- Arrest van 21 juni 2012

21/06/2012 - 2011/AB/770

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een arbeidsrelatie in ondergeschikt verband kan niet voorhanden zijn tussen een vennootschap en de persoon die de hoofdaandeelhouder is van de vennootschap, zelfs indien hij niet de zaakvoerder is van de vennootschap. Als enige aandeelhouder die de facto de bevoegdheden uitoefent van de algemene vergadering, kan deze persoon immers op ieder ogenblik een algemene vergadering samenroepen en een einde stellen aan het mandaat van de zaakvoerder die het feitelijk werkgeversgezag zou uitoefenen. Aldus zou hij idere instructie die hem door de zaakvoerder zou gegeven zijn, teniet kunnen doen.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr. 2012/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 21 JUNI 2012

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - bijdragen werkgevers

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 2°, Ger. W.)

in de zaak:

E.L. , appellant, vertegenwoordigd door mr. DRAUWLANS loco mr. DURNEZ Johan, advocaat te 3050 OUD-HEVERLEE, Waversebaan 134 A

tegen:

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein, 11, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. DE KERPEL S. loco mr. DERVEAUX Pieter, advocaat te 1930 ZAVENTEM, Parklaan 54

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 24-06-2011 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 27e kamer (A.R. 8613/10),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 18 augustus 2011,

de neergelegde conclusies,

het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 3 mei 2012,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 26 april 2012, waarna de debatten werden gesloten, het openbaar ministerie zijn schriftelijk advies heeft neergelegd, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gezet op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De heer E.L. was als werknemer ingeschreven bij de vennootschap bvba Masterdal in de periode van 8 maart 2000 tot en met 19 mei 2002 en daarna van 4 februari 2003 tot en met 20 januari 2005.

De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening stelde een onderzoek in naar het recht op werkloosheidsuitkeringen van de heer E.L. tijdens verschillende periodes van tijdelijke werkloosheid. Op basis van de gegevens, verzameld in het kader van dit onderzoek, heeft de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening een onderzoek gevraagd bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid kwam tot de bevinding dat de heer E.L. ten onrechte onderworpen werd aan de sociale zekerheid van de werknemers. Als enige vennoot van de bvba Masterdal kon hij immers, aldus de Rijksdienst, geen prestaties verricht hebben onder het gezag van een werkgever.

2.

Aan de heer E.L. werd een eerste schrijven gericht op 18 augustus 2005 waarbij de inschrijving als werknemer voor de periode van 8 maart 2000 tot en met 19 mei 2002 geannuleerd werd. De heer E.L. stelt dit schrijven nooit ontvangen te hebben. Een tweede schrijven werd hem gericht op 19 december 2006, waarbij de inschrijving als werknemer geannuleerd werd voor de periode van 4 februari 2003 tot en met 20 januari 2005.

3.

Bij dagvaarding van 3 juni 2010 vorderde de heer E.L. de vernietiging van de beslissing van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van 18 augustus 2005 tot schrapping van zijn prestaties bij de bvba Masterdal voor de periode van 4 februari 2003 tot en met 20 januari 2005.

Bij vonnis van 24 juni 2011, dat niet betekend werd, heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de vordering als ongegrond afgewezen.

4.

Bij verzoekschrift van 18 augustus 2011 heeft de heer E.L. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het beroep is regelmatig naar de vorm. Het werd tijdig ingesteld en is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

De heer E.L. roept in de eerste plaats in dat de beslissing van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, waarbij hij onttrokken werd aan het toepassingsgebied van de sociale zekerheid van de werknemers, hem nooit ter kennis gebracht werd. Hij roept verder in dat hij nooit gehoord werd door de inspecteurs van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, die het onderzoek uitvoerden. Volgens de heer E.L. heeft hij in werkelijkheid steeds arbeid verricht in ondergeschikt verband en waren het Eddy E.L. (zijn vader) en Harald E.L., die de feitelijke leiding van de firma in handen hadden. Hij wijst erop dat hij bij de oprichting van de firma slechts 16 jaar oud was. In ondergeschikte orde stelt de heer E.L. dat hij op 14 oktober 2003 60% van zijn aandelen overdroeg aan Eddy L. zodanig dat hij geen hoofdaandeelhouder van de firma meer was, en dat het perfect mogelijk was dat hij vanaf die datum prestaties verrichtte onder het gezag van de zaakvoerder.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

2.

Volgens de dagvaarding, die hij uitbracht, betwist de heer E.L. de beslissing van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid waarbij hij onttrokken werd aan het toepassingsgebied van de sociale zekerheid van de werknemers voor de periode van 4 februari 2003 tot en met 20 januari 2005. Hij situeert daarbij deze beslissing op de datum van 18 augustus 2005. In werkelijkheid werd op deze datum de beslissing ter kennis gebracht waarbij hij uit het toepassingsgebied van de sociale zekerheid werd gesloten voor de periode van 8 maart 2000 tot en met 19 mei 2002. De uitsluiting voor de periode van 4 februari 2003 tot en met 20 januari 2005 werd ter kennis gebracht bij schrijven van 19 december 2006.

