- Arrest van 29 maart 2012

29/03/2012 - 2010/AB/1126

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het loutere feit dat het uitkeringsdossier van de verzekeringsinstelling verloren gegaan is, houdt niet in dat de vrijstelling van de boeking van de bedragen van de ten onrechte betaalde prestaties als administratiekosten dient geweigerd te worden.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 29 MAART 2012

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - ziekteverzekering

tegensprekelijk

definitief

in de zaak:

LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met zetel te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg, 579 bus 40, appellant, vertegenwoordigd door mr. COLELLA S. loco mr. VAN OBBERGHEN Vincent, advocaat te 1800 VILVOORDE, Medialaan 30

tegen:

RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING, openbare instelling, met zetel te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan, 211,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. VERVAET E. loco mr. VAN BEVER Marc, advocaat te 1850 GRIMBERGEN, Pastoor Woutersstraat 32 bus 7

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 15-10-2010 door de Arbeidsrechtbank te Brussel, 28e kamer (A.R. 6940/08),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 8 december 2010,

de neergelegde conclusies,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 1 maart 2012, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen aan zijn verzekerde C., een zelfstandige, vanaf 1 januari 1997.

Op 27 augustus 2001ontving de Landsbond een schrijven van het Rijksinstituut voor Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, waarin gemeld werd dat een aanvraag van de verzekerde tot gelijkstelling van een periode van ziekte of invaliditeit met een periode van beroepsactiviteit, met het oog op de toepassing van de pensioenwetgeving, werd geweigerd. Uit de bijlagen, gevoegd bij dit schrijven, bleek dat deze weigering steunde op het feit dat de heer C. na 31 december 1996, datum waarop hij verklaarde een einde te stellen aan zijn beroepsactiviteit en ziekteuitkeringen aanvroeg, nog zaakvoerder en vennoot geweest was van de bvba Alumac tot 4 september 1998 datum waarop het faillissement van deze vennootschap uitgesproken werd.

2.

De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten heeft daarop van zijn verzekerde de uitkeringen teruggevorderd, betaald in de periode van 1 januari 1997 tot 31 augustus 2001, evenals een aantal kosten voor gezondheidszorgen.

Bij vonnis van 9 september 2005 werd de verzekerde veroordeeld tot terugbetaling van de ten onrechte genoten uitkeringen ten belope van 67.637,13 euro en de ten onrechte genoten prestaties gezondheidszorgen van 620,10 euro .

De uitvoering van dit vonnis bleek echter onmogelijk omdat de heer C. het land verlaten had.

3.

Bij schrijven van 2 oktober 2007 heeft de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten de Leidend Ambtenaar van de Dienst voor Administratieve Controle van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering verzocht om, in toepassing van artikel 327 van het Koninklijk Besluit van 3 juli 1976, vrijgesteld te worden van de verplichting tot inschrijving in de administratiekosten van de niet gerecupereerde sommen.

Bij beslissing van 10 april 2008 heeft de Leidend Ambtenaar deze vraag tot vrijstelling geweigerd, behalve voor een bedrag van 561,94 euro . De weigeringsbeslissing steunde hierop dat de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten niet in staat was geweest om, op verzoek van de sociaal inspecteur van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering, het uitkeringdossier van de heer C. voor te leggen, zodanig dat niet kon nagegaan worden of de heer C. bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid melding had gemaakt op het inlichtingenblad van zijn activiteit of dat het ziekenfonds op de hoogte was of had kunnen zijn van het feit dat hij nog een activiteit uitoefende.

4.

Bij dagvaarding van 30 april 2008 heeft de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten deze beslissing betwist voor de arbeidsrechtbank te Brussel.

Bij vonnis van 15 oktober 2010 heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de vordering als ongegrond afgewezen.

5.

