- Arrest van 2 mei 2013

02/05/2013 - 2012/AB/766

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De gezinsleden van een Marokkaanse werknemer, die de Belgische nationaliteit heeft bekomen, maar daarnaast de Marokkaanse nationaliteit heeft behouden, kunnen zich niet beroepen op art. 4, 5° van de wet van 22/03/2001 om, op basis van het principe van de gelijke behandeling, aanspraak te maken op een inkomensgarantie in België. Deze gezinsleden kunnen niet aanvoeren dat de nationaliteitsvoorwaarde in hunnen hoofde moet onderzocht worden, en niet in hoofde van de werknemer uit wiens tewerkstelling zij hun rechten putten.

De omstandigheid dat de werknemer, die bewust voor de Belgische nationaliteit gekozen heeft een dubbele nationaliteit heeft kunnen behouden, houdt niet in dat hij zich ten aanzien van de Belgische wetgeving, naargelang van de omstandigheden nu eens kan beroepen op zijn Belgische nationaliteit en dan weer op zijn Marokkaanse nationaliteit.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.: 2013/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 2 mei 2013

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - pensioenen

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 2°, Ger. W.)

in de zaak:

1. RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN, openbare instelling, met zetel te 1060 BRUSSEL, Zuidertoren, appellant, vertegenwoordigd door mr. QUADFLIEG P. loco mr. DE BOCK Ernest, advocaat te 1800 VILVOORDE, Xavier Buissetstraat 26

tegen:

1. K. , eerste geïntimeerde,

2. L. , tweede geïntimeerde,

beiden wonende te xxx, en vertegenwoordigd door mr. HENDRIX Joost, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 114/27

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 25 juni 2012 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 30e kamer (A.R. 10/1054/A en 10/1055/A),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 25 juli 2012,

- de neergelegde conclusies,

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 14 maart 2013 door advocaat-generaal ANDRE,

- de repliek op dit advies, neergelegd ter griffie op 11 april 2013 voor de partijen Kaouachi en L.,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 28 februari 2013, waarna de debatten werden gesloten, het openbaar ministerie zijn schriftelijk advies ter griffie heeft neergelegd, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De heer K. en mevrouw L., van Marokkaanse nationaliteit, zijn in de loop van het jaar 2009 naar België gekomen in het kader van een gezinshereniging met hun zoon K. K. Deze laatste is sinds 9 oktober 1965 in België woonachtig, waar hij werkte in een farmaceutisch bedrijf en later als opticien. Sinds 13 augustus 1997 heeft hij de Belgische nationaliteit bekomen. Daarnaast behield hij de Marokkaanse nationaliteit.

Op 9 november 2009 hebben de heer K. en mevrouw L. bij de Rijksdienst der Pensioenen een aanvraag ingediend om te kunnen genieten van de inkomensgarantie voor ouderen. Bij beslissingen van 13 november 2009 werden deze aanvragen geweigerd, omdat de heer K. en mevrouw L. niet behoren tot één van de categorieën van gerechtigden, opgesomd in artikel 4 van de wet van 22 maart 2001 op de inkomensgaranties voor ouderen.

2.

Bij verzoekschriften van 19 maart 2010 hebben de heer K. en mevrouw L. de beslissingen, waarbij hen het recht op de inkomensgaranties geweigerd werd, betwist voor de arbeidsrechtbank te Brussel.

Bij vonnis van 25 juni 2012, ter kennis gebracht van de Rijksdienst der Pensioenen op 4 juli 2012 heeft de arbeidsrechtbank te Brussel, na beide vorderingen samengevoegd te hebben, de vorderingen principieel ontvankelijk en gegrond verklaard, de bestreden administratieve beslissingen vernietigd en voor recht gezegd dat de heer K. en mevrouw L. aanspraak konden maken op een inkomensgarantie voor ouderen, in de mate dat hun bestaansmiddelen de toegelaten drempel niet overschreden. De zaak werd naar de rol verzonden in afwachting van het resultaat van het onderzoek naar de bestaansmiddelen.

3.

Bij verzoekschrift van 25 juli 2012 heeft de Rijksdienst der Pensioenen hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing en is aldus tijdig. Het beroep is ontvankelijk.

