- Arrest van 19 november 2012

19/11/2012 - 2011/AB/905

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het bewijs van een plotse gebeurtenis wordt niet geleverd door de eigen verklaring van het slachtoffer, wanneer deze enkel wordt aangevuld met de verklaring van een collega enkel vaststelde dat het slachtoffer hem de dag na de beweerde plotselinge gebeurtenis verklaarde dat hij de vorige dag tijdens het aanvullen van een drankautomaat getroffen werd door een drankblikje dat op zijn hand was gevallen, en die vast stelde dat betrokkene een ‘huisverband' rond zijn hand had.

Het bewijs wordt evenmin geleverd door de vaststellingen van de behandelende artsen, gedaan op de dag na het ongeval, die weliswaar een letsel vaststelden (pijnlijke contusie van de pols), een steunverband aanlegden en pijnstillers voorschreven, nu uit deze vaststellingen en behandeling wel het bestaan van een letsel blijkt, maar niet van de plotselinge gebeurtenis waarvan betrokkene voorhoudt dat deze hem op 3 februari 2009 zou zijn overkomen.


Arrest - Integrale tekst

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 19 NOVEMBER 2012.

5DE KAMER

Arbeidsongeval

Op tegenspraak

Definitief

In de zaak:

H. , wonende te xxx.

Appellant, vertegenwoordigd door Mr. A. VERMOORTELE, advocaat te Herne.

Tegen:

N.V. AXA BELGIUM, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1000 BRUSSEL, Vorstlaan 25.

Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. J. FISCHER loco Mr. P. BEYENS, advocaat te Brussel.

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Leuven op 26 juli 2011;

- het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 27 september 2011;

- de conclusies van de partijen;

Gelet op de neergelegde stukken van de partijen.

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2012 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen.

 

I. FEITEN

De heer H. is tewerkgesteld bij de NV Coca-Cola, waarvan de NV Axa Belgium (hierna genoemd de NV) verzekeraar arbeidsongevallen is.

Op 6 februari 2009 werd door de werkgever aangifte gedaan van een arbeidsongeval, waarvan de heer H. het slachtoffer zou zijn geweest op 3 februari 2009. Volgens deze aangifte en het latere verslag opgesteld door de inspectie van de NV, was de heer H. op voornoemde datum bezig met het vullen van een frisdrankautomaat bij een klant van de werkgever, en viel een drankblikje (33 cl) van een hoogte van ongeveer 40 cm op zijn hand. De heer H. verklaarde onmiddellijk pijn gevoeld te hebben, doch het werk niet gestaakt te hebben. Na de beëindiging van de dagtaak begaf hij zich naar huis. Daar zijn hand de volgende dag gezwollen was, reed hij naar zijn arbeidsplaats en stelde hij de heer G., zijn verantwoordelijke in kennis van de feiten.

De heer G. bevestigt dat de heer H. zich op 4 februari 2009 had aangeboden op het werk met een verband rond zijn pols en de melding van de feiten.

In de loop van dezelfde dag raadpleegde hij de spoedgevallendienst van het UZ Brugmann site Schaarbeek. Er werd geen breuk vastgesteld, en als diagnose werd een ‘pijnlijke contusie van de pols' weerhouden. De heer H. kreeg een steunverband en pijnstillers. Een tijdelijke arbeidsongeschiktheid werd weerhouden van 4 tot 13 februari 2009.

De arbeidsongeschiktheid werd uiteindelijk verlengd tot 30 maart 2009.

Uit een verslag van de dienst medische beeldvorming van het reeds genoemde ziekenhuis na onderzoek op 24 februari 2009 bleek een ‘trapezoide-metacarpiane arthrose' met verder aangeduide kenmerken, en werd verder vermeld dat geen ‘recent traumatisch beenletsel' aan het licht werd gebracht.

Met brief van 9 maart 2009 meldde de NV aan de heer H. dat de feiten niet onder het toepassingsgebied van de Arbeidsongevallenwet vielen. Hierbij werd gesteld dat het bewijs van een plotse gebeurtenis die het letsel zou hebben veroorzaakt niet werd geleverd, zodat geen tussenkomst zou worden verleend.

