- Arrest van 6 november 2013

06/11/2013 - 2012/AA/862

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Het beroep van een gerechtigde tegen de beslissing tot bepaling van de ongeschiktheid mag er niet toe leiden dat de evaluatie van de graad van toegekende ongeschiktheid wordt verminderd ten nadele van de gerechtigde, ook niet per rubriek.


Arrest - Integrale tekst

ARBEIDSHOF ANTWERPEN

Afdeling Antwerpen

Arrest

6 november 2013

D.K.M.,

met als raadsman mr. V.R.A., advocaat te A,

tegen:

ACERTA KINDERBIJSLAGFONDS VZW, gevestigd te 2610 Antwerpen, Groe-nenborgerlaan 16,

met als raadsman mr. M.N., advocaat te K.-L.,

voor wie pleit mr. W.I., advocaat te K.-L.

Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis van 2 november 2012 van de arbeids-rechtbank Antwerpen.

Het arbeidshof past de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken toe.

Advocaat-generaal Johan Dekeersmaeker gaf namens het openbaar ministerie monde-ling advies op de zitting van 2 oktober 2013. Mr. V.R. werd gehoord in zijn opmerkingen over het advies. Mr. W. verklaarde geen opmerkingen te hebben over het advies.

1. Ontvankelijkheid

Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 5 december 2012, teken-de mevrouw D.K. hoger beroep aan tegen een vonnis van 2 november 2012 (AR 11/4525/A) van de arbeidsrechtbank Antwerpen.

Het vonnis werd aan mevrouw D.K. op haar gekozen woonplaats ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger.W., bij gerechtsbrief op 9 november 2012.

Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar vorm en ontvankelijk.

2. Feiten en voorafgaande procedure

Mevrouw D.K. deed een eerste aanvraag tot het bekomen van verhoogde gezinsbijslag voor zoon C. Na een medisch onderzoek, dat op 7 oktober 2010 verricht werd door een geneesheer van de FOD Sociale Zekerheid, dienst verhoogde kinderbijslag, werd de beslissing door Acerta Kinderbijslagfonds vzw op 25 oktober 2010 aan mevrouw D.K. meegedeeld. Uit deze beslissing bleek dat haar zoon, C.V., geboren op 21 januari 1998, 8 punten op de medisch-sociale schaal had bekomen vanaf 1 september 2010 tot 31 januari 2013, waarvan 2 punten in de eerste pijler, zodat vanaf 1 oktober 2010 een toeslag voor kinderen met een aandoening kon worden toegekend.

Mevrouw D.K. die, zich steunend op een medisch geheim van de behandelend geneesheer van 6 juni 2011, voorhield dat haar zoon vroeger dan 1 oktober 2010 recht had op verhoogde kinderbijslag, rekening houdend met 15 punten op de medisch-so-ciale schaal waarvan 4 in de eerste pijler, tekende hiertegen verhaal aan bij de ar-beidsrechtbank Antwerpen met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 6 juli 2011.

De eerste rechters verklaarden in hun tussenvonnis van 23 december 2011 de vorde-ring ontvankelijk en, vooraleer ten gronde te beslissen, rekening houdend met de om-standigheid dat de medische beoordelingen omtrent C.V. niet overeenstemden en oordelend dat de periode vóór 1 januari 2005 was verjaard, stelden dokter J. M. aan als deskundige met volgende opdracht:

"V.C, geboren op 21/1/1998, te onderzoeken teneinde vanaf 1/1/2005 de gevolgen van de aandoening van het voormeld kind te evalueren volgens de criteria van de drie pijlers van de medisch-sociale schaal (Belgisch Staatsblad 23.4.2003 p. 25564) zoals vastgelegd in het K.B. van 28/03/2003 (Belgisch Staatsblad 23.4.2003 p. 25538), aan de hand van de Officiële Belgische Schaal en/of, bij voorrang, aan de hand van de lijst van pediatrische aandoeningen, gevoegd bij het K.B. van 28/03/2003. (...)."

De aangestelde deskundige, op wiens voorlopig verslag geen opmerkingen werden ge-formuleerd, liet zijn definitief verslag ter griffie van de arbeidsrechtbank geworden op 10 april 2012. Hij kwam op de medisch-sociale schaal tot een totaalscore van 6 punten vanaf 1 juli 2008:

"Na grondige anamnese, bestuderen van al de gegevens van verrichte onderzoeken en klinisch onderzoek kom ik tot het besluit dat C.V. lijdt aan een aangeboren ontwikkelingsstoornis met autismespectrumstoornis. Zijn stoornis heeft tot een handicap geleid conform het KB van 28/3/2003 vanaf 1/7/2008. Vanaf deze datum geeft zijn functioneren volgende scores op de medisch-sociale schaal: pijler I: 1 punt; pijler II 2.1: 1 punt; 2.2: 0 punten; 2.3: 1 punt en 2.4: 1 punt; pijler III 3.1: 0 punten; 3.2: 0 punten en 3.3: 1 punt."

