- Arrest van 3 december 2012

03/12/2012 - 2012/AB/385

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer een verzoeker ten onrechte zijn kennelijk onvermogen voorwendt, legt hij onjuiste verklaringen af, die op grond van art. 1675/15 §1, 5° Ger. W. als valse verklaringen moeten worden beschouwd. Deze kunnen leiden tot herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid collectieve schuldenregeling.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.: 2012/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 3 DECEMBER 2012

11 e KAMER

COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - vorderingen collectieve schuldenregeling

tegensprekelijk ten aanzien van de appellant, de eerste geïntimeerde en de schuldbemiddelaar

herroeping beschikking toelaatbaarheid

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 1675/9, § 2, 3°, Ger. W.)

in de zaak:

1. P. W., appellant, vertegenwoordigd door mr. DURNEZ Johan, advocaat te

3050 OUD-HEVERLEE, Waversebaan 134 A,

tegen:

1. V. M,

eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. MERCELIS Ivo, advocaat te 3000 LEUVEN, St.-Jacobsplein 20,

2. ACERTA, met maatschappelijke zetel te 2610 WILRIJK, Groenenborgerlaan 16, tweede geïntimeerde,

3. F.O.D. Financiën, met zetel te 3300 TIENEN, Goossensvest 11, derde geïntimeerde,

4. VDH. C., , vierde geïntimeerde,

5. ING BELGIË NV, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Marnixlaan 24, vijfde geïntimeerde,

6. DEWIL Johan, schuldbemiddelaar, met kantoor te 3300 TIENEN, Veemarkt 2, zesde geïntimeerde.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak t.a.v. de heer P., mevrouw V. en de schuldbemiddelaar op 04-04-2012 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 6e kamer (A.R. 11/418/B),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 17 april 2012,

- de neergelegde conclusies,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 5 november 2012, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Mevrouw V. en de heer W. P. waren vennoten in de bvba A.. Ze hadden tevens een relatie, die stopgezet werd, waarna ze elkaar bestookten met juridische betwistingen.

Ze woonden tot november 2003 in een onroerend goed van de bvba, waarvan ze beiden de lening voor de helft afbetaalden. In juli 2005 werd dit pand verkocht voor

euro 200.000. De instrumenterende notaris kon een netto saldo van euro 146.812,45 aan de bvba overmaken.

Mevrouw V. rekende erop dat de bvba zou vereffend worden.

2. In de plaats daarvan startte de heer P. een procedure in gedwongen overname van de aandelen van de bvba. Bij vonnis van 11 oktober 2005 werd mevrouw V. veroordeeld tot overdracht van haar aandelen aan de heer P. voor een bedrag van euro 22.366,51 vermeerderd met intresten.

Mevrouw V. tekende beroep aan tegen de waardering van de aandelen.

De bvba werd op 17 februari 2010 failliet verklaard.

Bij arrest van 28 juni 2010 van het Hof van beroep te Brussel werd de heer P. reeds veroordeeld tot betaling van een provisioneel bedrag van euro 5.637,39.

Op 10 mei 2011 stelde het hof een deskundige aan voor de verdere waardering van de aandelen.

3. Op 5 december 2005 dagvaardde mevrouw V. de bvba in betaling van de openstaande rekening courant om de gelden te recupereren die ze voor de lening van het huis had afbetaald. Na een vonnis van de rechtbank van 18 december 2008 en een arrest van het Hof van beroep van Brussel van 10 mei 2011 werd de bvba veroordeeld tot betaling van euro 33.145,55, vermeerderd met intresten vanaf 1 januari 2006.

4. Mevrouw V. legde klacht neer tegen de heer P. wegens verduistering van vennootschapsgelden; de heer P. wijst op zijn stukken 2, 5 en 6 waaruit moet blijken dat deze klacht met not. nr. LE70.99.365/09 geseponeerd werd.

5. De heer P. van zijn kant legde klacht neer met burgerlijke partijstelling wegens ontdraging van vennootschapsgoederen, maar ook deze klacht werd bij arrest van

24 september 2009 door de Kamer van Inbeschuldigingstelling buiten vervolging gesteld.

6. De heer P. is tevens meerderheidsaandeelhouder en afgevaardigd bestuurder in de nv Garage P.. Hij vormde deze om tot een carwash en diende hiervoor belangrijke investeringen te doen.

