- Arrest van 5 november 2012

05/11/2012 - 2011/AB/992

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het ongeval dat plaatsvindt op een parking bij het bedrijf, die voor iedereen toegankelijk is, kan niet worden gelijkgesteld met de plaats van het werk.


Arrest - Integrale tekst

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 5 NOVEMBER 2012.

5DE KAMER

Arbeidsongeval

Tegensprekelijk

Definitief + Verzending naar de Arbeidsrechtbank te Brussel

In de zaak:

AXA BELGIUM NV, met matschappelijke zetel gevestigd te 1170 BRUSSEL, Vorstlaan 25.

Appellante, vertegenwoordigd door Mr. S. PETEN, advocaat te Brussel.

Tegen:

V.D. , .

Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. M. VANDORMAEL loco Mr F. DE KEERSMAECKER, advocaat te Vilvoorde.

DE LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579/40.

Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. V. BECKERS loco Mr V. VAN OBBERGHEN, advocaat te Vilvoorde.

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Brussel d.d. 15 september 2011;

- het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 31 oktober 2011;

- de conclusies en syntheseconclusies van de partijen;

Gehoord de partijen in hun middelen en beweringen ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2012 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen.

Gelet op de neergelegde stukken.

I. FEITEN

Op 11 september 2007 deed de NV Colmar bij de NV Axa Belgium, haar verzekeraar arbeidsongevallen, aangifte van een ongevalsfeit dat op 8 september 2007 was over-komen aan haar werkneemster, mevrouw V.D..

Hierbij werd aangegeven dat mevrouw V.D. om 8.30 uur aankwam op de parking van de vestiging van de NV Colmar in Groot-Bijgaarden, waar zij diende te werken van 9 uur tot 14 uur, en daar wachtte op een collega daar zij geen toegang had tot het gebouw. Zij werd aangevallen door haar ex-vriend, de heer D., waarbij volgens de aangifte haar schedel werd ingeslagen met een ijzeren staaf.

Met brief van 4 oktober 2007 weigerde de NV Axa Belgium het ongeval ten laste te nemen op grond van volgende overweging:

"Getroffene bevond zich niet meer op de arbeidsweg maar op de privéparking van Colmar. Het ongeval deed zich niet voor tijdens en door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst."

Met brief van 14 november 2007 betwistte de toenmalige raadsman van mevrouw V.D. de stelling van de verzekeringsonderneming.

Met brief van 28 februari 2008 meldde ook de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten (LCM) dat de feiten wel degelijk een arbeidsongeval uitmaakten, waarbij betaling werd gevorderd van een uitgavenstaat nr. 1 voor een bedrag van 2.081,52 EUR.

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met inleidende dagvaarding van 29 april 2008 vorderde de LCM voor de Arbeidsrechtbank te Brussel te zeggen voor recht dat het ongeval van mevrouw V.D. van 8 september 2007 een arbeidsongeval is in de zin van de Arbeidsongevallenwet, en de NV Axa Belgium te veroordelen tot een provisioneel bedrag van 2.081,52 EUR, te vermeerderen met de vergoedende intrest vanaf 8 september 2007, de gerechtelijke intrest en de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. Hij vorderde tevens de voorlopige uitvoerbaarheid van het vonnis zonder enige reserve.

b.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 20 augustus 2008, kwam mevrouw V.D. tussen in deze procedure; zij vorderde de veroordeling van de NV Axa Belgium tot betaling van de wettelijke vergoedingen inzake arbeidsongevallen, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intrest, en met de kosten met inbegrip van de rechts-plegingsvergoeding. In ondergeschikte orde vorderde zij de aanstelling van een geneesheer-deskundige.

c.-

Met vonnis van 14 oktober 2010 beval de arbeidsrecht-bank een plaatsopneming bij de NV Colmar.

Ter gelegenheid van de plaatsopneming stelde de rechtbank vast:

"In tegenstelling tot de foto's genomen door de inspecteur van de verzekeringsmaatschappij AXA BELGIUM NV zijn er nog 2 parkeerplaatsen naast de houten afscherming aan de rechterzijkant van ‘COLMAR', toegankelijk voor het publiek."

