- Arrest van 30 maart 2012

30/03/2012 - 2011/AB/77

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer de werkverhouding van een afgevaardigd bestuurder met een vennootschap door partijen werd gekwalificeerd als arbeidsovereenkomst, wordt deze conventionele kwalificatie niet door andersluidende elementen uitgesloten, wanneer blijkt dat de afgevaardigde bestuurder onder een hiërarchische controle staat.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 30 MAART 2012

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

DHL GLOBAL FORWARDING (BELGIUM) NV, voorheen EXEL FREIGHT MANAGEMENT (BELGIUM) NV, met zetel te

1931 ZAVENTEM, Brucargo, 765,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. MERGITS Bert, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 247 bus 14.

Tegen:

L. T., wonende te

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. ELIAERTS Luc, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Vlaamse Kaai 54-57.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden tussenvonnis, uitgesproken op tegenspraak op 7 mei 2004 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 2e kamer (A.R. 48442/03),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 27 januari 2011,

- de conclusie en de syntheseconclusie voor de appellante neergelegd ter griffie, respectievelijk op 23 juni 2011 en 28 november 2011,

- de conclusie en de syntheseconclusie voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 15 september 2011 en 19 januari 2012,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 9 maart 2012, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. In een memorandum van 1 november 1985, opgemaakt door de Voorzitter van de op te richten vennootschap NV MSAS Belgium, worden de arbeidsvoorwaarden van de heer T. L. als algemeen directeur vastgelegd, met o.m. een maandelijks brutoloon van 160.000 frank, een dertiende maand en dubbel vakantiegeld. Hij trad in dienst op 4 november 1985.

Bijkomend werd hij bij de oprichting van de vennootschap op 16 december 1985 benoemd tot bestuurder. In de bijlage bij het B.S. van 24 juli 2001 wordt melding gemaakt van zijn herbenoeming door de Raad van Bestuur op 15 juni 2001 als gedelegeerd bestuurder.

In 2001 fusioneerde de MSAS groep immers met de Exel groep. De Belgische vennootschap wijzigde zijn naam in Exel Freight Management Belgium NV, dat op 16 oktober 2006 verder zal opgaan in DHL Global Forwarding. (hierna zal de vennootschap kortheidshalve worden aangeduid als Exel)

2. In 2002 overwoog Exel een verdere herstructurering waarbij de Belgische afdeling zou samengaan met Exel Nederland onder leiding van de heer B. D.. De leidinggevende functie van de heer L. voor België kwam hierdoor op de helling.

Dit veroorzaakte bij hem en bij zijn collega's beroering.

In een e-mail van 23 juli 2002 bepleitte hij het behoud van een Belgische directie, en stelde hij zich kandidaat voor een directiefunctie voor zee- en vrachtvervoer.

3. Op vrijdagavond 26 juli 2002 nodigde directielid B. I. een aantal collega's uit voor een feestje bij haar thuis naar aanleiding van het einde van de hospitalisatie van haar echtgenoot. Er zouden ook enkele niet met Exel verbonden personen op dit feestje geweest zijn. Op dat moment kwam de herstructurering van Exel ter sprake, alsook de mogelijke overgang van de heer L. en een aantal collega's naar de firma Schenker.

4. Op 30 juli 2002 verzond Exel volgende aangetekende brief aan de heer L.:

Voor zover zou blijken dat U met de NV bent verbonden door een arbeidsovereenkomst, delen wij U mee dat wij beslist hebben hieraan onmiddellijk een einde te maken. Deze onmiddellijke beëindiging is te wijten aan een dringende reden.

...

Op 26 juli 2002 hebben wij van de heer Eddy C., operations manager, vernomen dat u hem heeft voorgesteld om u te volgen naar de firma Schenker en u aldaar te helpen bij de uitbouw van de luchtvrachtafdeling.

De heer B. D. heeft ons vervolgens bevestigd dat U hetzelfde voorstel heeft gedaan aan een aantal medewerkers van de NV.

Door de uitbouw van haar luchtvrachtafdeling zou de firma Schenker veel meer dan momenteel het geval is, rechtstreeks in concurrentie treden met de NV.

Wij moeten derhalve vaststellen dat U tijdens uw tewerkstelling bij de NV actief meewerkt aan de ontwikkeling van activiteiten van een andere vennootschap die zuiver concurrentieel zijn aan deze van de NV.

U heeft hierbij duidelijk misbruik gemaakt van uw positie in de NV door medewerkers te benaderen en af te werven voor Schenker.

Indien zou blijken dat u met de NV bent verbonden door een arbeidsovereenkomst, vormt deze handelwijze een inbreuk op art. 17,3° arbeidsovereenkomstenwet dat u verplicht zich ervan te onthouden daden van oneerlijke concurrentie te stellen of daaraan mee te werken. Zij vormt alleszins een schending van art. 1134 BW dat u, ongeacht de kwalificatie ervan, verplicht uw overeenkomst met de NV te goeder trouw uit te voeren.

De ernst van dit alles wordt nog benadrukt door uw positie als afgevaardigd bestuurder van de NV.

...

Op 30 juli 2002 besliste de Raad van Bestuur van de NV tot het ontslag van de heer L. als afgevaardigd bestuurder. De algemene vergadering besliste op 2 augustus 2002 tot zijn ontslag als bestuurder. Hij werd opgevolgd door de heer D..

Op 5 augustus 2002 betwistte de heer L. zijn ontslag en drong aan op de afgifte van een C4.

De heer L. solliciteerde bij Schenker, United Airlines, Yusen Air & Sea Belgium, UPS Freight Services.

Reeds op 2 augustus had hij zich bij de VDAB als werkzoekende ingeschreven.

Op 19 augustus 2002 ondertekende hij een arbeidsovereenkomst met Schenker, waar hij met ingang van 1 september 2002 in dienst kwam.