Met aangetekende en gewone brief van 24 maart 2009 stelde de vakorganisatie van de heer H. onder referte aan een attest van dr. Hestermans, behandelend arts van betrokkene, dat er wel degelijk sprake was van een plotse gebeurtenis die een letsel had veroorzaakt.

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met inleidende dagvaarding van 10 juli 2009 vorderde de heer H. voor de Arbeidsrechtbank te Brussel te zeggen voor recht dat het ongeval van 3 februari 2009 een arbeidsongeval was dat de NV ten laste diende te nemen, en de aanstelling van een deskundige met als opdracht de gevolgen van dit arbeidsongeval te bepalen.

Hij vorderde tevens de veroordeling van de NV tot betaling van de wettelijke vergoedingen ingevolge arbeidsongeval, de wettelijke en de gerechtelijke intrest en de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

Tenslotte vorderde hij de voorlopige uitvoerbaarheid van het vonnis zonder enige reserve.

b.-

Met vonnis van 1 oktober 2009 verzond de Arbeidsrechtbank te Brussel de zaak naar de Arbeidsrechtbank te Leuven.

c.-

Met vonnis van 26 juli 2011 verklaarde de Arbeidsrechtbank te Leuven de vordering ontvankelijk doch ongegrond. Zij zegde voor recht dat de aangevoerde feiten niet als arbeidsongeval kunnen weerhouden worden en legde de kosten van het geding ten laste van de NV.

d.-

Er wordt geen melding gemaakt van een betekening van dit vonnis.

e.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 27 september 2011, tekende de heer H. beroep aan tegen dit vonnis. Hij vorderde dat het arbeidshof het bestreden vonnis zou vernietigen en opnieuw recht doende, zijn oorspronkelijke vordering gegrond zou verklaren.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

IV. BEOORDELING

a.-

Artikel 7 eerste en tweede lid van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (hierna de Arbeidsongevallenwet) bepaalt:

"Voor de toepassing van deze wet wordt als arbeidsongeval aangezien elk ongeval dat een werknemer tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt.

Het ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de overeenkomst wordt, behoudens tegenbewijs, geacht als overkomen door het feit van de uitvoering van de overeenkomst. [...]"

Met toepassing van deze bepaling dienen het slachtoffer van het arbeidsongeval of zijn rechthebbenden aantonen dat het ongeval tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is voorgevallen en een letsel heeft veroorzaakt.

Wanneer aangetoond wordt dat het ongeval overkomen is tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, geldt een vermoeden dat het ook door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is overkomen. Dit vermoeden is weerlegbaar, zodat de verzekeraar arbeidsongevallen het tegenbewijs kan leveren, en bijgevolg kan aantonen dat, wanneer het ongeval tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is voorgevallen, het niet door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is overkomen.

Om het bewijs te leveren van het bestaan van een arbeidsongeval moeten het slachtoffer of diens rechthebbenden het bewijs leveren van het bestaan van een letsel en van een plotselinge gebeurtenis overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

b.-

Op de eerste plaats dient te worden onderzocht of de heer H. het bewijs levert van het bestaan van een plotselinge gebeurtenis.

De plotselinge gebeurtenis wordt omschreven als een tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst in tijd en ruimte omschreven element waarin eventueel de oorzaak te vinden is van het feit dat het letsel zich heeft voorgedaan, zonder dat evenwel vereist is dat dit element kan onderscheiden worden van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

(vgl. Cass. 19 februari 1990, R.W. 1990-91, 393; Cass. 13 oktober 2003, J.T.T. 2004, 40; Cass. 24 november 2003, J.T.T. 2004, 34)

De normale uitoefening van de dagtaak kan bijgevolg een plotselinge gebeurtenis zijn op voorwaarde dat in de beroepsuitoefening een element aanwijsbaar is dat het letsel kan hebben veroorzaakt.

(vgl. Cass. 20 januari 1997, Soc. Kron. 1998, 460; Cass. 16 juni 1997, Soc. Kron. 1998, 420, noot P. Palsterman; Cass. 18 mei 1998, J.T.T. 1998, 329; Cass. 14 februari 2000, J.T.T. 2000, 466; Cass. 2 januari 2006, J.T.T. 2006, 53)

Een plotselinge gebeurtenis mag niet worden verward met pijn ingevolge het opgelopen letsel.

