- Arrest van 14 juni 2012

14/06/2012 - 2011/AB/972

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid beslist tot de schrapping van de onderwerping van een werknemer, dan ontstaat het recht van de werkgever tot teruggave van de betaalde bijdragen slechts op het ogenblik van de beslissing van de Rijksdienst. De Rijksdienst kan, wanneer intussen een faillissement is tussengekomen, niet de wettelijke compensatie inroepen tussen zijn verplichting tot terugbetaling en de vordering die hij nog heeft op de failliete vennootschap voor schulden ontstaan vóór het faillissement.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr. 2012/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 14 JUNI 2012

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - bijdragen werkgevers

tegensprekelijk

heropening van de debatten

In de zaak:

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, K.B.O. 0206.731.645, openbare instelling, met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein, 11, appellant, vertegenwoordigd door mr. DE KERPEL S. loco mr. DERVEAUX Pieter, advocaat te 1930 ZAVENTEM, Parklaan 54

tegen:

VAN CAENEGHEM Wim, advocaat, met kantoor te 2018 ANTWERPEN, Quinten Matsijslei 34, in zijn hoedanigheid van curator van AZ VERANDA'S KONTICH NV, waarvan de zetel voorheen gevestigd was te 2550 KONTICH, Koningin Astridplein 28,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. DESCHEEMAEKER Karolien, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Quinten Matsijslei 34

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 29-04-2011 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 27e kamer (A.R. 17146/06 en 17147/06),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 21 oktober 2011,

- de neergelegde conclusies,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 3 mei 2012, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op 31 mei 2012. De uitspraak werd ten slotte verdaagd op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De heer L. en mevrouw V. L. waren als werknemers ingeschreven in de vennootschap nv AZ Veranda's. Naar aanleiding van een betwisting in de ziekteverzekering (de heer L. ontving uitkeringen, maar bleek tegelijkertijd te werken) werd een onderzoek gevraagd bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid over het werkelijk statuut van de heer L. en van mevrouw V. L..

Na onderzoek kwam de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tot de bevinding dat de onderwerping aan het sociaal statuut der werknemers onrechtmatig was. De onderwerping van de heer L. en van mevrouw V. L. werden geschrapt en op 12 mei 2006 werd een bericht van wijziging van bijdragen ten voordele van de vennootschap opgesteld voor een bedrag van 68.731,41 euro . De wijzigingen betroffen de periode van het 1e kwartaal 2001 tot het 1e kwartaal 2002. Inmiddels was de vennootschap echter op 21 februari 2002 in faling verklaard.

2.

De heer L. en mevrouw V. L. hebben de beslissing van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid betwist voor de arbeidsrechtbank te Brussel bij dagvaardingen van 15 september 2006. De curator van de failliete vennootschap, mr. W.Van Caneghem, is in deze betwisting vrijwillig tussengekomen, en vorderde van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de betaling van de som van 32.446,51 euro , te weten het gedeelte van de sociale zekerheidsbijdragen op de tewerkstelling van de heer L. en mevrouw Van Limbergen, dat door de vennootschap effectief betaald werd.

3.

Bij vonnis van 29 april 2011 heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de vorderingen van de heer L. en mevrouw V. L. als ongegrond afgewezen. De vordering van de curator werd gegrond bevonden en de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid werd veroordeeld tot terugbetaling van de onverschuldigde bijdragen ten belope van de som van 32.446,51 euro , vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke intresten.

De heer L. en mevrouw V. L. hebben berust in dit vonnis.

4.

Bij verzoekschrift van 21 oktober 2011 heeft de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid echter beroep aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank in zoverre het de tussenvordering van de curator gegrond verklaarde.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Er wordt geen betekeningsakte voorgelegd van het bestreden vonnis zodanig dat het beroep ook moet geacht worden tijdig te zijn ingesteld.

III. BEOORDELING.

1.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is van oordeel dat het door de curator gevorderde bedrag niet kon toegekend worden omdat een wettelijke schuldvergelijking was ingetreden tussen de bedragen die nog verschuldigd waren door de failliete vennootschap, en de vordering van deze vennootschap die ontstaan was als gevolg van de ambtshalve schrapping van de onderwerping van de heer L. en mevrouw V.L.. Volgens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid was deze schuldvergelijking mogelijk, omdat de onverschuldigde betaling in feite ontstond vóór het faillissement. In ondergeschikte orde stelt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat de vordering in ieder geval beperkt diende te worden tot een bedrag van 6.533,80 euro omdat in werkelijkheid de failliete vennootschap de sociale zekerheidsbijdragen, die ten onrechte waren aangegeven, slechts ten belope van dit bedrag had betaald.

