- Arrest van 25 maart 2013

25/03/2013 - 2012/AB/559

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Wanneer in de wettelijke omschrijving van een misdrijf geen sprake is van opzet of onachtzaamheid, is het misdrijf niet louter strafbaar doordat het materiële feit is gepleegd.

Voor verschillende misdrijven uit het sociaal strafrecht is geen opzet vereist: voor het bewezen verklaren van deze overtredingen is wel een moreel bestanddeel vereist, maar niet dat de dader opzettelijk heeft gehandeld. Bij het beoordelen van het moreel bestanddeel van het misdrijf dient bijgevolg teikens te worden nagegaan of de dader van het misdrijf de strafbare gedraging had kunnen voorkomen.


Arrest - Integrale tekst

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 25 MAART 2013.

5DE KAMER

Arbeidscontract

Op tegenspraak

Definitief

In de zaak:

N. ,

Appellant, verschijnend in persoon en bijgestaan door Mevr. C. BOEHLEN, syndicaal afgevaardigde en volmacht-draagster te Leuven.

Tegen:

BVBA LIEMA, met maatschappelijke zetel gevestigd te 3460 BEKKEVOORT, Staatsbaan 131.

Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. R. DE KAESTEKER, advocaat te Heverlee.

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrechtbank van Leuven op 27 april 2012;

- het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 8 juni 2012;

- de conclusies van de partijen;

Gelet op de door partijen neergelegde stukken.

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 18 februari 2013 waarna de debatten gesloten werden, waarna de zaak in beraad werd genomen.

 

I. FEITEN

De heer N. trad op 1 februari 1997 in dienst van de BVBA Liema (hierna genoemd de BVBA) als geoefend handlanger, met schriftelijke arbeids-overeenkomst van dezelfde datum.

De tewerkstelling nam een einde op 1 februari 2010.

Met brief van 31 mei 2010 meldde de vakorganisatie van de heer N. aan de BVBA vastgesteld te hebben dat van januari 1999 tot en met maart 2008 onvoldoende mobiliteitsvergoeding werd betaald.

Met telefax van 11 juni 2010 antwoordde de BVBA dat de heer N. steeds correct werd betaald, en dat de vergoeding ook werd uitbetaald onder de vorm van kosten eigen aan de werkgever.

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met inleidende dagvaarding van 28 januari 2011 vorderde de heer N. voor de Arbeidsrechtbank te Leuven betaling door de BVBA van:

in hoofdorde 4.065,47 EUR als schadevergoeding wegens herstel van schade wegens het te weinig uitbetalen van mobiliteitsvergoedingen voor de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 maart 2008

in ondergeschikte orde 477,58 EUR mobiliteits-vergoeding voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 maart 2008

te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intrest en de kosten van het geding.

Hij vorderde tevens de afgifte van de overeenstemmende sociale documenten en de voorlopige uitvoerbaarheid van het vonnis zonder enige reserve.

b.-

Met conclusie, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank bepaalde de heer N. zijn vordering als volgt:

in hoofdorde 3.201,58 EUR als schadevergoeding wegens herstel van schade wegens het te weinig uitbetalen van mobiliteitsvergoedingen voor de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 maart 2008

in ondergeschikte orde 747,34 EUR mobiliteits-vergoeding voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 maart 2008.

c.-

Met vonnis van 27 april 2012 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk doch ongegrond. De heer N. werd veroordeeld tot de kosten van het geding.

d.-

Er wordt geen melding gemaakt van een betekening van dit vonnis.

e.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 8 juni 2012, tekende de heer N. hoger beroep aan tegen dit vonnis; hij vorderde dat het arbeidshof het vonnis van de arbeidsrechtbank zou vernietigen en opnieuw recht doende, de BVBA zou veroordelen tot betaling van:

in hoofdorde 3.195,11 EUR als schadevergoeding wegens herstel van schade wegens het te weinig uitbetalen van mobiliteitsvergoedingen voor de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 maart 2008

in ondergeschikte orde 769,53 EUR mobiliteits-vergoeding voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 maart 2008

te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intrest en met de kosten van het geding.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

IV. BEOORDELING

1. Het bewijs van het feit dat de te weinig mobiliteitsvergoeding werd betaald

Bij ontstentenis van omkering van de bewijslast dient de werknemer die betaling vordert van mobiliteitsvergoedingen, met toepassing van de algemene bewijsregeling, vervat in de artikelen 870 Ger.W. en 1315 BW, het bewijs te leveren van het feit dat hij de verplaatsingen waarvoor hij de mobiliteits-vergoeding vordert, wel degelijk heeft afgelegd.

Dergelijk bewijs kan niet geleverd worden door eenzijdig door de werknemer opgestelde gegevens met betrekking tot deze verplaatsingen, die door de werkgever worden betwist.

