- Arrest van 14 mei 2013

14/05/2013 - 2012/AB/555

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Hef directiecomité is een collegiaal orgaan zodat de kennisname van de feiten die een ontslag om dringende reden kunnen verantwoorden moet worden beoordeeld in hoofde van dat orgaan, wat veronderstelt dat de leden ervan na op geldige wijze te zijn samen geroepen erover beslissen na gezamenlijke beraadslaging. Kennis van de feiten door elk van de afzonderlijke leden ervan zou derhalve niet volstaan als kennisname door het orgaan zelf indien ze niet overeenkomstig de geldende procedure in vergadering zijn bijeengekomen.

Om voldoende kennis van de feiten te verwerven kan het bevoegd orgaan ertoe beslissen het betrokken personeelslid eerst te horen.


Arrest - Integrale tekst

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 14 MEI 2013.

3DE KAMER

Bediendecontract

Op tegenspraak

Definitief

In de zaak:

DE AUTORITEIT VOOR FINANCIËLE DIENSTEN EN MARKTEN FSMA opvolger van de Commissie voor het Bank- Financie- en Assurantiewezen (CBFA), met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Congresstraat, 12-14.

Appellante, vertegenwoordigd door Mrs. 0. Rijckaert & J. HEBBELINCK, advocaten te Brussel.

Tegen:

V.

Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. N. NIEUWDORP loco Mr. M.-J. VAN HAELEWEYCK, advocaat te Asse.

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 3 februari 2012 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 10208/10),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 7 juni 2012,

- de conclusies voor de appellant, neergelegd ter griffie op 4 januari 2013,

- de conclusie voor de geïntimeerden, neergelegd ter griffie op 6 november 2012,

- de voorgelegde stukken.

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 16 april 2013 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen voor uitspraak op heden.

 

FEITEN EN RECHTSPLEGING

De heer V. is op 16-7-2002 als bediende bij de dienst "verzekeringstussenpersonen" in dienst getreden van de Controledienst voor Verzekeringen (CDV) rechtsvoorganger van de appellante.

De CDV werd op 1-4-2004 geïntegreerd in de CBFA, een openbare instelling, in 2004 ontstaan uit de fusie tussen de in 1935 opgerichte Commissie voor het Bank- en Financiewezen en de in 1975 opgerichte CDV.

Op dat ogenblik werd de heer V. personeelslid van de CBFA met een ambtenarenstatuut.

Op 1-7-2005 stapte de heer V. over naar een contractueel statuut volgens de geldende procedure voor de integratie van medewerkers van de CDV. In het kader daarvan werd een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten.

De CBFA (rechtsvoorganger van appellante) werd opgericht om te waken over de bescherming van de spaarders en de verzekerden, om het vertrouwen van het publiek in de financiële producten en diensten zo veel mogelijk veilig te stellen en om de goede werking van de markten voor financiële instrumenten te garanderen.

Ter garantie van die doelstellingen werden hem een brede waaier van opdrachten toevertrouwd, vastgesteld in art 45 e.v. van de wet van 2-8-2002 betreffende het toezicht op de financiële sector van de financiële diensten.

De CBFA had o.m. als opdracht:

- het toezicht op de kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen, de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, de beleggingsadviseurs en de wisselkantoren te verzekeren;

- het toezicht op de instellingen voor collectieve belegging te verzekeren;

- toe te zien op de naleving van de regels die de bescherming van de belangen van de belegger beogen bij verrichtingen in financiële instrumenten en toe te zien op de goede werking, de integriteit en de transparantie van de markten voor financiële instrumenten;

- bij te dragen tot de naleving van de regels bedoeld om de spaarders en de beleggers te beschermen tegen het onwettelijk aanbod of de illegale levering van financiële producten of diensten;

- het toezicht op de ondernemingen en de instellingen, alsook op de verrichtingen bedoeld in de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen en in de wet van 16 februari 2009 op het herverzekeringsbedrijf te verzekeren;

- het toezicht op de naleving van de bepalingen van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst te verzekeren;

- enz.

Gelet op die bijzondere wettelijke opdrachten golden voor de personeelsleden specifieke verplichtingen inzake integriteit, onafhankelijkheid, onpartijdigheid en discretie. Deze werden opgenomen in de "Deontologische Code", waarvan de naleving wordt voorgeschreven door art 62 van de wet van 2-8-2002.

Een nieuwe versie van de Code werd vastgesteld op 13-10-2004 door de Raad van Toezicht en aan de personeelsleden meegedeeld op 26-10-2004. Ook de heer V. ontving op die datum een exemplaar van de Code en hij ondertekende voor ontvangst ervan.