De curator stelt in hoofdorde dat van compensatie geen sprake kan zijn omdat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid niet aantoont dat hij nog schuldeiser is van de failliete vennootschap. In ondergeschikte orde stelt hij dat schuldvergelijking na faillissement niet mogelijk is, en dat er evenmin sprake kan zijn van een schuldvergelijking die van rechtswege reeds vóór het faillissement ingetreden is. De curator verwijst daarbij naar de eigen documenten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de compensatie slechts werd doorgevoerd, nadat in de loop van het jaar 2006 beslist werd om de onderwerping van de heer L. en van mevrouw V. L. te schrappen. Volgens de curator ontstond de schuldvordering ten aanzien van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid slechts op het ogenblik dat deze laatste de beslissing genomen had om de onderwerping te annuleren. Zolang deze onderwerping niet geannuleerd was, waren de bijdragen rechtmatig betaald en kon op dat ogenblik dus ook geen schuldvergelijking plaatsvinden. De curator betwist ook de herleiding van de vordering zoals die in ondergeschikte orde gevorderd wordt.

2.

Overeenkomstig art. 1290 van het Burgerlijk Wetboek heeft schuldvergelijking van rechtswege plaats uit kracht van de wet, zelfs buiten weten van de schuldenaars. De twee schulden vernietigen elkaar op het ogenblik dat zij tegelijk bestaan ten belope van het wederkerig bedrag. Overeenkomstig artikel 1291 van hetzelfde wetboek vereist schuldvergelijking dat beide schulden vaststaande en opeisbaar zijn. Overeenkomstig artikel 1298 van het Burgerlijk Wetboek kan geen schuldvergelijking plaatsvinden ten nadele van de verkregen rechten van derden.

3.

De voorwaarde dat een schuldvordering vaststaande is houdt in dat de schuldvordering moet bestaan en dat het bedrag ervan is uitgemaakt (Roodhooft, " Schuldvergelijking", in "Bestendig Handboek Verbintenissen, 2010, V.3, p. 13-14). Indien het bestaan van de schuldvordering betwist wordt is, behoudens indien deze betwisting dilatoir is, aan deze voorwaarde niet voldaan. De voorwaarde dat de schuldvordering opeisbaar moet zijn houdt in dat het bedrag van deze schuldvordering moet kunnen bepaald worden op het ogenblik dat de schuldvergelijking intreedt.

In deze moet vastgesteld worden dat, onverminderd de bijzondere regels inzake schuldvergelijking bij faillissement, moeilijk kan geoordeeld worden dat de schuldvordering van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid reeds vóór het faillissement vaststaand en opeisbaar was. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid werd op 9 augustus 2001 in kennis gesteld van een schrijven van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering, met daaraan toegevoegd een enquêteverslag en een aantal PV's van verhoor, waaruit bleek dat er betwisting kon bestaan over de vraag of de heer L. en mevrouw V.L. wel konden beschouwd worden als werknemers van de firma AZ Veranda's. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid heeft daarna een eigen onderzoek gevoerd waarvan het resultaat op 27 maart 2006 aan de betrokken "werknemers" en aan de betrokken firma ter kennis gebracht werd. Met andere woorden, zelfs na het voorafgaand onderzoek van het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering, bleken vijf jaar noodzakelijk om tot de bevinding te komen dat de heer L. en mevrouw V. L. onterecht onderworpen waren aan het sociaal statuut van de werknemers. Een dergelijke schuldvorderingvordering kan moeilijk als vaststaand en opeisbaar beschouwd worden. Er kon aldus van rechtswege geen schuldvergelijking ingetreden zijn op de datum van het faillissement van de vennootschap, te weten op 21 februari 2002.

4.

Het faillissement heeft de vorming van een boedel en samenloop tussen de schuldeisers van de gefailleerde tot gevolg, zodat tussen deze schuldeisers - de schuldeisers in de boedel - het gelijkheidsbeginsel van toepassing is. Zulks volgt uit de bepaling van artikel 1298 van het Burgerlijk Wetboek. Daaruit vloeit voort dat schuldvergelijking na faillissement in beginsel uitgesloten is. Het erkennen van de schuldvergelijking in de gevallen waarin er een nauwe samenhang bestaat tussen de schuldvorderingen, past de regel van de gelijkheid van de schuldeiser bij faillissement echter niet noodzakelijk aan. Aldus is in dat geval schuldvergelijking mogelijk, ook al zijn de voorwaarden voor schuldvergelijking eerst na het faillissement in vervulling gegaan. Schuldvergelijking blijft echter in beginsel uitgesloten tussen schulden en schuldvorderingen ontstaan vóór het faillissement en schuldvorderingen en schulden ontstaan na het faillissement, ook al is er samenhang. ( Cass. 24.06.2010 en Cass. 4.02.2011, http://jure.juridat.just.fgov.be; I. Verougstraete, « Manuel de la continuité des entreprises et de la faillite », 2010, p. 653-654, en 655-656).

