- Arrest van 8 april 2013

08/04/2013 - 2011/AB/404

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De administratieve commissie, ingericht bij de haven te Antwerpen, kan in de regel niet beschouwd worden als een orgaan van de Belgische Staat indien zij optreedt buiten de haar door de wet toevertrouwde bevoegdheid, d.w.z. de erkenning van havenarbeiders en de intrekking van die erkenning.

De Belgische Staat kan echter wel, op basis van een foutieve schijn van bevoegdheid en op basis van het vetrouwensbeginsel, gehouden zijn door en verantwoordelijkheid zijn voor de beslissingen van de administratieve commissie, genomen buiten zijn wettelijke bevoegdheid. Dit kan in het bijzonder het geval zijn wanneer de Belgische Staat, zonder in te grijpen, deze administratieve commissie, voorgezeten door een aangestelde van de Belgische Staat, toelaat op systematische wijze bevoegdheden uit te oefenen die haar niet door de wet zijn toegekend, zoals de toekenning en de intrekking van bijzondere functies volgens de functiebeschrijving opgenomen in de codex van de havenarbeiders.

Deze vaststelling sluit niet noodzakelijk uit dat de leden van de administratieve commissie eveneens persoonlijk gehouden zijn voor de gevolgen van een onwettelijke bevoegdheidsoverschrijding.


Arrest - Integrale tekst

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 8 APRIL 2013.

5DE KAMER

Arbeidscontract

Op tegenspraak

Heropening der debatten - 18 november 2013

In de zaak:

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, met burelen gevestigd te 1210 BRUSSEL, Kunstlaan 7.

Appellant, vertegenwoordigd door Mr. A. BOEL loco Mr. B. MERGITS, advocaat te Antwerpen.

Tegen:

1. HET WERKGEVERSVERBOND DER BELGISCHE HAVENS CEPA, met zetel gevestigd te 2000 ANTWERPEN, Brouwersvliet 33, bus 7.

2. DE BELGISCHE TRANSPORTARBEIDERSBOND BTB, met zetel gevestigd te 2000 ANTWERPEN, Paardenmarkt 66.

3. HET ALGEMEEN CHRISTELIJK VAKVERBOND ACV, met zetel gevestigd te 2000 ANTWERPEN, Entrepotplaats 12/14.

4. HET ALGEMEEN CHRISTELIJK VAKVERBOND ACV, met zetel gevestigd te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579.

5. HET ALGEMEEN CHRISTELIJK VAKVERBOND ACV, met zetel gevestigd te 1000 BRUSSEL, Grasmarkt 105 bus 40.

6. DE ALGEMENE CENTRALE DER LIBERALE VAKBONDEN VAN BELGIE ACLVB, met zetel gevestigd te 2000 Antwerpen, Londenstraat 25/1 & 2.

7. DE ALGEMENE CENTRALE DER LIBERALE VAKBONDEN VAN BELGIE ACLVB, met zetel gevestigd te 9000 GENT, Koning Albertlaan 95.

8. V.K., in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

9. V.P., in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

10. V.G., in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

11. P.PX., in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

12. D.M., in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

13. D.B.R., in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

14. B.I., in haar hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

15. G.R., in zijn hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

16. P.PY., in haar hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

17. L.S., in haar hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

18. G.G., in zijn hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

19. V.M., in zijn hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens het Werkgeversverbond der Belgische Havens CEPA.

20. L.H., in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens de Belgische Transportarbeidersbond BTB.

21. L.M., in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens de Belgische Transportarbeidersbond BTB.

22. V.M., in haar hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens de Belgische Transportarbeidersbond BTB.

23. J.F., in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens het Algemeen Christelijk Vakverbond ACV TRANSCOM.

24. G.I., in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens het Algemeen Christelijk Vakverbond ACV TRANSCOM.

25. Q.E., in zijn hoedanigheid als effectief lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België ACLVB.

26. D.M.P., in zijn hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens de Belgische Transportarbeidersbond BTB.

27. D.N.M., in zijn hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens de Belgische Transportarbeidersbond BTB.

28. J.B., in haar hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens de Belgische Transportarbeidersbond BTB.

29. C.M., in zijn hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens het Algemeen Christelijk Vakverbond ACV TRANSCOM.

30. D.G.S., in zijn hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens het Algemeen Christelijk Vakverbond ACV TRANSCOM.

31. V.B.F., in zijn hoedanigheid als plaatsvervangend lid van de Administratieve Commissie bij het Paritair Subcomité voor de Haven van Antwerpen, met zetel te 2000 ANTWERPEN, Theaterbuilding, Italiëlei 124, bus 76 namens de Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België ACLVB.

Geïntimeerden op hoofdberoep en geïntimeerden op incidenteel beroep (1-31), allen vertegenwoordigd door Mr M. VALKENIERS loco Mr. P. FLAMEY, advocaat te Antwerpen.

32. D.J., wonende te xxx.

Geïntimeerde op hoofdberoep en appellant op incidenteel beroep, verschijnend in persoon en bijgestaan door Mr. H. SCHYVENS, advocaat te Antwerpen.

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Antwerpen op 25 november 2010;

- het arrest van het Hof van Cassatie te Brussel dd. 18 maart 2011 waarbij de zaak onttrokken wordt aan het Arbeidshof te Antwerpen en verwezen naar het Arbeidshof te Brussel;

- de conclusies en syntheseconclusies van de partijen;

Gelet op de door partijen neergelegde stukken.

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 4 maart 2013 waarna de debatten gesloten werden, waarna de zaak in beraad werd genomen.

 

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De heer D. werd op 29 mei 1995 erkend als havenarbeider. Hij werd ingedeeld in het contingent van de magazijnarbeiders, zoals dat bestond volgens de op dat ogenblik geldende wetgeving.

Op 15 juli 2007 behaalde hij, na het volgen van een aantal opleidingen, een attest als dokautovoerder. Bij beslissing van 6 juli 2007 van de administratieve commissie, ingericht binnen het paritair subcomité van de haven van Antwerpen, kreeg hij een erkenning als dokautovoerder. Zulks werd geconcretiseerd door enkele vermeldingen aangebracht in zijn werkboek, met name de vermeldingen :

1. OK als DA vanaf 16/07/07.

2. Contr.DA 16/07/2008.

3. Rijbewijs 16/01/2008".

Deze beslissing werd blijkbaar genomen in uitvoering van een regeling overeengekomen binnen het paritair subcomité voor de haven van Antwerpen op 18 juni 2007, die echter slechts later opgenomen werd in een collectieve arbeidsovereenkomst (verder cao), en op die manier in de zogenaamde codex van de havenarbeiders, die eveneens bij cao werd vastgelegd.