Bij de mededeling van de Code werden de algemene doelstellingen en het belang van de Code benadrukt in volgende bewoordingen:

"De code vertaalt de geldende wettelijke en reglementaire beginselen die een correct optreden van de betrokken personen moeten waarborgen in zowel professionele als privé zaken, wanneer dat optreden verband kan houden met of een impact kan hebben op de werking van de Commissie. Ook wil de Commissie de aan dat optreden verbonden risico's zoveel mogelijk beperken om aldus haar eigen reputatie en die van haar personeelsleden zoveel mogelijk te beschermen.

(...)

Tot slot wil ik benadrukken dat het van het allergrootste belang is dat u alle aspecten van de Deontologische code integraal en strikt naleeft. Niet alleen helpt u de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen op die manier om haar opdrachten correct en in alle sereniteit te blijven uitoefenen, maar draagt u ook bij tot een stabiele en moreel hoogstaande werkomgeving(...)"

In het Arbeidsreglement werd eveneens naar die Code verwezen en daarin werd het niet naleven ervan als een grond tot ontslag om dringende reden vermeld.

Bij wet van 2-7-2010 (dit is na het ontslag van de heer V.) werd het toezicht op de Belgische financiële sector hervormd en kreeg het CBFA de benaming van Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten. Er werd tevens een bevoegdheidsverdeling ingevoerd met de Nationale Bank van België.

Naar aanleiding van een klacht van misnoegde beleggers bij het VCIB, verzocht de gedelegeerd bestuurder van de Vlaamse Federatie van Beleggers aan de dienst Consumentenbescherming van appellante om de activiteiten van het VCIB te onderzoeken.

Appellante startte daarop een onderzoek om na te gaan of de activiteiten van het VCIB aangemerkt dienden te worden als diensten van vermogensbeheer of beleggingsadvies in de zin van de wet van 6-4-1995 in zake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen en of het VCIB over een vergunning als beleggingsonderneming moest beschikken.

Naar aanleiding van dit onderzoek werd op 20-7-2009 een interne nota opgesteld m.b.t. de activiteiten van het VCIB. Bij die gelegenheid zou zijn vastgesteld dat de heer V. sinds 7-2-2008 lid was van één van de VCIB beleggingsclubs, de VCIB groep F (Kuurne) en dat hij er zelfs schatbewaarder van was.

In art 8 van de Deontologische Code werd verbod opgelegd aan de personeelsleden om lid te worden van een beleggingsclub.

Op 23-7-2009 werden de feiten en de relevante dossierstukken overgemaakt aan mevrouw Rombouts, adjunct-directeur bij het secretariaat-generaal van appellante en op 20-7-2008 aan mevrouw Marcia De Wachter, hiërarchisch verantwoordelijke van de dienst Consumentenbescherming.

De heer Niesten, Secretaris-generaal werd op 23-7-2009 eveneens op de hoogte gebracht van de feiten.

Tijdens een onderhoud op diezelfde datum bevestigde de heer V. de feiten.

Aan de heer V. werd verzocht om onmiddellijk afstand te doen van zijn lidmaatschap en zijn hoedanigheid van schatbewaarder van de beleggingsclub VCIB groep F, en in overeenstemming met de tuchtprocedure voorzien in art 82 arbeidsreglement werd hij uitgenodigd om op 28-7-2009 te worden gehoord door het directiecomité betreffende volgende feiten :

"- op 7 februari 2008 bent u toegetreden tot de beleggingsclub VCIB groep F en werd u verkozen tot schatbewaarder van deze club (bijlage 1)

- in die hoedanigheid is u onverdeeld eigenaar geworden van de groepsportefeuille van de beleggings-club en heeft u volmacht om de handelingen te verrichten op de effectenportefeuille van de groep (bijlage 2 klantenovereenkomst beleggingsclubs Binck Bank NV)

- tijdens het onderhoud van 23 juli 2009 met A.Niesten, secretaris-generaal, in aanwezigheid van A.Rombouts, adjunct-directeur, heeft u deze feiten bevestigd."

(...)

Op 27 juli heeft de heer V. aan mevrouw Rombouts nog een aantal documenten overgemaakt waaruit bleek dat hij ontslag had genomen uit de beleggingsclub.

Hij maakte tevens een lijst over van effectenverrich-tingen verricht voor de groepsportefeuille van de beleggingsclub tussen 12-5-2008 en 23-7-2009 waaruit bleek dat de beleggingsclub in mei 2008 verrichtingen had uitgevoerd in aandelen van onder permanent toezicht van de CBFA staande ondernemingen: CMB en Tessenderlo.

Dit was uitdrukkelijk verboden door art 4 van de Deontologische Code.

