- Arrest van 5 april 2012

05/04/2012 - 2011/AB/632

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De vordering van de werknemer tegen de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, waarbij hij

een beslissing tot terugvordering van genoten uitkeringen voor loopbaanonderbreking betwist,

valt onder toepassing van art. 580,2° van het Gerechtelijk Wetboek en kan derhalve ingeleid

worden bij een verzoekschrift in de zin van artikel 704 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek. De

omstandigheid dat artikel 582,5 ° de arbeidsrechtbanken in een afzonderlijke bepaling

bevoegd maakt voor het geheel van de geschillen betreffende afdeling 5 van hoofdstuk IV van

de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, en de vorderingen gesteund

op dit artikel moeten ingeleid worden bij dagvaarding of tegensprekelijk verzoekschrift, doet

daaraan geen afbreuk.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 5 APRIL 2012

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - werkloosheid

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 2°, Ger. W.)

in de zaak:

RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, met zetel te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan, 7, appellant, vertegenwoordigd door mr. DE KERPEL S. loco mr. SWENNEN Remi, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30,

tegen:

G. T.

geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. VERMAERE Karen, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Oudeleeuwenrui 19.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 06-06-2011 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 30e kamer (A.R. 09/5428/A en 09/9892/A),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 7 juli 2011,

- de neergelegde conclusies,

- de voorgelegde stukken,

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 21 februari 2012 door advocaat-generaal J.-J. ANDRÉ,

- de repliek op dit schriftelijk advies, neergelegd ter griffie op 8 maart 2012 door de partij G. .

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 16 februari 2012, waarna de debatten werden gesloten. Het openbaar ministerie heeft op 21 februari 2012 zijn schriftelijk advies ter griffie van dit arbeidshof neergelegd. De termijn om een repliekconclusie op dat schriftelijk advies ter griffie neer te leggen verstreek op 8 maart 2012, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De heer G. is op 1 april 1992 in dienst getreden van de NV DEME als hoofd van de juridische dienst. Vanaf 1 september 1993 vervulde hij de functie van General Counsel bij de nv DEME Coördination Center, behorende tot dezelfde economische groep DEME. In april 1993 werd de heer G. benoemd als bestuurder bij de NV M.D.C.C. Insurance Brooker. Deze maatschappij maakte eveneens deel uit van de DEME groep.Het ging om een onbezoldigd mandaat.

Vanaf 1 september 2002 heeft de heer G. een gedeeltelijke loopbaanonderbreking aangevraagd voor 1/5e van zijn tewerkstelling. Vanaf 1 juni 2007 nam hij loopbaanonderbreking ten belope van 1/2e van zijn tewerkstelling. Op 1 juli 2008 ging hij met pensioen. Aan zijn bestuurdersmandaat werd een einde gesteld in de loop van de maand april 2008.

De heer G. genoot uitkeringen voor loopbaanonderbreking vanaf 1 september 2002.

2.

Bij beslissing van 20 januari 2009 van de Gewestelijke Directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werd aan de heer G. medegedeeld dat hij geen recht had op onderbrekingsuitkeringen omdat hij, tijdens zijn loopbaanonderbreking, een zelfstandige activiteit had uitgeoefend, met name een mandaat als beheerder in een vennootschap. Rekening houdend met de regels inzake de verjaring werd het recht op onderbrekingsuitkeringen ontzegd vanaf 1 april 2006 tot 25 april 2008.

Bij beslissing van 28 april 2009 werd het bedrag van de ten onrechte genoten onderbrekingsuitkeringen, die de heer G. diende terug te betalen, vastgesteld op 7.800,8 euro .

3.

Bij verzoekschriften van 9 april 2009 en 27 juli 2009 heeft de heer G. beide beslissingen betwist voor de arbeidsrechtbank te Brussel.

Bij vonnis van 6 juni 2011, ter kennis van de RVA gebracht op 16 juni 2011, heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de beide vorderingen samengevoegd en heeft zij de beide vorderingen gegrond verklaard. De administratieve beslissingen van 20 januari 2009 en 28 april 2009 werden vernietigd.

4.

Bij verzoekschrift van 7 juli 2011 heeft de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing en is aldus tijdig. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1. De ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vorderingen.

1.