2.

Bij schrijven van 10 januari 2008 werd de heer D. opgeroepen om op 18 januari 2008 te verschijnen voor de administratieve commissie. Het voorwerp van de oproeping werd als volgt omschreven:

" Erkenning DA: behalen rijbewijs C voor 16/01/2008 + bewijs meebrengen wanneer examen voor het behalen van rijbewijs C plaats heeft".

De heer D. had op dat ogenblik zijn rijbewijs C niet behaald. Hij riep in dat hij als gevolg van financiële problemen nog niet de middelen had om de rijschool te betalen.

Bij beslissing van 18 januari 2008 werd de heer D. door de administratieve commissie teruggeplaatst in de functie ‘havenarbeiders algemeen werk' vanaf 21 januari 2008 omdat hij niet over het rijbewijs C beschikte en zich evenmin had ingeschreven in een rijschool.

3.

Bij brief van 21 februari 2008 verzocht de heer D., door tussenkomst van zijn raadsman, aan de administratieve commissie om hem een document toe te zenden houdende kennisgeving van de administratieve beslissing die ten aanzien van hem genomen werd, met de vermelding van de eventuele beroepsmogelijkheden, en met de aanduiding van de instantie bij wie het beroep moest worden ingesteld, evenals de geldende vormen en termijnen.

Op dit schrijven werd gereageerd door de heer L., voorzitter van het paritair subcomité van de haven en van de administratieve commissie. In dit antwoord vermeldde de heer L. dat hij de vraag besproken had met de administratieve commissie en dat deze bij haar standpunt bleef. De redenen van de beslissing werden verder toegelicht, en kwamen er in essentie op neer dat de heer D. zijn rijbewijs C uiterlijk op 13 januari 2008 had moeten behalen om een verdere of definitieve erkenning als dokautovoerder te bekomen. Op de vraag naar de mededeling van de mogelijkheden van beroep werd niet ingegaan.

In het werkboek van de heer D. werd de vermelding aangebracht:

"A.C. 22.02.2088 : Beroep tegen de beslissing AV 18.01.2008. Besl. AC 18.1.08 blijft gehandhaafd."

4.

Op 30 april 2008 behaalde de heer D. het rijbewijs C.

Naar aanleiding van het behalen van het rijbewijs schreef de raadsman van de heer D. de administratieve commissie aan met de vraag om op zo kort mogelijke termijn een nieuwe beslissing te willen nemen over de rechtspositie van zijn cliënt als dokautovoerder. In dit schrijven werd melding gemaakt van een mondeling voorstel dat door een lid van de administratieve commissie aan de heer D. zou gedaan zijn, waarbij aan de heer D. zijn erkenning als dokautovoerder zou verleend worden indien hij de inmiddels ingeleide procedure zou staken.

5.

Bij verzoekschrift van 28 februari 2008 heeft de heer D. een procedure ingeleid voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen tegen de administratieve commissie bij het paritair subcomité voor de haven van Antwerpen en tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Werk.

De heer D. vroeg te horen zeggen voor recht dat hij ook na 21 januari 2008 de rechtspositie van havenarbeider dokautovoerder behouden had en vroeg zijn herstel in die situatie op straffe van een dwangsom.

In ondergeschikte orde, en bij besluiten, vroeg hij " mede als voorafgaande maatregel om de toestand van partijen voorlopig te regelen" dat hij in zijn rechtspositie van havenarbeider dokautovoerder zou hersteld worden omdat hij inmiddels zijn rijbewijs C behaald had.

Bij vonnis van 16 juli 2008 oordeelde de arbeidsrechtbank dat de in het kader van artikel 19, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek gestelde vorderingen niet toelaatbaar waren. Met betrekking tot de vordering gesteld tegen de administratieve commissie oordeelde de rechtbank dat deze geen rechtspersoonlijkheid had en aldus niet als verweerder in het geschil voor de arbeidsrechtbank kon betrokken worden. Met betrekking tot de vordering tegen de Belgische Staat oordeelde de rechtbank dat de genomen beslissing niet kon gekaderd worden in de specifieke bevoegdheden die door de wet aan de administratieve commissie was toegekend, maar dat deze gehandeld had op grond van een conventioneel toegewezen bevoegdheid. Aan de in dit kader tot stand gekomen beslissing had de Belgische Staat niet deelgenomen en kon het paritair comité, of de administratieve commissie, niet beschouwd worden als een orgaan van de Belgische Staat. Ook ten aanzien van de Belgische Staat werd de vordering niet toelaatbaar verklaard.

6.

Bij verzoekschrift van 10 november 2008, neergelegd op grond van artikel 1034 bis van het Gerechtelijk Wetboek heeft de heer D. zijn vordering opnieuw ingesteld. Zijn vordering werd ditmaal gericht tegen de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers in het paritair subcomité voor de havenarbeiders en tegen de effectieve en plaatsvervangende leden van de administratieve commissie bij het paritair subcomité.

De vordering had hetzelfde voorwerp als de vordering die ingeleid was door het oorspronkelijk verzoekschrift.

Bij exploot van 9 december 2008 hebben de representa-tieve organisaties van werkgevers en werknemers in het paritair subcomité voor de havenarbeiders en de effectieve en plaatsvervangende leden van de administratieve commissie derdenverzet aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank. Deze vordering was in essentie hierop gesteund dat de leden van de administratieve commissie van oordeel waren dat zij opgetreden waren in toepassing van artikel 38, 4e lid van de wet van 5 december 1968 op de collectieve arbeidsovereenkomst en de paritaire comités, en dat zij een beslissing hadden genomen die hen was opgedragen door de wet, meer bepaald de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid. Aldus waren zij, in hun stelling, opgetreden als een orgaan van de Belgische Staat en waren de door hen gestelde bestuursdaden rechtstreeks aanrekenbaar aan de Belgische Staat.

7.

Bij vonnis van 25 november 2010 heeft de arbeidsrechtbank het ingestelde derdenverzet ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. Het eerste vonnis werd bevestigd in zoverre de vordering ten aanzien van de administratieve commissie als ontoelaatbaar werd beschouwd, maar werd hervormd in zoverre de vordering ten aanzien van de Belgische Staat onontvankelijk werd verklaard.

