- Arrest van 19 juni 2012

19/06/2012 - 2011/AB/651

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Is nietig het verzoekschrift tot hoger beroep dat passages bevat in de Franse taal, die niet louter illustratief zijn maar de argumentatie van de appellant ondersteunen en aangehaald worden om zijn stelling kracht bij te zetten terwijl de taal van de rechtspleging het Nederlands is.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

─────────

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGENTIEN JUNI TWEEDUIZEND EN TWAALF.

3e KAMER

bediendecontract

tegenspraak

definitief

In de zaak :

J. G.

Appellant, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester BERGMANS Albert, advocaat te Leuven

tegen :

Het Universitair Verplegingscentrum Sint Pieter, afgekort U.V.C. ST. PIETER, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1000 Brussel, Hoogstraat 322,

Geïntimeerde, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester DELPORTE Christiaan, advocaat te Brussel,

* * *

*

Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op :

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak, door de 23ste kamer van de arbeidsrechtbank te Brussel op 20 juni 2011;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 13 juli 2011;

- de conclusies en syntheseconclusies voor de appellant neergelegd ter griffie op 30 november 2011 en 14 maart 2012;

- de conclusies, aanvullende en syntheseconclusies en syntheseconclusies voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 17 oktober 2011, 13 januari 2012 en 12 april 2012 ;

- de voorgelegde stukken ;

De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 22 mei 2012, waarna de debatten werden gesloten en de zaak voor uitspraak werd gesteld op heden.

* *

*

FEITEN EN RECHTSPLEGING

De heer J. is op 13-2-1984 als laborant in dienst getreden van het Universitair Verplegingscentrum St. Pieter (hierna afgekort tot U.V.C.) met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

In 1999 werd hij van het labo overgeplaatst naar de dienst sterilisatie. Na vier maanden meende het UVC dat hij wegens gebrek aan hygiëne en stiptheid niet op die dienst kon blijven.

Bij brief van 15-2-2000 werd hem de beslissing medegedeeld dat hij vanaf 16-2-2000 als portier zou worden tewerk gesteld, belast met de controle van de toegang tot de parking aan het portaal van het ziekenhuis.

Vanaf 2007 was zijn rechtstreekse verantwoordelijke de heer Abderrahmani.

De heer J. werd opgeroepen voor een gesprek op 14-4-2009 en op diezelfde datum om dringende reden ontslagen wegens feiten die zich op 3-4-2009 hadden voorgedaan en waarover op 9-4-2009 een verslag werd meegedeeld aan de directie.

Met een aangetekende brief van 17-4-2009 werden de dringende redenen voor het ontslag aan de heer J. ter kennis gebracht.

Na ontvangst van de ontslagbrief maakte de heer J. via een brief van zijn raadsman van 4-8-2009, aanspraak op een opzeggingsvergoeding gelijk aan 39 maanden.

De raadsman van het UVC antwoordde dat het ontslag om dringende reden de gepaste sanctie was.

Met dagvaarding van 5-2-2010 spande de heer J. een geding aan voor de arbeidsrechtbank. Hij vorderde de veroordeling van het UVC tot betaling van een bedrag van 140.226,74 euro als opzeggingsvergoeding gelijk aan 32 maanden loon en de vergoedende en gerechtelijke intresten op dat bedrag.

Met het bestreden vonnis verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk doch ongegrond.en veroordeelde de heer J. tot de kosten van het geding.

Zij achtte de dringende reden aan de hand van de geschreven verklaringen bewezen en was van oordeel dat de herhaalde in gebreke stellingen en verwittigingen duidelijk wezen op ontoelaatbaar gedrag van de heer J. dat de professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakte en het ontslag om dringende reden rechtvaardigde.

VORDERINGEN IN HOGER BEROEP

De heer J. is het niet eens met de uitspraak van de arbeidsrechtbank. Hij vordert dat het hof deze zou hervormen, de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond zou verklaren, dat het bijgevolg het UVC zou veroordelen de gevorderde opzeggingsvergoeding van 140.226,74 euro te betalen en de vergoedende en gerechtelijke intresten daarop evenals de kosten van het geding.

Het UVC vordert het hoger beroep onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en de heer J. te veroordelen tot de kosten.

BEOORDELING

I. ONTVANKELIJKHEID

Het UVC werpt op dat het hoger beroep niet ontvankelijk is daar in de akte van hoger beroep verschillende in het Frans gestelde passages zijn opgenomen, zonder vertaling ervan en zonder weergave van de inhoud ervan in het Nederlands, zodat deze akte strijdig is met art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en bijgevolg absoluut nietig is.

De heer J. brengt daartegen in dat de gevraagde sanctie onbetwistbaar zou leiden tot kennelijk volstrekt onredelijke gevolgen in vergelijking met het te bereiken normdoel.

Hij is van oordeel dat alle voor de regelmatigheid van de akte vereiste vermeldingen op grond van art 1057 Gerechtelijk Wetboek in de taal van de rechtspleging zijn gesteld, zo ook het onderwerp en de samenvatting van de middelen die hij inroept.