De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening betwist in zijn motivering blijkbaar de ontvankelijkheid van de ingestelde beroepen voor de arbeidsrechtbank in zoverre deze werd ingeleid met een verzoekschrift overeenkomstig artikel 704 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek, terwijl de vordering had dienen ingeleid te worden, hetzij bij dagvaarding hetzij met een verzoekschrift op tegenspraak, overeenkomstig de bepalingen van artikel 704 § 1 en artikel 1034 bis e.v. van het Gerechtelijk Wetboek. Hij stelt dat, in tegenstelling met hetgeen de eerste rechter oordeelde, het geschil niet onder toepassing valt van artikel 580,2° van het Gerechtelijk Wetboek, maar wel onder toepassing van artikel 582,5°, waarnaar artikel 704 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek niet verwijst.

2.

Overeenkomstig artikel 704 § 1 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen voor de arbeidsrechtbanken de hoofdvorderingen ingeleid worden bij verzoekschrift op tegenspraak, overeenkomstig de bepalingen van artikel1034 bis tot 1034 sexies van het Gerechtelijk Wetboek

Overeenkomstig artikel 704 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek worden in de zaken, opgesomd in onder meer art. 580, 1° en 2° van hetzelfde wetboek, de vorderingen ingeleid bij verzoekschrift dat op de griffie van de arbeidsrechtbank neergelegd wordt of bij aangetekende brief wordt verzonden. De partijen worden door de griffie opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt.

3.

De neergelegde verzoekschriften zijn, volgens de betiteling verzoekschriften op tegenspraak in de zin van artikel 1034 bis en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Zij beantwoorden ook aan de verschillende vormvereisten van artikel 1034 ter van het Gerechtelijk Wetboek. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening duidt niet aan welke nietigheid aan de ingeleide verzoekschriften hun rechtsgeldigheid zou ontnemen. Verder duidt zij niet welke schade zij zou geleden hebben door een mogelijke nietigheid, waarop in de regel art. 861 van het Gerechtelijk Wetboek toepassing vindt.

Ten overvloede kan daaraan het volgende toegevoegd worden.

Overeenkomstig artikel 580,2° van het Gerechtelijk Wetboek neemt de arbeidsrechtbank kennis van de geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van werknemers en hun rechtverkrijgenden, welke voortvloeien uit de wetten en verordeningen bedoeld onder artikel 580,1°. Onder deze laatste bepaling zijn onder meer opgenomen de geschillen betreffende de verplichtingen van de werkgevers opgelegd door de wetgeving inzake werkloosheid.

Uit de bepalingen van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven en van het uitvoeringsbesluit van 12 december 2001 tot uitvoering van deze wet blijkt dat de door deze bepalingen voorziene onderbrekingsuitkeringen aangevraagd dienen te worden bij en uitbetaald worden door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, en dat de Gewestelijk Directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening toezicht houdt op de uitvoering van de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 12 december 2001. De vordering waarbij een beslissing betwist wordt van de Gewestelijk Directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, waarbij de onderbrekingsuitkeringen worden teruggevorderd, dient dan ook beschouwd te worden als een geschil betreffende de rechten en verplichtingen van de werknemers inzake werkloosheid. Deze betwistingen kunnen derhalve worden ingeleid overeenkomstig artikel 704 § 2 van het Gerechtelijk Wetboek. De omstandigheid dat artikel 582,5 ° de arbeidsrechtbanken in een afzonderlijke bepaling bevoegd maakt voor het geheel van de geschillen betreffende afdeling 5 van hoofdstuk IV van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, en derhalve voor de verplichtingen van de wet van 10 augustus 2001, die deze wet aanvult en wijzigt, belet niet dat het geschil, dat in onderhavige procedure werd ingeleid en slechts één van de geschillen is die in het kader van de wet van 22 januari 1985 kunnen ontstaat, eveneens onder het toepassingsgebied valt van artikel 580, 2° van het Gerechtelijk Wetboek en derhalve kan ingeleid worden op de wijze voorzien door artikel 704 § 2 van dit wetboek.

II. De gegrondheid van de vorderingen.

1.

De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening verwijst naar artikel 7 § 2, 3° van het Koninklijk Besluit van 12 december 2001 tot uitvoering van hoofdstuk 4 van de wet van 10 augustus 2001 betreffende het stelsel van tijdskredieten en loopbaanvermindering, dat bepaalt dat de onderbrekingsuitkeringen niet kunnen gecumuleerd worden met de uitoefening van een bijkomende zelfstandige activiteit. Een bijkomende zelfstandige activiteit wordt daarbij gedefinieerd als deze activiteit waardoor, volgens de ter zake geldende reglementering, de betrokken persoon verplicht is zich in te schrijven bij het Rijksinstituut voor Sociale verzekeringen der Zelfstandigen. De inschrijvingsplicht in het sociaal statuut geldt volgens de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, en dit in tegenstelling met hetgeen de eerste rechter oordeelde, eveneens voor niet bezoldigde mandatarissen en ongeacht of er bijdragen worden betaald en of dat er al dan niet inkomsten zijn uit deze activiteit.

