- Arrest van 6 september 2012

06/09/2012 - 2010/AB/180

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer Poolse arbeidskrachten via een vennootschap in Cyprus aan een andere vennootschap in Nederland als bemanningsleden van een schip worden aangeworven maar eigenlijk enkel om als arbeiders herstellingswerkzaamheden aan dat schip in België uit te voeren en niet om een maritieme functie uit te oefenen, en dit wordt toegegeven als zijnde een «constructie», dan is er wetsontduiking evenals een verboden terbeschikkingstelling. Het verbod op terbeschikkingstelling is objectief noodzakelijk om de naleving van een doelstelling van algemeen belang, nl. de bescherming van de ter beschikking gestelde werknemers en de waarborg van het Belgische stelsel van sociale zekerheid; het is dan ook niet strijdig met het vrij verkeer van diensten binnen de Europese Unie.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 SEPTEMBER 2012

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - bijdragen werkgevers

tegensprekelijk

definitief

in de zaak:

OCEANWIDE MARINE SERVICES B.V., met maatschappelijke zetel te Bellamypark, 11, 4381CG VLISSINGEN (NEDERLAND), appellante, vertegenwoordigd door mr. VAN HOOYDONK Eric, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Emiel Banningstraat 23,

tegen:

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein, 11, geïntimeerde,vertegenwoordigd door mr. VAN LANGENDONCK Anne, advocaat te 1060 BRUSSEL, Berckmansstraat 83.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het arrest alvorens recht te doen van dit arbeidshof en deze kamer van 7 april 2011,

het arrest alvorens recht te doen van dit arbeidshof en deze kamer van 19 januari 2012,

de neergelegde conclusies,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies opnieuw uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 14 juni 2012, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. VOORGAANDE RECHTSPLEGING VOOR HET ARBEIDSHOF

a.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 28 februari 2010, tekende de vennootschap naar Nederlands recht Oceanwide Marine Services BV (hierna genoemd de BV), hoger beroep aan tegen het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Brussel van 19 juni 2009, waarbij de vorderingen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (hierna genoemd de RSZ) ontvankelijk en gegrond werden verklaard en de BV werd veroordeeld tot betaling aan de RSZ van:

op grond van het rekeninguittreksel 61 van 27 juli 2007: 86.558,17 EUR socialezekerheidsbijdragen, 11.010,80 bijdrageopslagen en 11.540,29 EUR intrest, te verhogen met de wettelijke intrest op 86.558,17 EUR vanaf 28 juli 2007

op grond van het rekeninguittreksel 62 van 25 september 2007: 32.820,68 EUR socialezekerheidsbijdragen, 11.010,80 EUR bijdrageopslagen en 4.945,89 EUR intrest, te verhogen met de wettelijke intrest op 32.820,68 EUR vanaf 26 september 2007

op grond van het rekeninguittreksel 63 van 27 november 2007: 22.900,18 EUR socialezekerheidsbijdragen, 2.290,01 EUR bijdrageopslagen en 2.654,01 EUR intrest, te verhogen met de wettelijke intrest op 22.900,18 EUR vanaf 28 november 2007.

De BV werd tevens veroordeeld tot de kosten van het geding.

b.-

Met eerste arrest van 7 april 2011 verklaarde het arbeidshof het hoger beroep ontvankelijk.

Het arbeidshof bevestigde het bestreden vonnis reeds in de mate dat het oordeelde dat de oorspronkelijke vorderingen van de RSZ ontvankelijk waren.

Alvorens verder recht te doen heropende het arbeidshof de debatten teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen in te nemen over de volgende vragen:

kan in de feitelijke situatie tussen partijen sprake zijn van wetsontduiking?

mocht dit het geval zijn, wat zijn hiervan de gevolgen?

