- Arrest van 21 november 2012

21/11/2012 - 2011/AB/898

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De verjaring bepaald in artikel 15 A.O.W. die toepassing vindt op de vordering tot betaling van een kapitaal in het kader van een groepsverzekering begint pas te lopen op het ogenblik dat het gevorderderecht eisbaar wordt.


Arrest - Integrale tekst

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 21 SEPTEMBER 2012.

3DE KAMER

Bediendecontract

Op tegenspraak

Definitief

In de zaak:

PROVINCIAAL CHRISTELIJK VAKVERBOND, met zetel gevestigd te 3500 HASSELT, Mgr. Broeckxplein 6.

Appellant, vertegenwoordigd door Mr. V. SIMEONS, advocaat te Brussel.

Tegen:

V.

Geïntimeerde, verschijnend in persoon en bijgestaan door Mr. G. KLOK, advocaat te Neerpelt.

Mede Inzake :

HET ALGEMEEN CHRISTELIJK VAKVERBOND VAN BELGIE, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1030 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579.

Vertegenwoordigd door Mr. V. SIMEONS, advocaat te Brussel.

DEXIA INSURANCE BELGIUM N.V., met maatschappelijke zetel gevestigd te 1000 BRUSSEL, Livingstonelaan 6.

Vertegenwoordigd door Mr. E. DELAUNOY, advocaat te Brussel.

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Brussel op 24 juni 2011;

- het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 23 september 2011;

- de conclusie van de partijen en de syntheseconclusie voor geïntimeerde V.;

Gelet op de door partijen neergelegde stukken.

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 22 juni 2012 waarna de debatten gesloten werden, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

 

I. FEITEN

De heer V. trad op 13 mei 1974 in dienst van het Provinciaal Christelijk Vakverbond van Limburg met een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur van dezelfde datum, als bediende op de dienst werkloosheid. Deze arbeidsovereenkomst bepaalde dat hij in dienst werd genomen ‘voor de duur van de massale werkloosheid bij Ford-Werke AG te Genk' en dat de overeenkomst automatisch een einde zou nemen wanneer ‘bovenvermeld werk is afgehandeld'.

Uit de door partijen verstrekte inlichtingen blijkt dat deze overeenkomst een einde nam op 30 juni 1974.

Op 12 november 1974 sloten partijen een nieuwe arbeids-overeenkomst voor bepaald werk, waarin werd bepaald dat de heer V. op deze datum in dienst zou komen als bediende ‘voor bijkomende opdrachten van de werk-loosheidsdienst ingevolge de uitzonderlijke economische werkloosheid, in de mate dat deze niet of onvoldoende door het vaste personeelskader kon worden opgevangen'. Deze arbeidsovereenkomst werd gesloten met een proefperiode van drie maanden.

Het staat niet ter discussie dat de heer V. vervolgens in dienst is gebleven van de feitelijke vereniging die thans gekend is onder de naam ‘ACV-Verbond Limburg', tot op het ogenblik dat de arbeidsovereenkomst op 13 maart 2009 een einde nam.

Op 1 februari 1976 werd een overeenkomst afgesloten tussen onder andere het Algemeen Christelijk Vakverbond van België, waarbij het ACV-Verbond Limburg is aangesloten, en de NV De Volksverzekering, later DVV, houdende een pensioenregeling.

Het staat niet ter discussie dat de heer V. behoorde tot de begunstigden van deze regeling.

In deze regeling werd bij de bepaling van de gewaarborgde voordelen voorzien in artikel V van deze overeenkomst een onderscheid gemaakt tussen de personeelsleden die bij de groepsverzekering aangesloten waren vóór 1 februari 1976 en vanaf 1 februari 1976. Met betrekking tot de datum van aansluiting bepaalt artikel II van de overeenkomst:

"Het pensioenreglement is van toepassing op alle leden van het personeel van de Verzekeringnemer die als dusdanig hetzij full-time, hetzij part-time definitief zijn aangesteld. Alle aansluitingen geschieden eenvormig op de eerste februari volgend op de datum waarop de gestelde voorwaarden tot aansluiten vervuld zijn."

