- Arrest van 23 november 2012

23/11/2012 - 2012/AB/962

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het Hof van cassatie is van oordeel dat bijlagen aan een brief niet kunnen worden beschouwd als « de brief zelf », wat van belang is in verband met de bepaling van artikel 7 van de Wet van 19 maart 1991 dat aan de rechter geen andere feiten mogen worden voorgelegd dan deze vermeld in de brieven bedoeld in artikel 4, § 1 en § 3 van deze wet.

Door in bijlage aan het verzoekschrift enkel een afschrift van de brieven aan de werknemer en diens vakorganisatie te hechten en niet van de bijlagen die tegelijker tijd werden verstuurd, gaf de werkgever eveneens te kennen dat deze geen integrerend deel uitmaakten van de brieven die hij overeenkomstig artikel 4 § 2, 4° bij het verzoekschrift moest voegen.

De in artikel 4, § 4 voorziene nietigheidssanctie is van openbare orde, zodat de arbeidsrechtbank ze ambtshalve mag inroepen en de werknemer en diens vakorganisatie er niet aan kunnen verzaken. De wettelijke voorschriften van de Wet van 19 maart 1991 hebben immers niet enkel de bescherming van de werknemer op het oog.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.: 2012/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN 23 NOVEMBER 2012

1e KAMER

ARBEIDSRECHT - beschermde werknemer

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 11, § 3, vierde lid, Wet 19/03/1991)

in de zaak:

1. NV EUROBROKERS, met maatschappelijke zetel te 1731 ZELLIK, Brusselsesteenweg 464, appellante, vertegenwoordigd door mr. VAN DEN BOSSCHE I. loco mr. SWENNEN Remi, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30,

tegen:

1. V. , wonende te ***, eerste geïntimeerde,

2. ALGEMEEN CHRISTELIJK VAKVERBOND, met zetel te Haachtesteenweg 579, 1031 BRUSSEL, tweede geïntimeerde,

3. ACV-Transcom, met zetel te 3010 KESSEL-LO, Martelarenlaan 8, derde geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. BOLLEN Rudi, advocaat te 3000 LEUVEN, Sint-Maartenstraat 8.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 17-09-2012 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 25e kamer (A.R. 12/6862/A -12/6220/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 28 september 2012,

de beschikking van de eerste voorzitter overeenkomstig art. 11 van de wet van 19 maart 1991, gegeven op 15 oktober 2012,

de conclusie voor de appellant, neergelegd ter griffie op 5 november 2012,

de conclusie voor de geïntimeerden, neergelegd ter griffie op 26 oktober 2012, 6 november 2012, 13 november 2012 en op 15 november 2012,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 16 november 2012, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

De heer V. trad op 1-10-2007 als arbeider chauffeur voor een voltijdse betrekking in dienst van de NV Eurobrokers die een nationaal transport van niet verse voedingswaren verzorgt. De vennootschap stelt een 35-tal chauffeurs te werk.

Vanaf 2010 maakte de heer V. deel uit van de vakbondsafvaardiging van ACV-Transcom.

Bij de sociale verkiezingen van 10-5-2012 werd hij door het ACV voorgedragen als kandidaat voor de ondernemingsraad en voor het comité voor preventie en bescherming op het werk. Hij werd verkozen tot effectief lid van beide overlegorganen.

De heer V. stelt dat hij geregeld werd aangesproken door chauffeurs in verband met een aantal prangende en aanslepende problemen op het werk betreffende het laad- en losproces van de lading van de vrachtwagens, de zekering van de ladingen en de planning.

De heer V. houdt voor dat de problematiek reeds herhaaldelijk aangekaart werd bij de werkgever. Er werd herhaaldelijk over vergaderd doch een concrete oplossing bleef uit.

Op 2-5-2012 werd een actie op het getouw gezet ten einde de vennootschap ertoe te bewegen de gepaste maatregelen te treffen. De heer V. had de sleutels en reservesleutels van een aantal vrachtwagens meegenomen in de ene vestiging en in de andere vestiging een vrachtwagen voor de uitrit gestationeerd, zodat de chauffeurs niet konden uitrijden. Pas enkele uren later kon opnieuw worden uitgereden.

Twee dagen na beëindiging van de actie werd de heer V. bij aangetekende brief van 4-5-2012 op de hoogte gesteld van het voornemen van de vennootschap hem om dringende reden te ontslaan in het raam van de wet van 19-3-1991.