In ondergeschikte orde stelt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dat, indien zou aangenomen worden dat de heer G. het wettelijk vermoeden, dat hij als mandataris van een vennootschap onderworpen is aan het sociaal statuut van de zelfstandigen kan weerleggen door aan te tonen dat hij geen activiteit als zelfstandige uitoefende, dit tegenbewijs niet geleverd wordt.

De heer G. verwijst hoofdzakelijk naar het arrest van het Arbitragehof van 3 november 2004, waarin gesteld wordt dat in zoverre artikel 3 § 1, al. 4 van het Koninklijk Besluit nr. 38 een onweerlegbaar vermoeden instelt van een zelfstandige activiteit, dit artikel strijdig is met de grondwettelijke beginselen inzake de gelijkheid tussen de burgers.

2.

Overeenkomstig art. 7 § 2, 3° van het Koninklijk Besluit van 12 december 2001 tot uitvoering van hoofdstuk IV van de Wet van 10 augustus 2001 betreffende het stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties, kunnen de onderbrekingsuitkeringen ingeval van een loopbaanvermindering of tijdskrediet niet gecumuleerd worden met de uitoefening van een zelfstandige activiteit, behalve in geval van volledige schorsing van de arbeidsprestaties en in zoverre deze activiteit reeds vroeger werd uitgevoerd. Ingevolge de tweede alinea van deze bepaling wordt als bijkomende zelfstandige activiteit beschouwd deze activiteit waardoor volgens de ter zake geldende reglementering, de betrokken persoon verplicht is zich in te schrijven bij het Rijksinstituut voor Sociale verzekeringen der Zelfstandigen.

Overeenkomstig artikel 3 § 1 van het Koninklijk Besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen wordt onder zelfstandige verstaan ieder natuurlijke persoon die in België een beroepsactiviteit uitoefent uit hoofde waarvan hij niet door een arbeidsovereenkomst of door een statuut verbonden is. Overeenkomstig artikel 10 van hetzelfde Koninklijk Besluit is iedere persoon die aan dit besluit onderworpen is ertoe gehouden aan te sluiten bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen uiterlijk op de dag van de aanvang van de zelfstandige beroepsactiviteit.

Overeenkomstig artikel 3 § 1, 4e alinea van het Koninklijk Besluit nr. 38 worden de personen die benoemd zijn tot mandataris in een aan de Belgische vennootschapsbelasting of belasting der niet inwoners onderworpen vennootschap of vereniging, op onweerlegbare wijze vermoed in België een zelfstandige beroepsactiviteit uit te oefenen.

3.

De beroepsbezigheid in de zin van art. 3 §1 van het Koninklijk Besluit nr. 38 veronderstelt een daadwerkelijke, met winstoogmerk verrichte en voldoende frequente activiteit die het louter beheer van het eigen vermogen te boven gaat. (G. VAN LIMBERGHEN, Sociale verzekeringen der zelfstandigen. Toepassingsgebied en bijdrageregeling zelfstandigen, TSR 2011, bijzonder nummer, p. 180: Cass. 13 mei 1985, TSR 1985, 443, Arbh. Brussel, 10e Kamer, 9 september 2011,A.R. 2010/AB/384, 9.09.2011).

De door de heer G. uitgeoefende activiteit als beheerder van de nv M.D.C.C. kan niet beschouwd worden als een beroepsbezigheid in de zin van artikel 3 § 1 van het Koninklijk Besluit nr.38.

De heer G. oefende zijn mandaat onbezoldigd uit. Hij verrichtte verder in de vennootschap geen boekhoudkundige, commerciële, administratieve of andere taken. Hij was ook geen aandeelhouder van de vennootschap, zodat hij ook niet in die hoedanigheid enig voordeel uit zijn mandaat kon halen.

Er kan aangenomen worden dat, zoals in vele grote maatschappijen het geval is, aan de heer G. vanuit zijn specifieke juridische vorming gevraagd werd zitting te nemen in de Raad van Bestuur van de nv M.D.C.C. en dat hij, zolang hij nog voltijds tewerkgesteld was voor zijn werkgever, dit mandaat kon uitoefenen tijdens zijn uren van normale tewerkstelling. Aldus kan begrepen worden dat aan de heer G. geen bijzondere vergoeding werd toegekend voor de uitoefening van dit mandaat. Hetzelfde kan aangenomen worden voor de periode waarin de heer G. deeltijds werkte, zeker voor de periode waarin zijn loopbaanvermindering beperkt was tot 1/5e , maar ook voor het laatste jaar waarin hij halftijds werkte.

