- Arrest van 21 mei 2013

21/05/2013 - 2012/AB/492

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Op het op grond van artikel 14 van het feestdagenbesluit van 18 april 1974 verschuldigde feestdagenloon voor feestdagen die vallen binnen de maand na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, is vakantiegeld verschuldigd op grond van artikel 46 van het uitvoeringsbesluit jaarlijkse vakantie van 30 maart 1967, onder de opschortende voorwaarde dat de werknemer binnen

de 30 dagen na de beëindiging van de overeenkomst niet in dienst is getreden van een andere werkgever, zoals het geval is voor het feestdagenloon zelf.


Arrest - Integrale tekst

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 21 MEI 2013.

3DE KAMER

Bediendecontract

Op tegenspraak

Definitief

In de zaak:

VZW PAG-ASA, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1000 BRUSSEL, Cellebroersstraat 16B.

Appellante op hoofdberoep en geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr. E. SWYSEN, advocaat te Brussel.

Tegen:

P. ,

Geïntimeerde op hoofdberoep en appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mevr. E. VANDEVELDE, syndicaal afgevaardigde en volmachtdraagster te Brussel.

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de 24ste Kamer van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 8 maart 2012;

- het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 21 mei 2012;

- de conclusies voor de appellant, neergelegd ter griffie op 18 januari 2013,

- de conclusies en syntheseconclusies voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 19 november 2012 en 18 maart 2013,

- de voorgelegde stukken.

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 23 april 2013 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen voor uitspraak op heden.

 

FEITEN EN RECHTSPLEGING

De vzw PAGASA, opgericht op 4 juli 1994, biedt ondersteuning aan slachtoffers van mensenhandel. Zij vangt deze op in een opvangtehuis of zorgt voor ambulante begeleiding. Zij is eveneens actief in de strijd tegen mensenhandel o.m. door sensibilisatie.

Mevrouw P. is er op 18-2-2001 in dienst getreden als psychosociaal begeleidster van slachtoffers van mensenhandel.

Vanaf 15-6-2009 werkte zij deeltijds, 30,4 u per week in het raam van het deeltijds ouderschapsverlof.

Op 7-5-2009 kreeg mevrouw P. een schriftelijke verwittiging omdat zij had nagelaten bij de opvang van een slachtoffer van mensenhandel een individuele begeleidingsovereenkomst te laten ondertekenen door die persoon, wat door de vereniging als een ernstige tekortkoming werd beschouwd.

Mevrouw P. werd erop gewezen dat na een tweede schriftelijke verwittiging kon worden overgegaan tot ontslag.

Toen mevrouw P. op 26-10-2009 het werk hervatte na een arbeidsongeschiktheid van vier weken kreeg zij opnieuw een schriftelijke verwittiging omdat zij geen aangifte had gedaan bij het bevoegd OCMW bij opname van een slachtoffer van mensenhandel in het opvangtehuis, in strijd met de binnen de organisatie geldende regels. Ook deze tekortkoming werd door de vereniging als ernstig beschouwd.

Mevrouw P. werd er terzelfdertijd van op de hoogte gebracht dat de directie aan de raad van bestuur vroeg de ontslagprocedure op te starten.

Diezelfde dag deelde de vereniging met een brief van 26-10-2009 aan mevrouw P., beslissing van de raad van bestuur mee dat een einde werd gesteld aan de arbeidsovereenkomst met betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 6 maanden loon.

Mevrouw P. was het niet eens met de in aanmerking genomen opzegtermijn en met de berekening van de opzeggingsvergoeding.

Met dagvaarding van 4-10-2010 spande zij een geding aan voor de arbeidsrechtbank. Zij vorderde de veroordeling van de vzw tot betaling van volgende bedragen:

- 8.546,44 euro als aanvullende opzeggingsvergoeding gelijk aan 3 maanden loon

- 3.418,58 euro als saldo opzeggingsvergoeding

- 215,84 euro als feestdagenloon

- 33,11 euro als vakantiegeld op feestdagenloon,

In ondergeschikte orde:

- 6.837,15 euro als aanvullende opzeggingsvergoeding

- 215,84 euro als feestdagenloon

- 33,11 euro als vakantiegeld op feestdagenloon,

de wettelijke en gerechtelijke intresten op die bedra-gen vanaf hun eisbaarheid en de kosten van het geding.

Zij vordert tevens de veroordeling van de vzw tot afgifte van de sociale en fiscale documenten: C4, loonfiche en fiscale fiche 281.10 m.b.t. die vorde-ring, onder verbeurte van een dwangsom van 25 euro per dag en per ontbrekend document bij niet afgifte binnen de maand na de betekening van de beslissing.

Met het bestreden vonnis verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk en in volgende mate gedeeltelijk gegrond:

Zij veroordeelde de vzw tot betaling van volgende bedragen:

- 5.697,62 euro als aanvullende opzeggingsvergoeding gelijk aan twee maanden loon.