Op 27 juli 2011 legde hij een verzoek neer in het kader van de Wet continuïteit ondernemingen (WCO). Bij vonnis van 9 augustus 2011 van de rechtbank van koophandel te Leuven werd een opschorting van 6 maanden toegestaan tot 9 februari 2012, bij vonnis van 1 februari 2012 verlengd tot 9 juli 2012 en bij vonnis van 21 juni 2012 nogmaals verlengd tot 3 december 2012.

7. Mevrouw V. legde op 20 september 2011 uitvoerend beslag op roerend goed als gevolg van de provisionele veroordeling van de heer P. tot betaling van euro 5.637,39 wegens overname aandelen.

Er was een verkoopdag voorzien op 28 oktober 2011.

Onmiddellijk werden 3 revindicatieprocedures opgestart, die door de beslagrechter te Leuven werden beslecht.

Tevens heeft de heer P. op 23 oktober 2011 een verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Leuven.

Op 28 november 2011 werd dit verzoek toelaatbaar verklaard en werd advocaat Johan Dewil aangesteld als schuldbemiddelaar.

8. Op 22 december 2011 legde mevrouw V. M. op grond van art. 1675/15 §1, 1°, 3°, 4° en 5° Ger. W. een verzoekschrift tot herroeping van de toelaatbaarheidverklaring neer.

9. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven van 4 april 2012 werd deze herroeping toegestaan op grond van art. 1675/14 §1, 4° en 5° Ger. W.

10. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 17 april 2012, tekende de heer P. hoger beroep aan en vroeg dat de herroeping zou worden teniet gedaan en de beschikking van toelaatbaarheid zou worden bevestigd.

II. BEOORDELING.

1. Het hoger beroep van de heer P. werd tijdig ingesteld en voldoet aan de ontvankelijkheidvereisten, wat overigens niet wordt betwist, zodat het hoger beroep ontvankelijk kan worden verklaard.

2. Artikel 1675/15 §1 Ger. W. bepaalt dat de herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid of van de minnelijke aanzuiveringregeling kan worden uitgesproken, wanneer de schuldenaar:

1° hetzij onjuiste stukken heeft afgegeven met de bedoeling aanspraak te maken op de procedure van gezamenlijke schuldenregeling of deze te behouden;

2° hetzij ...

3° hetzij onrechtmatig zijn lasten heeft verhoogd of zijn baten heeft verminderd

4° hetzij zijn onvermogen heeft bewerkt

5° hetzij bewust valse verklaringen heeft afgelegd

Na onderzoek van de voorliggende elementen oordeelde de arbeidsrechtbank te Leuven dat de heer P. de rechtbank had misleid en bewust valse, onjuiste en onvolledige verklaringen had afgelegd en zijn onvermogen had bewerkt, waardoor hij ten onrechte was toegelaten tot de collectieve schuldenregeling.

3. De heer P. is gehuwd met mevrouw N. volgens het stelsel van scheiding van goederen. Ze is tevens bestuurster in de nv Garage P..

Volgens het verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling ontvangen ze beiden een maandelijkse vergoeding van euro 415,35 of samen euro 830,70, waarvan ze euro 200 terugbetalen wegens huur van een woning, eigendom van de vennootschap.

Er worden maandelijkse lasten van euro 600 opgegeven + familiale verzekering

euro 70/jaar en verwarmingskosten euro 500 à 700/ jaar.

Dit betreffen gezamenlijke gezinsinkomsten en -uitgaven. Voor mevrouw N. wordt geen collectieve schuldenregeling aangevraagd.

In zijn verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling verklaart de heer P. op zijn eer dat hij zijn onvermogen niet kennelijk heeft bewerkstelligd en dat hij niet in de mogelijkheid is om zijn persoonlijke schulden te betalen. Hij verwijst daarvoor uitvoerig naar de WCO-procedure van zijn vennootschap, om welke redenen het hem onmogelijk zou zijn een ruimer bestuurdersinkomen aan zichzelf uit te keren. Ook verwijst hij naar het uitvoerend beslag en hij geeft een overzicht van de schulden.

4. Het hof treedt de eerste rechter bij dat de heer P. kennelijk zijn onvermogen bewerkt, klaarblijkelijk om toch te kunnen ontsnappen aan de gevolgen van het uitvoerend beslag en hierbij onjuiste verklaringen aflegt in verband met zijn inkomen en dienaangaande inkomsten verzwijgt.

Ten aanzien van mevrouw N. werd geen uitvoerend beslag gelegd en voor haar werd de collectieve schuldenregeling niet aangevraagd; niettemin zou ze zich volgens de opgave van inkomsten en van de lasten in een even precaire situatie moeten bevinden.

