- Arrest van 15 januari 2013

15/01/2013 - 2012/AB/107

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet wordt ruim opgevat. Zowel vorderingen die rechtstreeks op de arbeidsovereenkomst steunen als deze die daarop onrechtstreeks steunen vallen eronder. Een vordering gesteund op een fout bestaande uit het niet voeren van de interne aanwervingsprocedure, die enkel open staat voor werknemers of ex-werknemers tijdens het jaar na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, vloeit voort uit de arbeidsovereenkomst. Zonder de arbeidsovereenkomst tussen partijen kon die vordering immers niet bestaan.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

____________

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFTIEN JANUARI 2013

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

1. S. , wonende te ***,

appellante,die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester Van den Spiegel Liesbeth loco meester Hertegonne Matthias, advocaat te Zellik,

Tegen:

1.V.Z.W. VLAAMSE VERENIGING VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING EN TECHNISCHE BIJSTAND -VVOB, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Handelsstraat 31,

geïntimeerde, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester Dreesen An loco meester Hofkens Jan, advocaat te Brussel.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 04-11-2011 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 13281/09),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 7 februari 2012,

de conclusies voor de appellante, neergelegd ter griffie op 14 september 2012,

de conclusies en antwoord-en syntheseconclusies voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 15 juni 2012 en 13 november 2012

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 18 december 2012, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

FEITEN EN RECHTSPLEGING

Mevrouw S. werd door de VVOB, een instelling afhankelijk van de Vlaamse Gemeenschap aangeworven als coöperante met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van 18-3-1999, om te worden tewerkgesteld te Cuenca, Ecuador.

Het VVOB stelt deskundigen ter beschikking van ontwikkelingsprojecten in partnerlanden en sluit hiervoor met diverse landen en/of plaatselijke onderwijsinstellingen samenwerkingsovereenkomsten inzake onderwijs en gezondheidszorg en stuurt coöperanten naar het betrokken land en/of instelling.

Op 1-4-1999 trad mevrouw S. effectief in dienst in het raam van het TIPE-project, dat zich toespitste op de kwaliteitsverbetering van het basisonderwijs in Cuenca.

Zij oefende er opeenvolgend taken uit als wetenschappelijk medewerkster met een doceer- en onderzoeksopdracht in de onderwijspedagogiek (hoofdfunctie) en aan een ander lopend talenproject van de VVOB en nadien taken van didactische en educatieve aard.

In 2001 werd het project TIPE aangepast. De projectdoelstelling werd opnieuw omschreven, mevrouw S. zou zich nog enkel met het TIPE project bezig houden en er werd een tweede coöperant aangeworven, de heer Bart Tilkin om het project mee te ondersteunen.

Het project werd regelmatig geëvalueerd zowel met betrekking tot de impact, de effectiviteit en de duurzaamheid ervan als met betrekking tot de competenties en het functioneren van de coöperanten. Er gebeurden evaluaties door verschillende instanties o.m. door Selor m.b.t. het functioneren van de coöperanten.

Op basis van deze evaluaties meende de VVOB dat de vaardigheden en geschiktheid van mevrouw S. niet optimaal waren en dat de samenwerking met de universiteit van Cuenca in het kader van het project moest worden bijgestuurd.

Begin 2003 besloot de VVOB om het project TIPE volledig stop te zetten en een nieuw onderwijsproject PROMEBAZ op te zetten. Bij brief van 3-2-2003 werden mevrouw S. en haar collega Tilkin daarover ingelicht en werd hen meegedeeld dat beide projecten "om redenen van transparantie" werden los gekoppeld en dat het project TIPE zou worden aangehouden tot september 2003.

Verder werd hen meegedeeld dat de coöperanten zouden worden opgezegd zodat hun opzegtermijn zou aflopen eind september 2003 en dat zij de mogelijkheid kregen om zich via interne mutaties kandidaat te stellen voor de functies binnen het nieuwe project indien op basis van de functieprofielen beslist zou worden de posten open te stellen. De selectie van de twee andere coöperanten voorzien voor het nieuwe project zou plaats vinden in de selectieronden van september.

In een brief van 6-4-2003 gericht aan de secretaris-generaal van de VVOB, drukte mevrouw S. haar ongenoegen uit over het feit dat de vacatures werden open gesteld voor andere kandidaten daar het PROMEBAZ project volgens haar slechts een volgende fase was van het TIPE-project en geen nieuw project.