Rechtsprekend over de vordering van de heer D. werd de beslissing genomen door de administratieve commissie van de haven van Antwerpen van 18 januari 2008, en bevestigd tijdens terechtzitting van 22 januari 2008 vernietigd, en werd voor recht gezegd dat de heer D. ook na 21 januari 2008 de rechtspositie had behouden van havenarbeider dokautovoerder. De Belgische Staat werd veroordeeld om, binnen de maand na de betekening van het vonnis en op straffe van een dwangsom van 500 euro per maand, het werkboek en de erkenning van de heer D. als havenarbeider en de daarin gehanteerde code aan te passen met de indeling van de heer D. als havenarbeider dokautovoerder, en dit met terugwerkende kracht vanaf 21 januari 2008.

De Belgische Staat werd verder veroordeeld tot beta-ling van een provisionele schadevergoeding van 1 euro .

8.

Bij verzoekschrift van 15 december 2010 heeft de Belgische Staat beroep ingesteld tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank van 25 november 2010. Het beroep werd gericht tegen de heer D., tegen de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers vertegenwoordigd in het paritair subcomité voor de haven van Antwerpen en de effectieve leden van de administratieve commissie bij dit subcomité. Het beroep werd niet gericht tegen de administratieve commissie.

9.

Bij arrest van 18 maart 2011 heeft het Hof van Cassatie, op vordering van het Openbaar Ministerie bij het arbeidshof te Antwerpen, de zaak onttrokken aan het rechtsgebied van het arbeidshof te Antwerpen en verwezen naar het arbeidshof te Brussel.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het werd ingesteld binnen de maand na de uitspraak van het bestreden vonnis en is dus tijdig.

De representatieve organisaties binnen het paritaire subcomité van de haven van Antwerpen en de leden van de administratieve commissie betwisten echter de ontvankelijkheid van het hoger beroep, omdat dit beroep niet gericht is mee gericht is de administratieve commissie. Zij stellen dat, overeenkomstig artikel 1053, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, het hoger beroep gericht dient te worden tegen alle partijen wiens belang in strijd is met dat van eiser in hoger beroep indien het gaat om een onsplitsbaar geschil. Dit zou in deze het geval, rekening houdend met de door de Belgische staat uitgelokte discussie over de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor de handelingen gesteld door de administratieve commissie, en waardoor er een immanent risico zou bestaan voor tegenstrijdige uitspraken.

De representatieve organisaties binnen het paritair subcomité van de haven van Antwerpen en de leden van de administratieve commissie tonen echter geenszins aan dat het om een onsplitsbaar geschil zou gaan. De eerste rechter heeft geen veroordeling uitgesproken tegen de administratieve commissie, maar achtte de vordering ten aanzien van deze commissie niet toelaatbaar. Geen van de partijen betwist dat de administratieve commissie als dusdanig geen rechtspersoonlijkheid heeft. De administratieve commissie is opgericht door de Belgische Staat, zonder dat haar een aparte rechtspersoonlijkheid werd gegeven, en is als dusdanig een orgaan van de Belgische Staat. De administratieve commissie heeft ten andere voor de eerste rechter zelf de onontvankelijkheid van de vordering gepleit in zoverre deze tegen haar gericht was. Er kan van uitgegaan worden dat een dergelijk verweer gevoerd werd op vraag van de leden van de administratieve commissie.

III. BEOORDELING.

De standpunten van partijen.

1.

De Belgische Staat voert, zoals voor de eerste rechter, in essentie aan dat de beslissing van de administratieve commissie die voor de arbeidsrechtbank betwist werd, niet genomen werd op basis van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid en van het Koninklijk Besluit van 5 juli 2004 betreffende de erkenning van havenarbeiders, die de administratieve commissie instelt en haar bevoegdheden bepaalt. Deze bevoegdheden zouden enkel betrekking hebben op de erkenning van de havenarbeiders en de eventuele intrekking van de erkenning en niet op de bepaling van de arbeidsvoorwaarden van havenarbeiders, en de verdere indeling in categorieën ten dien einde. Bijgevolg zou de administratieve commissie niet opgetreden zijn als een orgaan van de Belgische Staat: de handelingen van deze commissie zouden daarom niet kunnen toegerekend worden aan de Belgische Staat.

In werkelijkheid zou de administratieve commissie een taak hebben uitgeoefend die haar niet door de wetgever was opgelegd, maar wel door de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers binnen het paritair comité. In feite zouden er, aldus de Belgische Staat, twee verschillende administratieve commissies bestaan, de ene in uitvoering van de wet van 8 juni 1972 en het Koninklijk Besluit van 5 juli 2004, en de andere ingericht door de sociale partners binnen het paritair comité in het kader van de niet bindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten binnen dit paritair comité.

De Belgische Staat is aldus van oordeel buiten zake te moeten gesteld worden.

2.

De representatieve organisaties binnen het paritair subcomité van de haven van Antwerpen en de leden van de administratieve commissie zijn van oordeel dat de bevoegdheden die zij uitoefenden hen wel op wettelijke wijze werden toevertrouwd. Volgens artikel 38, 5° van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités bestaat de opdracht van de paritaire comités er onder meer in elke andere taak te vervullen die hun door of krachtens de wet is toevertrouwd. De wet van 8 juni 1972 op de havenarbeid en het Koninklijk Besluit van 5 juni 2004 betreffende de erkenning van de havenarbeiders zou aan de administratieve commissie niet alleen bevoegdheden gegeven in verband met de erkenning van de havenarbeiders, maar ook in verband met de indeling van de havenarbeiders in bepaalde categorieën, met name in het algemeen contingent en in het logistiek contingent. De omstandigheid dat deze algemene indeling later verfijnd zou zijn in een cao van 6 december 2004 betreffende de lonen en arbeidsvoorwaarden van de havenarbeiders van het algemeen contingent, zou geen afbreuk doen aan het feit dat de tussenkomst van de administratieve commissie bij de toekenning van functieclassificaties zijn grondslag zou vinden in het Koninklijk Besluit van 5 juli 2004.

Verder verwijzen deze partijen naar de bevoegdheid die aan de paritaire comités en subcomités gegeven werd door artikel 38 van de wet van 5 december 1968 met betrekking tot het doen tot stand komen van collectieve arbeidsovereenkomsten. Wanneer in het kader van een cao een verdere indeling gebeurt van de havenarbeiders in bepaalde categorieën, dan put de administratieve commissie, als orgaan van het paritair comité, de bevoegdheid tot uitvoering van deze cao rechtstreeks uit de wet.

