- Arrest van 7 mei 2012

07/05/2012 - 2011/AB/740

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Vlaams Fonds kan zich niet in de plaats stellen van de bijzondere bijstandscommissie om de zeer uitzonderlijke zorgbehoefte van de persoon met een handicap te bepalen; ingeval van nietigverklaring van de administratieve beslissing dient de zaak verwezen te worden naar die commissie, aangezien de rechter de discretionaire bevoegdheid van de administratie dient na te leven.


Arrest - Integrale tekst

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 7 MEI 2012.

5DE KAMER

Not. 582 1° Ger. W.

Tegemoetkomingen mindervaliden

Tegensprekelijk

Definitief

In de zaak:

V.,

Appellant, vertegenwoordigd door Mr K. LYSENS loco Mr R. VANDEBROEK, advocaat te Leuven.

Tegen:

HET VLAAMS FONDS VOOR SOCIALE INTEGRATIE VAN PERSONEN MET EEN HANDICAP, met burelen gevestigd te 1210 BRUSSEL, Sterrekundelaan 30.

Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr K. DEMEESTER, advocaat te Gent.

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Leuven op 3 november 2006,

- het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 6 december 2006;

- de weglating van de zaak van de algemene rol dd. 13 december 2010;

- de aanvraag tot herinschrijving van de zaak ontvangen ter griffie op 3 augustus 2011;

- de conclusie van de appellante partij;

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 2 april 2012 waarna de debatten gesloten werden.

Gehoord de heer D. SOETEMANS, 1ste Advocaat-Generaal in zijn mondeling advies gegeven op diezelfde openbare terechtzitting.

De raadslieden van de partijen zien af van hun recht op repliek op dit advies.

 

I. FEITEN

De heer V. lijdt aan hepatitis C met levercirrose die aanleiding gaf tot een levertransplantatie; hij heeft verder rugproblemen met een ischias door een discushernia en bovendien zijn er spierklachten ten gevolge van de medicatie die hij nam voor de leverproblemen. Het staat niet ter discussie en blijkt uit de voorgebrachte stukken dat de heer V. ernstige beperkingen heeft aan de onderste ledematen, die het autorijden niet veilig maken zonder een aantal aanpassingen, die werden bevestigd in het attest van het Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid VZW, CARA -rijgeschiktheid en voertuigaanpassing, van 21 oktober 2004.

Met een formulier om inschrijving en bijstand, door het Vlaams Fonds voor sociale integratie van personen met een handicap (hierna genoemd het Vlaams Fonds), ontvangen op 28 oktober 2004, vroeg de heer V. tussenkomst in de aanpassing van zijn wagen door het plaatsen van een rem- en gaspedaal aan het stuur.

Het adviesrapport Individuele Materiële Bijstand (IMB), waarmee de heer V. zich op 24 februari 2005 akkoord verklaarde, vermeldde dat het aangewezen zou zijn om een elektronische gasring te plaatsen en bovendien om het rem- en gaspedaal te vervangen door twee klikpedalen.

Met beslissing, kenbaar gemaakt aan de heer V. met brief van 12 april 2005, kende het Vlaams Fonds een aantal hulpmiddelen toe, waaronder in het functioneringsdomein mobiliteit:

gas en remmen aan/op stuur voor een refertebedrag van 1.502,21 EUR

gas- en rempedaal uitneembaar maken voor een refertebedrag van 1.265,29 EUR.

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank van Leuven op 19 april 2005, tekende de heer V. beroep aan tegen deze beslissing in de mate dat slechts het refertebedrag van 1.502,21 EUR werd toegekend voor het hulpmiddel ‘gas- en remmen aan/op stuur' in het functioneringsdomein ‘aanpassing woning' (lees ‘mobiliteit'), terwijl de ombouw hem een bedrag van 3.179,88 EUR kostte.

b.-

Met conclusie, neergelegd ter griffie van de arbeids-rechtbank op 29 mei 2006, vorderde de heer V. dat de arbeidsrechtbank de bestreden beslissing zou hervormen en zou zeggen voor recht dat de eiser zich in een toestand van uitzonderlijke zorgbehoefte bevindt en daarom recht heeft op een tussenkomst voor het verschil tussen de factuurprijs en het referte-bedrag; in ondergeschikte orde vorderde hij de zaak voor te leggen aan de Bijzondere Bijstandscommissie. Hij vorderde tevens dat het Vlaams Fonds zou worden veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

c.-

Met vonnis van 3 november 2006 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering van de heer V. ontvankelijk doch ongegrond. Het Vlaams Fonds werd verwezen in de kosten van het geding, vereffend op de rechtsplegingsvergoeding.

d.-

Het vonnis werd ter kennis gebracht van partijen met gerechtsbrief van 9 november 2006.

e.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 6 december 2006, tekende de heer V. hoger beroep aan tegen deze beslissing. Hij vorderde dat het arbeidshof het vonnis van de arbeidsrechtbank zou hervormen en zou zeggen voor recht hij zich in een toestand bevindt van uitzonder-lijke zorgbehoefte, zodat hij recht heeft op een tussenkomst voor het verschil tussen de factuurprijs van de aanpassingen en het refertebedrag.