Volgens de heer K. en mevrouw L. is het hoger beroep echter niet toelaatbaar in toepassing van de artikelen 6 en 17 van het Gerechtelijk Wetboek. Zij roepen in dat het verzoekschrift in hoger beroep enkel hierop gesteund is dat een andere rechter, met name de arbeidsrechtbank te Oudenaarde, in een gelijklopende betwisting op andere wijze zou beslist hebben. Het verzoekschrift zou artikel 6 van het Gerechtelijk Wetboek schenden, omdat het aan het vonnis van de arbeidsrechtbank te Oudenaarde een precedentwaarde zou toekennen, die dit vonnis wettelijk niet heeft en omdat uit het enkele feit dat het bestreden vonnis strijdig zou zijn met het vonnis van een andere rechtbank, geen voldoende belang kan afgeleid worden om een vonnis te betwisten.

De vaststelling dat het verzoekschrift in hoger beroep ten onrechte aan een vonnis van een andere rechtbank een wettelijke draagwijdte zou geven die dit vonnis niet heeft, kan een relevant antwoord uitmaken op één van de motieven van het verzoekschrift in hoger beroep, maar heeft geen verband met de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Deze omstandigheid heeft ook niet tot gevolg dat de Rijksdienst der Pensioenen niet van het vereiste wettelijke belang zou laten blijken voor het instellen van een hoger beroep.

Ten overvloede dient daaraan toegevoegd te worden dat het verzoekschrift in hoger beroep niet enkel steunt op het feit dat de arbeidsrechtbank te Oudenaarde op een andere wijze besliste, maar ook op het argument enerzijds dat de heer K. en mevrouw L. niet tot één van de categorieën behoorden, opgesomd in artikel 4 van de wet van de wet van 22 maart 2001 en het argument anderzijds dat de heer K. en mevrouw L. geen beroep konden doen op artikel 4, 5° van de wet, dat betrekking heeft op de onderdanen van een land waarmee België een wederkerigheidsovereenkomst had afgesloten, bepaling waarop de heer K. en mevrouw L. zich steunden voor hun beroep bij de arbeidsrechtbank.

Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

De standpunten van partijen.

1.

De Rijksdienst der Pensioenen voert aan dat de heer K. en mevrouw L., die niet de Belgische nationaliteit hebben, niet onder de toepassing vallen van de verordening nr. 1408/71 van de EU van 14 juni 1971, geen staatsloze of vluchteling zijn en geen recht hebben op een rust- of overlevingspensioen krachtens een Belgische regeling, niet onder één van de categorieën van personen vallen van voor wie het recht op een inkomensgarantie voor ouderen geopend wordt.

De heer K. en mevrouw L. kunnen ook geen aanspraak maken op deze tegemoetkoming op grond van de bepaling dat zij de onderdanen zijn van een land waarmee België een wederkerigheidsovereenkomst heeft gesloten. De overeenkomst waarop de heer K. en mevrouw L. zich beroepen, de Euro-mediterrane overeenkomst van 26 februari 1996 met de staat Marokko, goedgekeurd bij wet van 9 februari 1998, zou geen toepassing vinden omdat de persoon op wiens hoedanigheid zij steunen om onder het toepassingsgebied van deze overeenkomst te vallen, de Belgische nationaliteit bekomen had tijdens zijn verblijf in België, zodanig dat deze overeenkomst geen toepassing vindt. De Rijksdienst der Pensioenen verwijst daarbij naar een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 november 1999

De Rijksdienst der Pensioenen stelt ten slotte dat het standpunt volgen van de eerste rechter erop zou neerkomen dat personen, die kunnen genieten van een dubbele nationaliteit een betere wettelijke behandeling zouden krijgen dan de personen die niet van een dergelijke dubbele nationaliteit genieten.

2.