De Belgische Staat is bijgevolg, volgens deze partijen gehouden door, en aanspreekbaar en aansprakelijk voor alle handelingen van de administratieve commissie.

3.

De heer D. vraagt in hoofdorde de bevestiging van het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen na derdenverzet. Hij is van oordeel dat de administratieve commissie is opgetreden als orgaan van de Belgische Staat, zodat het deze laatste is die veroordeeld dient te worden. In ondergeschikte orde vraagt de heer D., bij wijze van incidenteel beroep, de veroordeling van de representatieve organisaties binnen het paritair subcomité van de haven van Antwerpen en de leden van de administratieve commissie.

Ten gronde vraagt de heer D., bij wijze van incidenteel beroep, de veroordeling van de Belgische Staat, en in ondergeschikte orde de veroordeling van de representatieve organisaties binnen het paritair subcomité van de haven van Antwerpen en de leden van de administratieve commissie tot een provisionele schadevergoeding van 12.500 euro . Hij stelt ook een morele schade geleden te hebben.

De heer D. vraagt verder een dubbele onderzoeksmaatregel. In de eerste plaats vraagt hij dat de het Werkgeversverbond der Belgische haven, Cepa een aantal documenten zou voorleggen in verband met de binnen de haven geldende loontarieven voor de verschillende categorieën van werknemers, in verband met zijn arbeidsprestaties in het verleden volgens de verschillende categorieën, en verder een overzicht van de globale prestaties die vanaf 1 januari 2008 zijn verricht door de verschillende beroepscategorieën en een overzicht van het aantal havenarbeiders, die in dezelfde periode actief waren in deze beroepscategorieën.

De werking en bevoegdheden van de paritaire comités.

4.

Overeenkomstig artikel 35 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomst en de paritaire comités is het de Koning die, op eigen initiatief, of op verzoek van één of meer organisaties paritair comités van werkgevers en werknemers opricht. Overeenkomstig artikel 37 van de wet kan de Koning eveneens paritaire subcomités oprichten.

Artikel 38 van de wet bepaalt de bevoegdheden van de paritaire comités en subcomités. Zij hebben als opdracht:

1. collectieve arbeidsovereenkomsten door de vertegenwoordigde organisaties tot stand te doen komen;

2. geschillen tussen werkgevers en werknemers te voorkomen of bij te leggen;

3. de regering, de Nationale Arbeidsraad, de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven of de bedrijfsraden, op hun verzoek of op eigen initiatief, te adviseren over de aangelegenheden die tot zijn bevoegdheid behoren;

4. elke andere taak te vervullen die hen door of krachtens de wet is toevertrouwd.

Overeenkomstig artikel 39 e.v. van de wet zijn de paritaire comités en subcomités onder meer samengesteld uit een voorzitter, een ondervoorzitter en twee of meer secretarissen die benoemd worden door de Koning en die, in de uitoefening van hun opdracht, onder het gezag staan van de minister. Overeenkomstig artikel 49 van de wet bepaalt de Koning de werkwijze van de paritaire comités en subcomités en houdt hij toezicht op de werking van deze comités.

De algemene regels voor de werking van de paritaire comités en paritair subcomités worden vastgelegd door het Koninklijk Besluit van 6 november 1969. Uit artikel 12 van dit Koninklijk Besluit blijkt onder meer dat de voorzitter de notulen van de vergaderingen ondertekent en dat hij deze binnen de drie dagen aan de minister voorlegt.

De specifieke regeling met betrekking tot het havenbedrijf.

5.

Overeenkomstig artikel 1 van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid mag niemand in de havengebieden havenarbeid laten verrichten door andere werknemers dan erkende havenarbeiders. Volgens artikel 3 van de wet worden de voorwaarden en modaliteiten van de erkenning van de havenarbeiders vastgesteld door de Koning op advies van het voor het betrokken havengebied bevoegde paritaire comité. Deze bijzondere erkenningsregeling wordt, volgens de voorbereidende werken van de wet, gerechtvaardigd door aspecten van veiligheid: de bijzondere risico's die gepaard gaan met de havenarbeid verrechtvaardigen dat alleen arbeiders, waarvan de beroepsbekwaamheid voldoende is vastgesteld voor dit werk, in aanmerking komen.

Volgens artikel 3bis van dezelfde wet kan de Koning, op advies van het voor de betrokken havengebied bevoegde paritair comité, de werkgevers die in dit gebied havenarbeiders tewerkstellen verplichten zich aan te sluiten bij een door hem erkende organisatie van werkgevers, die in de hoedanigheid van lasthebber alle verplichtingen vervult die voor de betrokken werkgevers voortvloeien uit de tewerkstelling van de havenarbeiders krachtens de individuele en collectieve arbeidstijdwetgeving en de sociale zekerheidswetgeving

Bij Koninklijk Besluit van 12 januari 1973 werd het paritair comité voor het havenbedrijf opgericht, bevoegd voor alle werknemers en werkgevers die in de havengebieden als hoofdzakelijke of bijkomstige activiteit havenarbeid verrichten, dit wil zeggen "alle behandelingen van goederen welke per zee- of binnenschepen, spoorwagens of vrachtwagens aan- of afgevoerd worden en de met deze goederen in verband staande bijkomende diensten". Deze ‘behandelingen' en ‘diensten' worden nader omschreven in artikel 1 van het Koninklijk Besluit. Bij Koninklijk Besluit van 12 augustus 1974 werden paritaire subcomités voor het havenbedrijf ingesteld voor de verschillende havens van het land en in het bijzonder voor de haven van Antwerpen. De bevoegdheidsomschrijving met betrekking tot de werkgevers en werknemers is identiek aan deze die opgenomen is in het Koninklijk Besluit van 12 januari 1973.

Een Koninklijk Besluit van 5 juli 2004 (voorafgegaan door andere Koninklijke Besluiten met hetzelfde voorwerp) regelt dan ten slotte de erkenning van de havenarbeiders in de havengebieden, die onder de toepassing vallen van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid.

Artikel 1 van dit Koninklijk Besluit stelt binnen ieder havengebied een paritair samengestelde administratieve commissie in. Zij is samengesteld uit een voorzitter en een ondervoorzitter, vier gewone en vier plaatsvervangende leden, aangewezen door de werkgeversorganisaties vertegenwoordigd in het betrokken paritair subcomité en vier gewone en vier plaatsvervangende leden, aangewezen door de werknemersorganisaties, en één of meer secretarissen. Steeds volgens artikel 1 zijn op de werking van de administratieve commissie de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 6 november 1969 tot vaststelling van de algemene regels voor de werking van de paritaire comités en paritaire subcomités van toepassing.