De werknemersorganisatie ACV en ACV-Transcom werden bij aangetekende brief van dezelfde datum eveneens op de hoogte gesteld van dit voornemen.

De dringende redenen werden in de brief zelf niet vermeld. Er werd enkel verwezen naar het afschrift van het verzoekschrift in bijlage.

Op 4-5-2012 werd ter griffie van de arbeidsrechtbank een verzoekschrift neergelegd waarmee de bij de wet van 19-3-1991 voorgeschreven procedure aanhangig werd gemaakt bij de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Brussel.

Bij bevelschrift van 15-5-2012 heeft de Voorzitter van de arbeidsrechtbank vastgesteld dat partijen niet konden verzoend worden, dat de ingeroepen redenen betrekking hadden op de vakbondsactiviteiten van de heer V. als lid van de syndicale delegatie en als kandidaat personeelsafgevaardigde en dat de schorsing van de arbeidsovereenkomst tijdens de duur van de procedure niet kon worden uitgesproken.

Op 18-5-2012 is de vennootschap overgegaan tot dagvaarding zoals in kortgeding opdat de in het verzoekschrift vermelde feiten als dringende reden zouden worden erkend en zij zou worden toegelaten de heer V. om die redenen te ontslaan.

Bij vonnis van 3-7-2012 stelde de arbeidsrechtbank vast dat de in toepassing van art 4§3 van de wet bedoelde brieven enkel vermeldden "hierbij laten wij u een copie geworden van het verzoekschrift dat heden aan de arbeidsrechtbank Brussel werd verzonden op basis van de wet van 19-3-1991 doch dat de dringende redenen voor het ontslag niet in de brieven zelf waren opgenomen.

Zij stelde dat de bewoordingen van art 4§3 van de wet ontslagbescherming personeelsafgevaardigden duidelijk waren en dat die wet van openbare orde was.

Zij heropende de debatten om partijen de gelegenheid te geven standpunt in te nemen met betrekking tot het door haar ambtshalve opgeworpen middel.

Bij een navolgend vonnis van 18-9-2012 verklaarde zij de vordering van de vennootschap niet ontvankelijk in toepassing van art 4§4 van de wet van 19-3-1991 wegens niet naleving van de in art 4§3 van die wet bepaalde voorschriften, met veroordeling van de vennootschap tot de kosten van het geding.

II. VORDERINGEN IN HOGER BEROEP

De vennootschap is het niet eens met de uitspraak van de arbeidsrechtbank.

Zij vordert dat het hof haar vordering ontvankelijk en gegrond zou verklaren en voor recht zou zeggen dat de feiten aangehaald in het inleidende verzoekschrift een dringende reden uitmaken in de zin van art 35 WAO waardoor de verdere samenwerking tussen partijen onmogelijk is geworden en haar te machtigen over te gaan tot de verbreking van de arbeidsovereenkomst om dringende reden in de zin van art 35 WAO.

De geïntimeerde partijen te veroordelen tot de kosten van het geding.

III. BEOORDELING

A. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep is regelmatig naar vorm en werd ingesteld binnen de bij art 11 van de wet van 19-3-1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden voorziene termijn.

Het is derhalve ontvankelijk.

B. ONTVANKELIJKHEID VAN DE OORSPRONKELIJKE VORDERING

De vennootschap is van oordeel dat zij wel degelijk alle bepalingen van art. 4 van de wet van 19-3-1991 heeft nageleefd en in de aan de geïntimeerde partijen verzonden brieven wel degelijk alle feiten heeft vermeld die naar haar oordeel elke professionele samenwerking definitief onmogelijk maken aangezien het afschrift van het verzoekschrift waarmee de ontslagprocedure diezelfde dag werd aangevat integrerend deel uitmaakte van de aan de heer V. en aan de vakorganisatie verzonden brieven.

Zij benadrukt dat door zo te handelen de zekerheid bestaat dat die brieven precies dezelfde feiten weergeven als vermeld in het verzoekschrift.

Zij meent dat art. 4 van de bijzondere ontslagregelingswet niet bepaalt dat deze werkwijze niet geldig zou zijn.

Zelfs in het geval de aan de heer V. en de vakorganisatie gerichte brieven niet zouden voldoen aan het vereiste van art 4 §1 en 3 van de wet van 19-3-1991, dan nog is er volgens haar geen reden om de nietigheid uit te spreken aangezien het doel van de wet is bereikt, nl. het informeren van de werknemer en van de vakvereniging die hem heeft voorgedragen, en geen van beiden enige belangenschade hebben geleden.