Het vereiste bewijs dient geleverd te worden door tegensprekelijke staten, door de erkenning van de werkgever, of door objectieve elementen die het mogelijk maken vast te stellen dat de verplaatsingen werden gedaan.

Het arbeidshof stelt hierbij vast dat de vordering van de heer N. met betrekking tot de periode voorafgaand aan 2007 enkel wordt ondersteund door documenten die eenzijdig werden opgesteld door de heer N.. Het feit dat deze documenten, meer bepaald de bijgebrachte agenda's waarop de heer N. zich steunt om zijn berekeningen te maken, zeer gedetailleerd zijn, is, mede gelet op de betwisting door de werkgever van deze gegevens, onvoldoende om een sluitend bewijs te leveren van de omvang van de door hem gevorderde mobiliteitsvergoedingen.

Met betrekking tot de periode vanaf begin 2007 tot 31 maart 2008 is de situatie anders; inderdaad werd vanaf dan een systeem ingevoerd van Excel bestanden waarin de werknemers van de BVBA en in het bijzonder de heer N., aan de werkgever wekelijks opgave moesten doen van werven en de gewerkte uren, waarbij verder opgemerkt moet worden dat dit systeem werd ingevoerd en ter beschikking gesteld door de BVBA.

Uit de samenlezing van de door de heer N. zelf opgestelde agenda's en de overeenstemmende gegevens van de Excel-bladen kan wel op afdoende wijze worden afgeleid welke verplaatsingen de heer N. heeft uitgevoerd waarvoor hij aanspraak kan maken op mobiliteitsvergoedingen.

2. De verjaring

Het staat niet ter discussie dat de heer N. zijn vordering tot betaling van mobiliteits-vergoedingen in hoofdorde steunt op het bestaan van een misdrijf.

a.-

In burgerlijke zaken moet de partij die een op een misdrijf gegronde vordering heeft ingesteld, de aanwezigheid van de bestanddelen van het misdrijf bewijzen.

(vgl. Cass. 16 februari 1990, Arr. Cass. 1989-90, 782)

Wanneer de burgerlijke rechter een uitspraak moet doen over een op een misdrijf gesteunde vordering en nagaat of de vordering eventueel verjaard is, moet hij vaststellen dat de feiten die aan de vordering ten grondslag liggen onder toepassing van de strafwet vallen. Hij is gehouden de constitutieve elementen van dit misdrijf die een invloed hebben op de beoordeling van de verjaring na te gaan en mag zich er niet toe beperken vast te stellen dat de werknemer het bestaan van het misdrijf inroept ter ondersteuning van zijn vordering.

(vgl. Cass. 25 oktober 2004, onuitg., Nr. S.99.0190.F; Cass. 9 februari 2009, J.T.T. 2009, 211, met conclusie Proc.-Gen. J.-F. Leclercq)

Bij de beoordeling van een vordering ex delicto dient de rechter bijgevolg na te gaan of het materieel en het moreel element van het misdrijf waarop de heer Provoost zich steunt, aanwezig zijn.

b.-

Artikel 56, 1° stelt strafbaar de werkgever, zijn aangestelden of lasthebber die zich schuldig hebben gemaakt aan overtreding van een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst.

De heer N. steunt zijn vordering op de in het paritair comité voor het bouwbedrijf gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten, die algemeen verbindend werden verklaard.

Hij levert aldus het afdoende bewijs van het materieel element of het misdrijf.

c.-

Wanneer in de wettelijke omschrijving van een misdrijf geen sprake is van opzet of onachtzaamheid, is het misdrijf niet louter strafbaar doordat het materiële feit is gepleegd.

(vgl. Cass. 12 mei 1987, R.W. 1986-87, 538, concl. Adv.-Gen. J. du Jardin; Cass. 13 december 1994, Arr. Cass. 1994, 1104)

Voor verschillende misdrijven uit het sociaal strafrecht is geen opzet vereist: voor het bewezen verklaren van deze overtredingen is wel een moreel bestanddeel vereist, maar niet dat de dader opzettelijk heeft gehandeld.

(vgl. Cass. 31 januari 1989, Arr. Cass. 1988-89, 648; Cass. 16 februari 1993, Arr. Cass. 1993, 193)

In het sociaal strafrecht wordt het schuldbegrip op een bijzondere manier geconcretiseerd, m.n. door de figuur van de normaal vooruitziende werkgever die geacht wordt de regels van het sociaal recht te kennen en na te leven.