Artikel 2 voorziet dat, na hun erkenning, de havenarbeiders ingedeeld worden hetzij in het ‘algemeen contingent' hetzij in het ‘logistiek contingent'. De havenarbeiders van het algemeen contingent zijn erkend voor het verrichten van alle havenarbeid in de zin van artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 12 januari 1973 tot instelling van het paritair comité voor het havenbedrijf. De havenarbeiders van het logistiek contingent zijn erkend voor het verrichten van dezelfde havenarbeid maar op locaties waar goederen ter voorbereiding van een verdere distributie of verzending een transformatie ondergaan die indirect leidt tot een aanwijsbare toegevoegde waarde. Artikel 4 bepaalt aan welke voorwaarden respectievelijk de havenarbeiders van het algemeen contingent en die van het logistiek contingent dienen te beantwoorden om erkend te worden. Volgens dezelfde bepaling moeten de aanvragen tot erkenning en hernieuwing worden ingediend bij en worden ze behandeld door de administratieve commissie.

Artikel 7 bepaalt in welke gevallen de administratieve commissie de erkenning als havenarbeider kan intrekken. Artikel 8 bepaalt de gevallen waarin een havenarbeider kan worden geschorst en artikel 9 de gevallen waarin een erkenning vervalt. De artikelen 10 en 11 regelen de procedure tot schorsing en intrekking van de erkenning als havenarbeider.

6.

Binnen het paritair subcomité voor de haven van Antwerpen werden een aantal cao's afgesloten met betrekking tot de lonen en arbeidsvoorwaarden van de havenarbeiders. Daarbij werd blijkbaar een functieclassificatie opgemaakt, waarbij bepaald werd aan welke voorwaarden voldaan diende te worden om een bepaalde functie te kunnen uitoefenen, en de daarmee overeenstemmende bezoldiging te ontvangen. Deze functie bepalingen zijn opgenomen in de zogenaamde codex van de havenarbeiders.

Volgens artikel 105 van de codex - zoals geciteerd door partijen - gebeurt de indeling van de havenarbeiders in één van de beroepscategorieën bedoeld in artikel 103a) van de codexdoor toedoen van de administratieve commissie, volgens de modaliteiten vastgesteld in de codex. Volgens artikel 123 geschiedt de toegang tot een beroepencategorie en de wijziging van beroepscategorie door toedoen van de administratieve commissie, op grond van paritair vastgestelde richtlijnen. Volgens artikel 124 kan de administratieve commissie de indeling bij een bepaalde beroepscategorie schorsen of intrekken wegens ernstige professionele tekortkomingen. Artikel 171 van de codex bevat de bijzondere voorwaarden voor de erkenning van een havenarbeiders als ‘dokautovoerder'.

De bevoegdheden van de administratieve commissie en zijn statuut als orgaan van de Belgische Staat in de voorliggende betwisting.

7.

Op basis van de geciteerde wettelijke bepalingen is niet betwistbaar - en wordt ook niet betwist -

dat de administratieve commissie bij de haven van Antwerpen dient beschouwd te worden als een orgaan van de Belgische Staat in de mate dat zij optreedt binnen het kader geschetst door het Koninklijk Besluit van 5 juli 2004 betreffende de erkenning van de havenarbeiders.

De vraag die aan de orde echter is te weten of in de voorliggende betwisting, waarin het niet gaat om de erkenning als havenarbeider als dusdanig - de heer D. had die erkenning sinds 1995 verworven - maar om de erkenning tot een bepaalde functiecategorie (beschreven in de codex havenarbeiders) de administratieve commissie opgetreden is binnen het wettelijk kader zoals dit geschapen is door de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid en het Koninklijk Besluit van 5 juli 2004.

In toepassing van artikel 3 van de wet van 8 juni 1972 is het de Koning die de voorwaarden en de modaliteiten van de erkenning van de havenarbeiders bepaalt, zij het op advies van het bevoegde paritair comité. Vermits het om een bevoegdheid gaat opgedragen aan de Koning, kan hij deze bevoegdheid niet delegeren aan een ander orgaan, en met name niet aan het paritair comité of aan de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers van het paritair subcomité voor de haven van Antwerpen (toepassing art. 108 van de Grondwet).

Het Koninklijk Besluit van 5 juli 2004 geeft de administratieve commissie anderzijds enkel de bevoegdheid tot de erkenning van de havenarbeiders. De havenarbeiders worden daarbij, volgens artikel 2 van het Koninklijk Besluit weliswaar onderverdeeld in een ‘algemeen contingent' en een ‘logistiek contingent', met verschillende erkenningsvoorwaarden (art. 4 § 1 en 2: de erkenningsvoorwaarden zijn daarbij blijkbaar strenger voor de havenarbeiders van het algemeen contingent dan voor de havenarbeiders van het logistiek contingent), maar niets laat toe daaruit af te leiden dat de administratieve commissie, in het kader van het Koninklijk Besluit van 5 juli 2004 ook de bevoegdheid zou hebben om tot een verdere functieclassificatie van de havenarbeiders over te gaan, met de daaraan verbonden bijzondere arbeidsvoorwaarden en verloning.

8.

Overeenkomstig artikel 38, 1 van de wet van 5 december 1968 hebben de paritaire comités de bevoegdheid om collectieve arbeidsovereenkomsten door de vertegenwoordigde organisaties tot stand te doen komen. Zij hebben niet zelf de bevoegdheid om collectieve arbeidsovereenkomsten af te sluiten: dit is enkel de taak van de in het paritair comité vertegenwoordigde organisaties van werkgevers en werknemers (zie J. Rombaut, ‘Bevoegdheden en opdrachten van de paritaire comités' in C.A.O.-recht, Ced-Samson, deel III, Paritaire comités, 5.1.2, met verwijzing naar de voorbereidende werken van de wet).

Overeenkomstig artikel 38,5 van dezelfde wet oefenen de paritaire comités de bevoegdheden uit die hen zijn toevertrouwd door of krachtens de wet. Het is tussen partijen niet in betwisting dat de zogenaamde codex voor havenarbeiders, opgesteld en aangepast door verschillende cao's, geen algemeen bindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst is. Deze cao kon derhalve aan het paritair comité, of aan de administratieve commissie opgericht binnen het paritair comité, niet de wettelijke bevoegdheid geven om beslissingen te nemen over het al dan niet erkennen, of intrekken van een erkenning, voor een bepaalde functieclassificatie.