De selectieprocedure werd open verklaard voor het project PROMEBAZ.

Mevrouw S. werd op 7-4-2003 geïnformeerd dat de vacatures op de VVOB-website gepubliceerd werden.

Met een e-mail bericht van 25-4-2003 werd mevrouw S. erover geïnformeerd dat zij niet werd weerhouden voor interne mutatie doch kon deelnemen aan de lopende externe selectieprocedure waartoe zij werd uitgenodigd.

Met een aangetekende brief van 25-4-2003 werd de arbeidsovereenkomst van mevrouw S. "om programmatorische" redenen opgezegd met een opzeggingstermijn van vijf maanden ingaand op 1-5-2003.

Bij brief van 13-5-2003 werd haar meegedeeld dat zij tot de drie kandidaten behoorde die werden weerhouden voor het project PROMEBAZ.

De selectiejury weerhield de twee eerst geselecteerde kandidaten, doch niet mevrouw S. die als derde was gerangschikt. Dit werd haar per brief van 31-7-2003 ter kennis gebracht met de mededeling dat zij in de wervingsreserve werd opgenomen waardoor zij gedurende één jaar voor een gelijkwaardige functie in aanmerking kwam.

Met een aangetekende brief van 28-7-2003 verzocht mevrouw S. de ontslagbeslissing te herzien.

Aan de arbeidsovereenkomst kwam definitief een einde op 30-9-2003.

Met dagvaarding van 22-9-2004, spande mevrouw S. tegen de VVOB een geding aan voor de arbeidsrechtbank. Zij vorderde de betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding gelijk aan twee maanden loon t.b.v. 9.004,82 euro.

Met een vonnis van 22-11-2005 herberekende de arbeidsrechtbank het basisloon en kende haar een bijkomende opzeggingsvergoeding toe van één maand t.b.v. 3.879,71 euro.

Dit vonnis werd door de VVOB uitgevoerd.

Bij dagvaarding van 20-1-2005 spande mevrouw S. opnieuw een geding aan tegen de VVOB voor de rechtbank van eerste aanleg. Zij vorderde er de veroordeling van de VVOB tot betaling van een schadevergoeding van 186.059,65 euro te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en de gerechtskosten.

In ondergeschikte orde vorderde zij de veroordeling van de VVOB tot betaling van een schadevergoeding van 148.847,72 euro, de gerechtelijke intresten op dat bedrag en de kosten van het geding.

Bij conclusies herleidde zij haar vordering in hoofdorde tot een bedrag van 175.205,83 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding en in ondergeschikte orde tot een bedrag van 140.164,66 euro te vermeerderen met de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.

De rechtbank van eerste aanleg was van oordeel dat de vordering kaderde in de arbeidsverhouding met de VVOB en verzond de zaak naar de arbeidsrechtbank.

Met het bestreden vonnis stelde de arbeidsrechtbank de verjaring vast van de vordering en verklaarde die derhalve onontvankelijk met veroordeling van mevrouw S. tot de kosten.

De arbeidsrechtbank volgde de stelling van de VVOB dat de vordering van mevrouw S. moest worden beschouwd als een vordering die haar oorsprong vond in de arbeidsovereenkomst en zonder de arbeidsovereenkomst niet kon zijn ontstaan, zodat daarop de verjaringstermijn van art 15 WAO moest worden toegepast.

VORDERINGEN IN HOGER BEROEP

Mevrouw S. kan zich niet neerleggen bij de uitspraak van de arbeidsrechtbank. Zij verzoekt het hof deze teniet te doen en

-In hoofdorde: de VVOB te veroordelen haar een schadevergoeding te betalen t.b.v. 175.205,83 euro, onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding, en de gerechtelijke intresten daarop

-In ondergeschikte orde: de VVOB te veroordelen haar een schadevergoeding te betalen t.b.v. 140.164,66 euro, onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding, en de gerechtelijke intresten daarop .

De VVOB af te wijzen van zijn tegenvordering en in ieder geval te veroordelen tot de kosten.

De VVOB verzoekt om de bevestiging van het vonnis en stelt bovendien een tegenvordering in die ertoe strekt mevrouw S. te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 10.000 euro als schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding en/of hoger beroep.

