- Arrest van 29 april 2013

29/04/2013 - 2012/AB/273

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Ongeldig is de re-integratieaanvraag van de personeelsafgevaardigde die door zijn vakorganisatie niet werd gericht aan de vennootschap die zijn werkgever is, doch wel aan de technische bedrijfseenheid, waarvan deze vennootschap deel uitmaakt.


Arrest - Integrale tekst

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 29 APRIL 2013.

5DE KAMER

Arbeidscontract

Op tegenspraak

Definitief

In de zaak:

EURO 1080 N.V., met maatschappelijke zetel gevestigd te 2547 LINT, Fabriekstraat 38.

Appellante, vertegenwoordigd door Mr. F. BRASSEUR loco Mr. E. LIEVENS, advocaat te Brussel.

Tegen:

W. , wonende te xxx.

Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mevr. H. VAN DEN BERGE, syndicaal afgevaardigde en volmachtdraagster te Brussel.

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrechtbank van Antwerpen op 20 juni 2009;

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest gewezen op tegenspraak door het Arbeidshof van Antwerpen op 15 juni 2010;

- het arrest van het Hof van Cassatie te Brussel dd. 17 oktober 2011 waarbij de zaak verwezen wordt naar het Arbeidshof te Brussel;

- de conclusies en syntheseconclusies van de partijen;

Gelet op de door partijen neergelegde stukken.

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 18 maart 2013 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

 

I. FEITEN

Op 28 september 2007 solliciteerde de heer W. voor een betrekking als inwonende bewaker - onthaalmedewerker van het Eurocam Mediacenter.

De heer W. trad in dienst van de NV EURO 1080 op 2 november 2007 als arbeider ‘security - bewaking Eurocam Mediacenter', met schriftelijke arbeidsover-eenkomst van 19 oktober 2007.

Met brief van 4 maart 2008 beëindigde de NV de arbeidsovereenkomst met aanzegging van betaling van een opzeggingsvergoeding van 7 kalenderdagen loon.

Op het werkloosheidsbewijs C4 werd als juiste oorzaak van de werkloosheid opgegeven: ‘reorganisatie van security behoeften binnen de firma. Na evaluatie was besloten dat we andere noden hadden binnen ons bedrijf'.

Met aangetekende brief van 19 maart 2008 werd de heer W. door het Algemeen Christelijk Vakverbond (hierna genoemd ACV) voorgedragen als kandidaat voor het Comité voor preventie en bescherming op het werk van de technische bedrijfseenheid Alfacam Group. Deze TBE bestond uit twee juridische entiteiten, de NV Alfacam en de NV Euro 1080.

Volgens het proces-verbaal van het stembureau van 16 mei 2008 werd de heer W. aangewezen als plaatsvervangend personeelsafgevaardigde; met aangetekende brief van 16 mei 2008 maakte de voorzitter van het stembureau aan het ACV een afschrift over van het proces-verbaal van stopzetting van de verkiezingsprocedure.

Met aangetekende brief van 31 maart 2008 vroeg de vakorganisatie van de heer W. aan de ‘Alfacam Group' de heer W. te re-integreren in de onderneming en hem terug te werk te stellen in zijn vroegere functie en met behoud van zijn loon- en arbeidsvoorwaarden.

Met aangetekende brief van 5 juni 2008 aan de firma Alfacam Videoproductions NV stelde de vakorganisatie vast dat deze niet ingegaan was op vraag tot re-integratie van heer W. en vorderde zij betaling van een beschermingsvergoeding gelijk aan enerzijds het loon van 13 maart 2008 tot en met 30 juni 2012 (variabel gedeelte) en anderzijds een bijkomende vergoeding van 2 jaar loon (basisvergoeding).

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met inleidende dagvaarding van 15 juli 2008 vorderde de heer W. voor de Arbeidsrechtbank te Antwerpen betaling door de NV Euro 1080 van 166.748,20 EUR beschermingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intrest op het netto equivalent van dit bedrag, en met de kosten van het geding.

Hij vorderde tevens de afgifte van nauwkeurig aangeduide sociale documenten onder verbeurte van een dwangsom van 25 EUR per dag vertraging per document en de voorlopige uitvoerbaarheid van het vonnis zonder enige reserve.

