- Arrest van 15 maart 2012

15/03/2012 - 2011/AB/78

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Ieder voordeel dat de werkgever, ingevolge een overeenkomst of ingevolge een eenzijdige verbintenis, aan de werknemer toekent ten gevolge van de arbeidsovereenkomst, maakt een loon uit in de zin van art. 2 van de wet van 12 april 1965 op de bescherming van het loon, en derhalve in de zin van art. 14 van de wet van 27 juni 1969. Dit is ook het geval als dit

voordeel - een korting op een aantal producten en diensten -niet rechtstreeks door de werkgever aan de werknemer wordt toegekend, maar door tussenkomst van een externe firma, waaraan de werkgever een bijdrage betaalt. De omstandigheid dat het toegekende voordeel niet in hoofde van iedere werknemer afzonderlijk kan geraamd worden doet daaraan geen afbreuk. De sociale zekerheidsbijdragen kunnen berekend worden op de vergoeding die de werkgever betaalt aan een externe firma.

Maakt geen loon uit in natura het feit dat de werkgever aan zijn werknemer de toelating verleent om, binnen afgelijnde grenzen, op de werkplaats voor privédoeleinden gebruik te maken van de hem ter beschikking gestelde PC.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 15 MAART 2012

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - bijdragen werkgevers

tegensprekelijk

definitief

in de zaak:

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, K.B.O. nr. 0206.731.645, met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein, 11, appellant, vertegenwoordigd door mr. DE KERPEL S. loco mr. DERVEAUX Pieter, advocaat te 1930 ZAVENTEM, Parklaan 54,

tegen:

1. ASTRAZENECA NV, K.B.O. nr. 0400.165.679, met maatschappelijke zetel te 1180 BRUSSEL, Egide Van Ophemstraat, 110, eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. CAUWELS V. in eigen naam en loco mr. ADRIAENS Bart, advocaat te 8500 KORTRIJK, Ring Bedrijvenpark / Brugsesteenweg 255

2. mevrouw HEILPORN Lise, met kantoor te 1050 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 150, in haar hoedanigheid van curator van CORPORATE MADE NV, met maatschappelijke zetel te 1030 BRUSSEL, Artanstraat, 120, tweede geïntimeerde,

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 29-10-2010 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 27e kamer (A.R. 09/9151),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 27 januari 2011,

- de neergelegde conclusies,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 16 februari 2012, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

In het kader van een onderzoek, uitgevoerd door de sociale inspectie, werd vastgesteld dat door de nv Astrazeneca aan zijn personeel, rechtstreeks of onrechtstreeks, een aantal voordelen werden toegekend waarvoor geen bijdragen betaald werden in het kader van de sociale zekerheid van de werknemers. Het ging in het bijzonder om een voordeel "corporatemade", waarbij de werknemers op basis van een door de werkgever betaalde bijdrage, toegang kregen tot een website, waarop zij een aantal diensten en producten konden bekomen met korting, cadeaucheques en het voordeel in natura door de terbeschikkingstelling voor privégebruik van een aantal laptops en pc's.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid ging op basis van dit verslag over tot een ambtshalve regularisatie. De nv Astrazeneca heeft de betwiste bijdragen betwist, maar is onder voorbehoud overgegaan tot betaling.

2.

Bij dagvaarding van 22 juni 2009 heeft de nv Astrazeneca de Rijksdienst voor Sociale Zekerheide gedagvaard voor de arbeidsrechtbank te Brussel in terugbetaling van volgende bedragen:

- De som van 19.837,64 euro , betaald als bijdrage, bijdrageopslagen en intresten voor het voordeel "corporatemade;

- Het gedeelte van de onder voorbehoud gestorte som van 95.030,83 euro betaald als bijdrage, bijdrageopslagen en intresten voor het voordeel van der cadeaucheques, dat betrekking had op het per werknemer vrijgestelde bedrag van 35,00 euro per jaar;

- De som van 142.144,64 euro betaald als bijdrage, bijdrageopslagen en intresten op het voordeel in natura voor het ter beschikking stellen van een PC;

al deze bedragen te vermeerderen met de moratoire intresten en de gerechtelijke intresten, te kapitaliseren van zodra zij betrekking hebben op een volledig jaar.