Met brief van 6 december 2002 stelde de vakorganisatie van de heer V. dat de rechtsgeldigheid van het proefbeding in de arbeidsovereenkomst van 12 november 1974 betwist werd, daar zij werd gesloten voor dezelfde functie als deze die werd uitgeoefend in het kader van de eerste arbeidsovereenkomst. Bijgevolg, zo stelde de vakorganisatie, is op 12 november 1974 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur ontstaan en moet als datum van aansluiting bij de groepsverzekering 1 februari 1975 in aanmerking worden genomen.

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met inleidende dagvaarding van 30 oktober 2009 vorderde de heer V. voor de Arbeidsrechtbank van Brussel te horen zeggen voor recht dat hij aanspraak kan maken op de aanvullende pensioenregeling zoals deze van toepassing was voor de bedienden die vanaf 1 januari 1975 van deze regeling konden genieten, met verwijzing van de gedaagden in de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, dit alles bij vonnis uitvoerbaar zonder enige reserve.

Hij stelde zijn vordering ten opzichte van drie partijen:

- het Algemeen Christelijk Vakverbond van België, vertegenwoordigd door de heer Luc Cortbeeck in zijn hoedanigheid van voorzitter (hierna ook eerste verweerster)

- het Provinciaal Christelijk Vakverbond, vertegenwoordigd door de heer Mathieu Verjans in zijn hoedanigheid van voorzitter (hierna ook tweede verweerster)

- Dexia Insurance Belgium NV, die volgens de motieven van de dagvaarding diende veroordeeld in gemeenverklaring (hierna ook derde verweerster).

b.-

Met syntheseconclusie, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 14 februari 2011, formuleerde de heer V. zijn vordering als volgt: te zeggen voor recht dat hij beschouwd moet worden als aangesloten bij de groepsverzekering met polisnummer 52/00018/013538/2 op 1 februari 1975, zodat hij kan genieten van de waarborgen die gelden voor bedienden die aangesloten zijn voor 1 februari 1976.

c.-

Met vonnis van 24 juni 2011 verklaarde de arbeids-rechtbank de vordering onontvankelijk ten aanzien van eerste en derde verweerster.

De vordering ten aanzien van tweede verweerster werd ontvankelijk en als volgt gegrond verklaard.

De arbeidsrechtbank zegde voor recht dat de heer V. beschouwd moet worden als aangesloten bij de groepsverzekering met polisnummer 52/00018/013538/2 op 1 februari 1975, zodat hij kan genieten van de waar-borgen die gelden voor bedienden die aangesloten zijn voor 1 februari 1976.

Het vonnis werd gemeen verklaard aan derde verweerster.

Tweede verweerster werd veroordeeld tot betaling aan de heer V. van de dagvaardingskosten en de door de rechtbank herleide rechtsplegingsvergoeding; de heer V. werd veroordeeld tot betaling aan eerste verweerster van de door de rechtbank herleide rechtsplegingsvergoeding.

d.-

Er wordt geen melding gemaakt van een betekening van dit vonnis.

e.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 23 september 2011, tekende het Provinciaal Christelijk Vakverbond, vertegenwoor-digd door de heer Verjans in zijn hoedanigheid van voorzitter, beroep aan tegen dit vonnis. Het vorderde dat het arbeidshof het bestreden vonnis zou teniet doen en opnieuw recht doende:

- in hoofdorde de vordering wat ACV Limburg betreft onontvankelijk te verklaren

- in ondergeschikte orde voor recht te zeggen dat de vordering verjaard is

- in nog meer ondergeschikte orde, de vordering ongegrond te verklaren

met veroordeling van de heer V. in de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

Volledigheidshalve stelt het arbeidshof verder vast dat de NV Dexia Insurance Belgium, oorspronkelijk gedaagde in gemeenverklaring, niet werd betrokken in de procedure voor het arbeidshof.