De vraag die zich stelt is of te weten op welk ogenblik de schuldvordering van de werkgever tot teruggave van de ten onrechte betaalde sociale zekerheidsbijdragen ten aanzien van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid ontstaat, wanneer deze laatste, na onderzoek, tot de bevinding gekomen is dat er een onrechtmatige onderwerping geweest is aan de sociale zekerheid van de werknemers.

In beginsel is de werkgever, die een aangifte doet bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, ertoe gehouden de door hemzelf aangegeven bijdragen te voldoen uiterlijk voor het einde van het kwartaal volgend op dit waarin de prestaties van de werknemers verricht werd. De bijdrageschuld ontstaat op dat ogenblik. Op het ogenblik van het ontstaan van de betwisting voorzag de wet van 27 juni 1969 niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid om een beslissing te nemen een werknemer uit te sluiten uit het toepassingsgebied van de wetgeving op de sociale zekerheid. Het is slechts ingevolge de bepalingen van artikel 32-34 van de programmawet van 8 juni 2008, en de bepalingen van de programmawet van 22 december 2008, dat deze aangelegenheid geregeld werd in het kader van de bepalingen van artikel 42 van de wet van 27 juni 1969 met betrekking tot de verjaring van de bijdragen. In een arrest van 7 december 1998 (J.T.T. 1999, p.77 - zie verder over deze problematiek J. De Wilde d'Estmale en st. gilson " La problèmatique du faux salariat et l'hypothèse de déassujetissement d'office" in J. F. Neven en St. Gilson, « La sécurité sociale des travailleurs salariés », Larcier 2010, p. 55 e.v. ) heeft het Hof van Cassatie nochtans deze bevoegdheid erkend. Het Hof van Cassatie oordeelde dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, als openbare instelling belast met de opdracht een wetgeving van openbare orde toe te passen, en die aldus beschikt over het voorrecht van uitvoering (privélège du préalable), de bevoegdheid heeft administratieve beslissingen te nemen, die op zichzelf uitvoerbaar zijn, en bijgevolg het recht heeft de onderwerping te vernietigen van degenen die ten onrechte onderworpen werden aan de sociale zekerheid. Daaruit volgt, en zulks is ook de wettelijke regeling op dit ogenblik, dat de vernietiging van de onderwerping aan de sociale zekerheid een duidelijk administratieve beslissing veronderstelt, die onderworpen is aan de wetgeving op de motivering van bestuurshandelingen en die door de werknemer betwist kan worden voor de arbeidsrechtbank.

Daaruit volgt ook dat het daarmee samenhangende recht van de werkgever om de sociale zekerheidsbijdragen, die hij ten onrechte betaald heeft, terug te vorderen slechts ontstaat op het ogenblik dat een administratieve beslissing genomen wordt door de Rijksdienst. In casu is deze administratieve beslissing duidelijk genomen na het tussengekomen faillissement zodanig dat, in het licht van de geciteerde cassatiearresten, geen schuldvergelijking kan aanvaard worden. Eén van de schuldvorderingen ontstond slechts na het faillissement.

Overigens kan men ook betwijfelen of in de voorliggende situatie kan gesproken worden van samenhang tussen de vorderingen. Een dergelijke samenhang zou in theorie kunnen aanvaard worden wanneer de vordering tot betaling van de bijdragen van sociale zekerheid, en de vordering tot teruggave van de ten onrechte betaalde bijdragen, betrekking zouden hebben op dezelfde personen en op dezelfde periodes van onderwerping. Deze hypothese is echter louter theoretisch. Wanneer de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid beslist dat geen bijdragen verschuldigd zijn, omdat er een onrechtmatige onderwerping is, kan hij niet tegelijkertijd de schuldvergelijking inroepen met de bijdragen verschuldigd voor die onrechtmatige onderwerping. Indien de bijdragen niet betaald zijn wordt de vordering van de Rijksdienst tot betaling van deze bijdragen uiteraard zonder voorwerp.