De beslissing omtrent de kosten werd aangehouden.

c.-

Met tweede arrest van 19 januari 2012 oordeelde het arbeidshof dat in de constructie die mede door de BV werd uitgevoerd, sprake was van wetsontduiking, zodat deze constructie opzij kan worden geschoven voor de werkelijke toestand, te weten de uitvoering van werken op Belgisch grondgebied. Het arbeidshof oordeelde dat in die omstandigheden niet nader diende te worden ingegaan op de door de BV ontwikkelde argumentatie met betrekking tot de de toepasselijkheid van het zeerecht, de nationaliteit van een schip, de bevoegdheid van de vlagstaat, het nationale socialezekerheidsrecht en arbeidsrecht van toepassing op zeelieden en de beperkte mogelijkheid om aan boord van schepen inspecties te verrichten.

Verder stelde het arbeidshof vast dat de RSZ niet en alleszins niet op afdoende wijze aantoont dat er een arbeidsovereennkomst bestond tussen de BV en de op de schepen tewerkgestelde personen, en evenmin dat de BV loon betaalde.

Alvorens verder recht te doen heropende het arbeidshof voor de tweede maal de debatten teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen over de vraag of in voorliggende betwisting sprake is van een verboden terbeschikkingstelling, meer bepaald de terbeschikkingstelling door de in Limassol (Cyprus) gevestigde Oceanwide International Ltd van door deze vennootschap in dienst genomen werknemers aan de BV Oceanwide Marine Services.

De beslissing omtrent de kosten werd aangehouden.

IV. VERDERE BEOORDELING

Vooraf

Het arbeidshof herneemt voor een goed begrip wat reeds werd gesteld in het arrest van 19 januari 2012 met betrekking tot de mogelijke verboden terbeschikkingstelling en de gevolgen hiervan.

"Artikel 31 § 1 eerste lid van de Uitzendarbeidwet bepaalt dat verboden is, de activiteit die buiten de regeling voor tijdelijke arbeid of uitzendarbeid in dezelfde wet, door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon wordt uitgeoefend om door hen in dienst genomen werknemers ter beschikking te stellen van derden die deze werknemers gebruiken en over hen enig gedeelte van het gezag uitoefenen dat normaal aan de werkgever toekomt.

Artikel 31 § 3 van de Uitzendarbeidwet bepaalt verder dat wanneer een gebruiker arbeid laat uitvoeren door werknemers die te zijner beschikking worden gesteld, in strijd met de bepaling van artikel 31 § 1, die gebruiker en die werknemers beschouwd worden als verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd vanaf het begin der uitvoering van de arbeid.

Artikel 31 § 4 van de Uitzendarbeidwet maakt dat de gebruiker en de (natuurlijke of rechts-) persoon die werknemers ter beschikking stelt van de gebruiker in strijd met artikel 31 § 1, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor onder andere de socialezekerheidsbijdragen.

Het verbod op terbeschikkingstelling van werknemers in de zin van artikel 31 § 1 van de Uitzendarbeidwet is echter niet absoluut.

Inderdaad bepaalt artikel 32 van de Uitzendarbeidwet onder welke voorwaarden een werkgever, naast zijn gewone activiteiten, zijn vaste werknemers ter beschikking kan stellen van een gebruiker.

Het arbeidshof is van oordeel dat met het oog op een correcte rechtsbedeling en mede in acht genomen het recht op verdediging, partijen de gelegenheid moet worden geboden standpunt in te nemen over de vraag of in voorliggende betwisting sprake is van een verboden terbeschikkingstelling, meer bepaald de terbeschikkingstelling door de in Limassol (Cyprus) gevestigde Oceanwide International Ltd van door deze vennootschap in dienst genomen werknemers, aan de BV Oceanwide Marine Services.

Thans reeds merkt het arbeidshof op dat wanneer sprake zou zijn van verboden terbeschikkingstelling, de gebruiker van de op de schepen Rembrandt van Rijn en Mondriaan tewerkgestelde personen, met deze personen verbonden is door een arbeidsovereenkomst en samen met de Cypriotische werkgever aansprakelijk voor de betaling van onder andere socialezekerheidsbijdragen."

De toepasselijkheid van artikel 31 § 1 van de Uitzendarbeidwet

a.-

Ten onrechte stelt de BV dat het verbod op de terbeschikkingstelling van werknemers van artikel 31 § 1 van de Uitzendarbeidwet in voorliggende betwisting niet van toepassing is, daar dit verbod enkel geldt voor Belgische werkgevers.