- 3.418,58 euro als saldo opzeggingsvergoeding

- 215,84 euro als feestdagenloon

de wettelijke intresten vanaf de eisbaarheid en de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding op voormelde bruto bedragen

Zij veroordeelde haar tevens tot de afgifte van volgende sociale en fiscale documenten: C4, loonfiches en fiscale fiche 281.10 in overeenstemming met de vordering onder verbeurte van een dwangsom van 25euro per dag en per ontbrekend document bij gebreke aan afgifte ervan binnen de maand na de betekening van het vonnis, met een maximum van 1000 euro.

VORDERINGEN IN HOGER BEROEP

DE vzw is het niet eens met de uitspraak van de arbeidsrechtbank.

Zij vordert dat het hof het bestreden vonnis zou hervormen in de mate zij werd veroordeeld tot betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding gelijk aan twee maanden loon en in de mate een dwangsom van 25 euro per dag en per ontbrekend document werd opgelegd m.b.t. de afgifte van de fiscale en sociale documenten.

Zij vordert dat het hof de vordering van mevrouw P. op die punten zou afwijzen.

Mevrouw P. stelde op haar beurt incidenteel hoger beroep in.

Zij is het niet eens met de afwijzing van de vordering tot betaling van vakantiegeld op het feestdagenloon.

BEOORDELING

I.ONTVANKELIJKHEID

Nu geen betekeningsakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het hoger beroep is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheids-vereisten is voldaan. Het is derhalve ontvankelijk. Dit geldt eveneens voor het incidenteel beroep.

II TEN GRONDE

1. De opzeggingsvergoeding

Er bestaat geen betwisting meer betreffende het bedrag van het loon waarop de opzeggingsvergoeding moet worden berekend. De vzw berust wat dat betreft in de uitspraak van de arbeidsrechtbank.

Zij meent dat de arbeidsrechtbank echter ten onrechte een aanvullende opzeggingsvergoeding heeft toegekend.

Zij beweert dat er een akkoord bestond tussen partijen betreffende de toekenning van een opzeggingsvergoeding gelijk aan zes maanden loon.

Zij verduidelijkt hierbij dat in principe binnen de vzw een ontslagen werknemer zijn opzegtermijn moet presteren aangezien zij niet over voldoende middelen beschikt om opzegvergoedingen uit te betalen.

Op verzoek van mevrouw P. de opzegtermijn niet te moeten presteren, gelet op haar benarde familiale situatie, zou er dan een akkoord zijn geweest over de toekenning van een opzeggingsvergoeding beperkt tot zes maanden.

Het hof stelt vast dat geen bewijs wordt voorgelegd van een akkoord tussen partijen.

Er wordt enkel een eenzijdig door de voorzitter van de raad van bestuur ondertekende ontslagbrief voorgelegd waarin een opzeggingsvergoeding gelijk aan 6 maanden wordt toegekend die niet door mevrouw P. voor akkoord werd ondertekend.

De vzw verwijst naar een verklaring van 15-12-2011 van mevrouw Heidi Depauw, directeur van de vzw op het ogenblik dat mevrouw P. er tewerk gesteld was.

Die persoon verklaart dat zij uitzonderlijk is ingegaan op het verzoek van mevrouw P. om haar 6 maanden vooropzeg niet te moeten presteren en dat mevrouw P. blijk gaf van tevredenheid daarover.

Daaruit kan niet worden afgeleid dat er een akkoord bestond over een opzegtermijn van 6 maanden, doch wel dat die opzegtermijn eenzijdig was bepaald werd op 6 maanden vooraleer mevrouw P. haar verzoek deed om die niet te hoeven presteren.

Evenmin kan eruit worden afgeleid dat de uitbetaling van de daarmee overeenstemmende vergoeding werd gekoppeld aan de voorwaarde dat mevrouw P. akkoord zou gaan over de opzegtermijn van 6 maanden.

De passende opzegtermijn moet bijgevolg worden bepaald overeenkomstig art 82§ 3 van de wet van 3-7-1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (WAO).

Voor bedienden met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wier jaarloon het in die bepaling bepaalde grensbedrag te boven gaat, wordt de opzegtermijn bepaald door de rechter, bij gebreke aan een overeenkomst daarover tussen partijen.

Volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie neemt deze daarbij de voor de bediende op het ogenblik van de opzegging of van het ontslag bestaande kans in acht om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden. De anciënniteit, leeftijd, de functie en het jaarloon worden daarvoor relevante criteria geacht.

(Cass. 17 september 1975, TSR 1976, 14; Cass. 8 september 1980, Arr. Cass. 1980-1981, 17; Cass. 3 februari 1986, JTT 1987, 58; Cass. 4 februari 1991, RW 1990-1991, 1407; Cass. 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994, 253).

