- Arrest van 19 april 2013

19/04/2013 - 2013/AH/36

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Alleen wanneer de schuldenaar tot beter fortuin is teruggekeerd, kan de kwijtschelding van de restschulden in vraag gesteld worden.

Terugkeer tot beter fortuin kan alleen geïnterpreteerd worden als een wezenlijke wijziging in de vermogenstoestand door het plots ontvangen van een aanzienlijke som geld.

Het feit ter gelegenheid van het einde van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling de beschikking te hebben over een reserve ingevolge een volgehouden spaargedrag, houdt geen terugkeer tot beter fortuin in.


Arrest - Integrale tekst

Eindarrest bij verstek

Achtste kamer

Collectieve Schuldenregeling

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

Afdeling Hasselt

___________________

ARREST

A.R. 2013/AH/36

OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGENTIEN APRIL TWEEDUIZEND DERTIEN

1.

appellante,

ter zitting verschijnend in persoon en bijgestaan door mr.

TEGEN:

1.

eerste geïntimeerde,

ter zitting van 15 maart 2013 niet verschijnend,

2.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

9.

10.

tweede tot en met tiende geïntimeerde,

ter zitting niet verschijnend.

Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit.

1. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING

Het arbeidshof heeft kennis genomen van de stukken van de rechtspleging, en meer in het bijzonder van:

- het verzoekschrift van mevrouw, appellante, om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren op 14 oktober 2005;

- het aanvullend verzoekschrift van mevrouw, appellante, om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren op 3 november 2005;

- het afschrift van de beschikking van toelaatbaarheid waarbij het OCMW van Bocholt als schuldbemiddelaar werd aangesteld, uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren op 15 november 2005;

- het afschrift van het vonnis tot oplegging van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling, uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren op 7 december 2007;

- het afschrift van het verbeterend vonnis, uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren op 7 mei 2008;

- het afschrift van de beschikking, uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Tongeren op 9 januari 2013;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 29 januari 2013;

- de beroepsbesluiten van mevrouw, neergelegd ter openbare terechtzititng van 15 maart 2013;

- de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 15 februari 2013 en 15 maart 2013.

2. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG

Bij beschikking, uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren op 15 november 2005, werd het verzoek van mevrouw, appellante, om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling toelaatbaar verklaard en werd het OCMW van Bocholt aangesteld als schuldbemiddelaar.

Op 6 maart 2007 werd door de schuldbemiddelaar ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren een proces-verbaal van gebrek aan minnelijke regeling neergelegd en werd de zaak dienvolgens vastgesteld voor gerechtelijke aanzuiveringsregeling.

Met een vonnis van 12 december 2007 werd door de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren de op 19 december 2006 voorgestelde minnelijke aanzuiveringsregeling bij wijze van gerechtelijke aanzuiveringsregeling opgelegd voor de duur van 5 jaar om te eindigen op 12 december 2012.

De rechtbank van eerste aanleg bepaalde dat op 5 jaar tijd er à rato van 200 euro per maand maximaal een bedrag van 12.000 euro kon worden afgelost, waarna een kwijtschelding van schulden zowel in hoofdsom als in intresten, kosten en bijhorigheden zich opdrong.

Op 7 mei 2008 werd door de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren een verbeterend vonnis uitgesproken waarbij de passage die stelde dat op 5 jaar tijd er à rato van 200 euro per maand maximaal een bedrag van 12.000 euro kon worden afgelost dient gelezen en verbeterd te worden als volgt: "...Op 5 jaar tijd kan er à rato van 25 euro per maand maximaal een bedrag van 1.500 euro worden afgelost."

In een schrijven van 31 december 2012, gericht aan de arbeidsrechtbank te Tongeren, stelde de schuldbemiddelaar vast dat er zich op de rekeningen van de schuldbemiddelaar een bedrag van ongeveer 15.000 euro bevond en oordeelde hij dat het niet meer dan normaal zou zijn dat een groot deel hiervan (de schuldbemiddelaar stelde 10.000 euro voor) bijkomend pondspondsgewijze onder de schuldeisers verdeeld zou worden.