5. Op 10 januari 2003 dagvaardde de heer L. de NV Exel Freight Management Belgium voor de arbeidsrechtbank te Brussel en hij vorderde betaling van:

- een opzeggingsvergoeding van euro 233.940

- een schadevergoeding wegens niet betalen vakantiegeld op patronale premies groepsverzekering van euro 15.000 provisioneel

- vakantiegeld einde dienst van euro 10.000 provisioneel

- vakantiegeld niet opgenomen vakantiedagen 2002 of euro 4.272,16

- feestdagenloon voor 15 augustus 2002 of euro 267,01

- vakantiegeld feestdag euro 40,96

meer de intresten en de kosten;

Tevens vorderde hij afgifte van verbeterde sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom.

Exel vorderde bij tegeneis de veroordeling van de heer L. tot een schadevergoeding van euro 1 provisioneel en tot de kosten.

6. Bij tussenvonnis van 7 mei 2004 besliste de arbeidsrechtbank te Brussel tot het bestaan van een arbeidsovereenkomst; ze vroeg dat de verklaringen van de heren C. en T. zouden gedagtekend en ondertekend worden. De vordering tot schadevergoeding wegens vakantiegeld op patronale bijdragen groepsverzekering werd ongegrond verklaard door het niet bewezen zijn van het moreel element van het ingeroepen misdrijf.

Nadat de zaak verder behandeld werd op de zitting van 12 oktober 2004, vroeg Exel op 20 oktober 2004 de heropening van de debatten wegens het vinden van een bijkomende verklaring, met name deze van de heer D.L.. van 12 oktober 2004.

De arbeidsrechtbank ging bij tussenvonnis van 23 november 2004 op het verzoek in en liet aan de partijen de kans om tegenspraak te voeren over deze verklaring.

7. Op 17 februari 2005 legde Exel klacht met burgerlijke partijstelling neer tegen o.m. de heer L..

De raadkamer te Brussel stelde de heer L. buiten vervolging op 25 september 2009.

8. Net voor de zaak opnieuw voor pleidooien was vastgesteld voor de arbeidsrechtbank te Brussel op 10 februari 2011, tekende Exel op 27 januari 2011 hoger beroep aan tegen het tussenvonnis van 7 mei 2004 in zoverre het de arbeidsovereenkomst van de heer L. had weerhouden.

Exel vroeg dat de oorspronkelijke vordering ontvankelijk maar ongegrond zou worden verklaard en dat haar tegeneis ontvankelijk maar gegrond zou worden verklaard. In ondergeschikte orde, deed ze een getuigenaanbod.

Ter zitting van 9 maart 2012 vraagt Exel de bevestiging van het tussenvonnis in verband met de afwijzing van de schadevergoeding wegens vakantiegeld op patronale premies groepsverzekering.

De heer L. handhaafde zijn vordering en vroeg de afwijzing van de tegenvordering. Hij stelde incidenteel beroep in wat betreft het afwijzen van de vordering schadevergoeding wegens niet betaling van vakantiegeld op de patronale bijdrage groepsverzekering.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hogere beroep van de heer L. tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep.

Het bestaan van een arbeidsovereenkomst.

2. Uit de kwalificatiearresten van het Hof van Cassatie volgt dat de door partijen gekozen kwalificatie maar kan gewijzigd worden indien de elementen die voorgebracht worden de conventionele kwalificatie niet uitsluiten (Cass. 23 februari 2002, JTT 2003, 271; Cass. 28 april 2003, JTT 2003, 261; Cass. 8 december 2003, JTT 2004, 122; Cass. 3 mei 2004, R.W. 2004 - 05, 1220; Cass. 6 december 2004, NJW 2005, 95, 21; Cass. 20 maart 2006, JTT 2006, 295, Cass. 22 mei 2006, Soc. Kron. 2007, 164; Cass. 5 februari 2007, R.W. 2007-2008, 781 met noot K. Nevens; Cass. 11 februari 2008, JTT 2009, 4 met noot; vgl. Cass.18 oktober 2010, JTT 2011,22; Cass. 6 december 2010, S.10.0073. N, www.cass.be).

3. Voor de kwalificatie kan uitgegaan worden van een indirecte of impliciete kwalificatie. (W. Van Eeckhoutte, "Gezag" in de cassatierechtspraak, NjW. 2005, 5, nr. 9; K. Nevens, De arbeidsrelatie, de zelfstandige en de ondernemer, ICA, Die Keure, 2011, 145; L.Vermeulen, Toepassingsgebied en bijdrageregeling werknemers, TSR 2011/2, 92).

Het ontbreken van een uitdrukkelijke kwalificatie in een schriftelijke arbeids-overeenkomst doet op zich dus geen afbreuk aan het bestaan van een kwalificatie.

4. Van de drie constitutieve bestanddelen in de wettelijke definitie van de arbeidsovereenkomst is de gezagsverhouding of het ondergeschikt verband het distinctief criterium. Het leveren van arbeid tegen betaling van een vergoeding wordt immers ook in andere overeenkomsten aangetroffen.

Het begrip gezag werd door de wet niet nader omschreven. De rechtspraak heeft het nader ingevuld.

Volgens het Hof van Cassatie bestaat een gezagsverhouding zodra iemand in feite toezicht kan uitoefenen op de handelingen van een ander persoon (Cass., 10 september 2001, Arr. Cass. 2001, 1416; Cass., 23 juni 1997, JTT 1997, 335; Cass., 9 januari 1995, Arr. Cass. 95, 27; Cass., 14 november 1994, JTT 1995, 68). Dit betekent dat uit de feitelijke gegevens blijkt dat iemand de bevoegdheid heeft gezag uit te oefenen over andermans handelen (W.Van Eeckhoutte, Gezag in de cassatierechtspraak, NjW 2005, p. 5). Het volstaat dat de werkgever de juridische mogelijkheid heeft om gezag uit te oefenen(Cass., 3 november 1997, Arr.Cass. 97,441; Cass., 8 mei 1978, TSR 1978, 409; Cass., 13 juni 1968, Arr. Cass. 1968, 1239; Cass., 6 juni 1968, Arr. Cass. 1969, 1209).

Betreffende de gegevens die aangevoerd worden om het bestaan van een gezagsrelatie te staven, is het de taak van de rechter om na te gaan of deze gegevens een toepassing of de mogelijkheid tot toepassing van gezag op de uitvoering van de arbeid zoals in een arbeidsovereenkomst aantonen, die onverenigbaar is met de loutere uitvoering van controle en het geven van instructies in het kader van een overeenkomst voor zelfstandige arbeid (Cass. 6 december 2010, S.10.0073.N, www.juridat.be).