IV. BEOORDELING

1. De ontvankelijkheid van de vordering

Zoals bevestigd in de conclusie van appellante zelf, was de werkgever van de heer V. steeds een feitelijke vereniging, die oorspronkelijk bekend stond onder de naam ‘Provinciaal Christelijk Vakverbond van Limburg', doch thans gekend is onder de naam ACV-Verbond Limburg (hierna genoemd ACV Limburg).

Volledigheidshalve merkt het arbeidshof op dat het feit dat ACV Limburg gedagvaard werd onder een oude benaming, geen nietigheid van de dagvaarding met zich brengt.

Inderdaad moet rekening gehouden worden met artikel 861 Ger.W., dat bepaalt:

"De rechter kan een proceshandeling alleen dan nietig verklaren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt."

ACV Limburg toont niet aan op welke wijze haar belangen werden geschaad; in het bijzonder blijkt uit het door de ACV Limburg gevoerde verweer zelf dat zijn rechten van verdediging niet werden gekrenkt.

ACV Limburg voert aan dat de vordering van de heer V. als niet toelaatbaar dient te worden afgewezen, daar zij als feitelijke vereniging geen rechtspersoonlijkheid heeft en bijgevolg geen bekwaamheid heeft om in rechte op te treden als eiser of verweerder.

Hoewel het juist is dat wie in rechte niet bestaat, in beginsel als zodanig niet in rechte kan worden aangesproken, is het in bepaalde gevallen mogelijk een werknemersorganisatie aan te spreken via haar lasthebber of vertegenwoordiger.

Een vakorganisatie kan in bepaalde omstandigheden rechtsgeldig worden gedagvaard in de persoon van haar gewestelijk secretaris of voorzitter. Noch de proce-dureregelen, noch het materieel recht verhinderen dit.

Op de eerste plaats voldoet de vermelding in de stukken van de rechtspleging van de functie op grond waarvan de vakbondssecretaris in de zaak betrokken wordt, aan de vereisten van de artikelen 43 en 807 Ger.W., dat bepaalt dat het dagvaardingsexploot mel-ding moet maken van de hoedanigheid van de gedaagde.

Verder kan de feitenrechter uit de omstandigheden afleiden dat de gewestelijke secretaris of voorzitter van een vakbond werd gedagvaard in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van deze feitelijke vereniging en, aangezien deze laatste geen rechtspersoonlijkheid heeft, als vertegenwoordiger van de leden van de groepering waarop de procedure betrekking heeft. De lastgever kan immers gebonden zijn op grond van een schijnmandaat, niet alleen wanneer hij foutief de schijn in het leven heeft geroepen, maar ook bij ontstentenis van enige fout die hem kan worden verweten, wanneer het geloof van de derde in de uitgebreidheid van de bevoegdheden van de lasthebber rechtmatig is.

(vgl. Cass. 20 juni 1988, R.W. 1989-90, 1425, noot A. Van Oevelen)

In voorliggende betwisting bestaat er geen twijfel over dat de heer Mathieu Verjans gedagvaard werd in zijn hoedanigheid van voorzitter en vertegenwoordiger van ACV Limburg.

De heer Verjans, thans nationaal secretaris ACV, was van november 2001 tot november 2011 voorzitter van ACV Limburg, wat overigens door ACV Limburg niet wordt betwist.

De vordering van de heer V. is bijgevolg wel degelijk toelaatbaar.

2. De verjaring van de vordering

De verjaringstermijn van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet is toepasselijk op vorderingen tot uitvoering van verbintenissen die ontstaan uit de arbeidsovereenkomst. Uit artikel 2257 BW volgt dat de verjaringstermijn maar aanvangt op de vervaldag.