5. Volgens de tabel der ingediende schuldvorderingen zijn er naast de vordering van mevrouw V. slechts 3 schuldeisers: de fiscus, de sociale verzekeringskas Acerta en Fiducre voor ING.

Deze laatste dienden eerder kleine vorderingen in. ( euro 777,60 en euro 363,81)

Het merendeel van de vorderingen wordt ingenomen door de Ontvanger Directe Belastingen ( euro 16.977,51) en de sociale verzekeringskas ( euro 2.319,76).

Beide schulden hangen samen en ze zijn het gevolg van het feit dat de heer P. voor de aanslagjaren 2008 en 2009 voordelen niet aangaf, die door de fiscus als inkomsten werden getaxeerd. Hiertegen werd geen bezwaar ingediend.

Deze zwarte betalingen wijzen erop dat de heer P. niet beroerd is om naast zijn reguliere inkomsten ook andere gelden naar zich toe te trekken.

6. Enerzijds merkt de eerste rechter terecht op dat de beweerde inkomsten van de heer P. niet overeenkomen met wat in de jaarrekeningen voorkomt (daar zijn ze nog lager).

Anderzijds wijst mevrouw V. erop dat uit de vonnissen van de beslagrechter te Leuven van 27 maart 2012 (AR 11/2261/A en 11/2257/A) volgt dat de heer P. (en niet de NV) eigenaar is van de voertuigen Subaru en Pontiac Fiero.

De verwijzingen naar de jaarrekening 2010 en de tussentijdse staat van 30 juni 2011 zijn niet ter zake dienend, daar de beslagrechter wijst op de voorgewende aankoop in 2007 en de jaarrekeningen van dat jaar geen materieel vast activa vermelden. Bovendien droeg de voorgelegde factuur geen nummer en was er geen bewijs van betaling bij de NV.

In het verzoekschrift collectieve schuldenregeling houdt de heer P. voor over geen auto te beschikken.

Met het voorgewende bijzonder lage inkomen is het gebruik en bezit van twee wagens onmogelijk. De heer P. stelt dat hij geen garageactiviteiten meer doet maar deze wagens wijzen wel in de richting van tweedehandsverkoop, mogelijk los van de NV.

De heer P. was daarin thuis. Opvallend is dat in I.1 van het verzoekschrift WCO als doel van de vennootschap o.m. wordt aangegeven: groot- en kleinhandel, import en export in tweedehands voertuigen.

De gedelegeerd rechter WCO stelt in zijn verslag van 5 augustus 2011 dat vanaf 2009 de carwash de voornaamste activiteit is geworden, wat erop wijst dat wel degelijk nog enkel andere activiteiten worden aangehouden.

Nochtans verwijst ter zitting de heer P. voor de activiteiten van zijn vennootschap enkel naar carwash.

Ofwel heeft zijn vennootschap ruimere activiteiten met overeenstemmende grotere inkomsten dan wordt beweerd; ofwel doet de heer P. andere dingen ten persoonlijke titel en heeft hij meer inkomsten dan de onleefbaar lage bestuurdersvergoeding die hij voorwendt.

7. De heer P. verwijst naar de teller op de carwash-installatie om voor te houden dat hij geen irreguliere inkomsten kan hebben. De foto's zijn zeer vaag en onleesbaar. Tevens wordt geen detail van de inkomsten opgegeven, zodat een vergelijking met de teller evenmin mogelijk is.

Terecht heeft de eerste rechter opgemerkt dat de carwash steunt op prestaties die dagelijks en contant worden betaald zonder enig reëel controlemechanisme op de kasgelden.

Naar deze dagelijkse constante inkomsten wordt overigens ook verwezen in het verzoekschrift WCO van de nv onder I.6.

8. De voorstellingswijze van de heer P. als zou zijn onleefbaar laag inkomen het gevolg zijn van de precaire situatie van zijn vennootschap, kan niet gevolgd worden.

Uit de jaarrekeningen valt af te leiden dat de brutomarge van de omzet steeg van negatief in 2009 naar positief. ( in 2010: 30.795; 2011: 58.924)

In 2011 was er een bedrijfswinst van 11.786.

Het verzoekschrift collectieve schuldenregeling dateert van 12 oktober 2011.

Ook in het vonnis van de rechtbank van koophandel te Leuven van 9 augustus 2011 wordt gewezen op de opwaartse lijn van de activiteiten, de winst in het eerste semester 2011 en de vooruitgang in de cash flow. In de vonnissen van verlenging van 1 februari en 21 juni 2012 wordt de aanhoudende verbetering herbevestigd.

