Koninklijk Besluit van 19 september 1980 dat volgens hem duidelijk stelt dat de grensarbeiders recht hebben op de aanvullende vergoeding indien zij aantonen 1800 dagen gewerkt te hebben in de loop van de negen jaren die de aanvraag voorafgingen. De heer S. wijst erop dat dit ook steeds de interpretatie is geweest van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening die de reglementering op die wijze heeft toegepast tot een nieuwe omzendbrief van 1 maart 2000 de toepassingsvoorwaarden aanpaste.

2.

Overeenkomstig artikel 215 § 1 al. 1 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 wordt aan de grensarbeiders, die ten minste 60 of 55 jaar zijn naargelang het mannen of vrouwen betreft en die ontslagen zijn om redenen van economische herstructurering of die volledig werkloos zijn gesteld om een economische reden, een vergoeding toegekend tot aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen waarop zij in België recht hebben.

Overeenkomstig al. 2 van dezelfde bepaling bepaalt de Koning wat er wordt verstaan onder ontslag om redenen van economische herstructurering en onder volledige werkloosheid om een economische reden. De Koning bepaalt eveneens de modaliteiten van toekenning en het bedrag van de aanvullende vergoeding.

Overeenkomstig art. 2 van het Koninklijk Besluit van 19 september 1980 betreffende het recht op werkloosheidsuitkeringen en op aanvullende vergoedingen van ontslagen bejaarde grensarbeiders of die volledig werkloos zijn gesteld, wordt een vergoeding tot aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen toegekend aan de grensarbeiders die ten minste 60 of 55 jaar zijn, die ontslagen zijn om redenen van economische herstructurering of die volledig werkloos zijn gesteld om een economische reden.

Overeenkomstig artikel 2 bis van hetzelfde Koninklijk Besluit moeten de grensarbeiders, om de aanvullende vergoeding te kunnen genieten, aantonen dat zij gedurende 1800 dagen hebben gewerkt. Volgens al. 2 van dezelfde bepaling worden alleen de werkdagen en de daarmee gelijkgestelde dagen, zoals bedoeld bij artikel 121 en 122 van het Koninklijk Besluit van 20 december 1963 betreffende de arbeidsvoorziening en werkloosheid en de uitvoeringsbesluiten van deze bepaling, in aanmerking genomen.

Overeenkomstig artikel 5 van hetzelfde Koninklijk Besluit gaat het recht op de aanvullende vergoeding in op het einde van de duur van de vooropzeg, voorzien door de desbetreffende wetgeving van het land van tewerkstelling. In het geval dat de vooropzeg niet moet worden gepresteerd gaat het recht op de aanvullende vergoeding in op de datum waarop de normale duur van de vooropzeg zou beëindigd zijn, indien deze normaal had moeten gepresteerd worden. De grensarbeider kan geen aanspraak maken op de aanvullende vergoeding indien de werkgever de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd om dringende redenen.

Overeenkomstig artikel 1 van de cao nr.17 van de Nationale Arbeidsraad van 19 december 1974 tot invoering van een regeling van aanvullende vergoedingen ten gunste van sommige bejaarde werknemers, indien zij worden ontslagen, wordt ten gunste van sommige bejaarde werknemers een regeling van aanvullende vergoedingen ingesteld volgens de verder te bepalen modaliteiten. Volgens artikel 3 a) van de cao geldt deze regeling voor de werknemers van 60 jaar en ouder die worden ontslagen, behalve wegens dringende redenen in de zin van de wetgeving op de arbeidsovereenkomsten werklieden en bedienden. Indien de arbeidsovereenkomst door de werkgever wordt opgezegd met een opzeggingstermijn, moet de werknemer aan de leeftijdvoorwaarde voldoen op het ogenblik dat opzeggingstermijn werkelijk een einde neemt. Indien de arbeidsovereenkomst door de werkgever wordt opgezegd zonder dat een opzeggingstermijn wordt nageleefd, moet de werknemer aan de leeftijdvoorwaarden voldoen op het ogenblik dat de arbeidsovereenkomst werkelijk wordt beëindigd.

3.