Bij verzoekschrift van 8 december 2010 heeft de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het beroep is regelmatig naar de vorm. Er wordt geen betekeningsakte voorgelegd van het bestreden vonnis zodat het beroep ook moet geacht worden tijdig te zijn ingesteld. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten stelt dat hij alle ter zijner beschikking staande middelen heeft aangewend om de terugbetaling van de onverschuldigde prestaties te bekomen. De Landsbond betwist verder dat de onverschuldigde betaling het gevolg zou zijn van een tekortkoming van zijnentwege. Hij betwist niet dat, op het ogenblik van het onderzoek door de sociaal inspecteur van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering het uitkeringdossier niet kon voorgelegd worden, maar stelt dat uit de inmiddels voorgelegde stukken voldoende blijkt dat de heer C. nooit aangifte gedaan heeft van zijn werkhervatting.

Het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering stelt dat, vermits het uitkeringdossier niet kon voorgelegd worden, het onmogelijk was na te gaan of de heer C. zijn beroepsactiviteit had stopgezet, rekening houdend met het feit dat hij zaakvoerder was van de bvba Alumac. Hij wijst erop dat de bvba, waarvan de heer C. zogezegd de zaakvoerder niet meer was, haar zetel had op hetzelfde adres als de heer C. en dat deze bvba slechts failliet verklaard werd op 7 september 1998. Hij wijst erop dat uit een vonnis van 17 december 2003, waarbij het faillissement werd afgesloten, blijkt dat artikel 185 van de vennootschapswet van toepassing werd verklaard zodanig dat de heer C. als vermoedelijke vereffenaar diende te worden aanzien. Dit zou een bijkomend element zijn om te oordelen dat heer C. zijn werkzaamheden niet stopgezet had na 31 december 1996. Het Rijksinstituut benadrukt dat de stopzetting van iedere activiteit een voorwaarde is om uitkeringen te kunnen genieten en verwijst terzake naar de rechtspraak. Het Rijksinstituut benadrukt tenslotte het belang dat de wetgever hecht aan het bijhouden van volledige dossiers en aan de medewerking van de verzekeringsinstelling aan de taak van de sociaal inspecteur.

2.

Overeenkomstig artikel 325 en 326 van het Koninklijk Besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van het Koninklijk Besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen dienen de verzekeringsinstellingen de onverschuldigde betalingen, die zij uitvoeren, terug te vorderen binnen een termijn van twee jaar, die aanvangt hetzij op het einde van het kwartaal volgend op datgene waarin zij zelf de onverschuldigde betaling hebben vastgesteld, hetzij binnen de twee maanden volgend op de kennisgeving van een onverschuldigde betaling door de Dienst voor Administratieve controle, hetzij vanaf de datum van het vonnis dat de terugbetaling oplegt.

Overeenkomstig artikel 327, § 1 van hetzelfde Koninklijk Besluit dienen de verzekeringsinstellingen de ten onrechte betaalde prestaties, die niet zijn teruggevorderd binnen de drie maanden na afloop van de in artikel 326 van het besluit bepaalde termijnen, af te schrijven door deze te boeken als administratiekosten.

Overeenkomstig artikel 327, § 2, van hetzelfde besluit kan de Leidend Ambtenaar van de Dienst voor Administratieve Controle de verzekeringsinstellingen echter vrijstellen van de boeking als administratiekosten wanneer (a) de onverschuldigde betaling niet voortvloeit uit een fout, een vergissing of een nalatigheid van de verzekeringsinstellingen; (b) de verzekeringsinstelling alle ter hare beschikking staande middelen, rechtsmiddelen inbegrepen, heeft aangewend om terugbetaling te bekomen.

3.

Uit de bestreden administratieve beslissing, noch uit de besluiten neergelegd door het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering blijkt dat het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering betwist dat de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten alle hem ter beschikking staande middelen, rechtsmiddelen inbegrepen aangewend heeft om terugbetaling te bekomen. Er wordt immers geen enkele opmerking geformuleerd over de wijze waarop de terugvordering zelf gebeurde.