5. Het bekleden van een mandaat van bestuurder van een naamloze vennootschap sluit de uitoefening van een andere functie onder het gezag van een orgaan of een aangestelde van de vennootschap niet uit. Een bestuurder van een naamloze vennootschap kan het dagelijks bestuur waarnemen onder het gezag van een orgaan van de vennootschap (Cass. 28 mei 1984, AR 4354 en 4355 met conclusie Openbaar Ministerie in De grote arresten van het Hof van Cassatie in sociale zaken (ed. W. Van Eeckhoutte, Maklu 1996, p. 79 en volg., arresten 11 en 12).

De bestuurder van een naamloze vennootschap die met het dagelijks bestuur is belast, is verbonden door een arbeidsovereenkomst, wanneer hij het dagelijks bestuur waarneemt onder het gezag van een orgaan, van een andere bestuurder of van een aangestelde van de vennootschap (Cass. AR 6156, 30 mei 1988, Arr.Cass. 1987-88, 1260; Bull. 1988, 1169; JTT 1989, 126, noot; Pas. 1988, I, 1169; RW 1988-89, 539; TBH 1989, 156; TSR 1988, 293.).

6. Uit het memorandum van 1 november 1985 volgt dat Exel de werkverhouding van de heer L. gekwalificeerd heeft als een arbeidsovereenkomst. Ze bepaalde daarin de arbeidsvoorwaarden, het loon, met dertiende maand en dubbel vakantiegeld.

Bijkomend werd hij bij de oprichting van de vennootschap op 16 december 1985 benoemd tot bestuurder. In de bijlage bij het B.S. van 24 juli 2001 wordt melding gemaakt van zijn herbenoeming door de Raad van Bestuur als gedelegeerd bestuurder.

Daaropvolgend werden gedurende 17 jaar loonfiches opgemaakt met afhouding sociale zekerheidsbijdragen werknemers, zodat kan aangenomen worden dat de arbeidsovereenkomst gedurende gans die tijd bestendigd werd.

Op deze loonfiche duidt Exel de heer L. aan als bediende; hij ontving gedurende gans zijn tewerkstelling individuele rekeningen en fiscale fiches 281.10; hij staat opgeschreven in het personeelsregister en was aangesloten bij de groepsverzekering, waar de patronale bijdrage wordt omschreven als ‘deel werkgever'.

Er was dus zonder enige twijfel een kwalificatie in de zin van een arbeids-overeenkomst.

Exel brengt geen afdoende elementen aan die deze kwalificatie uitsluiten.

Uit wat gezegd werd in randnummer 5 volgt immers dat een afgevaardigd bestuurder deze functie kan waarnemen onder het gezag van een orgaan, van een andere bestuurder of ook van een aangestelde van de vennootschap.

Uit de discussies over de herstructurering blijkt duidelijk dat de heer L. geen autonome zeggenschap had maar dat hij hiërarchisch verantwoording verschuldigd was aan zijn oversten

De heer L. noemt de personen aan wie hij ondergeschikt was.

Exel betwist weliswaar deze opgave, maar ze schrijft in de feitenweergave op p. 3 van haar syntheseconclusie van 28 november 2011 zelf: Hoewel hij daarvan niets liet merken aan zijn oversten, kon de heer L. niet verkroppen dat hij niet langer alle touwtjes in handen had in België. (onderlijning toegevoegd)

De heer B. D., die de heer L. opvolgde na diens ontslag, verklaart in het strafdossier: Bij de interne organisatie kreeg T. L. een functie als Road Freight Manager Europa, onder S. G., met als waarschijnlijke uitvalsbasis...(onderlijning toegevoegd) PV 103142/2006 van 26 april 2006).

Het feit dat de heer L. nog tot einde 2002 zijn vorige functie zou blijven uitoefenen en dat hij pas nadien onder de heer Groenenboom zou komen, doet niets af aan de bevestiging dat de heer L. zijn functie onder een overste diende uit te voeren, zodat de kwalificatie van bediende niet uitgesloten wordt door tegengestelde elementen.

De bewering van Exel dat de voorgenomen inschakeling van de heer L. in Exel Freight Road Services niet binnen de activiteiten van de NV zou vallen, is ongeloofwaardig, omdat de heer D. dit juist als nieuwe functie binnen de reorganisatie aanduidde (PV 103142/2006 van 26 april 2006) en de heer L. op 23 juli 2002 zich bereid verklaarde deze functie op te nemen in het kader van de continuïteit (stuk 11 L.).

De onderhandelingen over de reorganisatie verwijzen naar en gaan uit van de tot dan toe bestaande situatie en hieruit kan afgeleid worden dat Exel alleszins de mogelijkheid had om over hem gezag uit te oefenen en dat hij hiërarchisch gecontroleerd werd.

Ook de overige beweringen van Exel kunnen hieraan geen afbreuk doen.

Het bestreden vonnis dient te worden bevestigd en het hoger beroep is op dit punt ongegrond.

De dringende reden.

De tijdigheid en de drie werkdagentermijn.

7. Op grond van artikel 35, 3° lid van de arbeidsovereenkomstenwet mag een ontslag om dringende reden niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept.

De termijn van 3 werkdagen begint te lopen vanaf het ogenblik waarop de partij die ontslag betekent, voldoende kennis heeft van de feiten (Cassatie, 23 mei 1973, JTT 1973, 212 en Cassatie, 11 januari 1993, JTT 1993, 58).

Alleen de dringende reden waarvan kennis is gegeven binnen de drie werkdagen na het ontslag kan worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het ontslag zonder opzegging of vóór het verstrijken van de termijn (art. 35, vierde lid arbeidsovereenkomstenwet).

Op grond van artikel 35 achtste lid van de arbeidsovereenkomstenwet moet de partij die een dringende reden inroept bewijzen dat zij de termijn van artikel 35 derde lid en vierde lid geëerbiedigd heeft.