Terecht wijst de eerste rechter erop dat de heer P. juist de collectieve schuldenregeling aanvraagt op het ogenblik dat deze cijfers in stijgende lijn gaan.

De moeilijke situatie van zijn vennootschap hangt ten dele af van de investeringsbeslissing en de beperkte termijn van terugbetaling, maar deze situatie verbeterde reeds merkbaar in 2011, zodat dit geen verantwoording inhoudt voor zijn zgn. onrealistisch laag inkomen.

9. Uit het kredietcontract van KBC van 9 maart 2009 volgt dat er een investeringskrediet was van euro 365.000 en een kaskrediet van euro 25.000.

Naast een hypothecaire waarborg vroeg de bank een solidaire borgstelling van de heer P. van euro 80.000, vermeerderd met intresten en kosten. Dit wijst erop dat de heer P. in de ogen van de bank solvabel was.

Ten onrechte beriep hij zich dan ook op een kennelijk onvermogen, waardoor hij zijn persoonlijke schulden niet meer kon afbetalen.

Dichter bij de realiteit zal zijn dat hij omwille van de liefdestwist met zijn voormalige partner het beslag met nakende verkoop wou counteren.

Hierbij verzwijgt hij zijn reële situatie, wat in strijd is met de procedurele goede trouw, die aan een procedure collectieve schuldenregeling ten grondslag ligt.

De in art. 1675/15 § 1, 5° bedoelde valse verklaringen duiden niet op een strafrechtelijke valsheid, maar wel op onjuiste en op onvolledige verklaringen. (De Coster S., Artikel 1675/15 Ger. W. in Artikelsgewijze commentaar Ger.W., nr. 27).

10. Hieruit vloeit voort dat de eerste rechter terecht de beschikking van toelaatbaarheid heeft herroepen. Er dient een materiële verbetering te gebeuren, waar de eerste rechter deze beschikking verkeerdelijk dateerde op 17 maart 2008 i.p.v. 28 november 2011.

Ereloon en kostenstaat

11. De schuldbemiddelaar legt een ereloon en kostenstaat neer ten bedrage van

euro 710,20 die is opgemaakt in overeenstemming met het KB van 18 december 1998 en die kan worden goedgekeurd, rekening houdend met de uitgevoerde plichten.

Deze bijkomende staat dient uitvoerbaar te worden verklaard en wordt in eerste instantie ten laste gelegd van de rubriekrekening ten bedrage van het beschikbaar bedrag en van de heer P.. Het eventuele oninbaar saldo komt ten laste van het Fonds ter bestrijding van de overmatige schuldenlast, daar door de herroeping geen verdere inhoudingen mogelijk zijn.

12. De kosten van rechtspleging van beide aanleggen worden ten laste van de heer P. gelegd als in het ongelijk gestelde partij, die zijn onvermogen heeft bewerkt en valse verklaringen heeft afgelegd om de collectieve schuldenregeling te bekomen met andere doeleinden dan om tot schuldsanering te komen.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtdoende op tegenspraak t.a.v mevrouw V. en de heer P. en de schuldbemiddelaar en bij verstek t.o.v. de schuldeisers.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het vonnis van de eerste rechter met deze verbetering dat de datum van de beschikking van toelaatbaarheid vermeld in het beschikkend gedeelte als 17 maart 2008 moet worden verbeterd en gelezen als 28 november 2011.

Bepaalt de staat van kosten en erelonen van de schuldbemiddelaar op

euro 710,20 waarvoor dit arrest als uitvoerbare titel geldt.

Zegt dat deze staat ten laste wordt gelegd van de rubriekrekening ten bedrage van het beschikbaar bedrag en verder van de heer P..

Het eventuele oninbare saldo komt ten laste van het Fonds ter bestrijding van de overmatige schuldenlast, daar door de herroeping geen verdere inhoudingen mogelijk zijn.

De kosten van rechtspleging van beide aanleggen worden ten laste van de heer P. gelegd als in het ongelijk gestelde partij, deze aan de zijde van mevrouw V. begroot op euro 40,11 per aanleg.

Aldus gewezen en ondertekend door de elfde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door :

Sonja VAN LANDUYT, afgevaardigd griffier.

Sonja VAN LANDUYT , Lieven LENAERTS.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van maandag 3 december 2012 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Sonja VAN LANDUYT, afgevaardigd griffier.

Sonja VAN LANDUYT, Lieven LENAERTS.

Vrije woorden

  • Schuldoverlast Ger. W. art. 1675/15 § 1, 5° Herroeping wegens valse verklaringen