Volgens de heer K. en mevrouw L. zou de omstandigheid dat hun zoon, die in België werkte, de Belgische nationaliteit verworven had, irrelevant zijn voor de toepassing van artikel 4, 5° van de wet van 22 maart 2001. Volgens de heer K. en mevrouw L. voorziet het akkoord van 26 februari 1996 tussen de Europese Unie en Marokko rechtstreeks in een wederkerigheid in hun voordeel, zonder enige beperking die zou voortvloeien uit de nationaliteit van hun kinderen. De situatie die door het hof moet beoordeeld worden is niet de situatie van hun zoon, maar wel de situatie van henzelf. Indien eventueel zou kunnen geoordeeld worden dat wanneer een persoon de Belgische nationaliteit verwerft, deze later geen beroep meer kan doen op zijn vreemde nationaliteit, dan geldt dit niet voor hun situatie. In hun relatie met hun zoon, die in Marokko geboren is, gaat het om een Marokkaans kind. De heer K. en mevrouw L. stellen verder dat noch artikel 3 van het verdrag van 's-Gravenhage van 12 april 1930 nopens zekere vragen betreffende de wetsconflicten inzake nationaliteit, noch de bepalingen van het Belgisch wetboek Internationaal privaatrecht, tot een andere conclusie leiden. Met name volgt uit artikel 3 van het verdrag van 's-Gravenhage van 12 april 1930 volgens hen geen verplichting om een voorrang te geven aan de Belgische nationaliteit.

Volgens de heer K. en mevrouw L. is artikel 4, 5° van de wet van 22 maart 2001 ook strijdig met artikel 10,11 en 191 van de Grondwet in de mate dat het een onderscheid maakt tussen de Marokkaanse ouders van een Marokkaan, die werknemer is in het Rijk en die wel een beroep kunnen doen op de voordelen van het verdrag tussen de Europese Unie en Marokko, en op die wijze op de inkomensgarantie voor ouderen, en de Marokkaanse ouders van een Belg, die werknemer is in het Rijk en die van dit voordeel niet kunnen genieten.

Het recht op een inkomensgarantie op grond van art. 4,5° van de wet van 22 maart 2001.

3.

Artikel 4 van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen, zoals van toepassing op het ogenblik van de aanvraag, bepaalt de categorieën van personen die aanspraak kunnen maken op de inkomensgarantie van ouderen. Het gaat om:

"1° de personen die de Belgische nationaliteit bezitten;

2° de personen die onder toepassing vallen van de Verordening E.E.G. nr. 1408/71 van 14 juni 1971 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen;

3° de staatlozen die onder toepassing vallen van het Verdrag betreffende de status van staatlozen, ondertekend te New York op 28 september 1954 en goedgekeurd door de wet van 12 mei 1960;

4° de vluchtelingen bedoeld in artikel 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;

5° de onderdanen van een land waarmee België terzake een wederkerigheidsovereenkomst heeft gesloten of het bestaan van een feitelijke wederkerigheid heeft erkend;

6° de personen van buitenlandse nationaliteit op voorwaarde dat een recht op een rust- of overlevingspensioen krachtens een Belgische regeling werd geopend."

4.

De heer K. en mevrouw L. vallen niet onder de categorieën 1°, 2°, 3°, 4° en 6° van artikel 4 van de wet. Zij kunnen dus alleen, zoals zij ook doen, een aanspraak formuleren op grond van art. 4, 5° van de wet.

Bij wet van 9 februari 1998 heeft België de Euro-Mediterane overeenkomst van 26 februari 1996 goedgekeurd waarbij een associatie tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds en het Koninkrijk Marokko anderzijds werd tot stand gebracht.

Titel VI van deze overeenkomst heeft betrekking op de sociale en culturele samenwerking. In artikel 65 van titel VI van de overeenkomst is het volgende bepaald:

"1. Behoudens het bepaalde in de onderstaande leden vallen de werknemers van Marokkaanse nationaliteit en de bij hen woonachtige gezinsleden op het gebied van de sociale zekerheid onder een regeling die wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen deze werknemers en de eigen onderdanen van de lidstaten waar zij werkzaam zijn.

...

5. Marokko past een soortgelijke regeling als vermeld in de leden 1, 3 en 4 toe op de op zijn grondgebied werkzame werknemers die onderdaan zijn van de lidstaten en op hun gezinsleden."

Voormelde samenwerkingsovereenkomst stoelt derhalve op het beginsel van wederkerigheid en kan bijgevolg aanzien worden als een wederkerigheidovereenkomst in de zin van artikel 4, 4° van de wet van 22 maart 2001. De bepalingen van deze overeenkomst hebben rechtstreekse werking in de Belgische rechtsorde.

5.