BEOORDELING

I ONTVANKELIJKHEID

Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep dat regelmatig is naar vorm, binnen de wettelijke termijn werd ingesteld. Aan de andere ontvankelijkheidvereisten is eveneens voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.

II TEN GRONDE

Met betrekking tot de verjaring

Het VVOB wierp tijdens de procedure in eerste aanleg de verjaring van de vordering op en werd hierin door de arbeidsrechtbank gevolgd.

Mevrouw S. betwist dat de vordering verjaard zou zijn.

Zij houdt voor dat haar vordering immers geen contractuele vordering betrof, doch een precontractuele vordering gesteund op een fout van de VVOB door het niet correct naleven van de selectieprocedure bij de aanwerving van kandidaat-coöperanten die los moet worden gezien van het ontslag in de bestaande arbeidsovereenkomst.

Zij betoogt dat met "rechtsvordering die uit de overeenkomst ontstaat" in art 15 WAO enkel de vorderingen worden bedoeld ontstaan uit de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of de beëindiging ervan en niet zoals in voorliggend geval een vordering ontstaan uit een feit dat plaats vindt na de beëindiging van de overeenkomst.

De vordering, gegrond op art 1382 BW verjaart volgens haar, op grond van art 2262 bis Burgerlijk Wetboek na verloop van vijf jaar vanaf de dag waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

Zij besluit daaruit dat haar vordering op het ogenblik van de dagvaarding, hetzij 1 jaar en 5 maanden nadat zij kennis kreeg van de negatieve beslissing van de VVOB nog niet was verjaard.

De VVOB meent dat de arbeidsrechtbank terecht heeft beslist dat de vordering van mevrouw S. was verjaard aangezien deze onmiskenbaar steunde op een beweerde tekortkoming aan haar contractuele verplichtingen.

Art 15 van de wet van 3-7-1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (WAO) bepaalt:

"de rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden."

Art 15 wordt ruim opgevat. (W.Rauws, actualia inzake de verjaing in ht arbeidsrecht RW 2002, 366) Het volstaat dat de vordering haar oorsprong vindt in de arbeidsovereenkomst en zonder de arbeidsovereenkomst niet kon zijn ontstaan. (AH Antw. 3-6-2002, RW 2004-05, 08; AH Luik, 13-6-1984, TSR 1985, 253; AH Luik, 9-6-1982, JTT 83, 14; J.Herman, verjaring in het arbeidsovereenkomstenrecht, Or. 1989, (225), 226)

Zowel vorderingen die rechtstreeks op de arbeidsovereenkomst steunen als deze die daarop onrechtstreeks steunen vallen eronder. (W.Van Eeckhoutte, Sociaal Compendium, 2009-2010, 2572)

Art 15 WAO is o.m. van toepassing op vorderingen m.b.t. de niet uitvoering door de werkgever van zijn contractuele verplichtingen. (Cass.5-5-2008, Soc.Kron. 2008, 450)

Rechtsvorderingen tot vergoeding van schade vallen ook onder art 15 WAO, in zoverre zij steunen op contractuele aansprakelijkheid. (Cass/14-1-2008, JTT 2008, 302)

De vordering die een verbintenis sanctioneert ontstaat op het ogenblik dat die verbintenis moet worden uitgevoerd. (Cass.14-5-2012 www.cass.be)

Art 15 WAO is niet van toepassing op een feit dat zich na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft voorgedaan of vreemd is aan die overeenkomst.

In de geding inleidende dagvaarding vermeldde mevrouw S. als grondslag van haar vordering:

-dat geïntimeerde bij de selectie van coöperanten voor het project PROMEBAZ

haar procedure interne mutatie coöperanten moest volgen en bijgevolg de functie niet vacant had mogen verklaren maar haar op de hoogte had moeten brengen van de vacature voor dat project.

-dat het immers geen volkomen nieuw project was maar een volgende fase van het project TIPE, minstens een project met een duidelijke link en oorsprong in het project TIPE. Dat in zulk geval de functie door gedaagde niet vacant wordt verklaard maar coöperanten binnen het bestaande project kunnen worden overwogen voor de functie.

-dat de VVOB vervolgens ook bij de uitvoering van haar externe aanwervingprocedure een fout heeft begaan aangezien de selectieprocedure voorschrijft dat aan VVOB coöperanten (in opzeg of uit dienst) voorrang wordt gegeven ten overstaan van andere kandidaten uit de wervingsreserve.