De eerste rechters sloten zich in hun eindvonnis van 2 november 2012 aan bij de be-vindingen van de deskundige, verklaarden de vordering (deels) gegrond en zegden voor recht dat C.V. vanaf 1 juli 2008 in totaal 6 punten scoorde op de medisch-sociale schaal, waarvan 1 punt in pijler I, en derhalve rechtgevend was op de overeenstemmende kinderbijslag, meer de wettelijke intresten.

Acerta Kinderbijslagfonds VZW werd, in toepassing van artikel 1017, tweede lid, Ger.W., veroordeeld tot de kosten van het geding (met inbegrip van de kosten van het deskundig onderzoek).

Mevrouw D.K. stelde tegen dit vonnis hoger beroep in met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 5 december 2012.

3. Eisen in hoger beroep

Mevrouw D.K. vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te hervormen en, opnieuw recht doende, te zeggen voor recht dat C.V. vanaf 1 januari 2005 in aanmerking komt voor 8 punten op de medisch-sociale schaal, waarvan 2 punten in pijler I, respectievelijk dat deze beoordeling geldt vanaf 1 juli 2008 daar de deskundige niet onder de quotering uit de bestreden beslissing kan gaan. Uiterst ondergeschikt, te bepalen dat de quotering van 8 punten, waarvan 2 punten in pijler I, geldt vanaf 1 oktober 2010 tot 31 januari 2013 en derhalve te bepalen dat C ook voor de periode vóór 1 oktober 2010 recht heeft op een overeenstemmende verhoogde kinderbijslag. Acerta Kinderbijslagfonds VZW te veroordelen tot de kosten van beide instanties.

Acerta Kinderbijslagfonds VZW vraagt het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en het vonnis a quo integraal te bevestigen; aangaande de kosten toepas-sing te maken van artikel 1017, tweede lid, Ger.W., en van het KB van 26 oktober 2007.

4. Ten gronde

Mevrouw D.K. vraagt verhoogde kinderbijslag voor zoon C vanaf 1 januari 2005. Zij meent dat de deskundige geen argumenten laat gelden waarom hij pas verhoogde kinderbijslag toekent vanaf 1 juli 2008 en stelt verder dat er nooit minder punten kunnen toegekend worden dan de punten die door de FOD aanvankelijk werden toegekend.

Hoewel er geen opmerkingen werden gemaakt op het deskundig verslag, heeft me-vrouw D.K. wel bij wijze van conclusie laten gelden dat ze het niet eens was met de toegekende quotering. Voor zover deze argumenten in hoger beroep opnieuw in-geroepen worden, zal hiermee rekening gehouden worden.

4.1. Recht op verhoogde kinderbijslag van 1 januari 2005 tot en met 31 augustus

2010

Er is geen discussie dat het recht op verhoogde kinderbijslag maar onderzocht kan worden vanaf 1 januari 2005. Artikel 120 van het koninklijk besluit van 19 december 1939 tot samenvatting van de wet van 4 augustus 1930 betreffende kinderbijslagen voor loonarbeiders en de koninklijke besluiten krachtens een latere delegatie geno-men (gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders (hierna kinderbijslagwet werknemers)), bepaalt immers dat de rechtsvorderingen waarover de personen beschikken aan wie de kinderbijslag verschuldigd is of moet uitbetaald worden, binnen de vijf jaar moeten ingesteld worden. Aangezien de aanvraag dateert van 8 februari 2010, kan het recht op verhoogde gezinsbijslag maar onderzocht wor-den vanaf 1 januari 2005.

Mevrouw D.K. laat gelden dat er geen enkele medische reden bestaat om de conclusie van de deskundige, die besluit tot de toekenning van 6 punten vanaf 1 juli 2008, niet te laten ingaan vanaf 1 januari 2005, waarbij bovendien 8 in plaats van 6 punten zouden moeten toegekend worden. Er zou immers geen enkele motivering worden gegeven waarom als begindatum 1 juli 2008 zou worden gegeven.

In het deskundig verslag wordt uitdrukkelijk vastgesteld dat de ongeschiktheid van C dient onderzocht te worden vanaf 1 januari 2005. Bovendien stelt de deskundige dat het gaat om een aangeboren stoornis, waaruit kan afgeleid worden dat hij bij het onderzoek ook rekening heeft gehouden met de toestand vóór 1 juli 2008.

Na onderzoek van de voorgelegde documenten en na onderzoek van C, besluit de deskundige tot de toekenning van 6 punten vanaf 1 juli 2008, waarbij hij stelt dat C een aangeboren ontwikkelingsstoornis heeft die gekenmerkt wordt door een autismespectrumstoornis en dyslexie.

Deze diagnose werd voor het eerst gesteld in juli 2008 en de deskundige neemt deze datum dan ook als begindatum voor het disfunctioneren.