Ten onrechte voeren de heer K. en mevrouw L. aan dat de nationaliteit van hun zoon in feite irrelevant is voor de oplossing van het geschil omdat zij zelf begunstigde zijn van het akkoord van de Europese Unie met Marokko en dus rechtstreeks het voordeel van artikel 4, 5° van de wet van 22 maart 2001 kunnen inroepen. De samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en Marokko heeft betrekking op "de werknemers van Marokkaanse nationaliteit en de bij hen inwonende gezinsleden". Het is slechts via de band met de migrerende werknemer dat gezinsleden beroep kunnen doen op de samenwerkingsovereenkomst.

Het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen heeft zulks uitdrukkelijk beslist in zijn arrest Mesbach van 11 november 1999 (zaak C-179/98), dat weliswaar betrekking had op een voorgaande overeenkomst van 27 april 1976 doch die op dit punt niet gewijzigd is.

Het Hof oordeelde (overwegingen 19-23):

" Vaststaat dat Mesbah op de datum van aanvraag van de in het geding zijnde gehandicaptenuitkering, alsmede in de jaren 1992 - 1995, de door de nationale wettelijke regeling voor toekenning van deze uitkering gehanteerde referentieperiode, de Marokkaanse nationaliteit bezat.

Op basis van deze voorwaarde alleen kan een lid van een gezin van een in de lidstaat van ontvangst gevestigde Marokkaanse werknemers zich echter aldaar niet beroepen op het in artikel 41, lid 1 van de overeenkomst neergelegde beginsel van non-discriminatie op het gebied van de sociale zekerheid.

Reeds uit de bewoordingen van deze bepaling volgt immers dat dit beginsel werkt ten gunste van werknemers met de Marokkaanse nationaliteit en van in de lidstaten van ontvangst bij hen wonende gezinsleden.

In casu wordt niet betwist dat Mesbah overeenkomstig de toepasselijke nationale wetgeving inderdaad deel uitmaakte van het gezin van een migrerende werknemer in de lidstaat op het grondgebied waarvan deze werknemer werkt of heeft gewerkt, in casu het gezin van haar schoonzoon in België, waar deze laatste een ouderdomspensioen ontvangt na er arbeid hebben verricht. Het geschil draait evenwel om de nationaliteit van die werknemer, van wie verweerder in het hoofdgeding eventueel rechten kan afleiden om op grond van de wetgeving van de lidstaat van ontvangst voor de gehandicaptenuitkering in aanmerking te komen onder dezelfde voorwaarden als onderdanen van de staat.

Overeenkomstig de bewoordingen van artikel 41, lid 1 de van de overeenkomst kan het gezinslid zich slechts op het aldaar neergelegde discriminatieverbod beroepen voor zover de migrerende werknemers hij wie het woont, de Marokkaanse nationaliteit bezit."

6.

In het geciteerde arrest van 11 november 1999 werd het Europese Hof door het arbeidshof te Brussel uitdrukkelijk gevat over de vraag of een gezinslid van een werknemer van Marokkaanse afkomst, die later de Belgische nationaliteit heeft verworven, zich nog kan beroepen op art. 41, lid 1 van de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko en op het daarin neergelegde beginsel van non discriminatie van Marokkaanse werknemers en de bij hen inwonende gezinsleden.

Het antwoord dat door het Europese Hof gegeven werd is ondubbelzinnig.

In overweging nr.39 stelt het Hof (na onder meer aangegeven te hebben waarom het het standpunt van de Commissie en het overeenkomstig advies van de advocaat-generaal niet volgt) :

" Bijgevolg verzet het gemeenschapsrecht zich er niet tegen dat de lidstaat van ontvangst een gezinslid van een werknemer die de Belgische nationaliteit bezit en naar Marokkaans recht de Marokkaanse nationaliteit heeft behouden, belet zich op de Marokkaanse nationaliteit van de werknemer te beroepen ten einde de toepassing van het in artikel 41, lid 1 van de overeenkomst te zijnen gunste neergelegde beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid te verlangen, op de enkele grond dat de wetgeving van die lidstaat deze werknemer uitsluitend als eigen onderdaan beschouwt."