Wanneer het arbeidsgerecht de tijdigheid van het ontslag om dringende redenen moet beoordelen, dient het alleen te onderzoeken of de aangevoerde kennis van het feit niet meer dan drie werkdagen bestond en doet het daarbij nog geen uitspraak over het bestaan van de feiten en het zwaarwichtig karakter ervan (cfr. Cassatie, 19 maart 2001, JTT 2001, 249).

8. Uit de ontslagbrief blijkt dat de Raad van Bestuur kennis had van de verweten feiten op 26 juli 2002 en dit tijdstip wordt door de heer L. aanvaard.

Aldus werd het ontslag gegeven binnen de drie werkdagen op 30 juli 2002, zondag 28 juli een zondag en dus geen werkdag zijnde. De kennisgeving van de motieven gebeurde ook op 30 juli 2002, zodat het ontslag om dringende reden tijdig werd gegeven.

De nauwkeurige formulering van de dringende reden.

9. De dringende reden ter verantwoording van het ontslag op staande voet moet in de kennisgeving zodanig worden uitgedrukt dat daardoor, enerzijds, de ontslagen partij op de hoogte wordt gebracht van de haar verweten feiten en zich hierop kan verdedigen, en anderzijds de rechter het ernstig karakter van de aangevoerde reden kan beoordelen en kan nagaan of het dezelfde is als die welke voor hem wordt ingeroepen (Cass., 24 maart 1980, Arr Cass, 1979-80, 912, Bull. 1980, 900, Pas., 1980, I, 900; Cass., 27 februari 1978, Arr. Cass., 1978, 757, Pas., 1978, I, 737, R.W. 1978-79, 331, JTT 1979, 43; Cass., 21 juni 1976, Pas., 1976, I, 737, R.W. 1978-79, 331, JTT 1979, 43; Cass., 21 juni 1976, Pas., 1976, I, 1054).

Deze redenen moeten derwijze worden uitgedrukt, dat zowel de andere partij als de rechter in staat worden gesteld de zwaarwichtigheid ervan te beoordelen. De aangetekende brief mag weliswaar worden aangevuld door een verwijzing daarin naar andere gegevens, doch alleen mits het geheel de mogelijkheid biedt om met zekerheid en bepaaldelijk de zwaarwichtige redenen te beoordelen die de opzegging wettigen (Cass., 2 april 1965, Pas. 1965, I, 827; R.W. 1965-66, 333; Cass., 16 december 1970, Arr. Cass. 1971, 393; Pas. 1971, I, 369; T.S.R. 1970, 347; JTT 1971, 53).

10. De verweten feiten bestaan uit het voornemen om staande de arbeidsovereenkomst een luchtvaartafdeling uit te bouwen bij Schenker en hiertoe personeel af te werven.

Het feit dat er geen datum vermeld wordt doet daaraan geen afbreuk. De vermelding van de datum van de feiten is geen strikte vereiste (C. Engels, Ontslag wegens dringende reden, Recht & Praktijk 46, 2006, 205 -206).

De ontslagbrief verwijst naar de heren C. en D., die doorverwijst naar andere medewerkers.

Dergelijke opgave is voldoende precies, omdat de heer L. door de ontslagbrief voldoende op de hoogte was van de reden van zijn ontslag en zich hierop heeft kunnen verdedigen. Ook voor het hof is deze reden voldoende duidelijk.

De grond van de dringende reden en het bewijs ervan.

11. Artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet omschrijft de dringende reden als de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk onmogelijk maakt.

Hieruit volgt dat 3 voorwaarden cumulatief aanwezig moeten zijn:

- er moet een ernstige tekortkoming zijn van de werknemer,

- die elke professionele samenwerking onmogelijk maakt,

- en dit op een bijzondere manier met name onmiddellijk en definitief

Artikel 35 laatste lid van de arbeidsovereenkomstenwet zegt dat de partij die een dringende reden inroept hiervan het bewijs dient te leveren.

Naast het foutief karakter zal de rechter dus tevens de ernst van de tekortkoming dienen te beoordelen (cfr. Mallie J., noot onder Arbh. Brussel, 20.6.1980, T.S.R. 1981,41).

Bij de beoordeling van een dringende reden dient uiteraard rekening te worden gehouden met de omstandigheden eigen aan de zaak. Het feit dat het ontslag om dringende reden rechtvaardigt, is immers het feit met inachtneming van alle omstandigheden die het feit het karakter van een zwaarwichtig motief geven (Cass., 13 december 1982, Arr. Cass., 1982-1983, 504; Cass., 16 juni 1971, JTT 1972, 37; Cass., 23 mei 1973, JTT 1973, 212).

12. Aan de heer L. wordt verweten dat hij de mogelijkheid onderzocht om bij Schenker een concurrerende activiteit uit te bouwen, wat hij besproken heeft met collega's. Hij zou tijdens zijn tewerkstelling bij Exel zodoende actief meegewerkt hebben aan de ontwikkeling van activiteiten van een andere vennootschap, zodat hij in strijd met art. 17,3° arbeidsovereenkomstenwet oneerlijke concurrentie zou gepleegd hebben en tekort gekomen zou zijn aan zijn loyaliteitsverplichting.

Exel verwijst bij de verdere ontwikkeling van de dringende reden in haar syntheseconclusie herhaaldelijk naar gebeurtenissen van na het ontslag. In zoverre de feiten van de ingeroepen dringende reden bewezen zijn, kunnen deze voor de beoordeling van de zwaarwichtigheid als verzwarende omstandigheid in acht genomen worden, maar ze kunnen de eigenlijke dringende reden niet vervangen.

(C. Engels, Ontslag wegens dringende reden, Recht & Praktijk 46, 2006, 78).

Betrokkene betwist de voorstellingswijze van Exel en wijst op de context van onzekerheid omwille van de grondige herstructurering.

13. Ook tijdens de duur van zijn arbeidsovereenkomst geniet de werknemer van de vrijheid van arbeid, zoals deze voortvloeit uit het Decreet D'Allarde van 2-17 maart 1791. Dit geeft hem de vrijheid om naar eigen goeddunken elke handel te drijven of elk beroep, bedrijf of ambacht uit te oefenen.