Met dezelfde dagvaarding heeft de nv Astrazeneca een vordering tot vrijwaring ingesteld tegen de nv Corporatemade. Deze vordering steunde hierop dat de overeenkomst met deze vennootschap werd afgesloten op basis van een juridisch advies, dat deze vennootschap had voorgelegd, waarin gesteld werd dat de toegekende voordelen niet onderworpen waren aan de sociale zekerheid der werknemers.

3.

Bij vonnis van 29 oktober 2010 heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de vordering gegrond verklaard voor wat betreft de gevorderde bedragen van 19.837,64 euro (voordeel corporatemade) en 142.144,64 euro (voordeel in natura PC). De vordering werd afgewezen voor wat betreft het vrijgestelde deel van de cadeaucheques en voor wat betreft de gevorderde kapitalisatie van de intresten.

4.

Bij verzoekschrift van 27 januari 2011 heeft de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank. Het beroep was mede gericht tegen de nv Corporatemade.

In graad van beroep is gebleken dat deze laatste vennootschap op 10 mei 2010 in faling werd verklaard en dat als curator werd aangesteld Mr. Lise Heilporn.

In besluiten heeft de nv Astrazeneca een incidenteel beroep ingesteld in zoverre het vonnis van de arbeidsrechtbank de kapitalisatie van de intresten weigerde.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het beroep is regelmatig naar de vorm. Het vonnis van de arbeidsrechtbank werd niet betekend zodanig dat het beroep ook tijdig is. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

A. HET HOOFDBEROEP.

1. Het voordeel Corporatemade.

1.

De eerste rechter heeft de vordering van de nv Astrazeneca gegrond verklaard in toepassing van artikel 19 § 2, 19° van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969, zoals aangevuld door het Koninklijk Besluit van 28 februari 2002. Volgens de eerste rechter diende het toegekende voordeel gelijkgesteld te worden aan de verkoop van producten aan werknemers aan verminderde prijs, zoals voorzien door deze bepaling.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid betwist deze interpretatie. Hij stelt dat de toepassing van artikel 19 § 2, 19° veronderstelt dat het gaat om producten die door de werkgever worden gefabriceerd of verkocht, of diensten die door de werkgever worden geleverd, wat niet het geval is.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wijst er verder op dat het toegekende voordeel duidelijk dient beschouwd te worden als een voordeel toegekend als tegenprestatie voor de geleverde arbeid of tenminste als gevolg van de uitvoering van de arbeidsprestatie. Hij verwijst daarbij naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Het is niet vereist, zo stelt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, dat het toegekende voordeel moet kaderen binnen de dienstbetrekking. Zonder belang is, aldus steeds de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, dat het voordeel wordt toegekend door tussenkomst van een derde partij. Het is daarenboven niet vereist dat het voordeel is bedongen in de arbeidsovereenkomst. Het recht op het voordeel kan voortvloeien uit een eenzijdige verbintenis van de werkgever.

De nv Astrazeneca stelt dat het toegekende voordeel niet als een loon kan aangezien worden vermits het geen tegenprestatie is van arbeid, dat het voordeel niet wordt toegekend ingevolge de dienstbetrekking, dat de werknemer geen recht heeft op het voordeel, dat het voordeel op ieder moment kan ingetrokken worden, dat de mogelijke voordelen niet ten laste zijn van de werkgever en door haar geen betalingen worden gedaan aan de werknemers.

2.

Overeenkomstig artikel 14, al. 1 van de wet van 27 juni 1969 op de maatschappelijke zekerheid der werknemers worden de bijdragen voor sociale zekerheid berekend op het loon van de werknemers. Overeenkomstig art. 14 § 2 van dezelfde wet wordt het begrip loon bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. De Koning wordt echter, ingevolge dezelfde bepaling, gemachtigd het aldus bepaalde begrip te verruimen of te beperken en dit bij een in ministerraad overlegd besluit.

Overeenkomstig artikel 2, al.1, 1° van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers wordt onder ‘loon' verstaan, het loon in geld waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever. Overeenkomstig al. 3, 1°, c worden voor de toepassing van deze wet evenwel niet als loon beschouwd de vergoedingen die moeten worden beschouwd als een aanvulling van de voordelen, toegekend door de verschillende takken van de sociale zekerheid.

Overeenkomstig artikel 19 § 2, 19° van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 wordt, in afwijking van artikel 2 van de wet van 12 april 1965, niet als loon aangemerkt de vermindering ten laste van de werkgever van de normale prijs van de gefabriceerde of verkochte producten of diensten geleverd door de werkgever, op voorwaarde dat de hoeveelheid van de aan elke werknemer verkochte producten of geleverde diensten het normale verbruik van het gezin van de werknemer niet overschrijdt.