Met een beschikking van 9 januari 2013 besliste de arbeidsrechtbank van Tongeren om de schuldbemiddelaar te machtigen om vanuit de reserve 10.000 euro pondspondsgewijze te verdelen onder de schuldeisers volgens een bijgevoegd plan.

Tegen deze beschikking tekent mevrouw hoger beroep aan.

3. EISEN IN HOGER BEROEP

De vordering in hoger beroep van mevrouw, appellante,strekt ertoe het door haar ingestelde hoger beroep ontvankelijk en volledig gegrond te verklaren.

Dienvolgens de beschikking van de arbeidsrechtbank van Tongeren, 1ste kamer bis van 9 januari 2013 te vernietigen.

Te zeggen voor recht dat er geen redenen zijn om vanuit de reserve op de rubriekrekening een bedrag van 10.000 euro pondspondsgewijze te verdelen onder de schuldeisers.

En, na de zaak volledig aan zich te hebben getrokken, te zeggen voor recht dat de procedure collectieve schuldenregeling beëindigd is ingevolge de volledige uitvoering van het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling bij wijze van gerechtelijke aanzuiveringsregeling en dit binnen de gestelde termijn, zoals gestipuleerd in de vonnissen van de beslagrechter van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 12 december 2007 en 7 mei 2008.

Te zeggen voor recht dat na afhouding van het saldo van de staat van kosten en erelonen en emolumenten van de schuldbemiddelaar conform het KB van 28 december 1998, het saldo van de rubriekrekening dient overgemaakt aan mevrouw.

Kosten als naar recht, deze kosten voor wat mevrouw betreft begroot op 1.320 euro rechtplegingsvergoeding.

4. ONTVANKELIJKHEID

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

5. TEN GRONDE

Bij vonnis van de beslagrechter van 12 december 2007 werd een gerechtelijke aanzuiveringsregeling opgelegd die zou eindigen op 12 december 2012. Hierbij werd een leefgeld bepaald van 600 euro per maand en werd er tevens een bedrag van 25 euro per maand gereserveerd voor de schuldeisers. In de aanzuiveringsregeling wordt gesteld dat het reserveren van een klein bedrag voor de schuldeisers eigenlijk niet mogelijk is omdat de kosten voor een menswaardig bestaan de inkomsten overtreffen maar dat mits een strikt budgetbeheer het mogelijk moet zijn om toch een klein gedeelte te sparen voor de schuldeisers.

Aan de schuldeisers werd voorgesteld om de inspanning van mevrouw gedurende vijf jaar vol te houden en vervolgens over te gaan tot kwijtschelding van de restschulden.

Hoewel het vonnis van 12 december 2007 stelt dat er per maand 200 euro kan afgelost worden, wordt dit in een vonnis van 7 mei 2008 beschouwd als een materiële vergissing en wordt gesteld dat er op vijf jaar tijd a rato van 25 euro per maand maximaal een bedrag van 1500 euro kan worden afgelost.

Alle schuldeisers zijn met het voorstel van een aflossing van 25 euro per maand en met de kwijtschelding van de restschulden akkoord gegaan en tegen de vonnissen van 12 december 2007 en 7 mei 2008 werd nooit beroep aangetekend. De gerechtelijke aanzuiveringsregeling is dan ook definitief geworden.

5.1. Reserve

Op het einde van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling, wordt vastgesteld dat mevrouw aan alle verplichtingen heeft voldaan en er elke maand 25 euro werd afgehouden zoals voorzien in de gerechtelijke aanzuiveringsregeling.

Tevens wordt vastgesteld dat er een reserve van ongeveer 15.000 euro werd opgebouwd die tot stand kwam door de beperkte loonsverhogingen van mevrouw tijdens de procedure van de collectieve schuldenregeling zonder dat het leefgeld verhoogd werd.

