- Arrest van 3 september 2012

03/09/2012 - 2011/AB/944

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Door te beweren dat «er talrijke voorzieningen voor psychiatrische patiënten in de gezondheidszorg zijn», dat «er alternatieve gelijkaardige voorzieningen» of «pilootprojecten zijn», levert het Vlaams Fonds het bewijs niet dat de persoon met een handicap krachtens een andere wettelijke of reglementaire bepaling een schadeloosstelling krijgt voor de dekking van dezelfde schade en op grond van dezelfde handicap.


Arrest - Integrale tekst

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 3 SEPTEMBER 2012.

5DE KAMER

Not. 582 1° Ger. W.

Tegemoetkomingen mindervaliden

Tegensprekelijk

Definitief

In de zaak:

HET VLAAMS FONDS VOOR SOCIALE INTEGRATIE VAN PERSONEN MET EEN HANDICAP, met burelen gevestigd te 1210 BRUSSEL, Sterrekundelaan 30.

Appellant, vertegenwoordigd door Mr K. DEMEESTER, advocaat te Mariakerke.

Tegen:

DE SCHRYVER Andreas, advocaat te 3000 LEUVEN, Vital Decosterstraat 46 b.6, handelend in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van de heer S. C.,.

Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr I. BRANTS loco Mr A. DE SCHRYVER, advocaat te Leuven.

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Leuven op 13 december 2002;

- het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 17 januari 2003;

- de weglating van de rol dd. 14 december 2007;

- het verzoek tot herinschrijving van de zaak dd. 11 oktober 2011;

- de conclusies van de partijen;

Gelet op de door partijen neergelegde stukken.

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 4 juni 2012 waarna de debatten gesloten werden.

Gelet op schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie ontvangen ter griffie op 18 juni 2012.

Gelet op de repliekconclusie van de appellante partij, ontvangen ter griffie op 31 juli 2012 waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

 

I. FEITEN

De heer Andreas De Schrijver werd door de Vrederechter van het tweede kanton Leuven met vonnis van 27 maart 2000 aangesteld als voorlopig bewindvoerder van de heer C. S..

Het staat niet ter discussie dat de heer S. licht mentaal gehandicapt is en een borderline persoonlijkheid vertoont. De heer S. vertoont ernstige gedragsproblemen, meer bepaald roekeloosheid, beperkt normen- en waardenbesef, impulsiviteit en agressiviteit bij gebrek aan structuur en intense begeleiding, zwakke sociale vaardigheden en perceptie.

Op 25 september 2000 vroeg de heer S. aan het Vlaams Agentschap voor sociale integratie van personen met een handicap, thans Vlaams Agentschap voor personen met een handicap (hierna genoemd het Vlaams Agentschap) om in aanmerking te komen voor de toekenning van een persoonlijk assistentiebudget (PAB). Deze vraag werd ondersteund dor een op 24 januari 2001 ingediende gemotiveerde aanvraag.

Met aangetekende brief van 31 juli 2001 meldde het Vlaams Agentschap aan de heer S. dat de deskundigencommissie in haar vergadering van 16 juli 2001 had beslist hem geen PAB toe te kennen, op grond van volgende motivering:

"Op basis van uw handicap kan u geen beroep doen op een zorgvorm van het Vlaams Agentschap waaronder PAB."

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Leuven op 17 augustus 2001, tekende de heer De Schrijver in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van de heer S. beroep aan tegen de beslissing van het Vlaams Agentschap, ter kennis gebracht van de heer S. met aangetekende brief van 31 juli 2001.

Hij vorderde dat de arbeidsrechtbank de beslissing van de deskundigencommissie van het Vlaams Agentschap zou vernietigen en zou zeggen voor recht dat aan de heer S. een PAB dient te worden toegekend.

Hij vorderde tevens dat het Vlaams Agentschap zou worden veroordeeld tot de kosten van geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, en dat het tussen te komen vonnis uitvoerbaar zou worden verklaard zonder enige reserve.

b.-

Met vonnis van 13 december 2002 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk en zij vernietigde de beslissing van het Vlaams Agentschap van 31 juli 2001. Alvorens verder recht te doen werden de debatten heropend om het Vlaams Agentschap toe te laten opnieuw standpunt in te nemen met betrekking tot de gestelde zorgvraag, rekening houdend met wat werd gesteld in het motiverend gedeelte van het vonnis.

d.-

Het vonnis werd ter kennis van partijen gebracht met gerechtsbrief van 18 december 2002.

e.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 17 januari 2003, tekende het Vlaams Agentschap beroep aan tegen dit vonnis. Het vorderde dat het arbeidshof dit vonnis zou hervormen, de oorspronkelijke vordering zou afwijzen als ongegrond, en de bestreden beslissing van 31 juli 2001 zou bevestigen.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld zodat het ontvankelijk is.