3.

Het corporatemade project is een geheel van kortingen en diensten dat aan de werknemers van de nv Astrazeneca wordt aangeboden door de nv Corporatemade, een onderneming waarmee de nv Astrazeneca een dienstverleningsovereenkomst had afgesloten. Ingevolge deze overeenkomst hadden al de werknemers online toegang tot een "e-commerce" platform, waarin allerlei diensten werden aangeboden. Deze diensten waren niet gratis maar de werknemers konden, ingevolge de overeenkomst afgesloten door de nv Astrazeneca, die daarvoor een jaarlijkse bijdrage (inschrijvingskost) van 15 euro betaalde, genieten van een korting op de aangeboden diensten en producten.

De regularisatie die door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid werd doorgevoerd werd berekend op de jaarlijkse bijdragen van de werkgever.

4.

Ten onrechte heeft de eerste rechter de vordering van de nv Astrazeneca gegrond verklaard in toepassing van artikel 19 § 2, 19° van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969. Uit de lezing van deze bepaling blijkt dat zij enkel betrekking heeft op de situatie waarin de werkgever door hem gefabriceerde of verkochte producten of diensten aan een verminderde prijs aanbiedt aan zijn werknemers. Deze situatie was niet voorhanden in de voorliggende betwisting. De nv Astrazeneca leverde aan haar werknemers geen enkel product of dienst, dat door haar gefabriceerd of verkocht werd.

5.

De stelling van de nv Astrazeneca dat het betwiste voordeel niet als een loon kan aanzien worden omdat het geen tegenprestatie is van arbeid kan niet gevolgd worden. Betalingen die door de werkgever gedaan worden aan zijn werknemers, a fortiori wanneer zij gedaan worden aan het geheel van zijn werknemers, worden in beginsel beschouwd als betalingen verschuldigd, of betaald, ingevolge de dienstbetrekking.

Opdat een voordeel zou beschouwd worden als loon in de zin van artikel 2 van de wet van 12 april 1965 is niet vereist dat het een tegenprestatie is voor de arbeid, maar volstaat dat het betaald wordt "ter wille van die arbeid", tengevolge van die arbeid (cfr. conclusies advocaat generaal Lenaerts bij Cass.20.04.1977, R.W. 1971-1972, 1871), hetgeen in voorliggende betwisting het geval is. Het betwiste voordeel heeft, volgens de overeenkomst die afgesloten werd door de nv Astrazeneca, tot doel de tevredenheid en de loyauteit van de werknemers te verbeteren.

Het is niet omdat de kortingen, die de werknemers kunnen bekomen, volgen uit de dienstverleningsovereenkomst die werd afgesloten tussen de nv Astrazeneca en de nv Corporatemade, dat het niet zou gaan om een voordeel toegekend ingevolge de dienstbetrekking.

(Weliswaar heeft de wetgever niet de bedoeling gehad de door de werkgever aan de werknemer toegekende giften uit te sluiten uit het begrip loon. Uit de omschrijving van het loonbegrip in de loonbeschermingswet volgt echter dat van een gift slechts sprake kan zijn wanneer het voordeel niet is toegekend wegens de in uitvoering van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid, en dus niet ingevolge de dienstbetrekking, maar bij gelegenheid van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, naar aanleiding van een arbeidsonderbreking of wegens bijzondere omstandigheden zoals de persoonlijke genegenheid of de waardering van de werkgever, of een andere gebeurtenis in het persoonlijke leven of dat van de familie van de werknemer. ( Cass. 5.01.2009, JTT 2009, 313). Deze hypothese is echter in deze helemaal niet van toepassing.)

6.

Opdat een voordeel moet beschouwd worden als toegekend ingevolge de arbeidsovereenkomst is niet vereist dat dit voordeel in de arbeidsovereenkomst zelf bedongen is. Het recht daarop kan steunen op een andere rechtsbron, zoals het gebruik of de eenzijdige verbintenis van de werkgever (Cass. 18.12.1974, Arr.Cass. 1974-75, 460 met conclusies van Adv.Gen Lenaerts).