Aan de heer V. werd meegedeeld dat ook dit feit besproken zou worden tijdens de vergadering van 28-7-2009.

Op 28-7-2009 werd de heer V. gehoord door het directiecomité en heeft hij de feiten bevestigd.

Het directiecomité besliste dat het ernstige inbreuken betrof die de voortzetting van de professionele relatie onmiddellijk en definitief onmogelijk maakten en verwierp de door de heer V. opgeworpen argumenten.

Bij brief van 29-7-2009 werd aan de heer V. meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst omwille van een dringende reden werd beëindigd.

Met een aangetekende brief van 30-7-2009 werden hem de dringende redenen voor het ontslag ter kennis gebracht.

Kort samengevat werden hem volgende inbreuken op de Deontologische Code verweten:

- inbreuk op de verbodsbepaling van art 8 a) om lid te worden van een beleggingsclub waar hij tot schat-bewaarder werd verkozen

- inbreuk op art 4 eerste lid doordat voor de groepsportefeuille van VCIB Beleggingsclub "groep F"verrichtingen werden gedaan in aandelen CMB en Tessenderlo, ondernemingen die onder permanent toezicht stonden van het CBFA.

Bij brief van 28-4-2010 heeft de raadsman van de heer V. het ontslag om dringende reden betwist en namens zijn cliënt aanspraak gemaakt op een beëindigingsvergoeding van 26.523,23 euro, gelijk aan 6 maanden loon.

De raadsman van appellante antwoordde bij een omstandig schrijven van 7-7-2009 dat de inbreuken ernstig waren en dat zijn cliënte niet zou ingaan op de aanspraken van de heer V..

Bij dagvaarding van 22-7-2010 spande de heer V. een geding aan voor de arbeidsrechtbank. Hij vorderde de veroordeling van de vennootschap tot betaling van een bedrag van 35.364,31 euro als "verbrekings-vergoeding" en de wettelijke en gerechtelijke intresten daarop.

Hij vorderde tevens afgifte van alle (verbeterde) sociale en fiscale documenten ad hoc, zoals individuele rekening, fiscale fiche 281.10 en het formulier C4 onder verbeurte van een dwangsom van 5 euro per dag vertraging en per document bij gebreke aan afgifte vanaf de betekening van het vonnis

Met het bestreden vonnis verklaarde de arbeidsrecht-bank de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond en veroordeelde zij appellante tot betaling aan de heer V. van een bedrag van 26.523,23 euro als opzeggingsvergoeding en de wettelijke intresten daarop vanaf 29-7-2009 overgaand in de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding, tot afgifte van de sociale documenten en tot de kosten van het geding.

VORDERINGEN IN HOGER BEROEP

De vennootschap kan zich niet neerleggen bij de uitspraak van de arbeidsrechtbank.

Zij vordert dat het hof deze zou teniet doen in de mate zij de vordering van de heer V. gedeeltelijk gegrond had verklaard en de vordering van de heer V. geheel ongegrond te verklaren, in ondergeschikte orde de opzeggingsvergoeding te laten overeenstemmen met een opzegtermijn van 6 maanden, hetzij een bedrag van 26.523,23 euro.

De heer V. verklaart in het bestreden vonnis te berusten. Hij vordert het hoger beroep van de vennootschap ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis bijgevolg te bevestigen met veroordeling van appellante tot de kosten.

BEOORDELING

I.ONTVANKELIJKHEID

Het hoger beroep is regelmatig naar vorm en werd ingesteld binnen de wettelijke termijn. Ook aan de andere ontvankelijkheidsvereisten is voldaan.

Het is derhalve ontvankelijk.

II TEN GRONDE

1.Naleving van de bij art 35 WAO bepaalde termijn voor het geven van ontslag

Hoewel de heer V. verklaart te berusten in het bestreden vonnis waarvan hij de bevestiging vordert, werpt hij een betwisting op betreffende de naleving van de bij art 35 WAO voorgeschreven termijn voor het geven van ontslag om dringende reden, zodat blijkt dat hij de redengeving van het vonnis niet onderschrijft.

Hij meent dat appellante in gebreke is gebleven aan te tonen zij de voorgeschreven termijn heeft nageleefd.

Hij wijst erop dat de resultaten van het in april 2009 gevoerde onderzoek reeds aan een lid van het directiecomité, mevrouw De Wachter werden overgemaakt op een niet nader bepaald tijdstip zodat het directie-comité reeds eerder kennis had gekregen van de feiten.

Hij merkt op dat van de zgn. klachten die aanleiding zouden hebben gegeven tot het onderzoek geen enkel bewijs wordt bijgebracht en acht niet aannemelijk dat dit alles zou gebeurd zijn buiten het medeweten van het directiecomité.