Overeenkomstig artikel 1675/13, §1 Ger. W. bepaalde de beslagrechter dat na afloop van de afbetalingsregeling en mits volledige en stipte naleving ervan en behoudens terugkeer tot beter fortuin voor het einde van de aanzuiveringsregeling, alle restschulden werden kwijtgescholden. Over het lot van de reserve werd niets bepaald.

Artikel 1675/13, §1 Ger.W. bepaalt dat indien de maatregelen voorzien in artikel 1675/12, § 1, niet volstaan om de in artikel 1675/3, derde lid, genoemde doelstelling te bereiken, de rechter, op vraag van de schuldenaar, kan besluiten tot elke andere gedeeltelijke kwijtschelding van schulden, zelfs van kapitaal onder bepaalde voorwaarden.

In voormelde vonnissen van 12 december 2007 en 7 mei 2008 is de beslagrechter op de vraag van de schuldenaar ingegaan en werden de restschulden kwijtgescholden zowel in hoofdsom, intresten kosten en bijhorigheden indien mevrouw aan alle opgelegde voorwaarden stipt voldaan heeft.

Er is geen discussie dat mevrouw alle voorwaarden stipt is nagekomen, dat er geen sprake is van het ten gelde maken van de roerende goederen en ze dus in aanmerking komt voor de kwijtschelding.

Weliswaar is de kwijtschelding niet verworven aldus de beslagrechter in geval van een terugkeer door de schuldenaar tot beter fortuin vóór het einde van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling (zie ook artikel 1675/13, §1 Ger.W.).

Er moet dan ook onderzocht worden of mevrouw tot beter fortuin is teruggekeerd door het bezit van de reserve.

5.1.1. Geen terugkeer tot beter fortuin

Enkel wanneer de schuldenaar tot beter fortuin is teruggekeerd, kan de kwijtschelding van de restschulden in vraag gesteld worden.

Principes

De terugkeer tot beter fortuin wordt niet gedefinieerd in de wet en kan enkel beschouwd worden als een uitzonderingssituatie waarbij de schuldenaar opnieuw in het bezit is van een fortuin wat wijst op een aanzienlijke vermeerdering van haar vermogen.

In de voorbereidende werken wordt dit als volgt omschreven: "Dit laatste concept moet geïnterpreteerd worden als een wezenlijke wijziging van de vermogenstoestand van de schuldenaar." (Memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen en het wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 628 en 1395 van het Gerechtelijk Wetboek, Parl. St. Kamer 1996-97, nr. 1073/1 en nr. 1074/1, 46).

Elders in de voorbereidende werken wordt er op gewezen dat de wetgever met het begrip "terugkeer tot beter fortuin" een fundamentele wijziging in de toestand van de schuldenaar beoogde. "Het gaat niet om het eenvoudig verkrijgen van een baan, maar om een gelukkige gebeurtenis die de schuldenaar moet toelaten zeer snel aan al zijn verplichtingen te voldoen. Men bedoelt bijvoorbeeld winnen bij een loterij, een belangrijke erfenis, de goede afloop van een proces waardoor de schuldenaar opnieuw beschikt over een aanzienlijke som geld, enz".(Verslag namens de commissie voor het bedrijfsleven, het wetenschapsbeleid, het onderwijs, de nationale wetenschappelijke en culturele instellingen, de middenstand en de landbouw, Parl. St. Kamer 1996-97, nr. 1073/11, 75-76).

De terugkeer tot beter fortuin kan dan ook enkel geïnterpreteerd worden als een wezenlijke wijziging in de vermogenstoestand door het plots ontvangen van een aanzienlijke som geld.