Verder stelt hij dat de aangehaalde passages in het Frans afkomstig zijn uit documenten die geïntimeerde aanvoert en geen deel uitmaken van zijn argumentatie, en louter als toelichting worden aangehaald, zodat dit niet tot nietigheid van de akte kan leiden.

UVC betoogt dat de passages deel uitmaken van de uiteenzetting ten gronde en essentieel zijn voor de beoordeling van het geschil dat betrekking heeft op een ontslag om dringende reden omwille van racistische uitlatingen van de heer J..

Dat wordt verwezen naar stukken gesteld in een andere taal doet daaraan volgens het UVC geen afbreuk.

Art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken bepaalt dat voor alle rechtscolleges in hoger beroep voor de rechtspleging de taal wordt gebruikt waarin de bestreden beslissing is gesteld.

De gedinginleidende akte, de andere akten van rechtspleging en de uitspraak van de rechter moeten integraal worden opgesteld in de voorgeschreven taal.

Volgens Art 40,1ste lid van diezelfde wet zijn de bepalingen van die wet voorgeschreven op straffe van nietigheid die van ambtswege door de rechter wordt uitgesproken.

Volgens het Hof van Cassatie wordt een akte van rechtspleging geacht integraal in de taal van de rechtspleging te zijn gesteld wanneer alle vermeldingen vereist voor de regelmatigheid ervan in die taal zijn gesteld. (zie o.m. Cass. 6-6-2008, AC 2008, nr 352; Cass. 26-9-2005, AC 2005, nr. 460;Cass.18-10-2004, AC 2004, nr.487; Cass. 22-4-2008, nr 242)

Dit wordt eveneens aangenomen indien van de aanhaling in een andere taal in de akte tevens de vertaling of de zakelijke inhoud ervan is weergegeven in de taal van de rechtspleging. (Cass. 29-9-2011, www.cass.be;Cass. 19-6-2009, www.juridat.be; Cass.14-4-2000, AC 2000 nr.255)

Art 1057,7° Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een akte van hoger beroep op straffe van nietigheid de uiteenzetting van de grieven moet vermelden waarop het hoger beroep steunt.

Volgens de rechtspraak van het Hof van Cassatie beslist de appellant zelf hoe gedetailleerd hij die grieven wenst weer te geven en maken de argumenten die ter ondersteuning van die grieven worden ingeroepen daar deel van uit zodat zij eveneens in de taal van de rechtspleging moeten worden gesteld. (Cass.16-11-2009, www.cass.be; Cass. 20-2-2009, www.cass.be; Cass.6-6-2008, www.cass.be; Cass.26-9-2005, www.cass.be; Cass. 18-10-2004, www.cass.be)

Volgens het Hof maken zelfs de feitelijke elementen die worden ingeroepen ter ondersteuning van de gegrondheid van een hoger beroep deel uit van de grieven die in het debat worden gebracht en moeten zij in de taal van de rechtspleging worden gesteld, zelfs indien ze als feiten worden aangewezen en niet als "grieven of middelen". (Cass.26-9-2005, www.cass.be)

Dit geldt niet voor vermeldingen die slechts toelichtingen zijn en geen grief noch een ondersteuning van de grief uitmaken. (Cass.20-2-2009, www.cass.be)

Met betrekking tot rechterlijke uitspraken besliste het Hof van Cassatie dat een citaat in een andere taal die enkel een toelichting was bij de uitspraak doch geen overweging waarop deze was gesteund niet door nietigheid was aangetast. (Cass. 22-4-2008, www.cass.be) Dit werd evenmin het geval geacht wanneer functiebenamingen in het Engels die in de onderneming werden gebruikt werden overgenomen zonder daarvan een vertaling toe te voegen. (Cass.7-3-2005, www.cass.be)

De eentaligheid geldt ook voor vermeldingen die niet op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven. De akte moet in zijn geheel begrijpelijk zijn voor wie de procestaal niet kent. (D.Lindemans, de eentalige akte in de Gerechtstaalwet, P&B 2008, 330)

Van de door de heer J. in het Frans aangehaalde zinsneden op p 1, 2 en 3 in het verzoekschrift tot hoger beroep, werd geen vertaling gegeven noch werd de zakelijke inhoud ervan weergegeven.

Enkele van de gewraakte citaten op p 1, 2 en 3 werden door de heer J. overgenomen uit stukken die uitgingen van geïntimeerde.

Op grond van art 8 van de wet van 15-6-1935 kan in het geval stukken en documenten in een andere taal worden voorgelegd in de loop van het geding een vertaling worden gevraagd. Die bepaling houdt geen verband met de akten van rechtspleging die op straffe van nietigheid in de taal van de rechtspleging moeten worden gesteld. (G.Closset-Marchal Considérations sur l'emploi des langues en matière judiciaire civile, TBBR 2011 p 206)

Indien van de aanhalingen op p 1 van het verzoekschrift in een andere taal dan die van de rechtspleging kan worden gesteld dat zij deel uitmaken van de tegen de heer J. ingeroepen dringende reden doch niet dienen ter ondersteuning van zijn argumentatie, kan dit in ieder geval niet worden gezegd van de aanhalingen in het Frans op p 2 en 3.