-dat zij bijgevolg niet derde, maar minstens tweede had moeten worden gerangschikt, rekening houdend met het feit dat twee van de drie kandidaten over een voorrangsrecht beschikten.

De vordering steunt bijgevolg op de fout begaan door de VVOB die bestond uit het niet naleven van de interne aanwervingprocedure enerzijds en anderzijds uit het niet verlenen van voorrang aan mevrouw S. in de gevoerde externe aanwervingprocedure, waarop zij als personeelslid in opzeg recht had.

Een vordering gesteund op een fout begaan tijdens de aanwervingprocedure die niet gevolgd wordt door het sluiten van een arbeidsovereenkomst, is in principe onderworpen aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn.

Het hof is van oordeel dat de vordering van mevrouw S. in de mate zij gesteund is op een fout bestaande uit het niet voeren van de interne aanwervingprocedure, dit is een aanwervingprocedure die enkel open staat voor werknemers of ex-werknemers tijdens het jaar na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst. Mevrouw S. beroept zich daarbij op rechten waarop zij als personeelslid in opzeg aanspraak kon maken en op het niet nakomen door haar werkgever van de daaraan corresponderende verplichtingen. Die vordering kon zonder de arbeidsovereenkomst tussen partijen immers niet bestaan.

Mevrouw S. erkent bovendien dat zij hiervan reeds kennis had 1 jaar en 5 maanden voor de dagvaarding. Dit werd haar inderdaad bij brief van 31-7-2003 meegedeeld. De arbeidsovereenkomst was op dat ogenblik nog niet beëindigd.

Het hof is van oordeel dat die vordering onderworpen is aan de verjaringstermijn voorzien in art 15 WAO en bijgevolg is verjaard, nu zij werd ingesteld buiten de termijn van één jaar na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

In de mate de vordering van mevrouw S. gesteund is op het niet naleven van de externe aanwervingprocedure, bestaat de fout waarop de vordering is gesteund uit het niet toekennen van voorrang verbonden aan de hoedanigheid van werknemer in opzeg. Ten onrechte meent mevrouw S. dat dit feit zich voordeed na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Mevrouw S. was immers nog in opzeg op het ogenblik dat de selectieprocedure werd afgerond. Zij stelt zelf hiervan kennis te hebben gekregen 1 jaar en 5 maanden voor de dagvaarding, dit was bij brief van 31-7-2003, terwijl de arbeidsovereenkomst slechts een einde nam eind september 2003. Deze vordering is onlosmakelijk verbonden met de arbeidsovereenkomst waardoor partijen gebonden waren. De fout waarop mevrouw S. zich beroept bestaat er nl. in dat de werkgever zijn contractuele verplichting niet heeft nageleefd, door bij de selectie het recht op voorrang van een werknemer in opzeg niet te hebben toegepast en zich bijgevolg schuldig te hebben gemaakt aan het niet naleven van een verplichting voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst. Die vordering zou evenmin hebben kunnen bestaan indien mevrouw S. niet de hoedanigheid had van werknemer in opzeg.

Het hof is van oordeel dat ook die vordering onderworpen is aan de verjaringstermijn van art 15 WAO en bijgevolg verjaard is nu zij werd ingesteld meer dan één jaar na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zoals de arbeidsrechtbank terecht heeft beslist.

Ook de rechtbank van eerste aanleg overwoog in haar verwijzingsbeslissing;" dat de vermeende rechten waarop mevrouw S. zich beriep of de fouten die verweerster zou begaan hebben, kaderen in een aanwervingprocedure en volgen uit de rechten die eiseres meende te hebben doordat zij (nog) door een arbeidsovereenkomst verbonden was met verweerster".

Zij besloot tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank op die grond, overwegend dat "de vordering van eiseres heeft dan ook betrekking op de rechten en plichten die ontstaan zijn uit een arbeidsovereenkomst tussen haar en verweerster en vindt haar oorsprong hierin, zodat de arbeidsrechtbanken op grond van art 578,1° Gerechtelijk Wetboek bevoegd zijn."

Nu wordt vastgesteld dat de vordering verjaard is, kan zij niet verder aan een onderzoek ten gronde worden onderworpen.