Zij verwijst in dat verband naar de bepalingen van art 861 tot 867 van het Gerechtelijk Wetboek waarvan zij stelt dat die eveneens van toepassing zijn op de procedure voorzien bij de wet van 19-3-1991 en de bedoelde brieven als proceshandelingen moeten worden beschouwd.

Zij vestigt er de aandacht op dat geïntimeerden zich hebben kunnen verdedigen m.b.t. de ingeroepen feiten en voor de arbeidsrechtbank zelfs niet hadden ingeroepen dat ze van de als dringende reden ingeroepen feiten onvoldoende kennis zouden hebben gekregen.

Het openbare orde karakter van de wettelijke ontslagbescherming heeft volgens haar niet tot gevolg dat alle uit die bescherming voortvloeiende rechten de openbare orde raken zoals blijkt uit een arrest van het Hof van Cassatie van 17-6-2012 (lees: 16-5-2011) met betrekking tot het verzaken van een werknemer aan de beschermingsvergoeding.

Zij leidt daaruit af dat de werknemer ook kan verzaken aan het recht om de nietigheid op te werpen.

De in art 4 §4 van de bijzondere ontslagregelingswet opgenomen nietigheidssanctie betreft volgens haar geen absolute nietigheid zodat de arbeidsrechtbank deze niet ambtshalve diende op te werpen en geïntimeerde partijen deze nietigheid konden dekken wat in feite ook gebeurde.

De heer V. sluit zich aan bij het oordeel van de arbeidsrechtbank dat de feiten die als dringende reden worden ingeroepen moeten worden vermeld in de aangetekende brief zelf die aan de betrokken werknemer en zijn vakorganisatie moeten worden verstuurd overeenkomstig art 4§1 en §3 van de wet van 19-3-1991.

Hij verwijst naar een arrest van het Hof van Cassatie van 8-12-2003 waarin het Hof oordeelde dat het niet volstaat dat die feiten vermeld zijn in een bij die brieven gevoegd afschrift van het verzoekschrift.

Art 4, § 1, van de wet van 19-3-1991, bepaalt:

"De werkgever die het voornemen heeft een personeelsafgevaardigde of een kandidaat-personeelsafgevaardigde om een dringende reden te ontslaan, moet hem en de organisatie die hem heeft voorgedragen hierover inlichten bij een ter post aangetekende brief die verstuurd wordt binnen de drie werkdagen volgend op de dag gedurende welke hij kennis heeft gekregen van het feit dat het ontslag zou rechtvaardigen. Hij moet eveneens binnen dezelfde termijn, bij verzoekschrift zijn zaak aanhangig maken bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank.

art. 4, § 2,

"Het verzoekschrift wordt gericht aan de griffie bij een ter post aangetekende brief en vermeldt...

4°...De werkgever voegt bij zijn verzoek een afschrift van de brieven bedoeld in §1:"

...

art. 4, § 3, luidt:

"In de bij §1 bedoelde brieven moet de werkgever alle feiten vermelden die naar zijn oordeel elke professionele samenwerking definitief onmogelijk maken vanaf het ogenblik waarop zij door de arbeidsgerechten als juist en voldoende zwaarwichtig zouden beoordeeld worden. In geen geval mogen deze feiten verband houden met het mandaat van personeelsafgevaardigde."

Art. 4, § 4,:

"De modaliteiten, de termijnen van kennisgevingen en de vermeldingen die dit artikel oplegt, zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid."

Art. 7 bepaalt verder dat wanneer de procedure wordt verder gezet, in de dagvaarding geen andere feiten mogen worden ingeroepen dan deze waarvan overeenkomstig art 4, § 1, kennis is gegeven, daartoe dient de werkgever een afschrift van de brieven aan de betrokkene en zijn vakorganisatie neer te leggen in het bundel.

In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van het Hof van Cassatie van 8-12-2003, waarop de heer V. zich beroept, werden de als dringende redenen ingeroepen feiten niet vermeld in de aangetekende brief zelf die aan de werknemers werd gestuurd overeenkomstig art 4, § 1, maar werd verwezen naar een ontwerp van verzoekschrift in bijlage.

Het Hof van Cassatie overwoog

-dat de modaliteiten en vermeldingen die door art 4 van de wet worden opgelegd, voorgeschreven zijn op straffe van nietigheid.