Voor de toepassing van de Wet van 5 maart 2002 tot omzetting van de richtlijn nr. 96/71 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot invoering van een vereenvoudigd stelsel betreffende het bijhouden van sociale documenten door ondernemingen die in België werknemers ter beschikking stellen bepalen de artikels 2 tot 4 van deze wet dat onder werkgever wordt verstaan de natuurlijke personen of rechtspersonen die werknemers ter beschikking stellen in België, dit wil zeggen dat zij arbeidsprestaties laten verrichten in België door personen die hetzij gewoonlijk werken op het grondgebied van één of meer andere landen dan België, hetzij zijn aangeworven in een ander land dan België.

In voorliggende betwisting werden de werknemers aangeworven in Cyprus, zodat voornoemde Wet van 5 maart 2002 van toepassing is.

Met toepassing van de artikels 5 en 7 van de Wet van 5 maart 2002 moet de werkgever die een in België ter beschikking gestelde werknemer tewerkstelt, voor de arbeidsprestaties die er worden verricht de arbeids-, loon- en tewerkstellingsvoorwaarden na te leven die bepaald worden door wettelijke, bestuursrechtelijke of conventionele bepalingen die strafrechtelijk beteugeld worden.

Uit de parlementaire voorbereiding van de wet blijkt dat met wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen wordt bedoeld, bepalingen die strafrechtelijk worden beteugeld, onder andere de Uitzendarbeidwet.

(Memorie van toelichting, Parl. St. Kamer 2001-02, nr. 1441/001, 19)

Gelet op wat voorafgaat is de Uitzendarbeidwet, met inbegrip van het verbod tot ter beschikkingstelling van artikel 31 § 1 ervan, wel degelijk van toepassing op de ter beschikkingstelling van in Cyprus aangeworven werknemers die arbeidsprestaties verrichten in België.

b.-

Met betrekking tot de toepasselijkheid van artikel 31 § 1 van de Uitzendarbeidwet argumenteert de BVBA verder dat de nietigheidssanctie enkel geldt wanneer de werknemers in dienst worden genomen met de uitdrukkelijke bedoeling ter beschikking te worden gesteld van de gebruiker.

Het arbeidshof stelt vast dat uit de stukken van het dossier, meer bepaald zowel het Nederlandse als het Belgische onderzoek, duidelijk blijkt dat de aanwerving door de Cypriotische vennootschap Oceanwide Ltd enkel gebeurde met het oog op de ter beschikkingstelling aan een andere vennootschap.

Het arbeidshof verwijst hierbij naar wat reeds werd gesteld in het arrest van 7 april 2011 onder V.a, en tevens naar de conclusie van de BV, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 30 september 2011, waarin de BV uitdrukkelijk aangeeft ‘een dienstverleningsovereenkomst met de Cypriotische vennootschap OWI Ltd te hebben gesloten, waarbij deze laatste zich ertoe verbond personeelsleden ter beschikking te stellen aan boord van de betrokken schepen'.

Oefende de BV over de ter beschikking gestelde werknemers werkgeversgezag uit?

De BV argumenteert dat er geen sprake is van verboden ter beschikkingstelling, daar er geen overdracht van werkgeversgezag heeft plaatsgegrepen.

Artikel 31 § 1 eerste lid van de Uitzendarbeidwet bepaalt dat verboden is, de activiteit die buiten de regeling voor tijdelijke arbeid of uitzendarbeid in dezelfde wet, door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon wordt uitgeoefend om door hen in dienst genomen werknemers ter beschikking te stellen van derden die deze werknemers gebruiken en over hen enig gedeelte van het gezag uitoefenen dat normaal aan de werkgever toekomt.

Wanneer de gebruiker de taakinhoud bepaalt, de enige is die instructies kan geven met betrekking tot de uitoefening van de taak en belast wordt met de evaluatie, oefent hij werkgeversgezag uit buiten de grenzen toegelaten door de Uitzendarbeidwet.