IV. BEOORDELING

a.-

Het Vlaams Agentschap besliste aan de heer S. geen PAB toe te kennen, zo blijkt uit de bestreden beslissing waarvan kennis werd gegeven met aangetekende brief van 31 juli 2001, ‘op grond van zijn handicap'.

Uit het verzoekschrift hoger beroep blijkt dat het Vlaams Agentschap in dat verband argumenteert, op grond van artikel 6 van het decreet van 27 juni 1990 houdende oprichting van het Vlaams Fonds, thans Vlaams Agentschap, dat zij met betrekking tot personen die getroffen zijn door een psychiatrische problematiek enkel voorziet in tewerkstellingsmaatregelen, doch dat voor de zorgvoorzieningen deze personen zich moeten wenden tot de gezondheidssector. Het Vlaams Agentschap zou met andere woorden ten opzichte van psychiatrische patiënten slechts een residuaire bevoegdheid hebben.

b.-

Opgemerkt moet vooreerst worden dat het Vlaams Agentschap niet kan betwisten en klaarblijkelijk ook niet betwist dat de heer S. onder het toepas-singsgebied van voornoemd decreet valt. Inderdaad maakt artikel 2 § 2, 10 van het decreet duidelijk dat voor de toepassing van het decreet onder ‘handicap' wordt verstaan, elke langdurige en belangrijke beperking van de kansen tot sociale integratie ten gevolge van een aantasting van de mentale, psychische, lichamelijke of zintuigelijke mogelijkheden.

Ten onrechte beroept het Vlaams Agentschap zich op de parlementaire voorbereiding van het decreet om te stellen dat het niet de bedoeling van de decreetgever was dat psychiatrische patiënten steeds in aanmerking zouden komen voor bijstand vanwege het Vlaams Agentschap.

De parlementaire voorbereiding van een wet kan inderdaad niet worden aangevoerd tegen de klare en duidelijke tekst ervan.

(Cass. 21 februari 1967, Arr. Cass. 1966-67, 789; Cass. 22 december 1994, Arr. Cass. 1994, 1149; Cass. 30 juni 2006, C.050117.F)

Aanvaard moet worden dat een gelijkaardige regel ook geldt bij een beroep op parlementaire voorbereiding van een decreet.

In voorliggende betwisting is de tekst van het decreet van 27 juni 1990 klaar en duidelijk, zodat met de parlementaire voorbereiding van dit decreet geen rekening moet worden gehouden.

c.-

Artikel 6 van het decreet van 27 juni 1990 bepaalt dat de persoon met een handicap geen tegemoetkoming krijgt van het Vlaams Agentschap als hij krachtens een andere wettelijke of reglementaire bepaling, met uitzondering van het decreet houdende organisatie van de zorgver-zekering, of krachtens gemeen recht, al een schade-loosstelling heeft gekregen voor de dekking van dezelfde schade en op grond van dezelfde handicap.

Indien het Vlaams Agentschap voorhoudt dat de heer S. op grond van een andere wettelijke of reglementaire bepaling een schadeloosstelling krijgt ter dekking van dezelfde schade en op grond van dezelfde handicap, dient het Agentschap met toepassing van de algemene bewijsregeling het bewijs te leveren van haar bewering.

Naar het oordeel van het arbeidshof levert het Agentschap dit bewijs niet.

Samen met openbaar ministerie stelt het arbeidshof dat de vage want niet gespecificeerde beweringen van het Vlaams Agentschap dat er ‘talrijke voorzieningen voor psychiatrische patiënten in de gezondheidszorg zijn', of dat er ‘alternatieve gelijkaardige voorzieningen' zijn, niet op afdoende wijze aantonen dat de heer S. reeds een schadeloosstelling krijgt of zou kunnen krijgen ter dekking van dezelfde schade en op grond van dezelfde handicap.

Ook de verwijzing naar ‘pilootprojecten' is geen bewijs: het feit zelf dat het zou gaan om ‘pilootprojecten' geeft reeds aan dat het hier niet gaat over structurele alternatieven.

d.-

Samengevat betekent dit dat de beslissing van (de deskundigencommissie van) het Vlaams Agentschap een onwettige beslissing is, daar het ingeroepen argument als zou de heer S. geen recht hebben op het gevraagde PAB op grond van zijn handicap, geen steun vindt in de wet.

De beslissing van het Vlaams Fonds, thans Vlaams Agentschap dient dan ook te worden vernietigd.

e.-

Het staat niet ter discussie dat de toekenning van een PAB behoort tot de discretionaire bevoegdheid van (de deskundigencommissie) van het Vlaams Agentschap.