(vgl. Arbh. Bergen 5 mei 2000, De Verz., 2000, 426; Arbh. Antwerpen 27 juni 1997, De Verz. 1997, 635; Arbh. Brussel 18 maart 1996, De Verz. 1996, 624)

c.-

De verklaring van het slachtoffer is op zich onvoldoende als bewijs van de plotse gebeurtenis, wanneer zij niet wordt ondersteund door voldoende eensluidende en overeenstemmende gegevens.

(vgl. Arbh. Brussel 19 juni 2000, De Verz. 2000, 642; Arbh. Luik 7 november 2001, De Verz. 2002, 377)

De eigen verklaring van de getroffene volstaat niet om het bewijs te leveren van de plotse gebeurtenis, maar dient te worden bevestigd door bepaalde, gewichtige en overeenstemmende vermoedens.

(vgl. Arbh. Gent 19 april 1990, J.T.T. 1990, 269)

Wanneer geen rechtstreekse getuigen het ongeval hebben gezien mag het bewijs worden geleverd door alle wettelijke middelen. Indien dit niet zou worden aanvaard, betekent dit dat het slachtoffer van een arbeidsongeval zonder getuigen in de onmogelijkheid zou verkeren het bewijs te leveren van de plotse gebeurtenis.

Het bewijs van de plotse gebeurtenis kan bijgevolg worden geleverd door alle wettelijke middelen, getuigen inbegrepen, en door ernstige en met elkaar overeenstemmende vermoedens.

d.-

In voorliggende betwisting draait de discussie in essentie rond de vraag of de heer H., op wie ter zake de bewijslast rust zoals hoger gesteld, het bestaan van een plotse gebeurtenis aantoont, en meer in het bijzonder dat hij op 3 februari 2009 tijdens het aanvullen van een drankautomaat getroffen werd door een drankblikje van 33 cl dat van een zekere hoogte op zijn hand viel.

Naar het oordeel van het arbeidshof levert de heer H. dit bewijs niet op afdoende wijze.

Dit bewijs wordt niet geleverd door de verklaring van de heer G., die enkel vaststelde dat de heer H. hem de dag na de beweerde plotselinge gebeurtenis verklaarde dat hij de vorige dag tijdens het aanvullen van een drankautomaat getroffen werd door een drankblikje dat op zijn hand was gevallen, en die enkel vast stelde dat de heer G. een ‘huisverband' rond zijn hand had.

Het vereiste bewijs wordt evenmin geleverd door de vaststellingen van de behandelende artsen, gedaan op dezelfde 4 februari 2009, dag na het ongeval, die weliswaar een letsel vaststelden (pijnlijke contusie van de pols), een steunverband aanlegden en pijnstillers voorschreven, nu uit deze vaststellingen en behandeling wel het bestaan van een letsel blijkt, maar niet van de plotselinge gebeurtenis waarvan de heer H. voorhoudt dat deze hem op 3 februari 2009 zou zijn overkomen.

Ten onrechte stelt de heer H. dat het bestaan van de plotselinge gebeurtenis zou blijken uit de attesten en verklaringen van dr. Hestermans, behandelend arts van de heer H., die in tegenstelling tot wat deze laatste voorhoudt, niet stelt dat de contusie van de linkerhand te wijten is aan het arbeidsongeval van 3 februari 2009.

Terecht oordeelde de arbeidsrechtbank dan ook dat het bestaan van een plotse gebeurtenis niet werd geleverd.

Het hoger beroep dient als ongegrond te worden afgewezen.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis in alle beschikkingen;

Verwijst de NV in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van beide partijen begroot op 160,36 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

Mr. D. RYCKX: Raadsheer,

G. JACOBS: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever,

D. VANHAGENDOREN : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider,

En bijgestaan door :

D. DE RAEDT: Griffier,

G. JACOBS D. VANHAGENDOREN

D. DE RAEDT D. RYCKX

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 19 november 2012 door de heer D. RYCKX, Raadsheer, en bijgestaan door D. DE RAEDT, Griffier,

D. DE RAEDT D. RYCKX

Vrije woorden

  • BEROEPSRISICO'S

  • ARBEIDSONGEVALLEN IN DE PRIVE SECTOR

  • Plotse gebeurtenis

  • Bewijs.