5.

Het hof is aldus van oordeel dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid geen schuldvergelijking kan aanvoeren tegen de vordering van de curator tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bijdragen.

Uiteraard kan de curator echter geen bijdragen terugvorderen die hij niet effectief betaald heeft. De vordering tot terugbetaling van het onverschuldigde veronderstelt dat men betaald heeft. Volgens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zou, voor de sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd voor de prestaties van de heer L. en mevrouw Van Limbergen (of voor het geheel van de prestaties van de werknemers in dezelfde periode (1e kwartaal 2001 tot 1e kwartaal 2002) door de firma AZ Veranda's, slechts een bedrag betaald zijn van 6.533,80 euro , in plaats van de gevorderde 32.446,51 euro . Nochtans had de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dit bedrag erkend voor de eerste rechter, maar volgens de Rijksdienst zou in zijn oorspronkelijke afrekening een vergissing geslopen zijn doordat rekening werd gehouden met betalingen die niet door de failliete vennootschap werden uitgevoerd, maar wel door het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen. Deze uitleg is echter moeilijk begrijpelijk en kon ook ter zitting niet toegelicht worden. In principe zal het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen inderdaad alleen sociale zekerheidsbijdragen betalen op achterstallige lonen of verbrekingsvergoedingen die door hem zelf uitbetaald werden, maar geen achterstallige sociale zekerheidsbijdragen die vervallen waren op datum van het faillissement. Overigens worden ook geen stukken voorgelegd die een dergelijke betaling aantonen. De nieuwe afrekening van de Rijksdienst is ook minstens gedeeltelijk in strijd met zijn afrekening van 2 april 2007 (stuk 17), die voor circa 20.000 euro betalingen vermeldt die uitgevoerd werden vóór het faillissement en die dus moeilijk door het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen kunnen uitgevoerd zijn. Omgekeerd blijkt uit dit document wel dat de laatste in rekening gebrachte betaling een betaling is van 24 september 2003, die moeilijk door de failliete vennootschap kan uitgevoerd zijn.

Beide partijen dienen ter zake bijkomende toelichtingen te verstrekken. De curator moet op basis van de boekhouding van de failliete vennootschap kunnen nagaan welke precieze betalingen gebeurd zijn, terwijl de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid stukken moet kunnen voorleggen waaruit blijkt wie welke betalingen gedaan heeft.

In dit verband is het ook belangrijk dat duidelijk wordt aangegeven of de sociale zekerheidsbijdragen, die betaald werden voor de periode van het 1e kwartaal 2001 tot en met het 2e kwartaal 2002 alleen betrekking houden op de tewerkstelling van de heer L. en mevrouw V. L. of ook nog op de tewerkstelling van andere werknemers. De curator kan geen sociale zekerheidsbijdragen terugvorderen die verschuldigd waren voor andere werknemers. De oorspronkelijke aangiftes voor al de betrokken kwartalen zullen dus zeker dienen voorgelegd te worden.

Een heropening van de debatten is dan ook noodzakelijk.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk.

Alvorens uitspraak te doen over de gegrondheid van het hoger beroep, beveelt de heropening van de debatten teneinde partijen toe te laten de afrekening te verduidelijken met betrekking tot de sociale zekerheidsbijdragen die door de failliete vennootschap betaald werden voor de kwartalen 01/2001 tot 01/2002, voor de tewerkstelling van de heer L. en mevrouw V. L. en, desgevallend, voor andere werknemers en ten einde de aangiftes van de bijdragen voor deze kwartalen voor te leggen.

Stelt de conclusietermijnen vast als volgt:

de curator zal op uiterlijk 31 augustus 2012 zijn conclusie neerleggen ter griffie en overleggen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid,

de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zal op uiterlijk 31 oktober 2012 zijn conclusie neerleggen ter griffie en overleggen aan de curator,

de curator zal op uiterlijk 30 november 2012 zijn syntheseconclusie neerleggen ter griffie en overleggen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

Stel de zaak voor heropening van de debatten op de openbare terechtzitting van donderdag 17 januari 2013 om 14u voor een pleitduur van 30 minuten.

Houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Christian LAURIERS, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Jean-Pierre VAN CONINGSLOO, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Jean-Pierre VAN CONINGSLOO

Christian LAURIERS Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 14 juni 2012 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Vrije woorden

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • BURGERLIJK RECHT

  • Burgerlijk Wetboek, art. 1290 e.v.

  • Wettelijke schuldvergelijking

  • Faillissement.