(vgl. Arbh. Brussel 9 juni 2009, J.T.T. 2009, 428)

Een en ander geldt des te meer wanneer de gebruiker het ultieme werkgeversgezag uitoefent en een einde kan stellen aan de arbeidsovereenkomst.

De stelling van de BV dat zij geen werkgeversgezag uitoefende over de aan boord van de schepen tewerkgestelde werknemers is manifest strijdig met de stukken van het dossier.

Uit de stukken van het Nederlandse onderzoeksdossier blijkt immers dat de heer De Bok, ‘operations manager' van de BV, eventueel samen met de heer De Vries, eveneens van de BV, de enige personen waren die instructies gaven aan de werknemers op de schepen, dat deze werknemers aan hen verantwoording dienden af te leggen, dat de BV en niet de Ltd in Cyprus het ‘uurtarief' bepaalde, dat de BV het feitelijk gezag over de betrokken werknemers, en hen bovendien ontsloeg.

Het enkele verweer van de BV tegen de verklaringen van de heer De Bok dat deze grootsprakerig was en niet de bevoegdheid had zoals deze zou blijken uit zijn verklaringen, wordt door geen enkel element ondersteund.

Van enige uitoefening van werkgeversgezag door de Cypriotische Ltd wordt nergens gewag gemaakt.

Vermits de BV de ter beschikking gestelde werknemers zo niet het volledige, dan toch het overgrote gedeelte van het werkgeversgezag uitoefende, is er wel degelijk sprake van een verboden ter beschikking stelling.

Het gevolg van de verboden ter beschikking stelling

Artikel 31 § 3 van de Uitzendarbeidwet bepaalt dat wanneer een gebruiker arbeid laat uitvoeren door werknemers die te zijner beschikking worden gesteld, in strijd met de bepaling van artikel 31 § 1, die gebruiker en die werknemers beschouwd worden als verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd vanaf het begin der uitvoering van de arbeid.

Artikel 31 § 4 van de Uitzendarbeidwet maakt dat de gebruiker en de (natuurlijke of rechts-) persoon die werknemers ter beschikking stelt van de gebruiker in strijd met artikel 31 § 1, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor onder andere de socialezekerheidsbijdragen.

In voorliggende betwisting betekent dit dat de BV Oceanwide Marine Services met toepassing van artikel 31 § 3 van de Uitzendarbeidwet vanaf het begin van de uitvoering van de arbeid met de werknemers die werden ter beschikking gesteld door Oceanwide International Ltd met een arbeidsovereenkomst werden ter beschikking gesteld.

Tevens betekent dit dat de BV Oceanwide Marine Services met toepassing van artikel 31 § 4 van de Uitzendarbeidwet met Oceanwide International Ltd hoofdelijk aansprakelijk is voor de socialezekerheidsbijdragen met betrekking tot deze tewerkstellingen in België.

Inderdaad bepaalt artikel 13 van de in deze toepasselijke Verordening 1408/71 dat onder voorbehoud van de artikels 14 tot 17 van de verordening op degene die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent de wetgeving van die lidstaat van toepassing zelfs indien hij op het grondgebied van een andere lidstaat woont of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij werkzaam is, zich bevindt op grondgebied van een andere lidstaat.

In voornoemde betwisting maakt geen enkel element het aannemelijk dat de ter beschikking geselde werknemers werkten in enige vorm van tijdelijke detachering, toegelaten door voornoemde verordening, zodat de Belgische socialezekerheidswetgeving wel degelijk van toepassing is.

Geen schending van het vrij verkeer van diensten

Met toepassing van artikel 49 EG-Verdrag (thans 56 VWEU) zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden.

Voornoemd artikel bepaalt inderdaad in zijn eerste lid dat de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap verboden zijn ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een ander land van de Gemeenschap zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.

De vrijheid om diensten te verrichten kan evenwel beperkt worden.

De beperkingen kunnen vooreerst voortvloeien uit de toepassing van de bepalingen van de artikelen 45 en 46 EG Verdrag (thans artikel 51 en 52 VWEU) wanneer zij betrekking hebben op de uitoefening van het openbaar gezag, of gerechtvaardigd zijn door de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid.