Deze oplossing wordt bevestigd onder nr. 49 van de overwegingen:

" Gelet op de bovenstaande overwegingen moet op de eerste vraag worden beantwoord dat een gezinslid van een migrerende werknemers die de Marokkaanse nationaliteit bezit, wanneer deze werknemer de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst heeft verkregen voor de datum waarop gezinslid in die lidstaat bij hem is komen wonen en een sociale zekerheidsuitkering op grond van de wetgeving van die staat heeft aangevraagd, niet op basis van artikel 41, l.1 van de overeenkomst op de Marokkaanse nationaliteit van de werknemer kan beroepen teneinde de toepassing van het in dit bepaling neergelegde beginsel van gelijke behandeling op het grondgebied van sociale zekerheid te verlangen.

Een dergelijk gezinslid van een Marokkaans migrerende werknemers kan zich, voor zover laatstgenoemde tevens de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst bezit, slechts op de Marokkaanse nationaliteit van de werknemer beroepen op basis van het recht van de betrokken lidstaat, waarvan de uitlegging en toepassing echter uitsluitend door de nationale rechter dient te geschieden in het kader van het aan hem voorgelegde geschil."

7.

Het staat aldus vast dat indien de migrerende werknemer, op wiens verwantschap gesteund wordt om aanspraak te maken op een sociale zekerheidsregeling, de nationaliteit verworven heeft van het land waar hij werkt, vooraleer zijn gezinsleden hem vervoegd hebben, het wederkerigheidbeginsel vastgelegd in artikel 65 van de overeenkomst van 26 februari 1996 geen toepassing meer vindt.

Wel sluit het Europees Hof niet uit dat, wanneer deze werknemer naast de verworven Belgische nationaliteit, zijn oorspronkelijke Marokkaanse nationaliteit behouden heeft, hij toch nog de voordelen van de wederkerigheidovereenkomst zou kunnen inroepen, wanneer de nationale wetgeving van het land, waar hij zich gevestigd heeft, deze mogelijkheid zou voorzien voor deze categorie van werknemers.

8.

Er wordt echter geen enkele bepaling aangeduid die zou inhouden dat de Belgische wetgeving voorziet of inhoudt dat de vreemdeling, die de Belgische nationaliteit verworven heeft maar daarnaast zijn oorspronkelijke nationaliteit ook behouden heeft, zich ten aanzien van de Belgische wetgeving eveneens zou kunnen beroepen op zijn oorspronkelijke Marokkaanse nationaliteit teneinde bepaalde voordelen, voorbehouden aan vreemdelingen, te bekomen.

De wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen voorziet dit alvast niet. Artikel 4, 5° verwijst enkel naar de " onderdanen van een land waarmee België terzake in wederkerigheid overeenkomst heeft gesloten" terwijl art. 4, 6° ten voordele van de personen van buitenlandse nationaliteit slechts het recht op de inkomensgarantie toekent op voorwaarde dat voor hen een recht op een rust- of overlevingspensioen krachtens een Belgische regeling werd geopend.

Een dergelijke oplossing vloeit ook niet voort - integendeel - uit het verdrag van 's-Gravenhage van 12 april 1930 nopens zekere vragen betreffende de wetsconflicten inzake nationaliteit, zoals goedgekeurd door de Belgische wet van 12 april 1930. Volgens artikel 1 van dit verdrag behoort het tot de bevoegdheid van iedere staat om in zijn wetgeving te bepalen wie zijn onderdanen zijn. Volgens artikel 3 van het verdrag zal, onder voorbehoud van de bepalingen van dit verdrag, een persoon die twee of meer nationaliteiten bezit, door ieder van de staten, waarvan hij die nationaliteit heeft, als zijn onderdaan kunnen worden beschouwd. Een dergelijke oplossing vloeit ook niet voor uit de wet van 28 juni 1984 betreffende sommige aspecten van de toestand van de vreemdelingen en houdende invoering van het wetboek van de Belgische nationaliteit.

Een dergelijke oplossing is ook in de regel - en tenzij de wetgeving zulks uitdrukkelijk op een andere wijze zou bepalen - niet verenigbaar met het verwerven van de Belgische nationaliteit. De persoon die de Belgische nationaliteit wenst te bekomen brengt daardoor tot uiting dat hij zich volledig in de Belgische gemeenschap wenst te integreren en, vanaf de toekenning van de Belgische nationaliteit, in zijn verhoudingen met de Belgische staat en met zijn medeburgers, zich volledig wenst af te stemmen op de Belgische wetgeving, en de daaruit voortvloeiende rechten, maar ook de daaruit voortvloeiende verplichtingen.