De hieruit afgeleide concurrentievrijheid (Cass. 12 juli 1917, Pas. 1918, I, 65; Cass. 13 september 1991, RW 1991-92, 882), is echter niet absoluut.

De arbeidsovereenkomstenwet voorziet in art 65 juncto art. 86 in de mogelijkheid voor partijen om een concurrentiebeding af te sluiten. Hiervan werd in deze zaak geen gebruik gemaakt, zodat er na het ontslag geen beperking gold voor normale concurrentie.

Niettemin moet rekening gehouden worden met artikel 17,3° AOW, dat bepaalt:

De werknemer is verplicht: ...

3° zowel gedurende de overeenkomst als na het beëindigen daarvan, zich ervan te onthouden:

a) fabrieksgeheimen, zakengeheimen of geheimen in verband met persoonlijke of vertrouwelijke aangelegenheden, waarvan hij in de uitoefening van zijn beroepsarbeid kennis kan hebben, bekend te maken;

b) daden van oneerlijke concurrentie te verrichten of daaraan mede te werken;

Tevens geldt krachtens art. 1734 BW de aanvullende werking van de goede trouw, waaruit een loyaliteitsplicht van de werknemer volgt.

14. Tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst is dus alleszins oneerlijke concurrentie verboden. Bij voorbereiding/daden van eerlijke concurrentie dient een afweging te worden gemaakt met de vrijheid van arbeid.

Zo werd geoordeeld dat de goede trouweis verhindert dat de werknemer tijdens de arbeidsovereenkomst zou optreden voor een concurrent van de werkgever, zelfs al is er van oneerlijke concurrentie geen sprake. Zulke handelwijze kan sanctioneerbaar zijn met een ontslag om dringende reden (A. Van Bever, Confidentialiteit, concurrentie en afwerving op de grens van civiel en arbeidsrecht, Themiscahier nr. 60, die Keure, 2010, 21, nr. 20, vn. 140 en 141).

Bovenvermelde auteur vervolgt:

De loutere voorbereiding, staande de arbeidsrelatie, van enige daad van concurrentie doet echter geen afbreuk aan de loyaliteit van de werknemer. De rechtspraak neemt overwegend aan dat er maar van een dringende reden sprake is in zoverre er effectieve concurrentie voorhanden is. (...) De loutere intentie om de werkgever in de toekomst te beconcurreren(...), het vermoeden dat de werknemer concurrerende activiteiten wil ontplooien (...) of het feit dat de werknemer de opties en de modaliteiten onderzoekt om een concurrerende onderneming op te starten (...), volstaan dus niet. Ook de poging bij de concurrent in dienst te treden (...) of de participatie aan de oprichting van of in een concurrerende vennootschap (...) kunnen een ontslag om dringende reden veelal niet verantwoorden. Anders zou te veel afbreuk gedaan worden aan de principiële vrijheid van arbeid en mededinging van de werknemer. (...)

(A. Van Bever, a.w., p. 23-24, nr 21 met verdere rechtspraak en rechtsleer zoals aangeduid in de voetnoten).

Uit de elementen van het dossier blijkt dat de heer L. in het kader van de commotie rond de herstructurering en de op til zijnde verschuivende functie- en taakinvulling, zich bereid verklaarde om in deze herstructurering zijn plaats in te nemen, maar tevens uitkeek naar andere mogelijkheden en dit aftoetste bij concurrenten en collega's.

De vraag is of hij hierbij zich beperkt heeft tot voorbereidende handelingen vanuit zijn vrijheid van arbeid dan wel of hij de grenzen van de loyaliteit en van art. 17,3° AOW overschreden heeft.

15. Het is heel duidelijk dat er medio 2002 een economische concurrentieoorlog tussen Exel en Schenker ontstaan is.

De verbalisanten, die het strafonderzoek voerden, verklaren hierover:

Uit het grote deel van deze verhoren blijkt dat na deze discussie tussen T. L. en de nieuwe Nederlandse directie van Exel er een tamelijk hard spel zou gespeeld zijn. Degenen die mee wilden werken met de Nederlanders om T. L. in een slecht daglicht te plaatsen, kregen zelfs bevorderingen (zoals o.a. Geert T.); anderen die niet ingingen op de eisen van de Nederlanders (zoals o.a. het ondertekenen van bepaalde verklaringen) vielen in ongenade en moesten zo vlug mogelijk verdwijnen...

De initiële klacht van Exel is grotendeels gebaseerd op een schrijven van de genaamde Y. D.L.. Deze klacht werd echter door betrokkene ten overstaan van T. L.... schriftelijk ingetrokken. Hij zei erbij dat de klacht onder druk van de Nederlandse directie door hem ondertekend werd, waarbij hij ze zelfs niet goed nagelezen had.

Het hof dient deze bevindingen te bevestigen, want naast de verklaring van wijlen de heer D.L.. trok ook de .Heer t T. zijn verklaringen in. Betrokkene verklaart aan de verbalisanten: Er wordt op zulke momenten veel verteld door allerlei partijen, doch wat er juist van aan is, weet eigenlijk niemand. (PV 103959 van 24 mei 2006)

Mevrouw I. verklaart: Vanaf die datum (eind juli 2002) heeft B. D. mij herhaaldelijk gevraagd om een valse verklaring tegen T. L. te ondertekenen. Hij wou me laten zeggen dat ik wist dat T. de firma wou ondermijnen, klanten en personeel wegnemen. ... B. D. heeft me toen letterlijk gezegd; "indien jij deze verklaring tekent, blijft alles zoals het is, teken je niet dan zullen we je afdanken...

Het hof kan in die omstandigheden geen rekening houden met de door partijen aangebrachte schriftelijke verklaringen; ze voldoen niet aan het vereiste van voldoende geloofwaardigheid en noodzakelijke objectiviteit.

Alle betrokkenen werden omstandig en op serene wijze ondervraagd in het strafdossier. De onderzoeksrechter heeft middels huiszoekingen bij Schenker Brucargo (2 adressen), Schenker Antwerpen, de heer L. en mevrouw V. thuis en op hun later opgerichte firma Crosstainer alle beschikbare digitale en papieren informatie in beslag genomen en nagezien, zodat op basis van dit strafdossier de realiteit van het gebeurde kan worden getoetst.

