- Arrest van 7 mei 2012

07/05/2012 - 2012/AB/254

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een aanvrager collectieve schuldenregeling moet voldoen aan de procedurele goede trouw.

Dit houdt o.m. in dat hij tijdens de procedure geen bijkomende schulden mag maken. Buiten de betaling van het leefgeld dient het volledige saldo bestemd te worden voor de betaling van de schuldeisers volgens het aanzuiveringplan.

De procedurele goede trouw ontbreekt, wanneer de verzoeker reeds bij zijn aanvraag de kennelijke intentie heeft om nieuwe schulden te maken.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

─────────

ARREST

ARREST UITGESPROKEN OP DE OPENBARE ZITTING VAN

7 MEI TWEEDUIZEND EN TWAALF.

11e KAMER

Collectieve schuldenregeling - toelaatbaarheid

eenzijdig

definitief

In de zaak:

W. S.,

Appellant, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester PUTTEMAN Lieselot, advocaat te Vilvoorde.

* * *

*

Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit:

Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van de bestreden beschikking, uitgesproken op tegenspraak, door de 32ste kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel op 17 februari 2012;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 16 maart 2012;

- de voorgelegde stukken;

De verzoeker werd gehoord in de mondelinge uiteenzetting van zijn middelen en conclusies in raadkamer op 16 april 2012, waarna de debatten werden gesloten en de zaak voor uitspraak werd gesteld op heden.

* *

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. De heer S. W. heeft reeds eerder een collectieve schuldenregeling aangevraagd samen met zijn toenmalige vriendin B. Dit verzoek werd toelaatbaar verklaard bij beschikking van de Beslagrechter te Brussel van 4 november 1999.

Nadat een minnelijke aanzuiveringregeling werd gehomologeerd, werd deze collectieve schuldenregeling op 30 mei 2002 herroepen ten aanzien van mevr. B..

Aan de heer S. W. werd een tweede kans geboden.

Hij nam deze kans niet ter harte, zodat de Beslagrechter te Brussel bij vonnis van 21 januari 2004 ook ten aanzien van de heer W. de herroeping uitsprak, o.m. wegens het maken van nieuwe schulden.

2. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel op 30 september 2011, vroeg de heer W. opnieuw om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling.

De heer W. heeft 2 dochters. Hij geeft in zijn verzoekschrift een netto-inkomen van euro 1.067,86 op en een uitgavenlast van euro 1.025. Hij maakt melding van schulden ter waarde van euro 18.473,68; één van de schulden verwijst naar onbetaalde reizen met Neckerman van thans euro 970,66 en euro 1.489,83.

Bij schrijven van 12 oktober 2011 stelde de arbeidsrechter te Brussel bijkomende vragen o.m. over

- de kosten van een voorgenomen huwelijk te Thailand ter waarde van ongeveer euro 16.000 en de financiering hiervan

- de stand van zaken in verband met de schulden van de vorige procedure

Bij antwoordschrijven van 12 december 2011 legde de raadsman van de heer W. uit dat

- hij einde november 2013 op boeddhistische wijze wilde trouwen en dat hij daarvoor een bruidschat diende te betalen van euro 3.750 + goud voor het huwelijk ter waarde van euro 3.750 + allerlei kosten van de bruid voor het huwelijk en voor haar verhuis en vliegtuigreis dit alles ter waarde van euro 7.500 + zijn eigen vliegtuigticket van euro 900; dit alles zou zijn motivatie niet verminderen om zijn andere schulden, toen geraamd op

euro 25.592,60, volledig af te betalen

- door bemiddeling van zijn raadsman werden de oude schulden van de vorige procedure zo goed mogelijk wedersamengesteld, zodat de schuldenlast verhoogd geraamd werd van euro 18.473,68 naar euro 25.592,67.

3. Bij beschikking van 17 februari 2012 heeft de arbeidsrechtbank te Brussel het verzoek niet toelaatbaar verklaard omwille van het verloop van het dossier, zoals hierboven geschetst in randnummer 2, waaruit de rechtbank afleidde dat de heer W. weinig geleerd had uit zijn vorige collectieve schuldenregeling, een totaal gebrek aan realiteitszin in verband met zijn financiële handel en wandel aan de dag legde en tekort kwam aan procedurele goede trouw wegens het ontbreken van de intentie om de schulden terug te betalen.

4. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 16 maart 2012, tekende de heer W. hoger beroep aan en hernam hij zijn oorspronkelijk verzoek.