9.

Uit het bovenstaande volgt dat de administratieve commissie, op het ogenblik dat zij de betwiste beslissing nam, wettelijk niet kon geacht worden een bevoegdheid uit te oefenen die haar door de wet was toevertrouwd.

Opdat de handeling van een orgaan de aansprakelijkheid en de gebondenheid van de Belgische Staat (of van een andere administratieve overheid) met zich zou meebrengen is vereist dat het orgaan een handeling heeft gesteld die het als overheidsorgaan kon of moest stellen (Dujardin, Van Damme e.a. Overzicht van het Belgisch Administratief Recht, 2009, p. 921).

De Belgische Staat kan derhalve niet gebonden zijn door beslissingen van de administratieve commissie, die buiten diens wettelijke bevoegdheid zijn genomen. Hij kan er derhalve ook niet toe gehouden zijn de gevolgen van deze beslissing te dragen, en kan dus niet in rechte gedagvaard worden voor een beslissing van de administratieve commissie, genomen buiten zijn bevoegdheid..

10.

Een overheid kan echter eveneens, zoals private personen, in sommige gevallen gehouden zijn voor een handeling van een orgaan, op basis van een "schijn van de bevoegdheid". Ten aanzien van een overheid kan deze gehoudenheid steunen op het beginsel van behoorlijk bestuur, genoemd "het vertrouwensbeginsel" dat in het algemeen inhoudt dat de gerechtvaardigde verwachtingen die door het bestuur bij de rechtsonderhorige zijn gewekt, zo enigszins mogelijk, moeten worden gehonoreerd, op gevaar af om het vertrouwen dat de rechtsonderhorigen in hun bestuur stellen te misleiden (M. Van Damme, " Het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel" in "Beginselen van behoorlijk bestuur", Die Keure 2006, p. 353-354.) In het algemene verbintenissenrecht worden dezelfde principes aanvaard en toegepast, onder de noemer van de vertrouwensleer, die gesteund wordt hetzij op de regels van de buitencontractuele aansprakelijkheid, hetzij op de verplichting verbintenissen te goeder trouw uit te oefenen (cfr. C.Van Ackere, "De vertrouwensleer", in "Bestendig Handboek van Verbintenissenrecht", Deel II, Hoofdstuk III).

Er is dan sprake van een "schijn van bevoegdheid" die in sommige gevallen moet kunnen worden beschermd. Vereist is wel dat de rechtsonderhorige er in redelijkheid is van kunnen uitgaan met het bevoegde bestuursorgaan te maken te hebben. Daarbij speelt, volgens Van Damme, de aard van de toe te passen reglementering een rol in die zin dat, naarmate die reglementering technischer of complexer van aard is, de rechtsonderhorige er sneller mag van uitgaan dat het bestuur het beste geplaatst is om die reglementering te begrijpen en toe te passen, en om zich wat dat betreft te betrouwen op het bestuurlijk handelen.

11.

Een havenarbeider heeft in het kader van het bijzonder wettelijk systeem van organisatie van de tewerkstelling in de haven niet het recht om rechtstreeks een arbeidsovereenkomst af te sluiten met een werkgever en daarbij zijn arbeidsvoorwaarden te bedingen. Hij heeft dus ook geen rechtstreekse werkgever die hij kan aanspreken indien de rechten die hij heeft, of die hij denkt te hebben, niet worden nageleefd. Wanneer in het kader van een dergelijke wettelijke organisatie een orgaan, met name de administratieve commissie, wordt opgericht dat wettelijk bevoegd verklaard wordt voor de erkenning van de havenarbeider, en op basis van een cao voor de functieclassificatie en de loonsvoorwaarden, dan mag de havenarbeider ervan uitgaan dat een verhaal tegen een beslissing van deze administratieve commissie bij een onafhankelijke rechter mogelijk is en op afdoende wijze georganiseerd wordt. Onverminderd andere rechtsbronnen wordt dit recht in ieder geval gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.

12.

In tegenstelling met wat de Belgische Staat voorhoudt zijn er geen elementen die erop wijzen dat er binnen de haven van Antwerpen in feite twee onderscheiden administratieve commissies zouden gefunctioneerd hebben, de ene belast met de wettelijke opdracht tot erkenning van de havenarbeiders en de andere belast met de ‘conventionele' opdracht om de functie-erkenningen, zoals die door de sociale partners in een collectieve arbeidsovereenkomst werden vastgelegd, in de praktijk toe te passen door erkenningen voor deze functies te verlenen of opnieuw in te trekken.

Er wordt geen enkel document voorgelegd waaruit zou blijken dat een aparte administratieve commissie werd opgericht.

Het wordt overigens ook niet betwist dat het dezelfde personen zijn die, binnen dezelfde vergaderingen, de functies hebben uitgeoefend die door de wet aan de administratieve commissie werden opgelegd en de functies die volgen uit de invulling in de praktijk van de collectieve arbeidsovereenkomst. Dit wordt ook bevestigd door het administratief dossier (stuk 23 van het dossier van de heer D., het dossier dat ook werd toegezonden aan het arbeidsauditoraat) waaruit blijkt dat dezelfde administratieve commissie, steeds onder dezelfde hoofding en met dezelfde referenties, uitnodigingen stuurde en beslissingen nam, zowel met betrekking tot de erkenning van de heer D. als havenarbeider als met betrekking tot de erkenning van de heer D. als dokautovoerder.

13.

Opdat de vermenging van bevoegdheden - die (desgevallend) in hoofde van de heer D. het rechtmatig vertrouwen kon opwekken dat de administratieve commissie in de uitoefening van het geheel van zijn opdracht te handelde als orgaan van de Belgische Staat, en dat aldus een wettelijk kader bestond dat hem toeliet op te komen tegen een feitelijk of wettelijk onrechtmatig handelen van die commissie is vereist dat de Belgische Staat op de hoogte was van deze vermenging van bevoegdheden.

Een aantal elementen lijken in die richting te wijzen.

Het eerste element is dat de administratieve commissie wordt voorgezeten door een ambtenaar van de Belgische Staat. Dit blijkt zowel uit de geciteerde wettelijke bepalingen als uit de voorgelegde documenten. Zo werd op het schrijven dat door de raadsman van de heer D. op 21 februari 2008 gericht werd aan de administratieve commissie, en waarbij gevraagd werd om een formele kennisgeving van de beslissing van de administratieve commissie geantwoord door de voorzitter van de administratieve commissie op het briefpapier van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, algemene directie van de collectieve arbeidsbetrekkingen, met zetel te Brussel.