Toepassing

Er is geen betwisting dat de reserve werd opgebouwd door de niet-indexering en de niet-verhoging van het leefgeld terwijl het loon van mevrouw tijdens de procedure van de collectieve schuldenregeling af en toe licht verhoogd werd waardoor er doorheen de jaren kleine bedragen naar de reserve overgeheveld werden.

Het sparen van een dergelijk bedrag, kan niet beschouwd worden als het terugkeren tot een beter fortuin maar is slechts het gevolg van het behouden van een tewerkstelling. Er is immers geen sprake van een wezenlijke wijziging in de vermogenstoestand door het ontvangen van een aanzienlijke som geld.

De stelling als zou er toch sprake zou zijn van de terugkeer tot een beter fortuin omdat mevrouw bij het begin van de collectieve schuldenregeling niets bezat en enkel schulden had en nu zou beschikken over een aanzienlijk bedrag, kan in het licht van de hierboven gegeven interpretatie niet gevolgd worden. Er is immers geen aanzienlijke vermogenswijziging nu mevrouw tijdens de aanzuiveringsregeling steeds is blijven werken en steeds de afgesproken bedragen aan de schuldeisers heeft betaald. Het loutere feit dat zij naast de afbetaling aan de schuldeisers ook een bedrag heeft kunnen sparen, betekent dan ook niet dat er sprake is van een terugkeer naar een beter fortuin.

Er is geen sprake van de terugkeer tot een beter fortuin en evenmin zijn er andere redenen op basis waarvan de kwijtschelding van de restschulden ongedaan kan gemaakt worden.

5.1.2. Reserve komt toe aan mevrouw Nu vastgesteld werd dat er geen terugkeer is tot beter fortuin, kan de reserve, rekening houdend met alle elementen van het dossier, enkel aan mevrouw Nouwen toegekend worden (B. WYLLEMAN en E. VAN ACKER, Praktische gids voor schuldbemiddelaars, Mechelen, Kluwer, 2006, p. 218, nr. 430).

Te meer daar er geen betwisting is dat mevrouw n aan alle voorwaarden van de opgelegde aanzuiveringsregeling heeft voldaan en het vonnis van de beslagrechter te Tongeren van 12 december 2007 uitdrukkelijk vaststelt dat de restschulden worden kwijtgescholden indien mevrouw aan de opgelegde voorwaarden voldoet.

Zelfs indien er geen wettelijk beletsel zou zijn om de gelden alsnog aan de schuldeisers over te maken, kan enkel vastgesteld worden dat de schuldeisers akkoord waren met het in de gerechtelijke aanzuiveringsregeling vooropgestelde bedrag voor afbetaling van de schulden. Het door de schuldenaar gespaarde bedrag komt dan ook aan haar toe. Te meer daar mevrouw steeds is moeten toekomen met een beperkt leefgeld dat bovendien nooit verhoogd werd en ze slechts af en toe een extra heeft gevraagd en gekregen.

De schuldbemiddelaar laat gelden dat er nooit enig initiatief tot herziening is genomen omdat aan deze herziening kosten zijn verbonden. Dit wijzigt het standpunt niet dat de gelden toekomen aan mevrouw en dat de opgelegde regeling, waartegen nooit beroep werd aangetekend, nooit gewijzigd werd. Dat er een ruime reserve diende opgebouwd te worden is mogelijk gelet op de specifieke situatie van mevrouw (alleenstaande met kinderlast) en dat er een reserve diende opgebouwd te worden voor het ereloon van de schuldbemiddelaar is eveneens correct, maar dit is geen verklaring waarom er niet tot herziening van de opgelegde aanzuiveringsregeling werd overgegaan.

Nu ook de schuldeisers nooit de herziening van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling hebben gevraagd hoewel uit de jaarverslagen die ter griffie kunnen geraadpleegd worden kon afgeleid worden dat de reserve steeds groter werd, kan dan ook enkel vastgesteld worden dat de reserve toekomt aan mevrouw onder aftrek van de eventuele kosten en ereloon van de schuldbemiddelaar.