Het is zelfs niet vereist dat de toekenning van het voordeel, wanneer het niet bedongen is, volgt uit een eenzijdige verbintenis die de werkgever heeft aangegaan of dat hij tot de betaling verplicht is ingevolge de wet, een cao of een gebruik.( cfr. Cass.20.04.1977, RW 1977-1978, 1871 met conclusies. Adv.Gen. Lenaerts). Wanneer loon de tegenprestatie is van de ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid, ontstaat het recht op loon door het verrichten van dergelijke arbeid. Het recht op deze tegenprestatie is op zichzelf niet kenmerkend voor het begrip loon, maar slechts het noodzakelijk gevolg van het verrichten van arbeid krachtens een arbeidsovereenkomst.

7.

In het licht van de geschetste principes is het zonder belang dat door de nv Astrazeneca geen rechtstreekse betalingen gedaan worden aan de werknemers, of dat de mogelijke voordelen (de kortingen) niet ten laste vallen van de werkgever.

De geldsommen, en bij uitbreiding, de voordelen die door de werkgever aan derden worden uitbetaald maken deel uit van het loon, omschreven bij art. 2, lid 1, van de wet van 12 april 1965, wanneer de werknemer aanspraak kan maken op die uitbetaling en hij zijn recht stoelt op de arbeidsovereenkomst (Cass.16 januari.1978 Arr.Cass. 1977-1978, 594, 4 februari 2002 (RW, 2002-03, 293) en 24 mei 2004 (Pas. 2001-4, 901)). In casu wordt het toegekende voordeel, de kortingen, verworven door de betalingen die de werkgever, ten voordele van zijn werknemers, verricht heeft aan de nv Corporatemade. Het zijn deze bedragen die deel uitmaken van het loon.

8.

Anders dan de eerste rechter is het hof dan ook van oordeel dat het door de nv Astrazeneca toegekende voordeel als een loon moet beschouwd worden voor de toepassing van de wet van 27 juni 1969. De omstandigheid dat de omvang van het voordeel niet in hoofde van de werknemer kan berekend worden, en dat niet uitgesloten is dat sommige werknemers geen beroep doen op het voordeel, is zonder belang nu de bijdrage enkel berekend werd op de bijdrage die de werkgever aan de nv Corporatemade betaald heeft.

Het vonnis van de eerste rechter dient dan ook op dit punt hervormd te worden, en de oorspronkelijke vordering dient op dit punt ongegrond verklaard te worden.

9.

In besluiten ter zitting verklaart de nv Astrazeneca afstand te doen van de vordering in vrijwaring ten aanzien van de nv Corporatemade, gelet op het faillissement van deze vennootschap. Het mandaat van de raadsman van de nv Astrazeneca om tot een dergelijke afstand over te gaan wordt niet betwist.

De afstand kan dan ook ingewilligd worden.

2. Het voordeel in natura ingevolge het ter beschikking stellen van een PC.

1.

De eerste rechter heeft de vordering tot terugbetaling van de gevorderde bijdragen toegekend omdat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in gebreke bleef, ondanks de op hem rustende bewijslast, het bewijs te leveren van enig voordeel in natura en van het feit dat er niet meer dan incidenteel privégebruik van de pc's werd gemaakt.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verwijst naar de toepassing van artikel 20 § 2 van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969, dat bepaalt dat het voordeel in natura ingevolge het gebruik voor persoonlijke doeleinden van een gratis ter beschikking gestelde persoonlijke computer of internetaansluiting worden geschat overeenkomstig de bedragen zoals deze vastgelegd zijn in artikel 18, § 3, 10° van het wetboek op de inkomstenbelastingen 1992 (180 euro per jaar voor een kosteloos ter beschikking gestelde pc).

De nv Astrazeneca is van oordeel dat de bepaling van artikel 20 § 2 de situatie voor ogen heeft van de werkgever die aan zijn werknemers een laptop of pc ter beschikking stelt voor thuisgebruik, en geen toepassing kan vinden op de situatie van de pc die door de werknemer gebruikt wordt op de werkplaats en die deel uitmaakt van het ter beschikking gestelde arbeidsgereedschap.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid stelt daartegenover dat uit de voorgelegde interne reglementering van het gebruik van de pc op het werk duidelijk blijkt dat aan de werknemers toegestaan wordt om tijdens de arbeidsduur de pc voor persoonlijke, welomschreven doeleinden aan te wenden en dat deze mogelijkheid op zich voor de werknemers een voordeel in natura uitmaakt.

2.