Terecht laat Exel gelden dat een beschikking van buitenvervolgingstelling geen gezag van gewijsde heeft, maar dat neemt niet weg dat het hof de in het kader van het strafdossier afgelegde verklaringen kan hanteren bij het weerhouden van bewezen feiten. Overigens betwist Exel de objectiviteit van het strafonderzoek niet en brengt ze evenmin bijkomende elementen aan, die zouden moeten in acht genomen worden of die van aard zouden kunnen zijn het strafonderzoek te heropenen.

In de mate het strafdossier voldoende klaarheid geeft, wat het geval is, is het niet nodig gevolg te geven aan het getuigenaanbod van Exel.

16. De huiszoekingen op alle beschikbare adressen hebben niet aangetoond dat de heer L. voor 30 juli 2002 tijdens zijn tewerkstelling bij Exel zou opgetreden zijn voor enige concurrent of voor Schenker in het bijzonder.

De heer L. heeft in het PV 101340/2006 van 18 februari 2006 toelichting gegeven bij alle gegevens die in beslag genomen werden. Het betroffen stukken die grotendeels gedateerd waren na het ontslag (2005-06); de stukken die te maken hadden met zijn tewerkstelling bij Exel, betroffen de voorbereiding van huidige procedure en de procedure die Exel ingeleid heeft bij de rechtbank van koophandel en die verzonden werd naar de arbeidsrechtbank.

Over het op vraag van Exel opgestelde rapport van Ernst & Young, zegt hij: Het rapport komt tot het besluit dat ik bij Exel niet bezig was met andere activiteiten voorafgaandelijk aan mijn ontslag bij Exel.

17. Niettemin ziet Exel in de bijeenkomst van 26 juli 2002 bij mevrouw I. een bewijs van een deloyale concurrerende opstelling in hoofde van de heer L..

In de betwisting die mevrouw I. in verband met haar ontslag tot bij het arbeidshof

heeft gevoerd, heeft het arbeidshof te Brussel gezegd:

Dat werknemers van een onderneming op vriendschappelijke voet met elkaar omgaan en elkaar ook buiten de onderneming treffen is een normale zaak. Dat Mevrouw I. thuis een aantal collega's ontving is een privé-aangelegenheid die haar niet kan worden verweten. Het Hof meent dat geenszins vaststaat dat het een bijeenkomst betrof die bedoeld was om plannen te smeden tegen Exel.

Dat werknemers van een bedrijf in herstructurering waar grote onduidelijkheid heerst en waar jobs dreigen te verdwijnen daarover met elkaar praten en zelfs overwegen om bij een ander bedrijf aan het werk te gaan is begrijpelijk. Het blijkt niet dat Mevrouw I. zich niet loyaal zou hebben gedragen t.o.v. haar werkgever en andere werknemers zou hebben aangezet om Exel Freight te verlaten om bij Schenker in dienst te treden. Dat er ten slotte een dertigtal werknemers het bedrijf verlieten om elders te gaan werken houdt mogelijks verband met de aan de gang zijnde herstructurering. Het is best mogelijk dat zij daartoe werden aangezet door de Heer L., maar het staat geenszins vast dat Mevrouw I. daarin enige verantwoordelijkheid zou hebben gehad. (Arbh. Brussel 7 maart 2006, Exel/I., AR 45.559, 7de blad)

De heer G T. en mevrouw B. I. waren aanwezig op deze samenkomst.

De heer T. werd ondervraagd over de door hem opgestelde namenlijst van personen, die in aanmerking konden komen om naar Schenker te gaan:

Er was niet echt een plan als dusdanig, doch T. L. was niet meer gelukkig bij Exel en zag er geen toekomst meer voor zichzelf. Aangezien hij algemeen aanzien werd als een leidende figuur waren op dat moment veel mensen aan het twijfelen om Exel ook te verlaten.

Ter plaatse bij B. I. is dan ook een lijst opgesteld, grotendeels door mij, met de hand geschreven, van potentiële mensen welke de overstap mee zouden kunnen doen.

...

T. L. heeft mij effectief nooit onder druk gezet om hem te vergezellen naar Schenker. (onderlijningen toegevoegd).(PV 103959 van 24 mei 2006)

Mevrouw I. bevestigt dat ze een kaas- en wijnavond had georganiseerd ter gelegenheid van de terugkeer van haar echtgenoot uit het hospitaal.

Er is die avond gefilosofeerd over de toekomst van Exel. T. heeft bevestigd dat hij niet gelukkig was met zijn nieuwe job binnen Exel. De lijst waarvan sprake...werd opgesteld door Geert T.. (PV 104795/2006)

Mevrouw I. is na het ontslag van de heer L. bij Exel blijven werken tot ze zelf werd ontslagen. Ze ging pas in oktober 2002 bij Schenker werken.

De heer L. zegt dat hij op dat ogenblik nog niets definitiefs beslist had over een mogelijke overstap naar Schenker, wat kan verklaren waarom de heer T. bevestigt dat er niet echt een plan aldus danig was en mevrouw I spreekt over gefilosofeer.

De heer L. verwijst naar zijn e-mail van 23 juli 2002 met zijn kandidatuur voor een directiefunctie bij Exel in de sectoren zee- en vrachtvervoer.

Na zijn ontslag schreef hij zich in als werkzoekende bij VDAB en solliciteerde hij bij Schenker, United Airlines, Yusen Air & Sea Belgium, UPS Freight Services. Uiteindelijk werd hij per 1 september 2002 aangeworven door Schenker.

Op 30 juli 2002 was er dus geen operationeel plan voor een overgang naar Schenker, doch werd er enkel maar over van gedachten gewisseld.

Anders dan deze betrokkenen zag de heer C. in deze vergadering en in het bestaan van de door T. opgestelde lijst wel een plan, uitgaande van L., omdat hij naar zijn zeggen door hem was aangesproken over een mogelijke overstap naar Schenker. PV 103024/2006 van 24 april 2006.

L. dan weer zegt dat de heer C. zijn toenmalige beste vriend was, die hij in vertrouwen gesproken heeft over de optie Schenker.