Met de deskundige kan dan ook aanvaard worden dat op het ogenblik dat de diagnose voor de eerste keer gesteld wordt, er een disfunctioneren was van C aangezien hierdoor een onderzoek noodzakelijk werd.

Dit argument wordt door geen enkel (medisch) argument tegengesproken. De begin-datum van 1 juli 2008 kan dan ook weerhouden worden en nergens blijkt dat de des-kundige zich zou vergist hebben van datum.

Hierdoor wordt de opdracht die door de arbeidsrechtbank werd gegeven niet over-schreden nu de deskundige de ongeschiktheid van C moest onderzoeken vanaf 1 januari 2005.

Ten aanzien van de toegekende 6 punten voor de periode vanaf 1 juli 2008, worden er geen argumenten gegeven waarom het aantal punten, dat door de deskundige op 6 werd bepaald, zou moeten gewijzigd worden.

Er is dan ook recht op verhoogde kinderbijslag voor de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 augustus 2010, waarbij er 6 punten op de medisch-sociale schaal kunnen toe-gekend worden.

4.2. Recht op verhoogde kinderbijslag vanaf 1 september 2010: minder punten dan

aanvankelijk toegekend

In de bestreden beslissing van 25 oktober 2010 werd verhoogde kinderbijslag toege-kend aan C vanaf 1 september 2010 tot en met 31 januari 2013. Meer bepaald werden 8 punten toegekend, waarvan 2 punten in de eerste pijler.

De door de arbeidsrechtbank aangestelde deskundige besluit tot een ongeschiktheid vanaf 1 juli 2008 en kent hiervoor 6 punten toe (waarvan 1 punt in pijler I).

Mevrouw D.K. laat gelden dat er nooit minder punten kunnen toegekend worden dan aanvankelijk toegekend door Acerta na onderzoek door de FOD Sociale Zekerheid.

Het beroep van een gerechtigde tegen de beslissing tot bepaling van de ongeschikt-heid kan er inderdaad niet toe leiden dat de evaluatie van de graad van toegekende ongeschiktheid zou kunnen verminderd worden ten nadele van de gerechtigde, ook niet per rubriek.

(In dezelfde zin Arbh. Antwerpen 23 april 2009, www.cass.be en Soc.Kron. 2010, afl. 8, 439).

Er kan immers geen afbreuk gedaan worden aan verworven rechten. Aangezien er 8 punten vanaf 1 september 2010 werden toegekend, kan Acerta op deze beslissing niet meer terugkomen. Te meer daar Acerta tegen de toekenning van 8 punten nooit enig protest heeft laten gelden.

Dat de deskundige in zijn onder eed afgelegde verslag tot een ander besluit komt en dat het bedrag van het recht op verhoogde gezinsbijslag hetzelfde is aangezien 6 en 8 punten eenzelfde bedrag aan kinderbijslag geven, wijzigt dit niet. Het aantal punten kan voor de toekomst immers mogelijk een verschil maken.

Voor de periode vanaf 1 september 2010 blijft het recht op verhoogde gezinsbijslag voor C bestaan, waarbij er 8 punten worden toegekend op de medisch-sociale schaal.

5. De rechtsplegingsvergoeding

Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Ger.W., dient Acerta Kinderbijslagfonds vzw, bij gebreke aan roekeloos of tergend geding, in de kosten te worden verwezen.

Mevrouw D.K. begroot in toepassing van artikel 4 van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op het maximumbedrag van 176,86 euro.

Het hof oordeelt dat er, gezien het geen complexe zaak betreft, niet voldoende gron-den voorhanden zijn om af te wijken van het basisbedrag van 160,36 euro.

BESLISSING

Het arbeidshof,

Recht doende op tegenspraak.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond.

Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank Antwerpen van 2 november 2012, maar enkel voor wat betreft het aantal punten van het recht op verhoogde gezinsbijslag vanaf 1 september 2010.

Zegt voor recht dat C.V. vanaf 1 september 2010 8 punten scoort op de medisch-sociale schaal (waarvan 2 punten in de eerste pijler) en derhalve rechtgevend is op de overeenstemmende kinderbijslag, te vermeerderen met de intresten.

Bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank Antwerpen van 2 november 2012 voor het overige en voor zover er beroep tegen aangetekend werd.

Veroordeelt in toepassing van artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, Acerta Kinderbijslagfonds VZW tot de kosten van het hoger beroep.

Vereffent deze kosten aan de zijde van mevrouw D.K. op 160,36 euro rechtsple-gingsvergoeding.

Vrije woorden

  • SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS

  • GEZINSBIJSLAG: Bedrag en berekening van de gezinsprestaties

  • bijslag voor minder-validen

  • ongeschiktheid

  • beroep

  • gerechtelijk recht

  • macht van de rechter

  • geen vermindering van de ongeschiktheidsgraad