Het wordt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheide niet betwist dat de onderwerping van het voordeel van de terbeschikkingstelling van een pc niet gebeurde voor laptops of pc's die aan de werknemers ter beschikking gesteld werden voor thuisgebruik, maar wel voor het geheel van de pc's die in de onderneming aanwezig waren.

Met de nv Astrazeneca is het hof van oordeel dat artikel 20 § 2 van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 de situatie viseert van de ter beschikking stelling van een pc voor thuisgebruik. Zulks blijkt uit de gebruikte terminologie: "een gratis ter beschikking gestelde persoonlijke computer". Een pc die door de werkgever ter beschikking gesteld wordt binnen de onderneming voor de uitoefening van zijn beroepsactiviteit, doch die accessoir en binnen de door de werkgever eenzijdig vastgestelde voorwaarden, en tijdens de werkuren, ook mag gebruikt worden voor persoonlijke doeleinden, kan niet beschouwd worden als een persoonlijke pc.

Het is dan ook in ieder geval ten onrechte dat de onderwerping van het persoonlijk gebruik van de pc op de werkplek geëvalueerd werd op 180 euro per jaar, overeenkomstig de bepalingen van artikel 20 § 2 van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969.

3.

Uit de voorgelegde interne "policy" inzake het gebruik op de werkvloer van de pc's die als arbeidsgereedschap ter beschikking gesteld werden van de werknemers, blijkt dat de toelating voor het persoonlijk gebruik beperkt was. Er kan moeilijk vanuit gegaan worden dat het de bedoeling van de werkgever was om zijn werknemers aan te moedigen om tijdens de arbeidsduur met private zaken bezig te zijn. Een dergelijke beperkte toelating is essentieel ingegeven door de bekommernis dat de werknemer, die lange arbeidsdagen presteert of die een partner heeft die eveneens werkt, soms tijdens zijn arbeidstijd een aantal verplichtingen moeten nakomen of zaken moet regelen, die hij moeilijk 's avonds thuis nog kan regelen. Een dergelijke toelating heeft dan ook als uiteindelijke doelstelling een grotere beschikbaarheid van de werknemer voor de onderneming.

De mogelijkheid om tijdens de werkuren op beperkte wijze gebruik te maken van het arbeidsmateriaal van de werkgever kan dan ook niet beschouwd worden als een voordeel in natura. Minstens is de raming van dit voordeel onmogelijk.

De onderwerping van dit voordeel aan de sociale zekerheid voor de werknemers was dan ook onterecht. Het hoger beroep is ongegrond.

B. HET INCIDENTEEL BEROEP.

1.

In haar gedinginleidende dagvaarding vordert de nv Astrazeneca "de moratoire intresten vanaf de betaling onder voorbehoud tot de huidige dagvaarding en gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding tot de uiteindelijke terugbetaling op de volgende bedragen, te kapitaliseren van zodra ze betrekking hebben op een volledig jaar".

De eerste rechter heeft deze vordering afgewezen omdat ze onvoldoende gemotiveerd was.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid betwist de gevorderde kapitalisatie omdat intresten slechts verschuldigd zijn op het ogenblik dat de schuld zeker en opeisbaar is, wat slechts het geval zou zijn bij een definitieve gerechtelijke beslissing.

2.

Overeenkomstig artikel 1154 B.W. kunnen vervallen intresten van kapitalen intresten opbrengen, hetzij tengevolge van een gerechtelijke aanmaning, hetzij tengevolge van een bijzondere overeenkomst mits de aanmaning of de overeenkomst betrekking heeft op intresten die ten minste voor een heel jaar verschuldigd zijn.

Ten onrechte stelt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat de kapitalisatie van de intresten slechts mogelijk is vanaf een gerechtelijke eindbeslissing. Overeenkomstig artikel 1153 B.W., waarvan artikel 1154 een bijzondere modaliteit is, lopen immers de intresten, op vorderingen die betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, te rekenen van de dag der aanmaning tot betaling. Weliswaar kunnen intresten niet lopen zolang de vordering niet opeisbaar is. De vordering tot terugbetaling van het onverschuldigde is echter opeisbaar vanaf het ogenblik waarop de onverschuldigde betaling is uitgevoerd. Ze wordt niet slechts opeisbaar vanaf het ogenblik dat de rechter, in het kader van een gerechtelijke procedure die wordt ingeleid omdat geen gevolg wordt gegeven aan de vordering, de vordering gegrond verklaart. Het vonnis of arrest doet het recht niet ontstaan, maar heeft een declaratief karakter. Het bevestigt het bestaan van het recht

De cassatierechtspraak waarnaar de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verwijst betreft de specifieke situatie van de ingebrekestellingen tot terugbetaling van een schuld die in rechte nog niet kon opgeëist worden. In het geval van het cassatiearrest van 16 april 2009 betrof het aldus een vordering tot het bekomen van intresten op een indexatie, die slechts diende doorgevoerd te worden na de ingebrekestelling. In antwoord op het eerste middel bevestigt het Hof van Cassatie overigens uitdrukkelijk dat het loutere feit dat de vordering betwist wordt niet tot gevolg heeft dat de intresten niet zouden lopen.