De weigering om de gevraagde vrijstelling van inschrijving in de administratiekosten toe te kennen steunt op de eerste voorwaarde, opgenomen in artikel 327 § 2, met name dat de onverschuldigde betaling niet mag voortvloeien uit een fout, een vergissing of een nalatigheid van de verzekeringsinstelling. De stelling van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering komt er dus op neer dat de vrijstelling kan geweigerd worden wanneer niet kan nagegaan worden of de onverschuldigde betaling al dan niet voortvloeit uit een fout, een vergissing of een nalatigheid van de verzekeringsinstelling, doordat het uitkeringsdossier niet voorhanden is.

4.

Het is duidelijk dat de verzekeringsinstelling, die een aanvraag indient tot het bekomen van een vrijstelling van inschrijving in de administratiekosten, zijn volledige medewerking dient te verlenen teneinde het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering toe te laten na te gaan of al de voorwaarden tot het bekomen van de gevraagde vrijstelling vervuld zijn. Zulks houdt concreet in dat de vrijstelling van de inschrijving in de administratiekosten zou kunnen geweigerd worden wanneer de verzekeringsinstelling weigert bepaalde documenten of dossiers voor te leggen. In dat geval maakt de verzekeringsinstelling immers zelf de controle op één van de voorwaarden van de toepassing van artikel 327 § 2 onmogelijk.

Er is echter geen voldoende wettelijke basis om te stellen dat het loutere feit dat een bepaald dossier verloren gegaan is, inhoudt dat de vrijstelling van de inschrijving in de administratiekosten in alle gevallen kan geweigerd worden. (Indien een dossier of bepaalde stukken ontbreken kan aan de verzekeringsinstelling wel een belangrijke geldboete opgelegd worden, in toepassing van artikel 166 § 1, al van de gecoördineerde wetten).

In die situatie dient de verzekeringsinstelling echter wel zijn medewerking te verlenen om zoveel mogelijk informatie ter beschikking te stellen van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering.

In casu heeft de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten de kopie voorgelegd van een onderzoek ingesteld door het Rijksinstituut voor de Sociale verzekeringen der Zelfstandigen op 11 december 1997, d.w.z. ca één jaar na de aanvraag van de uitkeringen en de stopzetting van activiteit. Dit verslag is, naar het hof aanneemt, opgesteld in uitvoering van artikel 63 al. 6 van het Koninklijk Besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van de uitkeringsverzekering en een moederschapsrust verzekering ten voordele van de zelfstandigen. Deze bepaling voorziet dat wanneer de adviserende geneesheer van de verzekeringsinstelling, bij de overgang naar de staat van invaliditeit een geneeskundig verslag opmaakt, bestemd voor de Geneeskundige Raad voor de Invaliditeit bij het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering hij daarbij een exemplaar voegt van het enquêteverslag dat hij voorafgaandelijk gevraagd heeft aan het Rijksinstituut voor Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen en dat met name betrekking heeft op de beroepsactiviteit van de aanvrager en de stopzetting daarvan. In dit document, dat ondertekend is zowel de door de inspecteur van het Rijksinstituut voor Sociale Verzekeringen der zelfstandigen als door de heer C., wordt vermeld dat de heer C. zijn beroepsactiviteit als zelfstandige of helper volledig heeft stopgezet op 31 december 1996 en dat hij zijn ontslag als zaakvoerder van de bvba had ingediend op 31 december 1996. Er zijn geen elementen om de betrouwbaarheid van dit verslag in vraag te stellen. Er mag van uitgegaan worden dat, gelet op de vraagstellingen in het verslag, de sociaal inspecteur ernstig onderzocht heeft of de heer C. definitief iedere activiteit had stopgezet.

Verder wordt een nieuwe aangifte van arbeidsongeschiktheid voorgelegd van 17 juni 1999 waarin de heer C. bevestigt dat hij volledig een eind gesteld heeft aan zijn arbeid.

5.