Weliswaar verzet de Belgische wetgeving er zich niet tegen dat hij zijn oorspronkelijke nationaliteit behoudt, maar dit houdt enkel in dat de vreemdeling geen afstand doet of moet doen van de rechten en verplichtingen die hij heeft ten aanzien van de staat, wiens oorspronkelijke nationaliteit hij had.

9.

De rechtspraak en rechtsleer, waarnaar verwezen wordt door de eerste rechter en met name de studie van Charlier (J.T.D.E. 2000, p. 60) geeft uiteindelijk enkel aan dat het Europese Hof, onder meer door het aannemen van de stelling van de Europese Commissie en de Advocaat-generaal, of nog door het volgen van de stelling van Engeland, tot een andere oplossing had kunnen komen dan deze waartoe het gekomen is, maar biedt geen elementen om de beslissing van het Europese Hof, die bindend is voor de nationale rechter, ook in andere geschillen dan datgene dat door het Hof beslecht werd, terzijde te schuiven.

10.

Ten overvloede dient in deze aangestipt te worden dat de heer K. en mevrouw L., zoals blijkt uit de neergelegde identiteitsbewijzen, slechts een verblijfsrecht door gezinshereniging bekomen hebben in België door beroep te doen op de Belgische nationaliteit (of de hoedanigheid van een burger van de Europese Unie) van hun zoon, overeenkomstig artikel 40 e.v. van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

Het is met deze keuze, die de enige was die hen een titel kon geven voor een wettig verblijf in België, onverenigbaar dat zij, eenmaal zij dit verblijfsrecht bekomen hebben, beroep zouden doen op de Marokkaanse nationaliteit van hun zoon om het voordeel van de Euro-Mediterane overeenkomst van 26 februari 1996 in te roepen en rechten te verwerven die verband houden met deze laatste nationaliteit.

Er dient in dit verband ook opgemerkt te worden dat de heer K. en mevrouw L., als bloedverwanten in opgaande lijn, slechts het voordeel van de gezinshereniging hebben bekomen op grond van artikel 40 ter, al. 2 van de wet van 15 december 1980 dat voorziet dat voor wat betreft de in artikel 40 bis § 2, eerste lid, 4° bedoelde bloedverwanten in opgaande lijn, de Belgisch onderdaan moet aantonen dat hij over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zijn gezinsleden tijdens het verblijf in het Rijk ten laste vallen van de openbare overheden.

De strijdigheid van artikel 4 van de wet van 22 maart 2001 met het gelijkheidsbeginsel.

11.

Volgens de heer K. en mevrouw L. is artikel 4, 5° van de wet van 22 maart 2001 ook strijdig met artikel 10, 11 en 191 van de Grondwet in de mate dat het een onderscheid maakt tussen de Marokkaanse ouders van een Marokkaan, die werknemer is in het Rijk en die wel een beroep kunnen doen op de voordelen van het verdrag tussen de Europese Unie en Marokko, en op die wijze op de inkomensgarantie voor ouderen, en de Marokkaanse ouders van een Belg, werknemer in het Rijk, die van dit voordeel niet kunnen genieten.

In de regel is het hof niet bevoegd om te oordelen of een wettelijke bepaling al dan niet strijdig is met de Grondwet. Overeenkomstig art. 26 § 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het dit laatste Hof dat, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak doet over de schending door een wet van de regels die door of krachtens bepaalde grondwettelijke bepalingen zijn vastgesteld (art. 26 §1 van de wet).

Overeenkomstig artikel 26 § 2 van dezelfde wet is echter het rechtscollege, waarvan de beslissing vatbaar is voor hoger beroep, verzet, voorziening in cassatie of voor een beroep tot vernietiging bij de Raad van State, niet gehouden een prejudiciële vraag te stellen wanneer het van oordeel is dat de aangevochten wettelijke bepaling klaarblijkelijk de Grondwet niet schendt of wanneer het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan over een vraag of een beroep met een identiek onderwerp.

12.

Naast de personen die de Belgische nationaliteit bezitten somt de wet van 22 maart 2001 de volgende categorieën van vreemdelingen op die gerechtigd zijn op de inkomensgarantie: de personen die onder toepassing vallen van de Verordening E..G. nr. 1408/71 van 14 juni 1971, de vluchtelingen en de staatlozen, de onderdanen van een land waarmee België een wederkerigheidsovereenkomst heeft gesloten, en de personen van buitenlandse nationaliteit op voorwaarde dat een recht op een rust- of overlevingspensioen krachtens een Belgische regeling werd geopend.