Het is mogelijk dat de heer E.L. inderdaad de beslissing van 18 augustus 2005 niet ontvangen heeft, omdat hij op dat ogenblik in het buitenland verbleef, en geen adres had nagelaten. De tweede beslissing van 19 december 2006 werd wel degelijk op zijn wettelijke verblijfplaats betekend.

Het is echter zonder praktisch belang of de heer E.L. al dan niet de kennisgeving van 18 augustus 2005 ontvangen heeft. In zijn dagvaarding betwist hij de beslissing waarbij hij uitgesloten werd uit de sociale zekerheid voor de periode van 4 februari 2003 tot en met 20 januari 2005. Daaruit volgt dat hij minstens op het ogenblik dat hij de procedure inleidde, kennis had van het feit dat hij voor deze periode uitgesloten werd uit de sociale zekerheid van de werknemers. In feite had de heer E.L. minstens sinds 27 februari 2007 kennis van deze beslissing, ingevolge het schrijven dat hij ontving van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening waarbij hem het recht op werkloosheidsuitkeringen ontzegd werd, met verwijzing naar de beslissing van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van 19 december 2006.

3.

De omstandigheid dat de heer E.L. niet gehoord werd in het kader van het onderzoek uitgevoerd door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, is eveneens zonder belang voor de beoordeling van de betwisting. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid heeft de heer E.L. immers uitgesloten op basis van de vaststelling dat hij in de betwiste periode de enige aandeelhouder was van de vennootschap, en aldus geen prestaties kon leveren onder het gezag van de vennootschap. De omstandigheid dat de heer E.L. de enige aandeelhouder was van de vennootschap wordt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid afgeleid uit een notariële akte van 13 oktober 2003, wettelijk gepubliceerd, waaruit blijkt dat de heer E.L., bij een wijziging van de statuten van de vennootschap als enig aandeelhouder verscheen.

4.

De heer E.L. bewijst niet dat hij vanaf 14 oktober 2003 60% van de aandelen van de vennootschap overdroeg aan zijn vader. Hij legt daarvoor geen enkel stuk voor. Zijn stelling dat hij, als gevolg van het faillissement van de vennootschap, niet in de mogelijkheid is om de overdracht van aandelen te bewijzen omdat hij niet meer beschikt over het aandelenregister, is niet overtuigend. Het blijkt niet dat de heer E.L. ooit aan de curator gevraagd heeft om kennis te kunnen nemen van het aandelenregister van de vennootschap. Het is overigens ten zeerste merkwaardig dat de heer E.L. zich op 13 oktober 2003 als enige aandeelhouder kenbaar maakt bij een wijziging van de statuten, terwijl hij de dag daarop de meerderheid van de aandelen zou overdragen aan een derde.

5.

De heer E.L. kan niet betwisten, en doet dat in feite ook niet, dat hij in de periode, die het voorwerp uitmaakt van de betwisting, de enige aandeelhouder was van de vennootschap. Zulks wordt bewezen door de notariële akte van 13 oktober 2003. De heer E.L. kon overigens niet, zoals hij beweert maar niet aantoont, 60% van de aandelen van de vennootschap overdragen aan een derde wanneer hij geen meerderheidsaandeelhouder was.

Om de redenen, door de eerste rechter uiteengezet met verwijzing naar een constante rechtspraak en rechtsleer en waarnaar het hof verwijst, kan niet aanvaard worden dat een arbeidsrelatie voorhanden is tussen een vennootschap en de persoon die de hoofdaandeelhouder is van de vennootschap, zelfs indien hij niet de zaakvoerder is van de vennootschap. Als alleenaandeelhouder, die de facto de bevoegdheden uitoefent van de algemene vergadering, kan deze persoon immers op ieder ogenblik een algemene vergadering van de vennootschap samenroepen en een einde stellen aan het mandaat van de zaakvoerder, die het feitelijk werkgeversgezag zou uitoefenen. Aldus zou hij iedere instructie die hem door de zaakvoerder zou gegeven zijn, teniet kunnen doen.

Deze vaststelling en conclusie wordt niet tegengesproken door het feit dat in het vonnis van de correctionele rechtbank te Hasselt van 30 januari 2009, gewezen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek lastens Eddy E.L. en Harald E.L., vastgesteld wordt dat deze personen verklaarden de effectieve leiding gehad te hebben van de bvba Masterdal. Deze verklaringen werden afgelegd in het kader van een onderzoek naar een frauduleus faillissement en het onttrekken van activa aan de gefailleerde vennootschap. Uit deze verklaringen blijkt niet dat deze personen een effectief werkgeversgezag zouden uitgeoefend hebben over de heer E.L..

6.

Het vonnis van de eerste rechter dient dan ook bevestigd te worden.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt de heer E.L. tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot in hoofde van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op 160,36 euro .

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Christian LAURIERS, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Hendrik VERMEERSCH, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Hendrik VERMEERSCH

Christian LAURIERS Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 21 juni 2012 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Vrije woorden

  • SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS

  • ALGEMENE REGELING

  • Onderwerping

  • Ondergeschikt verband

  • Hoofdaandeelhouder of enige aandeelhouder.