Een ander element daarbij is dat, volgens artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 5 juli 2004, de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 6 november 1969 tot vaststelling van de algemene regels voor de werking van de paritaire comités van toepassing zijn en uit artikel 12 van dit laatste Koninklijk Besluit blijkt dat de secretaris van de commissie ertoe gehouden is de notulen van iedere vergadering binnen de drie dagen aan de voorzitter over te maken ter ondertekening en dat deze laatste de notulen van de vergadering binnen de drie dagen aan de minister moet voorleggen.

Verder blijkt uit de door de Belgische Staat voorgelegde rechtspraak dat de problematiek met betrekking tot het juiste statuut van de administratieve commissie in het verleden en minstens sinds 1993 het voorwerp heeft uitgemaakt van diverse betwistingen, onder meer voor de Raad van State, maar ook voor de burgerlijke rechtbanken, waarbij de Raad van State hetzij de Belgische Staat buiten zake stelde, omdat de administratieve commissie niet was opgetreden als orgaan van de Belgische Staat, hetzij zich onbevoegd verklaarde omdat het ging om een betwisting die geen verband hield met de erkenning, maar wel met de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit een collectieve arbeidsovereenkomst.

Ter zitting ondervraagd kon de raadsman van de Belgische Staat geen antwoord geven op de vraag of de Belgische Staat, geconfronteerd met de huidige betwisting sinds het jaar 2008, enig initiatief genomen had om de onduidelijkheden in de wetgeving en in de praktische toepassing ervan op te lossen.

14.

Vermits de overwegingen, zoals weergegeven onder nr.10 tot 13 niet als dusdanig, of minstens niet expliciet door de heer D. werden aangevoerd, past het in het kader van het respect van de rechten van de verdediging om de heropening van de debatten te bevelen teneinde de Belgische Staat toe te laten zijn opmerkingen te formuleren met betrekking tot zijn mogelijke gehoudenheid, op basis van het vertrouwensbeginsel, voor de handelingen van de administratieve commissie, ook als die buiten zijn wettelijke bevoegdheden zou zijn getreden.

De vordering zoals gesteld tegen de representatieve organisaties binnen het paritair subcomité van de haven van Antwerpen en de leden van de administratieve commissie

15.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de administratieve commissie bevoegdheden heeft opgenomen en handelingen gesteld heeft die haar niet expliciet door de wet of krachtens de wet werden toevertrouwd. De omstandigheid dat, eventueel, de Belgische Staat toch zo gehouden zijn door de beslissingen van de administratieve commissie op basis van het vertrouwensbeginsel, houdt niet noodzakelijk in, dat de leden van de administratieve commissie niet persoonlijk zou kunnen gehouden zijn ten aanzien van de heer D.. Door de classificatie in de beroepscategorie van dokuitvoerder had de heer D., naar hij voorhoudt, en waarin hij niet tegengesproken wordt, recht op een hoger loon. De niet betaling van dit loon kan een misdrijf uitmaken, en daardoor de persoonlijke aansprakelijkheid in het gedrang brengen van de personen die in feite aan de oorsprong liggen van de niet betaling van het overeengekomen loon.

Ook over dit punt werden er echter geen uitdrukkelijke debatten gevoerd, zodat ook hier de heropening van de debatten dient bevolen te worden. De heer D. dient daarbij aan te geven of hij, in de hypothese dat het hof zou besluiten tot de gehoudenheid van de Belgische Staat op grond van de theorie van het schijnmandaat, nog een vordering blijft formuleren ten aanzien van de leden van de administratieve commissie. In zijn besluiten gaat de heer D. ervan uit dat de administratieve commissie is opgetreden als orgaan van de Belgische Staat en formuleert hij slechts een vordering tegen de leden van de administratieve commissie, in de hypothese dat het hof zou oordelen dat de administratieve commissie niet is opgetreden als orgaan van de Belgische Staat.

In het kader van de heropening van de debatten is het verder vereist dat de heer D. aangeeft welk de juridische basis is van de vordering die hij ingeleid heeft tegen de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers, vertegenwoordigd in het paritair comité. Deze lijken immers als dusdanig geen deel uit te maken van de administratieve commissie. Worden zij geacht de aanstellers te zijn van de administratieve commissie, en op die basis gehouden te zijn, of wordt tegenover hen een vorm van buitencontractuele aansprakelijkheid weerhouden?

Gelet op het voorgaande lijkt het ook aangewezen dat de leden van administratieve commissie zich niet langer onthouden van een verweer ten gronde zoals zij tot nog toe deden. Zij zijn immers het best geplaatst om het verweer te voeren, omdat zij in ieder geval de bestreden beslissingen genomen hebben.

De gegrondheid van de vordering.

16.

Een definitieve uitspraak over de gegrondheid van de zaak kan uiteraard slechts gewezen worden nadat vastgesteld is tegen welke partij(en) de vordering had dienen gericht te worden.

Zulks belet echter niet dat, in het kader van een goede en snelle rechtsbedeling vanaf dit ogenblik onderzoeksmaatregelen kunnen gevorderd worden die van belang zijn, of kunnen zijn, voor de berechting van de zaak en dat partijen kunnen uitgenodigd worden, onder alle voorbehoud en zonder enige erkentenis, nadere toelichting te geven bij een aantal aspecten van het dossier.

17.

Beide partijen zouden toelichtingen moeten verstrekken bij volgende vragen.

De eerste rechter oordeelde dat de heer D. na 21 januari 2008 terug in zijn rechten als autodokvoerder diende hersteld te worden. De heer D. had echter blijkbaar op 16 juli 2007 slechts een voorlopig erkenning gekregen van één jaar. Welk is een juridische grondslag van deze tijdelijke, voorlopige erkenning? Wordt deze in de codex voorzien? Is dit eventueel een soort proefperiode? Zo ja, hoe en door wie wordt deze geëvalueerd?

Kan de heer D. op dit ogenblik zonder meer de functie van autodokvoerder terug opnemen of zijn er bepalingen die dit uitsluiten?

18.