-dat uit art 4 en art 7 volgt dat de wetgever de brieven waarin de werkgever zijn voornemen tot ontslag kenbaar maakt duidelijk heeft onderscheiden van het verzoekschrift waarbij hij de zaak bij de bevoegde rechter aanhangig maakt .

-dat de wetgever heeft gewild dat de feiten die dat voornemen kunnen rechtvaardigen op straffe van nietigheid in die brieven zouden worden vermeld en dat het toezicht op de naleving van het verbod om zich op andere feiten te beroepen zou geschieden aan de hand van die brieven.

Het Hof van Cassatie stelde vast dat de feiten waarop de werkgever zich beriep niet in de brieven aan de eiser werden vermeld, doch in het verzoekschrift dat in bijlage werd verstuurd.

Het Hof besliste dat het bestreden arrest art. 4 van de wet van 19-3-1991 had geschonden, door te oordelen "dat onder de in art. 4 van de wet van 19 maart 1991 bedoelde aangetekende brief moet worden verstaan elke schriftelijke mededeling aan een persoon die bij ter post aangetekende brief is verstuurd" en dat "verweerster door het ontwerp van het verzoekschrift waarin zij haar grieven omschrijft bij haar aangetekende brieven te voegen voldaan heeft aan de voorwaarden van de wettekst waarvan het doel is bereikt, namelijk de betrokkene en zijn vakorganisatie op de hoogte te brengen van wat hem wordt verweten".

Daaruit blijkt dat het Hof van Cassatie van oordeel is dat bijlagen aan een brief niet kunnen worden beschouwd als "de brief zelf" wat van belang is i.v.m. de bepaling van art. 7 dat aan de rechter geen andere feiten mogen worden voorgelegd dan deze vermeld in de brieven bedoeld in art 4, § 1 en § 3, die in het dossier moeten worden neergelegd.

Door in bijlage aan het verzoekschrift enkel een afschrift van de brieven aan de heer V. en de vakorganisatie te hechten en niet van de bijlagen die tegelijker tijd werden verstuurd, gaf de vennootschap eveneens te kennen dat deze geen integrerend deel uitmaakten van de brieven die ze overeenkomstig art 4 §2, 4° bij het verzoekschrift moest voegen.

De wetgever heeft gewild dat de werknemer en de organisatie die hem heeft voorgedragen volledig worden geïnformeerd over de feiten die de werkgever als dringende reden beschouwt en op grond waarvan hij een ontslagprocedure wil aanvatten. Over de inhoud ervan moet onmiddellijk duidelijkheid bestaan.

De door de vennootschap verdedigde stelling kan ertoe leiden dat er allerlei discussies ontstaan, bvb. wanneer er in tegenstelling tot wat wordt beweerd geen bijlage bij de brief werd gevoegd.

Wat de toepassing betreft van de bepalingen van art 860 tot 867 van het Gerechtelijk Wetboek waarop de vennootschap zich beroept, werd in de voorziening die aanleiding gaf tot voormeld arrest van het Hof van Cassatie van 8-12-2003, terecht benadrukt dat die bepalingen niet van toepassing zijn op de brieven die overeenkomstig art. 4, § 1, van de wet van 19-3-1991 moeten worden verstuurd, daar deze geen procedurehandelingen zijn. Het is niet omdat de brieven aan de werknemer en de vakorganisatie ter kennis moeten worden gebracht op dezelfde datum als het verzoekschrift waarmee de zaak aanhangig wordt gemaakt voor de rechtbank dat zij als proceshandelingen kunnen worden gekwalificeerd.

De bepalingen van art 860 tot 867 Gerechtelijk Wetboek zijn inderdaad slechts van toepassing op proceshandelingen.

In het arrest van het Hof van Cassatie van 24-3-2003 waarnaar de vennootschap verwijst oordeelde het Hof van Cassatie dat in toepassing van art 2 Gerechtelijk Wetboek, de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn op alle procedures, tenzij deze worden beheerst door niet uitdrukkelijk afgeschafte wettelijke bepalingen of door rechtsbeginselen waarvan de toepassing onverenigbaar is met dat Wetboek.

Het Hof overwoog dat geen enkele bepaling van de wet van 19-3-1991 en geen enkel toepasselijk rechtsbeginsel die ze beheersen onverenigbaar was met de toepassing van de regelingen m.b.t. de nietigheid voorzien in art 860 tot 867 Gerechtelijk Wetboek.