M.b.t. de tegenvordering

Het VVOB meent dat mevrouw S. haar recht om in rechte op te treden heeft uitgeoefend op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van een normale uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en zorgvuldig persoon.

Mevrouw S. is volgens haar de normale uitoefening van haar recht te buiten gegaan, enerzijds door na de onbevoegdheidverklaring van de rechtbank van eerste aanleg de zaak voort te zetten voor de arbeidsrechtbank, vervolgens door hoger beroep in te stellen tegen een zeer duidelijk vonnis dat oordeelde dat de vordering gegrond was op de arbeidsovereenkomst tussen partijen en bijgevolg verjaard en bovendien in hoger beroep geen enkel nieuw inhoudelijk argument aan te halen dat een hoger beroep tegen het bestreden vonnis redelijk kan onderbouwen. Zij acht haar hoger beroep en de uitbreiding van haar vordering manifest onredelijk.

Met het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg werd enkel de bevoegdheid geregeld. Dit belette mevrouw S. niet de ingestelde procedure verder te zetten.

Wat het ingestelde hoger beroep betreft merkt het hof op dat het principe van de dubbele aanleg een recht is dat in onze rechtsorde is ingebouwd en dat daaraan geenszins als voorwaarde wordt gesteld dat het enkel zou mogen worden aangewend indien in hoger beroep nieuwe argumenten worden aangewend tegen een gemotiveerd vonnis.

Het hof acht het ingestelde hoger beroep niet kennelijk onredelijk.

De toepassing van de bepaling van art 15 WAO m.b.t. de verjaring inzake arbeidsovereenkomsten heeft reeds vaak tot betwistingen aanleiding gegeven en de VVOB stelt zelf in haar conclusies dat het voor een aantal vorderingen minder voor de hand ligt dat art 15 WAO erop van toepassing is en noemt daarbij: de vordering tot het bekomen van een schadevergoeding wegens niet-uitvoering door de werkgever van zijn contractuele of wettelijke verplichtingen.

In voorliggend geval ligt de vordering op een grenslijn tussen contractuele aansprakelijkheid en "precontractuele aansprakelijkheid" al komt die term minder gepast voor wanneer er geen contract volgt.

Mevrouw S. mocht haar hoger beroep steunen op dezelfde argumentatie als deze die reeds aan de arbeidsrechtbank werd voorgelegd, doch door deze niet gevolgd.

Het hof acht de tegenvordering dan ook niet gegrond.

Betreffende de rechtsplegingvergoeding

De VVOB vordert de toekenning van een verhoogde rechtsplegingvergoeding berekend aan het maximumbedrag van 11.000 euro, rekening houden met het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

Aangezien het hof van oordeel is dat de ingestelde procedure en het voortzetten ervan in hoger beroep niet kennelijk onredelijk is, is er geen reden om af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingvergoeding.

OM DEZE REDENEN;

HET ARBEIDSHOF;

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis;

Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van mevrouw S..

Deze kosten worden door partijen begroot op

In hoofde van de mevrouw S. op:

5.500 euro (geïndexeerd bedrag als rechtsplegingvergoeding voor het arbeidshof;

In hoofde van VVOB

11.000 euro als rechtsplegingvergoeding voor het arbeidshof;

Het hof vereffent ze op het basisbedrag van de rechtsplegingvergoeding.

In hoofde van de mevrouw S. op:

5.500 euro (geïndexeerd bedrag) als rechtsplegingvergoeding voor het arbeidshof;

In hoofde van VVOB

5.500 euro (geïndexeerd bedrag) als rechtsplegingvergoeding voor het arbeidshof;

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Geertrui BALIS, kamervoorzitter,

Erik VAN LAER, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Andre LEURS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Sonja VAN LANDUYT, afgevaardigd griffier.

Sonja VAN LANDUYT Geertrui BALIS

Erik VAN LAER Andre LEURS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dinsdag 15 januari 2013 door:

Geertrui BALIS, kamervoorzitter,

bijgestaan door

Sonja VAN LANDUYT, afgevaardigd griffier.

Sonja VAN LANDUYT Geertrui BALIS

Vrije woorden

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN

  • Verjaring

  • Termijn

  • Artikel 15 A.O.W.

  • Interne aanwervingsprocedure na beëindiging arbeidsovereenkomst.