(vgl. Cass. 13 november 2006, J.T.T. 2007, 224; Arbh. Brussel 21 oktober 2008, J.T.T. 2009, 120)

Artikel 2257 BW bepaalt inderdaad dat de verjaring niet loopt ten aanzien van een schuldvordering die op een bepaalde dag vervalt, zolang die dag niet verschenen is.

Aldus zal de verjaring van de vordering tot betaling van een kapitaal in het kader van een groepsverzekering pas beginnen lopen op het ogenblik dat het gevorderde recht eisbaar wordt.

(vgl. Arbh. Antwerpen 6 maart 2000, Soc. Kron. 2002, 441; Arbh. Antwerpen, 3 juni 2002, J.T.T. 2004, 28; Arbh. Brussel 5 mei 2009, J.T.T. 2009, 393)

In voorliggende betwisting wordt het recht op het pensioenkapitaal eisbaar op het ogenblik van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, en niet zoals ACV Limburg voorhoudt, op het ogenblik van de aansluiting van de heer V., en evenmin op het ogenblik dat de heer V. geïnformeerd werd over de details van de groepsverzekering. Op geen van deze beide laatste data wordt zijn recht op het pensioenkapitaal immers eisbaar.

Partijen zijn het er over eens dat de arbeidsover-eenkomst een einde nam op 13 maart 2009, ogenblik waarop de heer V. brugpensioen opnam.

Artikel 15 eerste lid van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt:

"De rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan donder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden."

De eenjarige verjaringstermijn van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet worden berekend volgens de bepalingen van de artikels 2260 en 2261 BW. De dies a quo wordt niet meegerekend, de dies ad quem wel.

Met toepassing van voornoemde principes neemt de verjaringstermijn een aanvang op 14 maart 2009, en is de verjaring verkregen na het verstrijken van een termijn van één jaar, d.i. op 13 maart 2010 te 24.00 uur.

De vordering ingesteld met dagvaarding van 30 oktober 2009 is bijgevolg niet verjaard.

3. De gegrondheid van de vordering

a.-

In de pensioenregeling ten voordele van de werknemers van ACV Limburg wordt bij de bepaling van de gewaarborgde voordelen voorzien in artikel V van deze overeenkomst een onderscheid gemaakt tussen de personeelsleden die bij de groepsverzekering aangesloten waren vóór 1 februari 1976 en vanaf 1 februari 1976.

Met betrekking tot de datum van aansluiting bepaalt artikel II van de overeenkomst:

"Het pensioenreglement is van toepassing op alle leden van het personeel van de Verzekeringnemer die als dusdanig hetzij full-time, hetzij part-time definitief zijn aangesteld. Alle aansluitingen geschieden eenvormig op de eerste februari volgend op de datum waarop de gestelde voorwaarden tot aansluiten vervuld zijn."

b.-

De discussie tussen partijen heeft betrekking op de vraag op welk ogenblik de heer V. aangesloten is bij deze groepsverzekering.

ACV Limburg stelt dat dit gebeurde op 1 februari 1976, daar de proefperiode in de tweede arbeidsovereenkomst verstreek op 12 februari 1975, en de heer V. bijgevolg slechts definitief is aangesteld in de zin van artikel II van de pensioenregeling vanaf 1 februari 1976.

De heer V. argumenteert dat in de tweede arbeidsovereenkomst niet geldig een proefperiode kan worden bedongen zodat hij vanaf de aanvang van deze tweede arbeidsovereenkomst (12 november 1974) definitief is aangesteld in de zin van artikel II van de pensioenregeling vanaf 1 februari 1975.

c.-

Volgens de niet betwiste feitelijke gegevens van de zaak trad de heer V. op 13 mei 1974 in dienst van het Provinciaal Christelijk Vakverbond van Limburg (thans ACV Limburg) met een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur van dezelfde datum, als bediende op de dienst werkloosheid. Deze arbeidsovereenkomst bepaalde dat hij in dienst werd genomen ‘voor de duur van de massale werkloosheid bij Ford-Werke AG te Genk' en dat de overeenkomst automatisch een einde zou nemen wanneer ‘bovenvermeld werk is afgehandeld'. In het kader van deze overeenkomt bleef hij in dienst tot 30 juni 1974.