Uit de voorbereidende werken van de wet van 8 augustus 1980 blijkt dat het de bedoeling was van de wetgever om aan de grensarbeiders een gelijkaardig voordeel toe te kennen als de werknemers in België die konden genieten van de regeling van het brugpensioen.

De toelichting bij het regeringsamendement, waarbij een artikel 157 bis wordt ingevoegd in de wet, is dienaangaande in zijn verantwoording zeer duidelijk (Doc. Kamer 323 (1979-1980, 2, amendementen van 19 november 1979, p.3).

"De werknemersorganisaties die de grensarbeiders vertegenwoordigen hebben, zodra in België het brugpensioen werd ingevoerd, als belangrijkste eis gehad, de uitbreiding van het wettelijk brugpensioen tot de grensarbeiders.

Het probleem is nog nijpender geworden tengevolge van de belangrijke economische restructuraties en het ontslag van talrijke werknemers, vooral in de metaalnijverheid in het Noorden van Frankrijk en meer in het bijzonder in de grensstreek.

Aangezien het wettelijk brugpensioen hoofdzakelijk tot doel heeft de werkloosheid op te slorpen door het feit dat de wettelijk bruggepensioneerde moet vervangen worden door een jonge werkloze van minder dan 30 jaar, is het wettelijk onmogelijk de grensarbeiders de voordelen van het brugpensioen toe te kennen.

Om die reden wordt voorgesteld voor deze laatsten een regeling in te voeren die hun gelijkaardige voordelen toekent als die welke de wettelijk bruggepensioneerden genieten.

De vergoeding zal worden toegekend aan al de grensarbeiders die de gestelde leeftijd bereikt hebben en die werden ontslagen om redenen van economische restructuratie en die recht hebben op werkloosheidsuitkeringen."

4.

De voorbereidende werken van een wet kunnen echter slechts als interpretatiemiddel in aanmerking genomen worden in zoverre de tekst ervan niet uitdrukkelijk strijdig is met, of andersluitend is dan de memorie van toelichting (Cass 31.01.2011, Juridat).

Dit is echter niet het geval. Terecht wijst de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening erop dat de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 19 september 1980 in hun geheel moeten gezien worden. Indien artikel 2 bis van het Koninklijk Besluit bepaalt dat de grensarbeiders de aanvullende vergoeding kunnen genieten indien zij aantonen dat zij in de 9 jaren die de aanvraag om vergoeding voorafgaan gedurende 1800 dagen hebben gewerkt, dan is het duidelijk dat deze bepaling maar kan gelden in zoverre voldaan is aan de andere voorwaarden om recht te hebben op de aanvullende vergoeding. Uit de samenlezing van deze bepaling met artikel 2 van het Koninklijk Besluit dat het recht voorbehoudt aan de ontslagen werknemers die ten minste 60 of 55 jaar oud zijn, en artikel 5 van het Koninklijk Besluit dat bepaalt dat het recht op de aanvullende vergoeding ingaat op het einde van de duur van de vooropzeg, blijkt voldoende dat het recht op de aanvullende vergoeding slechts ontstaat ten voordele van de werknemer die 60 of 55 jaar oud is op het ogenblik dat hij de vergoeding aanvraagt. Zulks blijkt ook uit de samenlezing van de vermelde bepalingen met de omschrijving in de titel van het Koninklijk Besluit waarin sprake is van het recht op werkloosheidsuitkeringen ten voordelen van de "ontslagen bejaarde werknemers". Het Koninklijk Besluit geeft geen omschrijving van het begrip bejaarde werknemer, doch in het licht van de bepaling van artikel 2 van het Koninklijk Besluit en de vermelde memorie van toelichting bij het regeringsamendement, blijkt voldoende dat het begrip "bejaarde" werknemer enkel kan begrepen worden als de werknemer die voldoet aan de leeftijdsvereiste zoals die in het Koninklijk Besluit omschreven is.