Op p 2 haalt de heer J. een gedeelte van een verklaring in het Frans van de heer A. aan, waaruit hij bepaalde gevolgtrekkingen afleidt.

De aanhaling uit een andere getuigenverklaring op p 3 van zijn verzoekschrift doet hem besluiten dat de opsteller van die verklaring, zelf geen getuige verder gaat dan de drie getuigenverklaringen. Hij acht het stuk niet dienend en voegt eraan toe dat het werd opgesteld "pour les besoins de la cause".

Het hof is van oordeel dat de passages op p 2 en 3 van het verzoekschrift niet louter illustratief zijn doch wel degelijk de argumentatie van de heer J. ondersteunen en worden aangehaald om zijn stelling kracht bij te zetten. Zij hadden bijgevolg in de taal van de rechtspleging moeten worden gesteld daar zij deel uitmaken van de grieven die in het debat zijn, waarvan geïntimeerde kennis diende te nemen en waarop het hof moet antwoorden.

Nu die zinsneden niet werden vertaald en de zakelijke inhoud ervan niet werd weergegeven, heeft dit de nietigheid van het verzoekschrift voor gevolg, bij toepassing van art 40,1ste lid van de taalwet gerechtszaken.

De in art 40 voorziene nietigheid betreft de vorm en de inhoud van de akte.

(Cass.22-1-1988, AC 1987-88;645; Cass. 13-2-1984, AC 1983-84, 720)

De heer J. lijkt te menen dat de nietigheid moet onderzocht worden in het licht van de bepalingen van art 860 tot 867 Gerechtelijk Wetboek.

De schending van de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken is niet opgenomen in art 862§1 Gerechtelijk Wetboek en art 867 is er niet op van toepassing.(G.Closset-Marchal o.c. p 209 en verwijzingen onder noot 56; G.de Leval, Eléments de procédure civile. Fac.Dr.Liège, Larcier 2005, nr.48 en verwijzingen onder noot 13) bij nr. 38)

Het Hof van Cassatie oordeelde dat de nietigheid ambtshalve moet worden vastgesteld en een belangenschade is niet vereist. (Cass. 9-6-1999, Pas. I nr. 344)

De sanctie is inderdaad vergaand, indien men er rekening mee houdt dat tal van stukken uitgaande van UVC in het Frans zijn gesteld en de passages uit die stukken zijn overgenomen, doch de wet van 15 juni 1935 belangt de openbare orde aan zoals herhaaldelijk door het Hof van Cassatie bevestigd.(Cass. 16-11-2009, www.cass.be; Cass.6-6-2008, www.cass.be; Cass. 26-9-2005, A.C.2005, nr.460; Cass. 18-10-2004, AC 2004 nr. 487)

Dit treft alle bepalingen van de wet, ongeacht of ze verband houden met de rechterlijke organisatie of met de rechtspleging. (G.Closset-Marchal, p 20)

Zij steunt voornamelijk op redenen van algemeen belang die verband houden met de politieke en de taalkundige organisatie van het land en slechts bijkomend de zorg voor de bescherming van de private belangen van de partijen, in het bijzonder deze van de verweerder.

De nietigheid van het verzoekschrift brengt met zich mee dat het hoger beroep onontvankelijk is.

Art 40 van de taalwet gerechtszaken van 15-6-1935 bepaalt echter dat de nietigverklaarde akte stuitende werking heeft op de verjaring en de termijnen voorgeschreven op straffe van verval, wat de gevolgen van de sanctie tempert.

Het hof is van oordeel dat de rechtsplegingvergoeding op het minimumbedrag kan worden vereffend.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak;

Verklaart het verzoekschrift tot hoger beroep nietig,

Verklaart het hoger beroep bijgevolg onontvankelijk.

Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de heer J.

De kosten werden begroot :

Door appellant op :

- 1.100 euro rechtsplegingvergoeding hoger beroep

Door geïntimeerde op :

- 5.500 euro rechtsplegingvergoeding hoger beroep

Het hof vereffent ze op het minimumbedrag van 1.100 euro .

Aldus gewezen door de derde kamer en ondertekend door:

G. Balis, kamervoorzitter;

J. Lindemans, raadsheer in sociale zaken, als werkgever;

S. Marchand, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-

bediende;

Bijgestaan door

K. Maes, afgevaardigd griffier.

G. Balis K. Maes

J. Lindemans S. Marchand

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het arbeidshof te Brussel op negentien juni tweeduizend en twaalf door :

G. Balis kamervoorzitter

Bijgestaan door

K. Maes afgevaardigd griffier.

G. Balis K. Maes

Vrije woorden

  • TAALWET IN GERECHTSZAKEN

  • Nederlandstalige akte van hoger beroep met passages in de Franse taal

  • Nietigheid van de akte.