Hij meent dat alle leden van het directiecomité voor 23-7 kennis hadden van de resultaten van het onderzoek en wijst erop dat hij bovendien op 23-7 werd ontboden bij de secretaris-generaal en bij de adjunct directeur waarbij de resultaten van het onderzoek werden meege-deeld in de mate zij op hem betrekking hadden en dat uit de brief van 24-7 van appellant blijkt dat zij van oordeel was dat zij op dat ogenblijk zekerheid had over de feiten.

Appellante wijst erop dat de naleving van de termijn moet worden beoordeeld in hoofde van het directie-comité, het orgaan bevoegd tot het geven van ontslag zoals bepaald in art 49§1 van de wet van 8-4-2002 en dat dit orgaan over een voldoende kennis van de feiten moest beschikken, wat pas het geval was na het verhoor van de heer V..

Bovendien merkt zij op dat zij pas kennis kon krijgen van de tweede aan de heer V. verweten inbreuk op het ogenblik dat de heer V. de stukken had overhandigd in verband met verhandeling van aandelen van ondernemingen die onder haar permanente controle stonden, wat gebeurde op 27-7.

Het ontslag om dringende reden kan volgens art 35, 3de lid WAO niet meer zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn worden gegeven wanneer het feit ter rechtvaardiging van het ontslag zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept.

Minstens één van de feiten die als dringende reden worden ingeroepen moet de werkgever ter kennis zijn gekomen binnen het tijdsbestek van drie werkdagen die het ontslag vooraf gaan.

De partij die zich op een dringende reden beroept moet bewijzen dat zij die termijn heeft nageleefd.

De kennisname moet worden beoordeeld in hoofde van de persoon of het orgaan bevoegd om ontslag te geven.(Cass. 7-12-1998, RW 1999-2000, 848)

Onder kennisname van de feiten moet worden verstaan dat de partij voldoende zekerheid heeft gekregen over het bestaan van de feiten en de ernst ervan om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen, zowel voor zichzelf als ten aanzien van de wederpartij en van het gerecht.(Cass. 14-10-1996, JTT '96, 500; Cass. 6-9-1999, JTT 1999, 457; Cass. 8-11-1999, JTT 2000, 211, concl. adv.gen. Leclercq; Cass. 19-3-2001, JTT 2001, 249; Cass. 14-5-2001, JTT 2001, 390)

Er kan niet worden vereist dat een onderneming zo is georganiseerd dat zij reeds eerder van de feiten kennis had kunnen krijgen .(Cass. 13-5-1991, RW 1991-92, 406)

Het directiecomité werd door art 49§1 van de wet van 8-4-2002 aangeduid als orgaan bevoegd voor het ontslag van personeelsleden in volgende bewoordingen:

"Het directiecomité staat in voor het beheer en het bestuur van de (CBFA) en bepaalt de oriëntatie van haar beleid. Het benoemt en ontslaat de personeelsleden ..."

Die bevoegdheid van het directiecomité wordt herhaald in art 79 van het arbeidsreglement.

De samenstelling en werking van het directiecomité is geregeld in art 49 van hoger vermelde wet.

Art 49§7 bepaalt dat het directiecomité bijeen komt telkens wanneer de voorzitter van het directiecomité of twee van zijn leden het noodzakelijk achten en ten minste twaalfmaal per kwartaal.

Het directiecomité kan slechts geldig beslissen indien de meerderheid van zijn leden aanwezig is. De beslis-singen worden genomen met meerderheid van de uit-gebrachte stemmen. In geval van staking van stemmen is de stem van de voorzitter van het directiecomité doorslaggevend.

Appellante wijst er terecht op dat de kennisname van de feiten door het directiecomité inhoudt dat het directiecomité samen komt en beraadslaagt overeenkomstig de in de wet voorziene procedure, wat het geval was tijdens de vergadering van 28 juli.

Het directiecomité, bestaande uit: de heer JP Servais, (Voorzitter) de heer M.Flamée (ondervoorzitter), de heren H.Becquart, R.Bonte en P.Praet en de dames M.De Wachter, F.Masai en P.Praet, was die dag samengekomen in aanwezigheid van de heren JP Servais, en M.Flamé en de dames M. De Wachter en F.Masai.

Het directiecomité is een collegiaal orgaan zodat de kennisname moet worden beoordeeld in hoofde van dat orgaan, wat veronderstelt dat de leden ervan na op geldig wijze te zijn samen geroepen erover beslissen na gezamenlijke beraadslaging.