De heer D. vraagt in zijn besluiten de voorlegging van een aantal documenten door het werkgeversverbond der Belgische havens, partij in zaken, die hem moeten toelaten de door hem geleden schade te bewijzen. De relevantie van deze voorlegging wordt door geen van de partijen betwist en lijkt gerechtvaardigd gelet op de specifieke wijze waarop havenarbeiders bezoldigd worden. De voorlegging van deze documenten wordt dan ook bevolen als volgt:

a) De opeenvolgende loontarieven die binnen de haven van Antwerpen hebben gegolden vanaf 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012 en dit voor de havenarbeiders behorend tot het algemeen contingent, respectievelijk (1) voor de havenarbeiders algemeen werk; (2) voor de havenarbeiders dokautovoerders en (3) voor de havenarbeiders dokautovoerders, bestuurders van speciale tuigen, in het bijzonder bestuurders van een "straddle carrier":

b) een overzicht van de arbeidsprestaties, telkens met opgave van het aantal arbeidsuren,die de heer D. vanaf 1 januari 2008 geleverd heeft tot 31 december 2012, voor de drie categorieën van havenarbeiders zoals onder a) omschreven;

c) een overzicht van de prestaties die vanaf 1 januari 2008 tot op 31 december 2012 globaal gepresteerd werden in de haven van Antwerpen voor de drie categorieën van havenarbeiders zoals onder omschreven onder a);

d) de opgave van het aantal havenarbeiders die, in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012 in de haven van Antwerpen erkend waren en actief waren, eveneens uitgesplitst volgens de drie categorieën van havenarbeiders zoals omschreven onder a).

De aanstelling van een deskundige voor de raming van de schade is daarentegen voorbarig, niet alleen omdat nog een uitspraak ten gronde moet gebeuren en meer bepaald moet vastgesteld worden welke partijen al dan niet terecht in het geding betrokken werden, maar ook omdat het op de eerste plaats aan de heer D. toekomt om, op basis van de documenten waarvan hij de voorlegging vraagt, desgevallend zelf zijn schade te berekenen. De aanstelling van een deskundige kan alleen gebeuren wanneer blijkt dat een bijzondere technische expertise nodig is om de schade te berekenen. De heer D. kan zijn verplichting om de door hem gevorderd schadeloosstelling te bewijzen niet afwentelen op een deskundige, waarvan de kosten zonder meer door de tegenpartijen zouden moeten gedragen worden.

 

OM DEZE REDENEN,

Het hof,

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoofdberoep evenals het incidenteel beroep ontvankelijk.

A.

Alvorens uitspraak te doen ten gronde beveelt de heropening van de debatten teneinde:

1.

De Belgische Staat toe te laten zijn standpunt te formuleren met betrekking tot zijn mogelijke gehoudenheid op basis van de beginselen van vertrouwensleer, zoals uiteengezet onder de nr. 10 tot 13 van de overwegingen.

2.

De heer D. toe te laten aan te geven of hij zijn vordering, zoals die thans in ondergeschikt orde geformuleerd wordt ten aanzien van de representatieve organisaties binnen het paritair subcomité van de haven van Antwerpen en de leden van de administratieve commissie

al dan niet handhaaft in de hypothese dat het hof zou oordelen dat de Belgische Staat gehouden is voor de handelingen van de administratieve commissie op basis van de regels van de vertrouwensleer.

De heer D. verder toe te laten te preciseren welk de juridische grondslag is van zijn vordering in zoverre deze gericht is tegen de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers in het paritair subcomité voor de haven van Antwerpen.

De leden van de administratieve commissie toe te laten hun verweer te laten gelden ten aanzien van de vordering die ten hunnen opzichte nog zou gesteld blijven.

3.

De Belgische Staat en de leden van de administratieve commissie toe te laten aanvullende informatie bij te brengen in verband met de vragen geformuleerd onder nr.17 van de overwegingen, evenals een volledig exemplaar van de codex van de havenarbeiders neer te leggen, zoals die van toepassing was op het ogenblik van de bestreden beslissing, met desgevallend de latere aanvullingen die relevant kunnen zijn voor de verdere beslechting van het geschil.

B.

Het hof beveelt ten aanzien van het werkgeversverbond der Belgische havens de voorlegging van de documenten en gegevens vermeld onder nr. 18 van de beoordeling.

C.

De termijnen voor neerlegging van stukken en conclusies worden als volgt bepaald:

(1) de Belgische staat beschikt over een termijn die verstrijkt op 28 juni 2013 teneinde te besluiten over zijn mogelijke gehoudenheid op basis van de vertrouwensleer en voor het beantwoorden van de vragen geformuleerd onder nr.17 van de beoordeling

(2) de representatieve organisaties binnen het paritair subcomité van de haven van Antwerpen en de leden van de administratieve commissie beschikken over een termijn die verstrijkt op 28 juni 2013 teneinde te antwoorden op de vragen gesteld onder nr.17 van de beoordeling.

(3) de heer D. beschikt over een termijn die verstrijkt op 28 juni 2013 teneinde aan te geven of hij zijn vordering tegen de representatieve organisaties binnen het paritair subcomité van de haven van Antwerpen en de leden van de administratieve commissie handhaaft in de hypothese dat de Belgische Staat gehouden zou zijn op grond van de beginselen van vertrouwensleer en om aan te geven welk de juridische basis is van de vordering gesteld tegen de representatieve organisaties van werkgevers en werknemers.

(4) het werkgeversverbond der Belgische havens beschikt over een termijn die verstrijkt op 28 juni 2013 teneinde de informaties neer te leggen, vermeldt onder nr. 18 van de beoordeling.

(5) alle partijen beschikken daarna over een termijn die verstrijkt op 30 augustus 2013 teneinde te reageren op de stukken, informaties en conclusies voorgelegd door de andere partijen. De heer D. zal meer in het bijzonder van deze periode gebruikmaken om in de mate van het mogelijke zijn schade-eis nader te begroten.

(6) alle partijen beschikken daarna nog over een termijn die verstrijkt op 11 oktober 2013 voor het neerleggen van laatste syntheseconclusies.

De zaak wordt opnieuw vastgesteld ter openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 18 november 2013 te 13 uur 30', in de zaal 0.6, Poelaertplein 3 te 1000 Brussel voor een totale pleitduur van 60 minuten;

Houdt de beslissing met betrekking tot de kosten aan.

 

Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

Mr. F. KENIS: Raadsheer,

S. ALAERTS: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever,

R. VAN CAUWENBERGE : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider,

En bijgestaan door :

K. CUVELIER : Griffier,

S. ALAERTS R. VAN CAUWENBERGE

K. CUVELIER F. KENIS

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 8 april 2013 door de heer F. KENIS, Raadsheer, en bijgestaan door K. CUVELIER, Griffier,

K. CUVELIER F. KENIS

Vrije woorden

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • WERKLIEDEN

  • Havenarbeiders.