II. BEOORDELING.

1. Het hoger beroep van verzoeker werd tijdig ingesteld en voldoet aan de ontvankelijkheidvereisten, zodat het hoger beroep ontvankelijk kan worden verklaard.

2. Op grond van artikel 1675/2 Ger. W. kan de collectieve schuldenregeling worden toegestaan aan een natuurlijke persoon, die niet in staat is, om op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen en voor zover hij niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd.

3. Bij de beoordeling van de vraag of de aanvrager niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd (de zgn. subjectieve voorwaarde) is er tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet veel discussie geweest over de vereiste van goede trouw.

Hierbij moet een onderscheid gemaakt worden tussen de voorafgaande goede trouw ( ook aangeduid als contractuele goede trouw) en de procedurele goede trouw.

De eerste vorm is niet vereist voor de toelaatbaarheid van de aanvraag, de aanvrager moet wel voldoen aan de procedurele goede trouw. (Parl. St. Kamer 1996-97, 1073/1, 17; S. De Coster, Artikelsgewijze commentaar art. 1675/2 Ger. W. vn. 43)

Dit houdt o.m. in dat de schuldenaar tijdens de procedure geen bijkomende schulden mag maken. Buiten de betaling van het leefgeld dient het volledige saldo bestemd te worden voor de betaling van de schuldeisers volgens het aanzuiveringplan.

De procedurele goede trouw ontbreekt daarom, wanneer de verzoeker reeds bij zijn aanvraag de kennelijke intentie heeft om nieuwe schulden te maken.

4. Kennelijk ziet de heer W. de collectieve schuldenregeling als een spaarplan om zijn reis naar Thailand en zijn huwelijk aldaar plus de overkomst van zijn vriendin te financieren.

In antwoord op de vragen van de eerste rechter beroept hij zich er immers op dat hij zijn beoogd huwelijk uitgesteld heeft naar einde november 2013 zodat hij 8 maanden meer kan sparen. (schrijven van zijn raadsman 12 december 2012)

5. Deze nieuw te maken schulden hebben niet enkel betrekking op zijn eigen reisuitgaven, maar ook op de bruidschat voor de familie van de verloofde, goud voor het huwelijk, container voor transport per schip van de bezittingen van de bruid naar België, vliegtuigticket voor de bruid...

Weliswaar herleidt de heer W. de kostprijs van zijn plan in graad van hoger beroep van euro 15.900 naar euro 6.000, maar hij blijft daarbij volkomen in gebreke aan te tonen hoe dit nieuwe bedrag is samengesteld en hoe dit kan verantwoord worden binnen een normaal uitgavenpatroon van een schuldenaar die via een leefgeld in zijn behoeften moet voorzien. Kennelijk wil hij nog steeds een aantal belangrijke uitgaven voor zijn vriendin en mogelijks haar familie kunnen blijven financieren.

Gelet op de precaire financiële situatie van de heer W. - zijn schuldenlast wordt in graad van hoger beroep nauwkeuriger becijferd op euro 27.261,85 - , dienen, op straffe van benadeling van de actuele schuldeisers, de lasten van de verloofde van de heer W. door haarzelf te worden gedragen.

In zijn huidige situatie bewerkstelligt de heer W. kennelijk zijn onvermogen door deze lasten op zich te nemen en zijn ‘spaarplan' voldoet niet aan de vereiste procedurele goede trouw voor de voorgenomen collectieve schuldenregeling.

6. De eerste rechter heeft terecht het verzoek niet toelaatbaar verklaard. De overige aangebrachte elementen kunnen geen afbreuk doen aan het feit dat in de huidige stand aan de subjectieve basisvoorwaarde om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling niet voldaan is.

Het hoger beroep is daardoor ongegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht doende na eenzijdig verzoekschrift;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond.

Bevestigt de bestreden beschikking.

Kosteloze procedure.

Aldus gewezen door de elfde kamer en ondertekend door:

L. Lenaerts, raadsheer;

Bijgestaan door

K. Maes, afgevaardigd griffier.

L. Lenaerts, K. Maes.

en uitgesproken ter openbare zitting van de elfde kamer van het arbeidshof te Brussel op 7 mei tweeduizend en twaalf door :

L. Lenaerts raadsheer

Bijgestaan door

K. Maes afgevaardigd griffier.

L. Lenaerts, K. Maes.

Vrije woorden

  • XVI. Schuldoverlast

  • Toelaatbaarheid en procedurele goede trouw