Bij de beoordeling van een beslissing die genomen wordt in kader van een discretionaire bevoegdheid, kan de rechter wel de beslissing kan vernietigen indien zij onwettig is, doch zich in principe niet in de plaats kan stellen van het bestuur en zelf een nieuwe beslissing nemen.

(vgl. Cass. 2 februari 1998, Soc. Kron. 1998, 172; Cass. 17 december 2001, J.T.T. 2002, 17, concl. eerste adv.-gen. Leclercq)

Wanneer een beslissing genomen wordt door een orgaan in het kader van een aan dit orgaan toegekende discretionaire bevoegdheid, is de bevoegdheid van de rechter beperkt: de beslissing van de rechter mag er niet toe leiden dat de discretionaire bevoegdheid van de administratie wordt beperkt vermits anders het principe van de scheiding van de machten zou worden miskend. De rechter mag bijgevolg enkel de wettigheid van de beslissing onderzoeken.

(vgl. M. Delange, Les pouvoirs du juge dans le droit de la sécurité sociale, CUP, Université de Liège, 2002, 83, met verwijzingen)

Het onderzoek van de wettigheid van de beslissing heeft zowel betrekking op de externe wettigheid van de hande-ling, meer bepaald de bevoegdheid van degene die de beslissing heeft genomen en de naleving van vormvoor-schriften die op straffe van nietigheid zijn voorgeschre-ven, als op de interne wettigheid, meer bepaald machts-afwending, fouten in feite of in rechte en dergelijke.

(vgl. Cass. 7 november 1975, RCJB 1977, 417, noot A. Vanwelkenhuyzen)

Bij beslissingen genomen in het kader van een discre-tionaire bevoegdheid kan de rechterlijke macht enkel een rechtmatigheidscontrole doorvoeren, zonder de elementen 'doelmatigheid ' of 'opportuniteit' te mogen beoordelen, en wordt tevens aanvaard dat de rechter een marginale toetsing kan doorvoeren, waarbij hij zich niet mag mengen in het beleid dat het bestuur voert, maar wel kan ingrijpen bij kennelijke onrede-lijkheid, dit is wanneer het bestuur niet in rede-lijkheid tot de genomen beslissing is kunnen komen.

(vgl. J. Put, Discretionaire bevoegdheden in het socialezekerheidsrecht, in D. Simoens, D. Pieters, J. Put, P. Schoukens, Y. Stevens (eds.), Sociale zekerheid in vraagvorm, Liber Amicorum Jef Van Langendonck, Intersentia, Antwerpen - Oxford, 2005, 352)

Het arbeidshof verwijst het dossier gelet op wat voor-afgaat terug naar (de deskundigencommissie van) het Vlaams Agentschap, opdat dit in het kader van de toegekende bevoegdheden en rekening houdend met wat in dit arrest werd uiteengezet, een nieuwe beslissing zou nemen.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Gezien het schriftelijk advies van mevrouw B. Stroobant, gedelegeerd Substituut-arbeidsauditeur;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis in de mate dat het beslissing van het Vlaams Fonds (thans Vlaams Agentschap) van 31 juli 2001 vernietigde;

Trekt de zaak aan zich en verwijst het dossier terug naar (de deskundigencommissie van) het Vlaams Agentschap, opdat dit in het kader van de toegekende bevoegdheden en rekening houdend met wat in dit arrest werd uiteengezet, een nieuwe beslissing zou nemen;

Veroordeelt het Vlaams Agentschap tot de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van beide partijen vereffend op 120,25 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank en 160,36 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof.

Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

Mr. D. RYCKX: Raadsheer,

P. HAINE: Raadsheer in Sociale Zaken als zelfstandige,

J.-P. VAN CONINGSLOO : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider,

En bijgestaan door :

D. DE RAEDT : Griffier,

P. HAINE J.P. VAN CONINGSLOO

D. DE RAEDT D. RYCKX

De heer J.P. VAN CONINGSLOO, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen.

Overeenkomstig art. 785 Ger. Wb. wordt het arrest ondertekend door Mr D. RYCKX, Raadsheer en Mr P. HAINE, Raadsheer in sociale zaken als zelfstandige.

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 3 september 2012 door de heer D. RYCKX, Raadsheer, en bijgestaan door D. DE RAEDT, Griffier,

D. DE RAEDT D. RYCKX

Vrije woorden

  • SOCIALE VOORZORG

  • SOCIALE RECLASSERING VAN DE MINDER-VALIDEN

  • Gehandicapten

  • Aanvraag tot het toekennen van een persoonlijk assistentiebudget

  • Voorwaarde

  • Bewijs

  • Weigering door het Vlaams Fonds voor sociale integratie van personen met een handicap.