Alleszins heeft de heer C. voor zichzelf deze optie van de hand gewezen en dit ook meegedeeld aan de heer L..

Wat er ook van zij, de toenmalige vrienden zijn door de concurrentieoorlog nadien opponenten geworden, zodat de verschillende interpretaties in hun verklaringen niet toelaten om deze als 100% objectief en vaststaand te weerhouden. Anderzijds is de heer C. in dienst gebleven en uit de toelichting van de verbalisanten weten we dat de onderneming een hard spel speelde met de bedoeling de heer L. in een slecht daglicht te stellen. Hierbij werd dreiging met ontslag niet geschuwd als drukkingmiddel. (zie randnummer 15)

De heer S. heeft na het ontslag van de heer L. geen contact meer met hem opgenomen, maar is pas na zijn ontslag op 15 november 2002 via de heer Dw bij Schenker in dienst gekomen. - PV 104853/2006 van 23 juni 2006

Mevrouw Ts solliciteerde bij Schenker maar werd niet onmiddellijk aangeworven; later trad ze er in dienst. Ook hier was er geen verband met een voorafgaand plan dat voor het ontslag van de heer L. zou zijn uitgewerkt. - PV 105087/2006 van 1 juli 2007

Mevrouw V. is de partner van de heer L. en ging na haar ontslag over naar Schenker. - PV 105405/2006 van 15 juli 2007

Uit dit alles volgt dat de heer L. op 30 juli 2002 in het kader van de onzekerheid door de herstructurering speelde met de optie Schenker, in het kader waarvan hij voorbereidende contacten had en waarover informeel werd gesproken met o.m. zijn toenmalige vriend C. en op het feestje bij I..

Op dat ogenblik was er geen enkel concreet of reëel samenwerkingsverband tussen Schenker en de heer L., zodat hij geen stappen kon zetten tot afwerving van personeel ten voordele van Schenker. Er gebeurden geen daden van concurrentie, enkel stelde de heer L. voorbereidende handelingen om de mogelijkheid na te gaan van realistische alternatieven, wanneer de onderhandelingen over zijn behoud binnen Exel zouden mislukken.

Uit niets blijkt dat er op dat moment een plan tot systematische afwerving van personeel van Exel naar Schenker zou hebben bestaan. De lijst van personeelsleden die op het feestje bij I. ter tafel kwam, betrof enkel potentiële personeelsleden die ontevreden waren en mogelijk naar een alternatief uitzagen. Deze lijst blijkt echter niet van de hand van de heer L. te zijn, maar werd grotendeels opgesteld door T..

Het overgaan van personeelsleden naar Schenker gebeurde later en was het gevolg van de concurrentieoorlog, waarbij Exel tot ontslag overging - of hierop aanstuurde - van die medewerkers die zich niet van L. afkeerden.

De voorbereidende prospectie naar mogelijk ander werk was aan de heer L. toegelaten. Er worden geen concrete voorbeelden van effectieve concurrerende daden tijdens de tewerkstelling bewezen.

18. Hierbij moet nog worden nagegaan of de heer L. een inbreuk op art 17,3° AOW kan worden ten laste gelegd in de zin van het doorgeven van zakengeheimen of andere vertrouwelijke aangelegenheden en of hij zou hebben meegewerkt aan oneerlijke concurrentie.

De heer C. suggereert dit vanuit de centrale positie die de heer L. ten overstaan van zijn medewerkers innam, maar hij dient op het einde van zijn verklaring toe te geven: Ik heb hier echter geen concrete bewijzen van. PV103024/2006 van 24 april 2006.

Ook de opvolger van de heer L. bij Exel, de heer B. D. verklaart:Wat betreft de gerechtelijke inbreuken welke ten laste van T. L. worden gelegd, kan ik u geen materiële elementen bezorgen. PV 103142/2006 van 26 april 2006.

De heer L. Dw van Schenker verklaart: Ik heb geen enkele weet van interne documenten van Exel welke eventueel door T. L. of één of meerdere van de door hem aangeworven medewerkers zouden kunnen meegenomen zijn. Ik heb integendeel hierop voorafgaandelijk aan de aanwerving van zowel T. L. als de andere personeelsleden een formeel verbod op ingesteld. (Onderlijning toegevoegd. PV 102892 van 19 april 2006).

De personeelsleden:

- G. T. - laatste vraag verhoor

- I. B. - voorlaatste vraag verhoor

- P. S. - derde laatste en voorlaatste vraag verhoor

- D.L.. Y. - corrigerende verklaring t.a.v. mevr. Timmermans

- Ts J.- tweede vraag en laatste vraag

- V. M. - tweede en laatste vraag

spreken allen met klem tegen dat er gevoelige gegevens van Exel aan Schenker zouden zijn doorgegeven.

Ook de huiszoekingen zijn wat dit betreft negatief.

Er kunnen dan ook geen schendingen van de loyaliteitsplicht en/of van art. 17,3° AOW tijdens de tewerkstelling van de . L. bij Exel weerhouden worden.

De feiten die tijdens de procedure bijkomend naar voor worden gebracht en die betrekking hebben op de periode na het ontslag, dienen dus niet verder te worden onderzocht. Ze kunnen niet in aanmerking komen als verzwarende omstandigheden daar de ingeroepen feiten niet weerhouden worden.

19. Uit dit alles vloeit voort dat de dringende reden niet kan worden aanvaard.

Terecht maakt de heer L. dan ook aanspraak op de door hem gevorderde opzeggingsvergoeding, waarvan de begroting en de becijfering niet wordt betwist.

De door Exel geformuleerde tegeneis is wegens het ontbreken van fout en aantoonbare schade ongegrond.

Overige vorderingen met uitzondering van vakantiegeld op patronale bijdrage groepsverzekering

20. De overige vorderingen, met uitzondering van het vakantiegeld einde dienst en het vakantiegeld op patronale bijdrage groepsverzekering zijn door het niet weerhouden van de dringende reden eveneens gegrond.

Exel betwist deze enkel omdat de heer L. niet tewerkgesteld zou zijn krachtens een arbeidsovereenkomst. Dit standpunt werd in randnummer 6 verworpen.

De becijfering van deze vorderingen wordt niet betwist.