Kennis van de feiten door elk van de afzonderlijke leden ervan zou derhalve niet volstaan als kennisname door het orgaan zelf indien ze niet overeenkomstig de geldende procedure in vergadering zijn bijeengekomen.

Om voldoende kennis van de feiten te verwerven kan het bevoegd orgaan ertoe beslissen het betrokken personeels-lid eerst te horen. (Cass. 14-10-1996, JTT '96, 500)

De heer V. is op 28-7 gehoord, bijgestaan door zijn raadsman en door twee personeelsafgevaardigden. De door hem aangevoerde rechtvaardigingsgronden werden nauwgezet onderzocht waarna de beslissing werd getroffen, zodat kan worden aangenomen dat het verhoor van de heer V. voor het directiecomité inderdaad noodzakelijk was om zekerheid te bekomen aangaande de ernst van de feiten.

Aangezien één van de aan de heer V. verweten feiten bovendien pas aan het licht is gekomen door de op 27-7 door de heer V. voorgelegde documenten, deelt het hof de zienswijze van de arbeidsrechtbank dat het ontslag binnen de bij art 35 WAO bepaalde termijn werd gegeven op 29-7-2009. Er werd tijdig aan de heer V. kennis gegeven van de dringende reden met een aangetekende brief die daags daarna werd verstuurd.

2. De gegrondheid van het ontslag om dringende reden.

Art 35 WAO omschrijft de dringende reden als de ernstige tekortkoming die de voortzetting van de professionele samenwerking tussen werkgever en werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.

De bewijslast berust bij de partij die zich op de dringende reden beroept, zowel wat het bestaan van de tekortkoming als wat de ernstige aard ervan betreft.

Appellante is van oordeel dat de arbeidsrechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de ingeroepen feiten niet voldoende ernstig zijn om een ontslag om dringende reden te rechtvaardigen.

Zij meent dat de rechtbank in haar beoordeling geen rekening heeft gehouden met haar wettelijke taak en het belang van de Deontologische Code, dat zij daarenboven een verkeerde inschatting heeft gemaakt van de inbreuken op de bepalingen van de Code en het principe van de proportionaliteit verkeerd heeft toe-gepast door de evaluatieverslagen van de heer V. en zijn jonge leeftijd in haar oordeel te betrekken.

De aan de heer V. verweten feiten maken inbreuken uit op art 4 eerste lid en 8 a) van de Deontologische Code.

Art 8 a) van de Code luidt:

"De in artikel 3 bedoelde personen en de personeelsleden van de CBFA

a) mogen geen lid zijn van een beleggingsclub."

De heer V. betwist niet dat de Deontologische Code hem werd meegedeeld. Hij heeft trouwens voor ontvangst ondertekend.

Evenmin betwist hij lid te zijn geworden van een beleggingsclub VCIB Groep F op 7-2-2008, dit is geruime tijd nadat de Deontologische Code in werking is getreden. (dit was op 1-11-2004)

Tot 23 juli 2009 had hij een aandeel in de groepsportefeuille van de beleggingsclub.

Hij had bovendien de hoedanigheid van schatbewaarder van de club.

Appellante wijst erop dat het doel van de beleggings-club zoals die uit de statuten blijkt erin bestaat "de leden toe te laten hun kennis en ervaring in zake beleggen uit te diepen" zodat het inherent is aan de activiteiten van de beleggingsclub om informatie uit te wisselen, terwijl de Deontologische Code precies dergelijke informatie uitwisselingen wil verbieden aan haar personeel om iedere schijn van een belangenconflict te vermijden.

Dat de heer V. schatbewaarder was van de Club hield in dat hij actief deel nam aan het beheer ervan en aan de beslissingen i.v.m. de beleggingsportefeuille van de club.

Dit blijkt uit art 7 van de statuten van die Club dat bepaalt:

"Beheer. Bij gewone meerderheid kiezen de leden in de schoot van de club:

...

Een schatbewaarder staat in voor de boekhouding van de bijdragen en van de verrichtingen, voor de berekening van de inventariswaarde en voor alles wat tot de financiële verrichtingen behoort. Deze drie leden vormen de raad. Zij worden gekozen voor 2 jaar en zijn wel herkiesbaar. In bijlage vindt u de samenstelling van de raad. De raad kan uitzonderlijk en bij hoogdringendheid beslissingen treffen in verband met de portefeuille van de club (bvb. aan-of verkoop). De beslissingen moeten door de drie betrokkenen eenparig worden genomen...."

Appellante wijst er nog op dat art 10 van de Code bepaalt dat personeelsleden die twijfelen over de manier waarop zij de Code precies moeten interpreteren de secretaris-generaal vooraf dienen te raadplegen doch dat de heer V. dit niet heeft gedaan, wat hij niet betwist.