Met vonnis van 15 september 2011 verklaarde de arbeidsrechtbank de hoofdvordering gegrond. Zij zegde voor recht dat mevrouw V.D. op 8 september 2007 het slachtoffer werd van een arbeids-ongeval en veroordeelde de de NV Axa Belgium tot betaling aan de LCM van 168.726,79 EUR provisioneel, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intrest.

De arbeidsrechtbank verklaarde ook de vordering tot vrijwillige tussenkomst gegrond; alvorens verder recht te spreken werd dr. G. Nagels aangesteld als deskundige met als opdracht:

- de toestand van mevrouw V.D. te beschrijven ingevolge het arbeidswegongeval van 8 september 2007

- de verschillende perioden en graden van tijdelijke arbeidsongeschiktheid te bepalen

- te zeggen of de letsels geheeld zijn en in dit geval, de consolidatiedatum vast te stellen en het percentage blijvende arbeidsongeschiktheid, hierbij rekening houdend met de algemene beroepsbekwaamheden van het slachtoffer en met al de toegankelijke beroepen gelet op de ouderdom en de mogelijkheden van het slachtoffer.

De zaak werd voor het overige naar de rol verwezen en de beslissing inzake de kosten werd aangehouden.

d.-

Er wordt geen melding gemaakt van een betekening van dit vonnis.

e.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 31 oktober 2011 tekende de NV Axa Belgium hoger beroep aan tegen dit vonnis. Zij vorderde dat het arbeidshof het vonnis van de arbeids-rechtbank van 15 september 2011 zou vernietigen en opnieuw recht doende, de vordering van mevrouw V.D. ontvankelijk doch ongegrond zou verklaren en de vordering van LCM ongegrond zou verklaren.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

IV. BEOORDELING

Artikel 7 eerste lid van de Arbeidsongevallenwet bepaalt dat voor de toepassing van de wet als arbeidsongeval wordt aangezien, elk ongeval dat een werknemer tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt.

Artikel 8 § 1 eerste en tweede lid van de Arbeids-ongevallenwet bepaalt dat eveneens als arbeidsongeval wordt aangezien, het ongeval dat zich voordoet op de weg naar en van het werk, waarbij onder de weg van en naar het werk wordt verstaan het normale traject dat de werknemer moet afleggen om zich van zijn verblijfplaats te begeven naar de plaats waar hij werkt, en omgekeerd.

Het feit dat het ongeval zich moet voordoen op de weg van en naar het werk om een arbeidswegongeval te zijn in de zin van artikel 8 § 1 van de Arbeidsongevallen-wet komt in de plaats van het feit dat om een arbeidsongeval in de zin van artikel 7 eerste lid van dezelfde wet te zijn, het ongeval tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst aan de getroffene is overkomen.

Artikel 8 § 1 vierde lid van de Arbeidsongevallenwet bepaalt met betrekking tot het traject van en naar de verblijfplaats enkel dat dit traject begint zodra de werknemer de dorpel van zijn hoofd- of tweede verblijf verlaat en eindigt zodra deze weer overschreden heeft.

In voorliggende zaak heeft de betwisting tussen partijen echter betrekking op de vraag wanneer de weg naar het werk eindigt, m.a.w. vanaf wanneer een ongevalsfeit ophoudt een arbeidswegongeval in de zin van artikel 8 § 1 van de Arbeidsongevallenwet te zijn en eventueel een arbeidsongeval in de zin van artikel 7 eerste lid van de Arbeidsongevallenwet wordt.

De tekst van artikel 8 § 1 tweede lid van de Arbeidsongevallenwet geeft aan dat de arbeidsweg eindigt wanneer de werknemer de plaats van het werk bereikt.

Met de plaats van het werk wordt bedoeld, de plaats waar de werknemer zijn arbeid gaat verrichten, dit is in het algemeen elke plaats waar de werknemer onder het gezag van zijn werkgever staat.

(vgl. Cass. 24 maart 1980, Arr. Cass. 1979-80, 917)

Het ongeval dat gebeurt op een parking bij het bedrijf die voor iedereen toegankelijk is, kan niet worden gelijkgesteld met de plaats van het werk; dit laatste kan enkel wanneer het gaat over een parking die enkel toegankelijk is voor de personeelsleden van het bedrijf.

(vgl. Arbh. Antwerpen 18 september 1996, J.T.T. 1997, 295)

In de aan het arbeidshof voorgelegde betwisting blijkt dat het ongevalsfeit zich heeft voorgedaan op de parking van het bedrijf, die niet enkel toegankelijk was voor de personeelsleden van de NV, doch ook voor de klanten van de eetgelegenheid.