Het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering duidt niet concreet aan welke andere elementen uit het uitkeringsdossier de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten zouden toegelaten hebben om vast te stellen dat de heer C., ondanks de door hem afgelegde verklaringen, in feite geen einde zou gesteld hebben aan zijn activiteit. Uit het vermelde document van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen blijkt dat de heer C. een attest heeft voorgelegd van zijn sociale verzekeringskas in verband met de stopzetting van zijn activiteiten, zodat mag aangenomen worden dat ook geen bijdragen meer betaald werden in het sociaal statuut van zelfstandigen.

De verzekeringsinstelling beschikt niet over specifieke wettelijke bevoegdheden die haar toelaten controle uit te oefenen op het feit of de verzekerde effectief een einde gesteld heeft aan zijn beroepsactiviteit, dan wel, na stopzetting van zijn beroepsactiviteit, deze eventueel terug hervat heeft. De verzekeringsinstelling heeft daarvoor ook geen bijzondere opdracht gekregen van de wetgever. Het is integendeel de Dienst voor Administratieve Controle van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering die door de wetgever belast werd met de administratieve controle op de prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging en de uitkeringsverzekering

(artikel 159 van de gecoördineerde ziektewet van 14 juli 1994). De sociaal controleurs en de inspecteurs van deze dienst hebben als specifieke opdracht de onrechtmatige samenloop van het genot van uitkeringen met het uitoefenen van een beroepsactiviteit of sluikarbeid op te sporen en vast te stellen (art. 162 van de wet).

6.

Ten overvloede dient erop gewezen te worden dat de omstandigheid dat, na het afsluiten van het faillissement, artikel 185 van de vennootschapswet van toepassing werd verklaard, geenszins een vermoeden inhoudt dat de heer C. zijn werkzaamheden nog zou uitgeoefend hebben na 31 december 1996. De draagwijdte van artikel 185 van de vennootschapswet is enkel de mogelijkheid te voorzien dat, ook na het afsluiten van het faillissement, er nog een rechtsvordering mogelijk zou zijn en de persoon aan te duiden die in dat geval kan gedagvaard worden.

7.

De argumentatie van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering met betrekking tot de wettelijke vereiste van een volledige stopzetting van alle activiteiten is zonder belang voor de oplossing van het geschil. De vraag die in het kader van huidige betwisting moet opgelost worden is niet te weten of de heer C. al dan niet effectief een arbeid hervat had, maar wel te weten of de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten daarvan op de hoogte diende te zijn.

8.

Het is dan ook ten onrechte dat de bestreden beslissing aan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten het voordeel van de vrijstelling van inschrijving in de administratiekosten geweigerd heeft. Het bestreden vonnis dient hervormd te worden en de oorspronkelijke vordering dient gegrond verklaard te worden.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het bestreden vonnis.

Verklaart de oorspronkelijke vordering gegrond. Vernietigt de bestreden administratieve beslissing van 1 april 2007 en zegt voor recht dat de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten volledig vrijgesteld is van de inschrijving in de administratiekosten van de ten onrechte betaalde uitkeringen en kosten voor geneeskundige verzorging aan zijn verzekerde C..

Veroordeelt het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering tot de kosten van beide aanleggen begroot in hoofde van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten op 135,89 euro dagvaardingskosten voor de arbeidsrechtbank, 109,32 euro rechtsplegingsvergoeding voor de arbeidsrechtbank en 320,65 euro rechtsplegingsvergoeding voor het hof.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Jean BOULOGNE, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Hedwig SILON, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Hedwig SILON

Jean BOULOGNE Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 29 maart 2012 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Vrije woorden

  • SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS

  • ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING

  • Terugvordering van de ten onrechte betaalde prestaties

  • Onmogelijkheid de veroordeling uit te voeren

  • Weigering van vrijstelling van de boeking als administratiekosten

  • Niet in staat zijn het uitkeringsdossier voor te leggen aan de sociaal inspecteur van het R.I.Z.I.V.