Art 4 van de Deontologische Code luidt:

"Specifieke bepalingen met betrekking tot de financiële verrichtingen van de personeelsleden

De personeelsleden mogen noch rechtstreeks of onrecht-streeks, noch voor eigen rekening of voor rekening van derden, financiële verrichtingen uitvoeren in aandelen die zijn uitgegeven door de ondernemingen die onder het permanent toezicht van de CBFA staan. (Dit verbod geldt ook voor de effecten die recht geven op de verwerving van dergelijke aandelen voor alle afgeleide instrumenten die een van deze aandelen als voornaamste of enige onderliggende waarde hebben, alsook voor het sluiten van levensverzekeringensovereenkomsten gekoppeld aan een beleggingsfonds dat voornamelijk of uitsluitend bestaat uit een van deze aandelen."

In de loop va de maand mei 2008 heeft de beleggings-club waar de heer V. lid van was verrichtingen uitgevoerd in aandelen CMB en Tessenderlo. Beide ondernemingen staan onder permanent toezicht van appellante.

Voor zijn verdediging werpt de heer V. tegen dat hij niet op de hoogte was van die verrichtingen.

Appellante repliceert

- dat de lijst van de genoteerde ondernemingen vrij consulteerbaar is op haar website

- dat de heer V., gelet op zijn lidmaatschap van de beleggingsclub, zijn hoedanigheid van schatbewaarder en het feit dat hij volmacht had verkregen handelingen te verrichten op de effectenportefeuille van de groep, rechtstreeks betrokken was en begunstigde van die verrichtingen.

- dat hij bovendien als schatbewaarder instond voor de boekhouding van de bijdragen en van de verrichtingen, voor de berekening van de inventariswaarde en voor alles wat tot de financiële verrichtingen behoort, zoals bepaald in de statuten van de beleggingsclub.

Zij besluit daaruit dat de heer V. wel degelijk verrichtingen heeft uitgevoerd in aandelen uitgegeven door de aangehaalde ondernemingen.

De transacties van de beleggingsclub waarvan de heer V. deel uitmaakt m.b.t. de vermelde ondernemingen staan vast en vormen inderdaad een inbreuk op de Deontologische Code.

Het is mogelijk dat de heer V. zich daar toen niet van bewust is geweest. Mocht dat het geval zijn, kan hem minstens schuldige nalatigheid worden verweten door niet te hebben nagegaan welke verrichtingen van de club, waaraan hij als lid deelnam, in aanvaring konden komen met art 4 van de Deontologische Code.

Beoordeling van de ernst van de tekortkoming.

De arbeidsrechtbank heeft in haar beoordeling rekening gehouden met volgende aspecten:

- dat er bij de heer V. geen sprake was van kwade trouw, misbruik van functie, misbruik van voorkennis en dat er zich evenmin effectief een belangenconflict had voorgedaan. De tekortkoming werd slechts per toeval vastgesteld.

- dat hij bereidwillig zijn medewerking heeft verleend

° door onmiddellijk het bewijs over te maken dat hij reeds per e-mail van 10-2-2009 zijn lidmaatschap had opgezegd met verzoek tot terugstorting van zijn participatieportefeuille

° dat hij zich nogmaals bereid toonde zijn ontslag als lid en schatbewaarder per aangetekend schrijven op te zeggen

° onmiddellijk alle transacties van de club heeft opgezocht en overgemaakt aan de secretaris-generaal

- dat niet was aangetoond dat hij rechtstreeks had deelgenomen aan de verrichtingen m.b.t de aandelen CMB en Tessenderlo

- dat zijn evaluaties zeer positief waren

- dat hij nog jong was (29 jaar)

Appellante meent dat de arbeidsrechtbank voorbij is gegaan aan de doelstellingen van de Code die o.m. het vermijden van elke schijn van belangenvermenging beoogt.

Zij benadrukt:

- dat die doelstellingen verband houden met haar wettelijke taak.

- dat zij een autonome openbare instelling is, belast met het toezicht op de meeste financiële instellingen (waaronder kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en beheersvennootschappen van instellingen voor collectieve belegging) en de financiële diensten die aan het publiek worden aangeboden en haar taken bij wet van 2-8-2002 zijn vastgelegd.

- dat die opdrachten beogen bij te dragen tot de integriteit van de financiële sector en tot het vertrouwen van de gebruikers van het financieel systeem.

- dat zij gelet op haar wettelijke opdracht als toezichthoudende overheid haar taken volkomen onafhankelijk en op objectieve wijze dient uit te oefenen waarbij het noodzakelijk is dat iedere schijn van belangenvermenging wordt vermeden, wat bijgevolg geldt voor haar personeelsleden.