Het Grondwettelijk Hof werd reeds bevraagd over de bestaanbaarheid van die bepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 191 van de Grondwet, met artikel 14 van het E.V.R.M en met artikel 1 van het eerste aanvullend Protocol bij dit Verdrag.

Het Hof werd meer in het bijzonder ondervraagd over het verschil in behandeling dat door artikel 4 zou zijn ingevoerd tussen twee groepen van ouderen die wettig in België verblijven : enerzijds, de in het bevolkingsregister ingeschreven ouderen van vreemde nationaliteit die niet behoren tot één van de categorieën die in artikel 4 zijn opgesomd en, anderzijds, de personen die behoren tot een van de zes categorieën die in deze bepaling worden opgesomd.

Het Hof preciseerde daarbij, in functie van het aan hem voorgelegde geschil, deze prejudiciële vraag als volgt: (Grondwettelijk Hof, 10 juni 2010, nr. 2010/69)

B.6. Door te bepalen, in artikel 4, 6°, van de wet van 22 maart 2001, dat de ouderen van buitenlandse nationaliteit die niet behoren tot de categorieën die in artikel 4, 2° tot 5°, worden beoogd, de IGO slechts genieten indien ten aanzien van hen een recht op een rust- of overlevingspensioen krachtens een Belgische regeling werd geopend, heeft de wetgever het voordeel van de IGO willen voorbehouden voor de ouderen van buitenlandse nationaliteit die hetzij in België hebben gewerkt, hetzij de rechthebbenden zijn van personen die in België hebben gewerkt.

Daaruit volgt dat, voor de ouderen van buitenlandse nationaliteit die niet behoren tot de categorieën die in artikel 4, 2° tot 5°, worden beoogd, de toekenning van de IGO afhangt van een voorwaarde die verbonden is met het bestaan van een beroepsloopbaan in België, en die niet geldt voor de andere categorieën van gerechtigden vermeld in artikel 4 van de wet van 22 maart 2001.

B.7. Om te antwoorden op de prejudiciële vraag dient het Hof bijgevolg het verschil in behandeling te onderzoeken tussen, enerzijds, de Belgen en de vreemdelingen die worden beoogd in artikel 4, 1° tot 5°, die het voordeel van de IGO kunnen genieten enkel omdat zij tot één van de opgesomde categorieën behoren en, anderzijds, de personen van buitenlandse nationaliteit die niet behoren tot de categorieën die in artikel 4, 2° tot 5°, worden beoogd, en die het voordeel van de IGO slechts kunnen genieten op voorwaarde dat een recht op een rust- of overlevingspensioen krachtens een Belgische regeling werd geopend.

Het Hof beantwoordde deze vraag dan ontkennend op basis van onder meer volgende overwegingen:

B.10.1. Gelet op het niet-contributieve karakter van het stelsel van de IGO, vermocht de wetgever het voordeel ervan afhankelijk te stellen van het bestaan van een voldoende sterke band met België, en vermocht hij, wat het genot betreft van een sociale prestatie die uitsluitend met belastinggeld wordt gefinancierd, die band te gronden op het bestaan van een beroepsloopbaan die een deelname veronderstelt aan de financiering van de gevraagde prestatie.

B.10.2. Bovendien moet rekening worden gehouden met het feit dat de voorwaarde dat een recht op een rust- of overlevingspensioen krachtens het Belgische recht werd geopend, enkel geldt voor de residuaire categorie van de vreemdelingen die niet behoren tot de categorieën bedoeld in artikel 4, 2° tot 5°, van de wet van 22 maart 2001.

De in artikel 4, 6°, beoogde vreemdelingen bevinden zich echter, wat het voordeel van een niet-contributieve sociale prestatie betreft, in een situatie die verschillend is van die van de andere in artikel 4 vermelde categorieën van vreemdelingen.

.....