Deze beperkingen moeten dan wel beperkt blijven tot hetgeen noodzakelijk is voor de bescherming van de belangen die zij beogen te waarborgen (evenredigheidsbeginsel). In essentie betekent dit dat de vrijheid van dienstverrichting niet verder mag gaan dan noodzakelijk om het beoogde doel te bereiken.

(vhl. HvJ 26 april 1988, Bond van Adverteerders e.a., 352/85, r.o. 34-37; HvJ 14 oktober 2004, Omega Spielhallen, C-36/02, r.o 29-37)

Dergelijke beperkingen zijn op de tweede plaats ook mogelijk op grond van de ‘rule of reason'. Aldus kunnen in verband met de aard van sommige diensten, als niet onverenigbaar met het Verdrag worden beschouwd, specifieke eisen die aan de dienstverrichter worden gesteld wegens de toepasselijkheid van beroepsregels die hun grond vinden in het algemeen belang, en die voor iedereen gelden die gevestigd is op het grondgebied van de staat waar de dienst wordt verricht, voor zover zulke eisen nodig zijn om te voorkomen dat de dienstverrichter door zijn vestiging in een ander land aan de greep van die regels zou ontsnappen.

(vgl. HvJ 3 december 1974, van Binsbergen, 33/74, r.o. 12)

Opdat uitzonderingen op het vrije dienstenverkeer omwille van een ‘rule of reason' zouden zijn toegelaten, dient aan enkele voorwaarden te worden voldaan.

(vgl. hieromtrent: K. Lenaerts, P. Van Nuffel, Europees recht, Intersentia, Antwerpen - Cambridge 2011, nr. 259-262)

Samengevat betreft het volgende voorwaarden:

een lidstaat kan zich enkel op een rechtvaardigingsgrond beroepen indien het gaat om een regeling van aspecten die nog niet voorwerp uitmaken van harmonisatie op het niveau van de Unie.

(vgl. HvJ 13 juli 2004, Bacardi France, C-429/02, r.o. 32)

de beperkingen moeten gerechtvaardigd zijn vanuit het algemeen belang.

Aanvaard wordt dat dit algemeen belang kan slaan op de bescherming van werknemers, bijvoorbeeld in het kader van de bestrijding van sociale dumping.

(vgl. HvJ 17 december 1981, Webb, 279/80, r.o. 18-19; HvJ 3 februari 1982, Seco, 62-63/81, r.o. 14; HvJ 18 december 2007, Laval un Partneri, C-341,05/ r.o, 103)

op de derde plaats moeten de beperkingen gelden zonder onderscheid op grond van de herkomst van de diensten of op grond van de nationaliteit of lidstaat van vestiging van de dienstverrichter.

(vgl. HvJ 18 juli 2007, Commissie v. Duitsland, C-490/04, r.o. 86)

tenslotte is er het evenredigheidsvereiste: de beperkingen gesteld aan het vrije dienstenverkeer moeten objectief noodzakelijk zijn om de naleving van de doelstelling van algemeen belang te waarborgen.

(vgl. HvJ 18 januari 1979, Van Wesemael, 110-111/78, r.o. 29)

Dit betekent vooreerst dat de beperkingen geschikt moeten zijn om deze doelstellingen te bereiken, wat inhoudt dat de verwezenlijking van dat doel werkelijk coherent en systematisch wordt nagestreefd.

(vgl. 8 september 2009, Liga Portuguesa de Futbol, C-72/07, r.o. 38; HvJ 17 november 2009, Regione Sardegna, C-169/08, r.o. 42)

Op de tweede plaats beantwoorden dergelijke beperkingen enkel aan het evenredigheidsvereiste indien het nagestreefde doel niet reeds wordt gewaarborgd door de regels van de staat waar de dienstverrichter is gevestigd en als dit doel niet door minder beperkende maatregelen kan worden bereikt.