Het loutere feit dat mevrouw aanvankelijk geen bezwaren liet gelden tegen een voorstel tot verdeling van de reserve over de schuldeisers, wijzigt dit niet. Dat aan mevrouw zou verteld zijn dat de reserve haar mogelijk niet toekwam, wijzigt dit evenmin.

Ook de verwijzing naar rechtspraak door schuldeiser , wijzigt de beslissing dat de reserve aan mevrouw toekomt, niet.

5.2. Devolutieve werking

Mevrouw vraagt de zaak tot zich te trekken en de collectieve schuldenregeling te beëindigen.

Overeenkomstig artikel 1675/14, §2 eerste lid Ger.W. blijft de zaak ingeschreven op de rol van de arbeidsrechtbank tot het einde of de herroeping van de procedure. Dit vormt een uitzondering op het principe van de devolutieve werking van het hoger beroep, beschreven in artikel 1068 Ger.W.

Aangezien de eerste rechter zich over de beëindiging nog niet heeft uitgesproken en het onduidelijk is of er nog procedures zijn die hangende zijn voor de arbeidsrechtbank, dient de zaak opnieuw verwezen te worden naar de arbeidsrechtbank voor de eventuele afsluiting van de procedure.

5.3. Rechtsplegingesvergoeding

De raadsman van mevrouw vordert een rechtsplegingsvergoeding.

In zoverre de rechtsplegingsvergoeding wordt gevorderd ten aanzien van de schuldbemiddelaar, dient vastgesteld dat de schuldbemiddelaar deze niet verschuldigd is. De schuldbemiddelaar voert immers zijn wettelijke taak uit door het voorleggen van een niet aanvaarde minnelijke aanzuiveringsregeling en bovendien kan de schuldbemiddelaar niet beschouwd worden als de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 1017 Ger.W. De schuldbemiddelaar kan immers niet beschouwd worden als een partij in het geding (B. WYLLEMAN en E. VAN ACKER, Praktische gids voor schuldbemiddelaars, Mechelen, Kluwer, 2006, nr. 351). De gedaagde in hoger beroep is immers een partij die voor de eerste rechter tegenovergestelde belangen verdedigde en de schuldbemiddelaar voldoet niet aan die voorwaarde (K. BROECKX en B. DE GROOTE, "Hoger beroep tegen een herroepingsbeslissing inzake collectieve schuldenregeling: vergeet de schuldbemiddelaar niet!" (noot onder Cass. 4 september 2003), RW 2004-05, 102).

Ten aanzien van de schuldeisers dient opgemerkt dat de hele procedure van collectieve schuldenregeling kosteloos en is de toekenning van enige rechtsplegingsvergoeding onverenigbaar is met de economie van de wet op de collectieve schuldenregeling gezien dit het actief in belangrijke mate zou aantasten waardoor geen rechtsplegingvergoeding kan worden toegekend (Antwerpen 10 januari 2006, 2003AR2039, www.cass.be).

BESLISSING

Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Doet uitspraak bij verstek.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk.

Het vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren van 9 januari 2013 wordt vernietigd.

Opnieuw recht sprekend, zegt dat het saldo op de rubriekrekening dient overgemaakt te worden aan mevrouw na afhouding van het saldo van de staat van kosten en erelonen en emolumenten van de schuldbemiddelaar.

Verzendt de zaak naar de arbeidsrechtbank te Tongeren.

Stelt vast dat aan deze procedure geen gerechtskosten verbonden zijn.

Aldus gewezen door:

de heer D. TORFS, raadsheer, voorzitter van de kamer,

bijgestaan door mevrouw S WEEKERS, griffier-hoofd van dienst,

en uitgesproken door voormelde voorzitter van de achtste kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van negentien april tweeduizend dertien.

Vrije woorden

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • GERECHTELIJK RECHT

  • collectieve schuldenregeling

  • "terugkeer tot beter fortuin"