- dat de Deontologische Code om die reden werd opgesteld, zoals door de wet trouwens opgelegd en dat zij over de naleving ervan dient te waken.

De doelstelling van de Code werd uiteengezet in art 1 ervan:

"(...)de personeelsleden van de Commissie voor het Bank-Financie- en Assurantiewezen( CBFA) dienen loyaal te zijn aan de CBFA, moeten integer, onafhankelijk, onpartijdig en discreet zijn, mogen niet handelen uit eigenbelang, dienen strikte normen na te leven inzake beroepsethiek en moeten alle situaties vermijden die aanleiding zouden kunnen geven tot of de indruk zouden kunnen wekken van belangenconflicten.

Appellante merkt op dat bij de mededeling van de Code aan de personeelsleden uitdrukkelijk werd benadrukt dat het van het allergrootste belang was dat zij alle aspecten van de Deontologische Code integraal en strikt zouden naleven.

De Deontologische Code geldt voor alle personeels-leden, tot welke dienst zij ook behoren. Dat de heer V. tewerkgesteld werd in de afdeling verzekeringen stelt hem bijgevolg niet vrij van naleving van de Code.

Dit hangt logisch samen met de door de Code beoogde doelstelling die er niet enkel in bestaat belangenvermenging te vermijden maar ook elke schijn van belangenvermenging naar het publiek toe te vermijden zoals benadrukt in art.1 (zie hoger)

Art 8 is een duidelijke bepaling en maakt geen onderscheid naargelang de functie die de werknemer uitoefent.

Mocht er bij de heer V. twijfel over hebben bestaan of die bepaling voor hem gold, dan diende hij dit vooraf voor te leggen aan de secretaris-generaal zoals voorzien in art 10 van de Code.

Er kan dus moeilijk worden gesteld dat de heer V. te goeder trouw zou zijn geweest bij de overtreding ervan.

Dat de heer V. niet over gevoelige informatie zou beschikken is overigens helemaal niet zeker. Het is niet omdat hij niet werkte in een dienst waar gevoelige informatie wordt behandeld dat hij niet op een andere manier over die gevoelige informatie kon beschikken, gelet op zijn tewerkstelling bij het CBFA

Overigens kon het feit dat de heer V. als perso-neelslid van de CBFA deelnam aan een beleggingsclub, ongeacht zijn precieze functie, reeds voldoende zijn om bij het publiek de indruk te wekken van belangen-vermenging. Derden zouden ervan kunnen uitgaan dat hij als personeelslid van het CBFA over nuttige informatie beschikte en zouden geneigd kunnen zijn om aan zijn standpunten meer gewicht te hechten, zoals appellante terecht opmerkt. Zij zouden belangenvermenging kunnen vermoeden en zich vragen kunnen stellen over de onafhankelijkheid van appellante.

Terecht stelt appellante dat zelfs indien de heer V. zich niet schuldig heeft gemaakt aan misbruik van voorkennis, hij alleszins een risico op belangenvermenging heeft gecreëerd of de indruk van een belangenconflict heeft gewekt door lid te worden van de beleggingsclub en door de transacties binnen die beleggingsclub van aandelen van ondernemingen onder toezicht van appellante.

Of hij hierdoor daadwerkelijk schade heeft toegebracht aan appellante acht het hof niet relevant en bovendien is een schending van het vertrouwen bij het publiek moeilijk te meten.

Dat de feiten per toeval werden ontdekt is zonder enig belang voor de beoordeling van de tekortkoming.

Dat de feiten reeds achterhaald waren acht appellante niet aangetoond.

In ieder geval blijkt dat de heer V. op 10.2.2009 een mailbericht stuurde waarin hij zijn lidmaatschap van de club opzegde en verzocht om zijn participatie in de groepsportefeuille terug te storten. Kennelijk gebeurde dit op het ogenblik dat een onderzoek was opgestart naar aanleiding van een klacht, wat erop zou kunnen wijzen dat de heer V. zich wel degelijk bewust was dat hij een inbreuk had gepleegd.

Zelfs indien het lidmaatschap niet meer zou hebben bestaan op het ogenblik van het ontslag kan dit nog steeds aanleiding geven tot een ontslag om dringende reden voor zover de werkgever er niet eerder kennis van had.

In het bericht waarmee de heer V. zijn lidmaatschap zou hebben opgezegd, blijkt dat dit gebeurde omwille van praktische redenen en niet om het risico op belangenconflict ongedaan te maken. Hij sprak immers de intentie uit zich in de toekomst misschien opnieuw aan te sluiten:"indien ik in de toekomst terug meer vrije tijd zou hebben, zal ik mij misschien aansluiten bij de VCIB-groep in Gent."