In zijn conclusie, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 7 januari 2009, vorderde de heer W. in ondergeschikte orde betaling door de NV van 53.856 EUR beschermingsvergoeding.

b.-

Met vonnis van 25 juni 2009 verklaarde de arbeidsrechtbank de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk en gegrond; zij veroordeelde de NV tot betaling aan de heer W. van 166.748,20 EUR beschermingsvergoeding, te verminderen met de wettelijk verplichte inhoudingen, in zoverre verschuldigd, en te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf de datum van opeisbaarheid en de gerechtelijke intrest vanaf 15 juni 2008.

Zij veroordeelde de NV tevens tot afgifte aan de heer W. van een loonfiche, een individuele rekening en een fiscale steekkaart 281.10 met betrekking tot het toegekende bedrag binnen de maand na de wettelijk voorzien termijn.

Het vonnis werd niet uitvoerbaar verklaard bij voorraad en de NV werd veroordeeld tot de kosten van het geding.

c.-

Er wordt geen melding gemaakt van een betekening van dit vonnis.

d.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Antwerpen op 7 augustus 2009 (per telefax) en op 11 augustus 2009 (per gewone post), tekende de NV hoger beroep aan tegen dit vonnis. Zij vorderde dat het arbeidshof het vonnis van de arbeidsrechtbank zou teniet doen in de mate dat de vordering gegrond werd verklaard, en de heer W. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, telkens begroot op het minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding.

e.-

Met arrest van 15 juni 2010 verklaarde het arbeidshof het hoger beroep ontvankelijk en gegrond; het vernietigde het vonnis van de arbeidsrechtbank van 25 juni 2009 en verklaarde de oorspronkelijke vordering van de heer W. ontvankelijk maar ongegrond.

De heer W. werd veroordeeld in de kosten van beide instanties, waarbij de rechtsplegings-vergoedingen werden begroot op het minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding.

f.-

Het arrest werd op verzoek van de NV aan de heer W. betekend op 20 september 2010.

g.-

Met voorziening in cassatie van 20 december 2010 vorderde de heer W. de vernietiging van dit arrest en de verwijzing van de zaak en partijen naar een ander arbeidshof, kosten als naar recht.

h.-

Met arrest van 17 oktober 2011 vernietigde het Hof van Cassatie het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaard; de kosten werden aangehouden en de beslissing daaromtrent werd aan de feitenrechter overgelaten.

De aldus beperkte zaal werd verwezen naar het Arbeidshof te Brussel.

i.-

Met dagvaarding van 9 maart 2002 werd het arrest van het Hof van Cassatie op verzoek van de NV betekend aan de heer W., die tevens werd gedagvaard voor het Arbedshof te Brussel.

De NV vorderde dat het arbeidshof het vonnis van de arbeidsrechtbank zou teniet doen in de mate dat de vordering gegrond werd verklaard, en de heer W. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, telkens begroot op het minimumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het arrest van het Arbeidshof te Antwerpen van 15 juni 2010 werd niet vernietigd in zoverre het het hoger beroep ontvankelijk verklaarde, zodat het hoger beroep ontvankelijk is.

IV. BEOORDELING

a.-

De NV voerde in de procedure voor de Antwerpse arbeidsgerechten in essentie volgende argumenten aan:

- in hoofdorde, de ongeldigheid van de kandidatuur van de heer W., die niet voldeed aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden

- in ondergeschikte orde, de ongeldigheid van de re-integratieaanvraag, die niet werd gericht aan de NV, doch wel aan de technische bedrijfseenheid Alfacam Group, waarvan de NV deel uitmaakt

- in uiterst ondergeschikte orde, het feit dat de kandidatuur van de heer W. rechtsmisbruik zou uitmaken.

b.-

Het eerste argument werd door het Arbeidshof te Antwerpen doch door het Hof van Cassatie verworpen.

In zijn arrest van 17 oktober 2001 oordeelde dit Hof dat het arbeidshof niet kon oordelen dat de heer W. niet voldoet aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden van artikel 59 § 1, 3° van de Welzijnswet Werknemers, wat de NV tijdens de procedure van de sociale verkiezingen niet heeft ingeroepen en bijgevolg geen aanspraak kan maken op de gevorderde beschermingsvergoeding, aangezien de rechtsvraag die aan de orde is betrekking heeft op de vraag of de heer W. voldoet aan de wettelijke voorwaarden om aanspraak te maken op de bijzondere beschermingsvergoeding en niet of de kandidatuur van betrokkene geldig werd ingesteld.