(vgl. A. Vandenbergen, Het moreel element in sociaalrechtelijke misdrijven, Noot onder Arbh. Antwerpen, 10 december 1992, J.T.T. 1994, 412)

Bij het beoordelen van het moreel bestanddeel van het misdrijf dient bijgevolg telkens te worden nagegaan of de dader van het misdrijf de strafbare gedraging had kunnen voorkomen, wat neerkomt op een louter aquiliaans schuldbegrip.

(vgl. V. Dooms, De verhouding tussen de vordering ex contractu en ex delicto in het kader van de arbeidsovereenkomst, Bibliotheek Sociaal Recht, Larcier, Brussel 200, nr. 208)

De feitenrechter beoordeelt de volstrekte onmogelijkheid tot handelen van de persoon die de handeling moet stellen met inachtneming van de omstandigheden waaruit volgt dat degene die zich op een rechtvaardigingsgrond beroept, heeft gehandeld zoals ieder bedachtzaam en voorzichtig mens zou hebben gedaan, die in dezelfde toestand verkeert.

(vgl. Cass. 8 januari 1996, J.T.T. 1996, 250, noot)

In voorliggende betwisting is het arbeidshof van oordeel dat de BVBA niet heeft gehandeld zoals iedere bedachtzaam en voorzichtig werkgever zou hebben gehandeld, zodat ook het moreel element van het misdrijf wordt bewezen.

Het is hierbij niet onbelangrijk op te merken dat uit de bijgebrachte individuele rekeningen blijkt dat het bedrag van de aan de heer N. betaalde mobiliteitsvergoedingen vanaf 1 april 2008, ogenblik vanaf wanneer partijen het er over eens zijn dat de correcte mobiliteitsvergoedingen werden betaald, substantieel zijn gestegen, wat er op wijst dat de tot 31 maart 2008 betaalde mobiliteitsvergoedingen onvoldoende waren.

d.-

Artikel 26 Voorafgaande Titel Sv. bepaalt dat de burgerlijke vordering volgend uit een misdrijf verjaart door verloop van 5 jaar te rekenen vanaf de dag waarop het misdrijf is gepleegd, zonder evenwel te verjaren voor de strafvordering.

Rekening houdend met het feit dat slechts voor de periode vanaf 1 januari 2007 de heer N. op afdoende wijze aantoont welke verplaatsingen hij aflegde en zijn vordering bijgevolg enkel gegrond kan zijn voor de periode van 1 januari 2007 tot 31 maart 2008, en hij dagvaarding uitbracht op 28 januari 2011, dit is minder dan 5 jaar vanaf 1 januari 2007, dient niet te worden onderzocht of de niet betaling van mobiliteitsvergoedingen al dan niet een voortgezet misdrijf uitmaakt.

3. De gevorderde vergoedingen

Met betrekking tot de door de heer N. toegepaste berekeningswijze is het arbeidshof van oordeel dat de toegepaste methode overeenstemt met de bepalingen van de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten in het paritair comité voor het bouwbedrijf, zowel met betrekking tot de wijze van bepaling van de afstand als met het feit of betrokkene al dan niet chauffeur was.

Uit de laatste berekening van de mobiliteits-vergoedingen door de heer N. blijkt dat deze over de periode van 1 januari 2007 tot 31 maart 2008 een totaal bedrag aan mobiliteitsvergoedingen diende te ontvangen van 919,7216 EUR, terwijl hij slechts 340,54 EUR ontving, zodat over deze periode een tekort is ontstaan van 579,18 EUR.

De oorspronkelijke vordering van de heer N. is ten belope van dit bedrag gegrond.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond;

Vernietigt het bestreden vonnis in de mate d at het de vordering van de heer N. ongegrond verklaarde en hem veroordeelde tot de kosten van het geding;

Opnieuw recht doende, verklaart de vordering van de heer N. gedeeltelijk gegrond; veroordeelt de BVBA tot betaling aan de heer N. van 579,18 EUR mobiliteitsvergoedingen, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intrest;

Veroordeelt de BVBA tevens tot afgifte van het overeenstemmende loondocument;

Verwijst de BVBA in de kosten van beide aanleggen, in hoofde van de heer N. vereffend op 165,61 EUR kosten dagvaarding.

Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

Mr. D. RYCKX: Raadsheer,

G. JACOBS: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever,

R. VAN CAUWENBERGE : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider,

En bijgestaan door :

D. DE RAEDT : Griffier,

G. JACOBS R. VAN CAUWENBERGE

D. DE RAEDT D. RYCKX

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 25 maart 2013 door de heer D. RYCKX, Raadsheer, en bijgestaan door D. DE RAEDT, Griffier,

D. DE RAEDT D. RYCKX

Vrije woorden

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN

  • Loon

  • Sociaalrechtelijk misdrijf

  • Moreel element

  • Geen vereiste van opzet

  • Normaal voorzichtige werkgever.