In ondergeschikte orde vordert hij dat het Vlaams Fonds zou veroordeeld worden om de zaak ter beoor-deling voor te leggen aan de Bijzondere Bijstands-commissie. Tenslotte vordert hij de veroordeling van het Vlaams Fonds tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

IV. BEOORDELING

a.-

Met toepassing van artikel 1 van het Besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van personen met een handicap (hierna genoemd het IMB-besluit) kan het Vlaams Fonds individuele materiële bijstand verlenen voor de sociale integratie van personen met een handicap. Hetzelfde artikel bepaalt dat het Vlaams Fonds ten belope van 10 % van de vastgelegde kredieten individuele bijstand voor de sociale integratie kan verlenen die buiten de bepalingen en bedragen van de refertelijst vallen.

Artikel 16 eerste en tweede lid van het IMB-besluit bepaalt verder dat de beslissing over de tenlaste-neming van de bijstand gebeurt door het toekennen van een persoonlijke bijstandskorf, die samengesteld is door hulpmiddelen die in de refertelijst in de bijlage bij het besluit vermeld staan.

Artikel 16 vierde lid van het IMB-besluit bepaalt verder dat de tenlasteneming van de bijstand maximaal gebeurt voor de waarde die de hulpmiddelen vertegenwoordigen in de refertelijst in de bijlage bij het besluit.

In afwijking van dit artikel 16 vierde lid van het IMB-besluit bepaalt artikel 19 dat de tenlasteneming van een hulpmiddel kan gebeuren voor een bedrag dat hoger is dan de waarde vermeld in de refertelijst, op voorwaarde dat de commissie, bedoeld in artikel 31, oordeelt dat het bedrag in de refertelijst niet volstaat gelet op de zeer uitzonderlijke zorgbehoefte van de persoon. Bij het bepalen van de zeer uitzonderlijke zorgbehoefte houdt de commissie rekening met de globale situatie van de persoon.

De in dit artikel aangeduide commissie is de Bijzondere Bijstandscommissie.

b.-

Uit voornoemde bepalingen volgt dat de beoordeling van de vraag of de tenlasteneming van een hulpmiddel voor een bedrag dat hoger is dan de waarde die dat hulp-middel vertegenwoordigt op de refertelijst, beoordeeld dient te worden door de Bijzondere Bijstandscommissie, die kan oordelen of het bedrag van de refertelijst niet volstaat gelet op de zeer uitzonderlijke zorgbehoefte van een persoon met een handicap.

Uit de conclusie van het Vlaams Fonds blijkt dat dergelijke beoordeling niet werd gevraagd aan de Bijzondere Bijstandscommissie, daar het Vlaams Fonds van oordeel was dat de heer Verhulst geen gegevens aanbracht die wezen op een zeer uitzonderlijke zorgbehoefte, waarop het Vlaams Fonds besloot de zorgvragen niet door te verwijzen naar de Bijzondere Bijstandscommissie, daar deze toch niet anders zou kunnen dan negatief te oordelen, gelet op de afwezigheid van informatie.

Naar het oordeel van het arbeidshof is deze stelling van het Vlaams Fonds in strijd met de regelgeving zelf, daar het Vlaams Fonds zich in de plaats stelt van de Bijzondere Bijstandscommissie en miskent dat volgens het IMB-besluit enkel de Bijzondere Bijstandscommissie kan oordelen over de zeer uitzonderlijke zorgbehoefte.

Gelet op deze onwettigheid dient de beslissing van het Vlaams Fonds van 12 april 2005 te worden vernietigd.

Het hoger beroep is in deze zin gegrond.

c.-

Gelet op het discretionaire karakter van de aan de Bijzondere Bijstandscommissie toegekende bevoegdheid staat het evenmin aan het arbeidshof om te oordelen of in voorliggende betwisting al dan niet sprake is van een zeer uitzonderlijke zorgbehoefte.

Bij de beoordeling van een beslissing die genomen wordt in kader van een discretionaire bevoegdheid, kan de rechter wel de beslissing kan vernietigen indien zij onwettig is, doch zich in principe niet in de plaats kan stellen van het bestuur en zelf een nieuwe beslissing nemen.