Het arbeidshof sluit zich om de redenen die door het Hof van Cassatie werden gegeven, aan bij deze stelling.

c.-

Aan de orde is vervolgens de vraag naar de geldigheid van de re-integratieaanvraag van de heer W., die door zijn vakorganisatie niet werd gericht aan de NV, doch wel aan de technische bedrijfseenheid Alfacam Group, waarvan de NV deel uitmaakt.

Artikel 14 eerste lid van de Bijzondere Ontslagregelingswet Personeelsafgevaardigden bepaalt dat, wanneer de werkgever een einde maakt aan de arbeidsovereenkomst zonder de bij artikel 2 en 11 bedoelde voorwaarden en procedures na te leven, de werknemer of de organisatie die zijn kandidatuur heeft voorgedragen, zijn re-integratie in de onderneming aanvragen onder dezelfde voorwaarden als die welke hij voor de beëindiging van de overeenkomst genoot.

Een nauwkeurige lezing van deze bepaling laat toe vast te stellen dat hier enkel het voorwerp van de vraag van de werknemer wordt bepaald (re-integratie in de onderneming) doch dat geen uitspraak wordt gedaan over de vraag aan wie deze vraag moet worden gesteld.

Dat artikel 1 § 2, 5° van de Bijzondere Ontslagregelingswet Personeelsafgevaardigden bepaalt dat onder ‘onderneming' voor de toepassing van de wet moet worden verstaan ‘de technische bedrijfseenheid' in de zin van de Bedrijfsorganisatiewet 1948 en van de Gezondheids- en Veiligheidswet 1952, zoals door de heer W. wordt opgeworpen, is juist doch gelet op wat hiervoor werd gesteld niet relevant.

Aan wie de vraag tot re-integratie in de onderneming dan wel moet worden gericht, blijkt uit artikel 17 § 1 van de Bijzondere Ontslagregelingswet Personeelsafgevaardig-den. Dit artikel bepaalt immers dat de beschermingsver-goeding (zowel het ‘variabele' als het ‘vaste gedeelte' ervan) betaald moet worden door de werkgever die de re-integratieaanvraag niet heeft aanvaard binnen de dertig dagen na de dag waarop het verzoek hem bij een ter post aangetekende brief werd verzonden.

(eigen onderlijning door het arbeidshof)

Deze bepaling laat toe om zonder twijfel vast te stellen dat het verzoek tot re-integratie in de onderneming moet worden gericht aan de werkgever.

In voorliggende betwisting staat niet ter discussie dat de werkgever van de heer W. niet de ‘Alfacam Group' was, doch wel de NV Euro 1080.

Zijn vraag tot re-integratie die niet werd gericht aan de NV Euro 1080 als werkgever, doch aan de ‘Alfacam Group', is bijgevolg niet geldig, zodat zijn vordering tot betaling van een beschermingsvergoeding als ongegrond dient te worden afgewezen.

Het hoger beroep is dan ook gegrond.

d.-

Het arbeidshof stelt vast dat de NV niet aandringt op betaling van een rechtsplegingsvergoeding hoger dan het minimumbedrag en beschouwt dit als billijk.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 25 juni 2009 in de mate dat het de vordering van de heer W. gegrond verklaarde en de NV veroordeelde tot de kosten van het geding;

Opnieuw recht doende, verklaart de vordering van de heer W. ongegrond en wijst hem ervan af;

Verwijst de heer W. in de kosten van het geding, aan de zijde van de NV als in het gelijk gesteld partij vereffend op 1.100 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank en 1.100 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof.

Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

Mr. D. RYCKX: Raadsheer,

G. JACOBS: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever,

R. VAN CAUWENBERGE : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider,

En bijgestaan door :

D. DE RAEDT : Griffier,

G. JACOBS R. VAN CAUWENBERGE

D. DE RAEDT D. RYCKX

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 29 april 2013 door de heer D. RYCKX, Raadsheer, en bijgestaan door D. DE RAEDT, Griffier,

D. DE RAEDT D. RYCKX

Vrije woorden

  • ORGANISATIE VAN HET BEDRIJFSLEVEVEN

  • ONTSLAGREGELING VAN DE WET VAN 19 MAART 1991

  • Bijzondere ontslagregelingswet personeelsafgevaardigden

  • Vraag tot reïntegratie

  • Bestemmeling.