Het is inderdaad daar dat mevrouw V.D. haar fiets stalde.

Dat de parking vrij toegankelijk was blijkt niet enkel uit de elementen van het strafdossier, in het bijzonder de foto's en het omgevingsplan, doch ook uit de pertinente vaststelling van de arbeidsrechtbank tijdens de plaatsopneming, dat, ‘in tegenstelling tot de foto's genomen door de inspecteur van de verzekeringsmaat-schappij AXA BELGIUM NV er nog 2 parkeerplaatsen naast de houten afscherming aan de rechterzijkant van ‘COLMAR' zijn, toegankelijk voor het publiek'.

Het is dan ook ten onrechte dat de NV Axa Belgium argumenteert dat het ongevalsfeit zich voordeed op een plaats die niet toegankelijk is voor de cliënteel van de NV; het feit dat het ongevalsfeit zich voordeed op een plaats ‘waar de vuilnisbakken stonden en het personeel een sigaretje ging roken' belet niet dat deze plaats voor iedereen toegankelijk is.

Het feit dat bij de ter beschikking van de cliënteel van de NV Colmar gestelde parkeerplaatsen uitdrukkelijk vermeld staat dat de parking een private parking is voor de klanten van Colmar, belet niet dat deze parking vrij toegankelijk is voor iedereen, nu aanvaard mag worden dat iedereen een potentiële klant van voornoemde eetgelegenheid is.

Naar het oordeel van het arbeidshof argumenteert de NV Axa Belgium ten onrechte dat mevrouw V.D. zich op het ogenblik van het ongevalsfeit onder het (virtueel of reëel) gezag van haar werkgever bevond.

In dit verband argumenteert de NV Axa Belgium welis-waar terecht dat de eigenlijke vraag die gesteld moet worden, is te weten of de persoonlijke vrijheid van mevrouw V.D. door de werkgever kon worden beperkt door enige vorm van gezagsuitoefening door de werkgever - zij het virtueel of reëel - doch de loutere opwerping van de NV Axa Belgium dat het antwoord [op deze vraag] ‘uiteraard positief' is, overtuigt het arbeidshof niet, nu de NV Axa Belgium niet duidelijk maakt op welke wijze de NV Colmar werkgeversgezag kon uitoefenen op de voor iedereen toegankelijke parking.

Het feit dat mevrouw V.D. op deze plaats aanwezig was met het oog op het aanvatten van haar arbeid, volstaat hierbij niet. Immers, vanaf het overschrijden van de drempel van de private woning tot aan de plaats waar hij of zij werkt, bevindt de werknemer zich op een traject of plaats met het oog op het aanvatten van het werk.

Samengevat betekent dit dat de arbeidsrechtbank terecht oordeelde dat mevrouw V.D. zich op het ogenblik van de agressie nog steeds bevond op de weg naar het werk, en bijgevolg het slachtoffer werd van een ongeval op de weg naar en van het werk in de zin van artikel 8 § 1 van de Arbeidsongevallenwet.

Het hoger beroep dient dan ook als ongegrond te worden afgewezen.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond, bevestigt het bestreden vonnis in alle beschikkingen;

Verwijst de zaak met toepassing van artikel 1068, 2° Ger.W. terug naar de Arbeidsrechtbank te Brussel voor verdere uitvoering van de bevolen onderzoeksmaatregel;

Verwijst de NV Axa Belgium in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van alle partijen vereffend op 320,65 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

D. RYCKX: Raadsheer,

G. JACOBS: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever,

D. VANHAGENDOREN : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider,

En bijgestaan door :

D. DE RAEDT: Griffier,

G. JACOBS D. VANHAGENDOREN

D. DE RAEDT D. RYCKX

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 5 november 2012 door Mr. D. RYCKX, Raadsheer en bijgestaan door

D. DE RAEDT, Griffier,

D. DE RAEDT D. RYCKX

Vrije woorden

  • BEROEPSRISICO'S

  • ARBEIDSONGEVALLEN IN DE PRIVE SEKTOR

  • Toepassingsgebied

  • Weg naar en van het werk

  • Plaats van het werk

  • Begrip.