Toegepast op de huidige betwisting houdt de rechtspraak van het Hof van Cassatie enkel in dat de intresten niet had kunnen lopen indien de nv Astrazeneca een aanmaning tot terugbetaling had geformuleerd nog voordat de betaling was uitgevoerd.

3.

De toepassing van artikel 1154 B.W. veronderstelt dat drie voorwaarden vervuld zijn: het moet gaan om vervallen intresten, het moet gaan om intresten die verschuldigd zijn voor een heel jaar en er moet een gerechtelijke aanmaning zijn (of een uitdrukkelijke beding) die bij elke jaarlijkse vervaldag hernieuwd wordt(Cass.07/09/1978, Arr. Cass. 1978-1979, 18).

De gevorderde bijdragen werden, voor wat betreft de som van 142.144,64 euro betaald op 27 november 2008. Het recht op terugbetaling ontstond op deze dag. De moratoire intresten begonnen te lopen vanaf 27 november 2008 ingevolge de ingebrekestelling die door de nv Astrazeneca werd verzonden samen met de betaling.

De gerechtelijke ingebrekestelling door de dagvaarding van 22 juni 2009 kon geen aanleiding geven tot kapitalisatie omdat de intresten op dat ogenblik niet voor één jaar vervallen waren.

De kapitalisatie kon wel gebeuren door de gerechtelijke aanmaning bij conclusies van 15 februari 2010. De volgende gerechtelijke aanmaning, de conclusies van 12 mei 2010 konden niet leiden tot een nieuwe kapitalisatie omdat geen jaar verlopen was sinds de vorige kapitalisatie. Een nieuwe kapitalisatie kon wel gebeuren ingevolge de conclusies neergelegd voor het arbeidshof op 28 juli 2011.

Het incidenteel beroep kan in die mate gegrond verklaard worden.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Hervormt het bestreden vonnis.

Wijst de nv Astrazeneca af van zijn oorspronkelijke vordering tot terugbetaling van de som van 19.867,64 euro .

Geeft akte aan de nv Astrazeneca van de afstand van haar vordering in vrijwaring ten aanzien van de nv Corporatemade in faling.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het bestreden vonnis in zoverre het de nv Astrazeneca afwijst van zijn vordering tot kapitalisatie van de intresten.

Veroordeelt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tot terugbetaling van de som van 142.144,64 euro , te vermeerderen met de wettelijke verwijlintresten vanaf 27 november 2008 tot 21 juni 2009 en de gerechtelijke intresten vanaf 22 juni 2009 tot de volledige betaling. Zegt dat de gevorderde intresten gekapitaliseerd worden op 15 februari 2010 en daarna op 28 juli 2011.

Veroordeelt, in toepassing van artikel 1017 al. 4 van het Gerechtelijk Wetboek, de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en de nv Astrazeneca ieder tot de helft van de gerechtskosten, begroot in hoofde van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op 5.000 euro rechtsplegingsvergoeding voor de arbeidsrechtbank en 5.500 euro rechtsplegingsvergoeding voor het hof en in hoofde van de nv Astrazeneca op 91,89 euro dagvaardingskosten voor de arbeidsrechtbank, 5.000 euro rechtsplegingsvergoeding voor de arbeidsrechtbank en 5.500 euro rechtsplegingsvergoeding voor het hof.

Veroordeelt de nv Astrazeneca tot de kosten van de vordering in vrijwaring, die door de nv Corporatemade in faling niet begroot werden voor het hof.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Jean BOULOGNE, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Hedwig SILON, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Hedwig SILON

Jean BOULOGNE Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 15 maart 2012 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Vrije woorden

  • Sociaal recht.

  • Sociale Zekerheid.

  • Wet van 27 juni 1969, art. 14.

  • Het begrip loon waarop bijdragen verschuldigd zijn.