Op 12 november 1974 sloten partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaald werk, waarin werd bepaald dat de heer V. op deze datum in dienst zou komen als bediende ‘voor bijkomende opdrachten van de werkloosheidsdienst ingevolge de uitzonderlijke economische werkloosheid, in de mate dat deze niet of onvoldoende door het vaste personeelskader kon worden opgevangen'. Deze arbeidsovereenkomst werd gesloten met een proefperiode van drie maanden.

d.-

In beginsel is een proefbeding eenmalig. Voor dezelfde functie kan geen tweede proeftijd worden opgelegd, zelfs indien tussen de beide overeenkomsten een zekere tijd is verstreken.

(vgl. Arbh. Bergen 24 april 2002, R.R.D. 2003, 204)

Artikel 67 § 1 van de Arbeidsovereenkomstenwet impliceert evenwel niet dat wanneer partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst sluiten, die nieuwe arbeidsovereenkomst in geen enkel geval een proefbeding kan bevatten.

(vgl. Cass. 6 december 1993, J.T.T. 1994, 83, noot C. Wantiez)

Een tweede proeftijd kan inderdaad geldig worden bedongen in geval van veranderde arbeidsvoorwaarden, meer bepaald ingeval de tweede arbeidsovereenkomst wordt gesloten voor een nieuwe functie.

(vgl. Arbh. Brussel 11 mei 1984, J.T.T. 1985, 132, noot; Arbh. Gent 9 april 2004, Soc. Kron. 2004, 473; Arbh. Luik 21 december 2005, J.T.T. 2006, 170)

Een proefperiode in een tweede arbeidsovereenkomst tussen dezelfde partijen zal dan ook enkel mogelijk zijn wanneer de werkgever ten gevolge van de uitvoering van de eerste arbeidsovereenkomst onvoldoende elementen heeft kunnen verzamelen die hem moeten toelaten een beoordeling te maken van de bekwaamheid van de werknemer voor de uitoefening van zijn nieuwe functie.

In voorliggende betwisting is dit duidelijk niet het geval, vermits de heer V. in het kader van beide arbeidsovereenkomsten minstens zeer gelijkaardige opdrachten uitvoerde als bediende op de werkloosheidsdienst van het Provinciaal Christelijk Vakverbond van Limburg, thans ACV Limburg.

d.-

Vermits in de tweede arbeidsovereenkomst tussen partijen niet geldig een proefbeding werd opgenomen, was de heer V. vanaf de aanvang van deze tweede arbeidsovereenkomst (12 november 1974) definitief aangesteld in de zin van artikel II van de pensioenregeling vanaf 1 februari 1975, zoals terecht beslist door de eerste rechter.

Het hoger beroep dient dan ook als ongegrond te worden afgewezen.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben;

Stelt vast dat de NV Dexia Insurance Belgium, oorspronkelijk gedaagde in gemeenverklaring, niet werd betrokken in de procedure voor het arbeidshof;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis in alle beschikkingen;

Verwijst ACV Limburg in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van ACV Limburg en de heer V. begroot op 1.320,00 EUR rechtsplegings-vergoeding arbeidshof.

Aldus gewezen door de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

Mr. D. RYCKX: Raadsheer,

M. VAN AKEN: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever,

K. DRIES : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende,

En bijgestaan door :

D. DE RAEDT : Griffier,

M. VAN AKEN, K. DRIES,

D. DE RAEDT, D. RYCKX.

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 21 september 2012 door de heer D. RYCKX, Raadsheer, en bijgestaan door D. DE RAEDT, Griffier,

D. DE RAEDT, D. RYCKX.

Vrije woorden

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN

  • Verjaring

  • Vordering tot betaling van het kapitaal in het kader van een groepsverzekering.