(vgl. Cass. 2 februari 1998, Soc. Kron. 1998, 172; Cass. 17 december 2001, J.T.T. 2002, 17, concl. eerste adv.-gen. Leclercq)

Wanneer een beslissing genomen wordt door een orgaan in het kader van een aan dit orgaan toegekende discretionaire bevoegdheid, is de bevoegdheid van de rechter beperkt: de beslissing van de rechter mag er niet toe leiden dat de discretionaire bevoegdheid van de administratie wordt beperkt vermits anders het principe van de scheiding van de machten zou worden miskend. De rechter mag bijgevolg enkel de wettigheid van de beslissing onderzoeken.

(vgl. M. Delange, Les pouvoirs du juge dans le droit de la sécurité sociale, CUP, Université de Liège, 2002, 83, met verwijzingen)

Het onderzoek van de wettigheid van de beslissing heeft zowel betrekking op de externe wettigheid van de handeling, meer bepaald de bevoegdheid van degene die de beslissing heeft genomen en de naleving van vormvoorschriften die op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, als op de interne wettigheid, meer bepaald machtsafwending, fouten in feite of in rechte en dergelijke.

(vgl. Cass. 7 november 1975, RCJB 1977, 417, noot A. Vanwelkenhuyzen)

Bij beslissingen genomen in het kader van een discretionaire bevoegdheid kan de rechterlijke macht enkel een rechtmatigheidscontrole doorvoeren, zonder de elementen 'doelmatigheid ' of 'opportuniteit' te mogen beoordelen, en wordt tevens aanvaard dat de rechter een marginale toetsing kan doorvoeren, waarbij hij zich niet mag mengen in het beleid dat het bestuur voert, maar wel kan ingrijpen bij kennelijke onredelijkheid, dit is wanneer het bestuur niet in redelijkheid tot de genomen beslissing is kunnen komen.

(vgl. J. Put, Discretionaire bevoegdheden in het socialezekerheidsrecht, in D. Simoens, D. Pieters, J. Put, P. Schoukens, Y. Stevens (eds.), Sociale zekerheid in vraagvorm, Liber Amicorum Jef Van Langendonck, Intersentia, Antwerpen - Oxford, 2005, 352)

d.-

Samengevat betekent dit dat de beslissing van het Vlaams Fonds vernietigd dient te worden en het arbeidshof het dossier verwijst naar de Bijzondere Bijstandscommissie, opdat deze, in het kader van de haar door het IMB-besluit toegekende bevoegdheid op grond van de door de heer Verhulst mede te delen overtuigingsstukken, kan oordelen of er sprake is van een zeer uitzonderlijke zorgbehoefte in de zin van artikel 19 van het IMB-besluit.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Gehoord het mondeling advies van de heer D. Soetemans, eerste advocaat-generaal:

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep als volgt gegrond;

Vernietigt het bestreden vonnis behalve voor zover het vordering van de heer Verhulst ontvankelijk verklaarde en het Vlaams Fonds verwees in de kosten van het geding;

Opnieuw recht doende, vernietigt de bestreden beslissing van het Vlaams Fonds van 12 april 2005;

Verwijst de zaak naar de Bijzondere Bijstandscommissie, opdat deze in het kader van de haar door het IMB-besluit toegekende bevoegdheid op grond van de door de heer Verhulst mede te delen overtuigingsstukken kan oordelen of er sprake is van een zeer uitzonderlijke zorgbehoefte in de zin van artikel 19 van het IMB-besluit;

Verwijst het Vlaams Fonds in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van beide partijen begroot op 160,36 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof.

Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

D. RYCKX : Raadsheer.

P. HAINE : Raadsheer in sociale zaken als zelfstandige,

P. MANS : Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider,

En bijgestaan door :

D. DE RAEDT : Griffier,

P.HAINE, P. MANS,

D. DE RAEDT, D. RYCKX,

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 7 mei 2012 door de heer D. RYCKX, Raadsheer, bijgestaan door D. DE RAEDT, griffier,

D. DE RAEDT, D. RYCKX,

Vrije woorden

  • SOCIALE VOORZORG

  • ALLERHANDE VOORDELEN TOEGEKEND AAN MINDER-VALIDEN

  • Gehandicapten

  • Aanvraag tot tenlasteneming voor een bedrag hoger dan de waarde die de hulpmiddelen vertegenwoordigen in de refertelijst

  • Voorwaarde

  • Zeer uitzonderlijke zorgbehoefte van de persoon met een handicap

  • Geen bepaling door de bijzondere bijstandscommissie

  • Weigering door het Vlaams Fonds voor sociale integratie van personen met een handicap

  • Beroep

  • Nietigverklaring

  • Gevolg.