21. Exel toont niet aan dat ze aan de heer L. vakantiegeld einde dienst betaald heeft. Ook hier betwist ze de becijfering van de heer L. niet.

22. Terecht zegt Exel dat de intresten slechts op netto kunnen worden aangerekend.

Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van ondernemingen bepaalt dat de rente ingevolge de loonbeschermingswet berekend wordt op het loon vooraleer de in artikel 23 van deze wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht, maar deze bepaling kon volgens artikel 90 § 1 van de wet van 26 juni 2002 slechts in werking treden op een door de Koning te bepalen datum, wat gebeurde door de artikelen 1 en 2 van het K.B. van 3 juli 2005 (inwerkingtreding op 1 juli 2005 op de lonen waarvan de betaling inging vanaf die datum).

Door de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008) werd het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 bekrachtigd.

Hieruit volgt dat de intresten op de toegekende loonbedragen dienen berekend te worden op de nettobedragen, daar de tewerkstelling beëindigd werd op 30 juli 2002 zijnde voor 1 juli 2005. De vakantiegelden vallen niet onder de loonbeschermingswet,

maar ook hier kunnen slechts verwijlsintresten op nettobedragen worden toegekend..

23. Tevens dienen de gewijzigde sociale en fiscale documenten te worden afgeleverd, maar er worden geen concrete elementen voorgebracht om deze veroordeling op te leggen onder verbeurte van een dwangsom.

Vakantiegeld op patronale bijdrage groepsverzekering

24. De eerste rechter heeft de vordering tot betaling van schadevergoeding wegens het niet betalen van vakantiegeld op patronale bijdrage groepsverzekering verworpen omwille van het ontbreken van het moreel element van het ingeroepen misdrijf.

In de zaak Exel/I. oordeelde het arbeidshof:

Het Hof deelt de zienswijze van de Arbeidsrechtbank dat de bestaande rechtsonzekerheid in deze materie een rechtvaardigingsgrond uitmaakt in hoofde van de vennootschap die voor gevolg heeft dat er geen misdrijf kan worden vastgesteld bij gebreke aan moreel bestanddeel.

Gelet op de bestaande rechtsonzekerheid met betrekking tot het loon dat als grondslag dient voor de berekening van het vakantiegeld werd bij KB van

18-2-2003, verschenen in het Belgisch Staatsblad van 6-3-2003 en in werking getreden op 16-3-2003, in het uitvoeringsbesluit van de jaarlijkse vakantiewet van 30-3-‘67 een artikel 38 bis ingevoegd. Dit bepaalt dat de loonvoordelen die niet aan sociale zekerheidsbijdragen zijn onderworpen niet in aanmerking komen voor de berekening van het vakantiegeld voor bedienden.

Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat deze bepaling een interpretatieve rechtsregel is die de verduidelijking beoogde van de bestaande onzekere reglementering wat de berekeningsbasis voor het vakantiegeld van de bedienden betrof om de rechtszekerheid te waarborgen en dat de rechters er overeenkomstig artikel 7 Gerechtelijk Wetboek toe gehouden zijn zich naar een interpretatieve rechtsregel te gedragen in alle zaken waarin het rechtspunt niet definitief is berecht op het tijdstip waarop die regel bindend wordt (Cass.26-9-2005 Rolnummer S040163N).

In hetzelfde arrest oordeelde het Hof van Cassatie dat voor het overige bij gebreke aan andersluidende omschrijving het algemeen arbeidsrechtelijk loonbegrip in aanmerking diende te worden genomen, zodat met de term brutowedde in de artikels 38,2° en 46 van het Uitvoeringsbesluit Jaarlijkse Vakantie is bedoeld, elk voordeel toegekend door de werkgever als tegenprestatie voor de arbeid verricht ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst, behoudens indien dit voordeel niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de sociale zekerheidsbijdragen.

De controverse bleef woeden met betrekking tot de financiering van aanvullende sociale zekerheidsvoordelen tot het KB van 27-4-2004 volledige klaarheid bracht.

(Vgl. Arbh. Antwerpen, 13 februari 2007, Soc. Kron, 304).

Het hof sluit zich bij deze motivering aan, zodat de beoordeling van de eerste rechter dient te worden bevestigd. Het moreel element van het ingeroepen misdrijf is niet aangetoond, zodat de vordering in betaling van schadevergoeding ongegrond is.

Het incidenteel beroep is ongegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk, doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden tussenvonnis van 7 mei 2004,

Gelet op de devolutieve kracht van het hoger beroep, trekt de zaak aan zich en

verklaart de hoofdvordering ontvankelijk en in volgende mate gegrond;

Veroordeelt de NV DHL Global Forwarding Belgium tot betaling aan de heer L. T. van volgende bedragen:

- een opzeggingsvergoeding van euro 233.940

- vakantiegeld einde dienst van euro 16.058,42

- een pro rata dertiende maand van euro 3.270,91

- vakantiegeld hierop van euro 501,76

- feestdagenloon van euro 267,01

- vakantiegeld hierop van euro 40,96

te vermeerderen met de wettelijke intresten, en de verwijlsintresten op de vakantiegelden vanaf de vervaldata, de gerechtelijke intresten, telkens te berekenen op de nettobedragen,

Veroordeelt de NV DHL Global Forwarding Belgium tot afgifte aan de heer L. T. van de verbeterde sociale en fiscale documenten, zoals loonfiche, individuele rekening, fiscale fiche, vakantieattesten, tewerkstellingsattest, C4 formulier.

Wijst al het meergevorderde af.

Verklaart de tegeneis ontvankelijk, maar ongegrond.

Veroordeelt de NV DHL Global Forwarding Belgium tot betaling van de gerechtskosten van beide aanleggen, deze aan de zijde van de heer L. begroot op:

Dagvaarding euro 127,09

Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 7.700,00

Rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 7.700,00

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Christian LAURIERS, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Hugo ENGELEN, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Christian LAURIERS, Hugo ENGELEN.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 30 maart 2012 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Vrije woorden

  • Arbeidsovereenkomsten

  • algemene regelingen

  • Kwalificatie arbeidsovereenkomst afgevaardigde bestuurder