De medewerking die hij verleende dateert van na de vaststelling van de feiten door appellante.

Het hof deelt de zienswijze van appellante dat de inbreuken van de heer V. op duidelijke bepalingen van de Deontologische gedragscode gelet op de wettelijke opdracht van appellante een ernstige tekortkoming is.

De Code vermeldt dat de niet-naleving van de verbods-bepalingen als een fout kan worden beschouwd die aanleiding kan geven tot sancties en dat die sancties, met in achtneming van het proportionaliteitsbeginsel kunnen gaan tot de verbreking van de arbeidsovereen-komst zonder opzeg noch vergoeding.

De Code verbindt er bijgevolg niet noodzakelijk een ontslag om dringende reden aan.

Art 88 van het Arbeidsreglement vermeldt wel uitdrukkelijk dat het niet naleven van de verbodsbepalingen van de code als een dringende reden tot ontslag wordt beschouwd die de verbreking van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Daarmee werd nogmaals het belang dat appellante hechtte aan de naleving van de code benadrukt.

De heer V. meent dat appellante geen oog heeft voor de proportionaliteit die moet bestaan tussen de tekortkoming en de sanctie, zoals trouwens in de Code zelf voorzien en die door de arbeidsrechtbank terecht in aanmerking werd genomen.

Het hof is van oordeel dat wanneer een tekortkoming wordt vastgesteld die dermate ernstig is dat zij de voortzetting van de professionele arbeidsrelatie onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt, geen rekening meer hoeft gehouden te worden met de positieve beoordeling van de prestaties van de werknemer in het verleden.

Indien het lidmaatschap van de heer V. eerder bekend was geweest valt trouwens te betwijfelen of hij op een positieve evaluatie had kunnen rekenen.

Het hof is van oordeel dat in voorliggend geval het ontslag om dringende reden gerechtvaardigd was.

Het hof houdt daarbij rekening met volgende omstandigheden:

Er werden twee inbreuken gepleegd op de verbodsbepalingen van de Deontologische Code.

Dat het lidmaatschap van de beleggingsclub inging tegen art 8 van de Deontologische Code moet de heer V. zeker hebben geweten.

Wat de inbreuk op art 4 betreft, moet besloten worden dat zelfs indien de heer V. deze niet bewust zou hebben gepleegd, hij minstens een grove nalatigheid heeft begaan door er niet op toe te zien of de transacties geen inbreuk vormden op art 4.

Bovendien is de heer V. niet enkel lid geworden van de beleggingsclub VCIB, hij heeft de functie van schatbewaarder aanvaard die krachtens de statuten van die club beslissingsbevoegdheid inhield, wat de tekortkoming ernstiger maakt.

Ten slotte schijnt de heer V. niet te beseffen welke weerslag die tekortkomingen kunnen hebben op de geloofwaardigheid van appellante aangezien hij bij de opzegging van zijn lidmaatschap overwoog om eventueel later lid te worden om opnieuw lid te worden bij een andere afdeling.

Deze feiten zijn van aard het vertrouwen van de werkgever volledig te niet te doen en maken de verdere samenwerking tussen partijen onmiddellijk en definitief onmogelijk.

Het ontslag om dringende reden is bijgevolg gegrond.

Het hoger beroep komt derhalve gegrond voor.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis.

Verklaart de oorspronkelijke vordering van de heer

V. ontvankelijk doch ongegrond.

Legt de kosten van beide aanleggen ten laste van de heer V..

Deze werden door de partijen begroot op :

- voor appellante partij :

2.200 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg

2.200 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof.

- voor geïntimeerde partij :

110,22 EUR dagvaardingskosten.

2.200 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg

2.200 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof.

Het hof vereffent ze op:

- aan de zijde van appellante partij :

2.200 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg

2.200 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof.

- aan de zijde van de geïntimeerde partij :

110,22 EUR dagvaardingskosten.

2.200 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg

2.200 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof.

Aldus gewezen door de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

Mevr. G. BALIS: Kamervoorzitter,

J. LINDEMANS: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever,

S. MARCHAND : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende,

En bijgestaan door :

D. DE RAEDT : Griffier,

J. LINDEMANS S. MARCHAND

D. DE RAEDT G. BALIS

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 14 mei 2013 door mevrouw G. BALIS, Kamervoorzitter, en bijgestaan door D. DE RAEDT, Griffier,

D. DE RAEDT G. BALIS

Vrije woorden

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN -Ontslag

  • Dringende reden

  • Kennisname van de feiten

  • Beraadslaging van het directiecomité

  • Kennis van de feiten door elk van de leden.