Uit de door de heer G. aangebrachte gegevens blijkt dat de Raad van Bestuur slechts eenmaal per jaar vergaderde en dat de duur van een vergadering zeer beperkt was (tussen 30 min en 2uur).

4.

In zijn arrest nr. 176/2004 van 3 november 2004 heeft het Arbitragehof beslist dat de bepaling van artikel 3 § 1, 4e lid, van het Koninklijk Besluit nr. 38 van 27 juli 1967 in strijd is met de Grondwet in zoverre ze een onweerlegbaar vermoeden instelt dat de persoon, die een dergelijke vennootschap bestuurt, niet toelaat aan te tonen dat hij geen beroepsactiviteit uitoefent als zelfstandige. Het wettelijk vermoeden blijft bestaan maar het is niet meer weerlegbaar. Het tegenbewijs kan geleverd worden door het feit dat aan de uitoefening van het mandaat geen enkele vergoeding beantwoordt of door het feit dat het niet om een regelmatige activiteit gaat ( Arbh. Brussel, 10e kamer, A.R. 2010/AB/384, 9 september 2011).

De heer G. brengt voldoende elementen aan om het vermoeden van artikel 3 §1 al. 4 van het Koninklijk Besluit nr.38 te weerleggen. Hij legt verklaringen voor van zijn medebestuurders die bevestigen dat de uitoefening van zijn mandaat op geen enkele wijze vergoed werd. Hij legt ook de aanslagbiljetten voor de inkomstenbelasting neer voor de jaren 2006, 2007, en 2008, waaruit blijkt dat hij geen enkele vergoeding als beheerder kreeg. Ook legt hij attesten voor van de sociale verzekeringskas, waarbij hij aangesloten was, waaruit blijkt dat hij geen bijdragen betaalde, evenals een attest dat hij vrijgesteld werd van de gewestbelasting op zelfstandigen. Hij legt verder stukken voor waaruit blijkt dat hij geen aandeelhouder was van de nv M.D.C.C., zodat hij ook geen dividend uit de winsten van de vennootschap kan ontvangen hebben. Zoals gesteld onder randnummer 4 is er ook geen enkele aanduiding dat, behoudens de deelname aan de jaarlijkse vergadering van de Raad van Bestuur, waarin hij aangewezen vanuit zijn arbeidsrelatie met de nv DEME, hij enige activiteit verrichtte voor rekening van de NV M.D.C.C.

5.

De omstandigheid dat de heer G. wel ingeschreven was bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen, doet geen afbreuk aan de bovengaande bevindingen. Deze aansluiting houdt ongetwijfeld verband met het wettelijk vermoeden ingeschreven in artikel 3, § 1 al. 4 van het KB nr. 38, vermoeden dat volgens deze wettelijke bepaling onweerlegbaar was.

Anderzijds verwijst art. 7 § 2, 3° van het Koninklijk Besluit van 12 december 2010 voor het begrip uitoefening van een bijkomende zelfstandige activiteit naar de activiteit die aan de betrokken persoon de verplichting oplegt om zich in te schrijven bij het Rijksinstituut voor Sociale Verzekeringen van Zelfstandigen. Wanneer het hof vaststelt dat er geen sprake was van een zelfstandige activiteit in de zin van artikel 3 § 1 al. 1 van het KB nummer 38 en anderzijds het vermoeden van artikel 3 § 1 al. 4 van het Koninklijk Besluit weerlegd is, staat vast dat er geen verplichting bestond om zich in te schrijven bij het Rijksinstituut voor Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen.

6.

Het hoger beroep is dan ook ongegrond. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep. In toepassing van artikel 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 4 van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding, dient de gevorderde rechtsplegingsvergoeding beperkt te worden tot het (geïndexeerde) bedrag van 320,65 euro .

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tot de kosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van de heer G. op 320,65 euro .

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Jean BOULOGNE, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Hedwig SILON, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Hedwig SILON

Jean BOULOGNE Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 5 april 2012 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Vrije woorden

  • Gerechtelijk recht.

  • Gerechtelijk Wetboek.- Art.704.

  • Inleiding van de zaak bij verzoekschrift op grond van art. 704 § 1 van het Gerechtelijk Wetboek.