B. 10.5. Rekening houdend met, enerzijds, het niet-contributieve karakter van de inkomensgarantie voor ouderen en, anderzijds, de keuze van de wetgever om terzake een geleidelijke uitbreiding door te voeren van het aantal categorieën van IGO-gerechtigde vreemdelingen, zijn er zeer sterke overwegingen die een redelijke verantwoording bieden voor het feit dat van de vreemdelingen die tot geen enkele van de categorieën bedoeld in artikel 4, 2° tot 5°, behoren, een voldoende sterke band met België wordt vereist, hetgeen inhoudt dat ten aanzien van hen een recht op een rust- of overlevingspensioen krachtens de Belgische regeling werd geopend. Het staat niet aan het Hof die voorwaarde te vervangen door een criterium dat enkel zou zijn gegrond op het administratief statuut van de aanvrager van buitenlandse nationaliteit, te weten zijn inschrijving in het bevolkingsregister."

Uit deze overwegingen volgt dat het Grondwettelijk Hof in feite reeds een antwoord gegeven heeft op de vraagstelling van de heer K. en mevrouw L. in verband met het grondwettelijk karakter van het onderscheid dat volgt uit de beperking van het recht op een inkomensgarantie tot de categorieën opgesomd in artikel 4 van de wet van 22 maart 2001. Het Hof oordeelde dat de omstandigheid dat de vreemdelingen die niet tot één van de categorieën behoren, opgesomd in artikel 4,2° tot 5° van de wet van 21 maart 2001 slechts aanspraak kunnen maken op een inkomensgarantie in zoverre zij een voldoende nauwe band vertonen met België (die hieruit blijkt dat ten hunnen aanzien het recht op een rust- of overlevingspensioen krachtens de Belgische wetgeving werd geopend) geen schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel.

Er kan aldus geoordeeld worden dat de door de heer K. en mevrouw L. ingeroepen ongelijkheid niet bestaat, zonder dat een nieuwe vraag moet gesteld worden aan het Grondwettelijk Hof.

13.

In zoverre de heer K. en mevrouw L. ten slotte nog voorhouden dat een ongeoorloofde discriminatie zou voortvloeien uit de bepaling van artikel 40 ter van de wet van 15 december 1980, in zoverre het enkel van de Belgische onderdanen vereist dat zij, in het kader van een gezinshereniging, aantonen dat zij over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen beschikken en deze eis niet geldt voor de onderdanen van een ander land van de Unie, dient vastgesteld te worden dat deze discriminatie, zelfs indien ze zou bestaan, geen invloed heeft op de oplossing van het huidige geschil. Het is dan ook niet vereist, noch nuttig, dat het hof dienaangaande een prejudiciële vraag zou stellen aan het Grondwettelijk Hof.

15.

Het hof dient, in toepassing van artikel 767 van het Gerechtelijk Wetboek, het aanvullend stuk uit de debatten te weren dat door de heer K. en mevrouw L. nog gevoegd wordt aan hun repliekconclusies op het advies van het openbaar ministerie. Het hof dient verder deze conclusies zelf uit de debatten te weren in zoverre zij een nieuwe argumentatie inhoudt, te weten dat anderen in een gelijkaardige situatie wel het voordeel van de inkomensgarantie zouden bekomen hebben, die geen repliek inhoudt op het advies van het openbaar ministerie en die ook niet vroeger in de debatten werd ingebracht.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal, waarop repliek door de heer K. en mevrouw L.,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het bestreden vonnis en wijst de heer K. en mevrouw L. af van de vorderingen die zij ingesteld hebben voor de arbeidsrechtbank te Brussel in vernietiging van de administratieve beslissingen van de Rijksdienst der Pensioenen van 13 november 2009 waarbij hen het recht op een inkomensgarantie ontzegd wordt.

Veroordeelt in overeenstemming met artikel 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek de Rijksdienst voor Pensioenen tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot in hoofde van de heer K. en mevrouw L. op 160,36 euro .

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Jean BOULOGNE, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Bernadette MUSSCHE, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Bernadette MUSSCHE

Jean BOULOGNE Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 2 mei 2013 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Vrije woorden

  • SOCIALE VOORZORG

  • INKOMENSGARANTIE VOOR OUDEREN

  • Gewaarborgd inkomen voor bejaarden

  • Wet van 22/03/2001, art. 4, 5°

  • Euro-Mediterane overeenkomst van 26/02/1996, waarbij een associatie tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds en het Koninkrijk Marokko anderzijds werd tot stand gebracht, art. 65.