(vgl. HvJ 26 februari 1991, Commissie v. Frankrijk, C-154/89, r.o. 15)

Bij de beoordeling van het evenredige karakter van een regelgeving speelt de mogelijkheid van wederzijdse erkenning van nationale regels een rol. Zo is strijdig met het vrije dienstenverkeer sociale wetgeving ter bescherming van een belang dat in de lidstaat van vestiging van de dienstverrichter reeds op soortgelijke wijze wordt beschermd.

(vgl. HvJ 17 december 1981, Webb, 279/80, r.o. 18-20; HvJ 23 november 1999, Arblade e.a., C-369/96 en 376/96, r.o. 32-80)

Aan de orde is de vraag of het Belgische verbod op ter beschikking stelling de toets doorstaat van de hierboven gestelde voorwaarden om als verenigbaar met het in (oud) artikel 49 EG-Verdrag vastgelegde principe van de vrijheid van verkeer van diensten te kunnen worden beschouwd.

Een uitzondering op grond van de bepalingen van de artikelen 45 en 46 EG Verdrag (thans artikel 51 en 52 VWEU) lijkt hierbij niet mogelijk, vermits de beperking op het vrije dienstenverkeer geen betrekking heeft op de uitoefening van het openbaar gezag, of gerechtvaardigd is door de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid.

Onderzocht moet vervolgens worden of het Belgische verbod op ter beschikking stelling een toegelaten beperking is van het vrije dienstenverkeer op grond van de ‘rule of reason'.

Hierbij is het arbeidshof van oordeel dat deze regeling gesteund is op een rechtvaardigingsgrond die, alleszins op het ogenblik van de feiten die aan de grondslag liggen van de betwisting tussen partijen, betrekking had op een regeling van aspecten die nog niet voorwerp uitmaakten van harmonisatie op het niveau van de Unie.

Evenmin kan ernstig ter discussie staan dat deze regeling als beperking aan het vrije dienstenverkeer gerechtvaardigd is vanuit het algemeen belang, in het bijzonder de bescherming van de ter beschikking gestelde werknemers en van het Belgische stelsel van sociale zekerheid voor werknemers.

Ten derde staat niet ter discussie dat de beperking van het vrije dienstenverkeer door de waarborgregeling van artikel 13 van de CAO nr. 36bis zonder onderscheid op grond van de herkomst van de diensten of op grond van de nationaliteit of lidstaat van vestiging van de dienstverrichter geldt.

Tenslotte is er dan de vraag of de beperking aan het vrije dienstenverkeer door het Belgische verbod op ter beschikking stelling voldoet aan het evenredigheidscriterium.

Naar het oordeel van het arbeidshof is dit het geval, vermits aannemelijk is dat het Belgische verbod op ter beschikking stelling objectief noodzakelijk is om de naleving van de doelstelling van algemeen belang, te weten de bescherming van de ter beschikking gestelde werknemers en van het Belgische stelsel van sociale zekerheid voor werknemers, te waarborgen.

Samengevat betekent dit het dat het Belgische verbod op ter beschikking stelling niet strijdig is met het gemeenschapsbeginsel van vrijheid van diensten.

Vermits het arbeidshof van oordeel is dat er geen twijfel bestaat omtrent de verenigbaarheid van het verbod op ter beschikking stelling van personeelsleden met het Gemeenschapsrecht dient niet te worden ingegaan op de vraag van de BV om ter zake een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verder recht doende, verklaart het hoger beroep ongegrond;

Verwijst de BV in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van beide partijen begroot op 5.500 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Daniel RYCKX, raadsheer,

Jean BOULOGNE, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Hedwig SILON, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Hedwig SILON

Jean BOULOGNE Daniel RYCKX

De heer Jean BOULOGNE, raadsheer in sociale zaken, benoemd als werkgever, die aan het beraad heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen.

Overeenkomstig art. 785 Ger. W. wordt het arrest ondertekend door Daniel RYCKX, raadsheer en Hedwig SILON, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider.

Sven VAN DER HOEVEN, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 6 september 2012 door:

Daniel RYCKX, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Daniel RYCKX

Vrije woorden

  • INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN

  • EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP

  • VERDRAG VAN ROME

  • Terbeschikkingstelling

  • Wetsontduiking

  • Vrij verkeer van diensten.