Zoals verder blijkt uit de tekst van het Koninklijk Besluit van 19 september 1980 en de tekst van de cao nr.17, zijn de voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op de aanvullende vergoedingen voor het overige nagenoeg identiek in de beide regelingen. Het enige verschil in de beide regelingen bestaat erin dat in de cao nr.17 in artikel 3 a) zelf de uitdrukkelijke band wordt gelegd met de leeftijdsvereiste door de vermelding "de werknemers van 60 jaar en ouder die worden ontslagen", terwijl in het Koninklijk Besluit van 18 september 1980 de twee elementen in afzonderlijke artikels zijn opgenomen (art. 2 en 5). De bepaling van artikel 5 zou overigens zonder voorwerp zijn indien het recht op uitkering zou geopend worden van zodra een bepaalde leeftijd bereikt is en de in artikel 2 bis gestelde anciënniteitvoorwaarde vervuld is.

Ingevolge deze splitsing van de voorwaarden is de tekst van het Koninklijk Besluit van 19 september 1980 onduidelijk en dient hij geïnterpreteerd te worden volgens de bedoeling van de wetgever.

5.

De omstandigheid dat de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening vóór het jaar 2000 zelf een andere interpretatie aan de wetgeving gegeven heeft is niet van aard om een recht te doen ontstaan in hoofde van de heer S. op een toepassing van de wet in strijd met zijn bepalingen. De rechtbanken en de hoven zijn er toe gehouden de wettelijke bepalingen toe te passen, onverminderd de situatie waarin aan de verzekerde, ingevolge het ophouden van een foutieve schijn en ingevolge een tekortkoming aan de beginselen van behoorlijk bestuur een schade zou berokkend zijn. Dit is niet het geval en wordt ook niet aangevoerd. De heer S. lijdt geen schade door het enkele feit dat hem een voordeel ontnomen wordt waarop hij wettelijk geen aanspraak kan maken.

6.

De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dient tot de kosten veroordeeld te worden in toepassing van art. 1017, al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek.

Er is geen reden om, zoals de heer S. vraagt, een afzonderlijke rechtsplegingsvergoeding toe te kennen voor de procedure voor het arbeidshof te Antwerpen en voor de procedure voor het arbeidshof te Brussel.

Overeenkomstig art. 1 van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld per aanleg. (Zulks was overigens ook voorzien in het vroegere Koninklijk Besluit van 30 november 1970). Het Gerechtelijk Wetboek kent slechts twee aanleggen, de eerste aanleg en het beroep (art. 616 Gerechtelijk Wetboek). Ook de procedure voor het Hof van Cassatie vormt geen nieuwe aanleg (cfr.K. BROECKX, Gerechtelijke Wetboek, Artikelsgewijze Commentaar, art. 616). Door het vernietigingsarrest van het Hof van Cassatie komt geen nieuwe aanleg tot stand. Het ingeleide geding en de aanleg worden heropend voor een nieuwe rechter, maar blijven dezelfde aanleg en geding uitmaken die hervat worden (J. BORÉ " La Cassation en matière civile", Parijs, 1980, p. 1048 en 1057). De dagvaarding die de zaak aanhangig maakt bij de rechter waarnaar de zaak verwezen wordt is dan ook geen gedinginleidende akte, maar een akte tot hervatting en voortzetting van het geding (Cass. 27 september 1993, Arr. Cass.1973,762).

De reglementering, zoals van toepassing op het ogenblik van de inleiding van het geding, noch de huidige reglementering, voorzien in de terugbetaling van de kosten voor de aangetekende verzending van het inleidend verzoekschrift voor de arbeidsrechtbank.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal,

Verklaart het hoger beroep gegrond. Hervormt het bestreden vonnis.

Verklaart de oorspronkelijke vordering ongegrond en bevestigt de bestreden administratieve beslissing van 29 mei 2000.

Veroordeelt in overeenstemming met artikel 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot in hoofde van de heer S. op 160,36 euro .

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Jean BOULOGNE, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Hedwig SILON, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Hedwig SILON

Jean BOULOGNE Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 1 maart 2012 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Vrije woorden

  • SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS

  • RUST- EN OVERLEVINGSPENSIOENEN

  • Brugpensioen

  • Volledig werkloze

  • Aanvraag tot het toekennen van het brugpensioen als grensarbeider vanaf de datum waarop hij 60 jaar werd

  • Weigering van de R.V.A.

  • Voorwaarden.