In die zaak waren echter de onregelmatigheden in het verzoekschrift waarmee de rechtbank werd gevat aan de orde. Het verzoekschrift is, in tegenstelling tot de brieven aan de werknemer en zijn vakorganisatie wel een procedurehandeling waarop de bepalingen van art 860 tot 867 Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn.

De verwijzing naar die rechtspraak is bijgevolg niet dienend in voorliggend geval.

Art. 4, § 4, van de wet verbindt een nietigheidssanctie aan het ontbreken van de in art 4 vereiste modaliteiten, termijnen en vermeldingen.

De vennootschap meent dat die nietigheid niet van openbare orde is en dat geïntimeerde partijen eraan konden verzaken, wat zij volgens haar ook deden daar zij niet zelf het ontbreken van de dringende redenen in de brief zelf als middel tot onontvankelijkheid van de vordering hadden ingeroepen.

Het hof is van oordeel dat de in art 4, § 4, voorziene nietigheidssanctie wel degelijk van openbare orde is zodat de arbeidsrechtbank deze ambtshalve mocht inroepen en geïntimeerden er niet aan konden verzaken. De wettelijke voorschriften van de wet van 19-3-1991 hebben immers niet enkel de bescherming van de werknemer op het oog.

In een arrest van 4-9-1995 heeft het Hof van Cassatie benadrukt dat de bijzondere bescherming van de personeelsafgevaardigden en de niet verkozen kandidaten tot doel heeft enerzijds die personeelsafgevaardigden toe te laten hun opdracht in de onderneming te vervullen en anderzijds hun volledige vrijheid te waarborgen om zich kandidaat te stellen bij de verkiezingen voor die organen, dat deze bescherming werd ingesteld met het oog op het algemeen belang en van openbare orde is. Het Hof heeft dit openbare orde karakter van de wet nog in verschillende arresten bevestigd. (Cass. 1-12-1997, CDS 98 p 292; Cass. 15-5-2000, JTT 2000 p 371, Cass. 16-5-2011, NJW, 2011, 496)

De verwijzing door de vennootschap naar het arrest van het Hof van Cassatie waarin het Hof heeft geoordeeld dat het openbare orde karakter van de wet niet belet dat een werknemer afstand kan doen van zijn beschermingsvergoeding, een arrest van 16-5-2011 en niet van 17-6-2012, zoals onjuist vermeld in haar conclusie, acht het hof ter zake niet van toepassing op voorliggend geval.

In dat arrest oordeelde het Hof dat die afstand pas mogelijk was op het ogenblik dat de beschermingsvergoeding door de werknemer definitief was verworven omdat de werkgever de ontslagprocedure niet had nageleefd en de door de ontslagregelingswet voorziene mogelijkheid tot re-integratie niet meer binnen de door de wet bepaalde termijnen kon worden aangevraagd of niet ingewilligd, zodat de wet haar doel niet had bereikt.

Die situatie is niet vergelijkbaar met voorliggend geval waarin geen ontslagbeslissing werd genomen en derhalve de door de wet beoogde bescherming nog uitwerking kon krijgen.

Nu niet voldaan is aan één van de op straffe van nietigheid voorgeschreven voorschriften: nl. vermelding van de als dringende reden beschouwde feiten in de aan de heer V. en de aan de vakvereniging die hem had voorgedragen gerichte aangetekende brief van 4-5-2012 zelf heeft de arbeidsrechtbank terecht beslist dat de vordering van de vennootschap onontvankelijk was, zodat de grond van de zaak niet verder kan worden onderzocht..

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de vennootschap.

Vereffent het bedrag van de proceskosten, begroot in hoofde van de heer V. tot op heden op1.320 euro als rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en ondertekend door de eerste kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Geertrui BALIS, kamervoorzitter,

Eric MAGNUS, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Marc VANDER EECKT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Marc VANDER EECKT

Eric MAGNUS Geertrui BALIS

en uitgesproken op de buitengewone openbare terechtzitting van vrijdag 23 november 2012 door:

Geertrui BALIS, kamervoorzitter,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Geertrui BALIS

Vrije woorden

  • ORGANISATIE VAN HET BEDRIJFSLEVEN

  • ONTSLAGREGELING VAN DE WET VAN 19 MAART 1991

  • Ontslag

  • Dringende reden

  • Beschermde werknemer

  • Bijlagen bij de brieven aan de werknemer en de vakorganisatie

  • Nietigheid.