Voor bedienden die werken in een regeling met deeltijdse prestaties wordt voor de vaststelling van de opzegtermijn rekening gehouden met het fictief voltijds loon dat zij zouden genieten bij voltijdse prestaties.

De vzw voert nog aan dat gelet op de door mevrouw P. begane tekortkomingen de in aanmerking genomen termijn van 6 maanden in ieder geval volstaat.

Het Hof van Cassatie heeft er reeds verschillende malen op gewezen dat enkel die elementen die van invloed zijn op de kans om een nieuwe passende betrekking te vinden in aanmerking mogen worden genomen. (Cass. 6-11-1989, JTT '89, 482; Cass. 3-2-2003, JTT 2003, 262)

Tekortkomingen die daar geen invloed op hebben kunnen bijgevolg niet in aanmerking worden genomen.(Cass. 23-2-1987, JTT "87, 265)

Evenmin kan rekening worden gehouden met het door de vzw aangevoerde argument dat mevrouw P. reeds in maart 2010 een nieuwe betrekking had gevonden.

De passende opzegtermijn wordt immers op forfaitaire wijze bepaald op het ogenblik van het ontslag, op basis van de theoretische kans om een passende betrekking te vinden. Er kan geen rekening gehouden worden met factoren die zich na het ontslag hebben voorgedaan, zoals het vinden van een andere betrekking.

Rekening houdend met de anciënniteit van mevrouw P. (7jaar en 8 maanden), haar leeftijd (36jaar en 9 maanden), haar functie en haar jaarloon van 34.185,75 euro, is het hof van oordeel dat de arbeidsrechtbank de passende opzegtermijn correct heeft bepaald op 8 maanden, zodat de door de arbeidsrechtbank toegekende aanvullende opzeggingsvergoeding verschuldigd is.

2. Vakantiegeld op feestdagenloon

Mevrouw P. meent dat de arbeidsrechtbank ten on-rechte heeft geoordeeld dat op het loon voor feestdagen die vallen binnen de maand na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen vakantiegeld verschuldigd is.

Het hof treedt de stelling van mevrouw P. hierin bij.

Het op grond van art 14 van het feestdagenbesluit van 18-4-1974 verschuldigde feestdagenloon kan beschouwd worden als uitgesteld loon dat zijn oorzaak vindt in de arbeidsovereenkomst die tussen partijen heeft bestaan en waarvan de betaling wordt opgelegd door de wet.

Het is bijgevolg een voordeel verworven krachtens de arbeidsovereenkomst die tussen partijen heeft bestaan.

In arresten van 4-2-2002 en 26-9-2005 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat het algemeen arbeidsrechtelijk loonbegrip in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het vakantiegeld voor bedienden. Dit is het loon dat door de werkgever wordt betaald als tegenprestatie voor de arbeid die de werknemer levert in uitvoering van de arbeidsovereenkomst. (RW 2001-2002, 1356; Soc.Kron, 2006,70)

In het arrest van 26-9-2005 heeft het Hof van Cassatie verduidelijkt dat dit echter slechts het geval is voor zover dit loon aan sociale zekerheidsbijdragen is onderworpen.

Het hof besluit :

- dat het feestdagenloon verschuldigd voor feestdagen die vallen binnen de 30 dagen na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een voordeel is op de toekenning waarvan de werknemer lastens zijn gewezen werkgever aanspraak maakt krachtens de wet

- dat het een uitgesteld voordeel betreft dat de arbeidsovereenkomst die tussen werkgever en werknemer heeft bestaan als oorzaak heeft

- dat dit feestdagenloon deel uitmaakt van de wedde verdiend tijdens het vakantiedienstjaar en onderworpen is aan sociale zekerheidsbijdragen

- dat er bijgevolg vakantiegeld op verschuldigd is op grond van art 46 van het uitvoeringsbesluit jaarlijkse vakantie (KB 30-3-1967), onder de opschortende voorwaarde dat de werknemer binnen de 30 dagen na de beëindiging van de overeenkomst niet in dienst is getreden van een andere werkgever, zoals het geval is voor het feestdagenloon zelf.

Dwangsom

Het hof meent dat er geen reden toe is aan de afgifte van de sociale documenten een dwangsom te koppelen.

Er blijkt niet dat de vzw in het verleden in gebreke is gebleven tijdig de passende documenten af te leveren.

 

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het principaal en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk, het principaal hoger beroep slechts gegrond in de mate het beoogt de veroordeling tot betaling van een dwangsom te horen opheffen, het incidenteel hoger beroep gegrond,

Hervormt het bestreden vonnis in volgende mate,

Veroordeelt de VZW PAGASA tot betaling van een bedrag van 33,11 euro als vakantiegeld op feestdagenloon voor de feestdagen die vallen binnen de maand na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de gerechtelijke intresten daarop;

Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige, behalve wat de veroordeling van appellante tot een dwangsom betreft.

Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de VZW PAGASA;

Deze werden door de partijen begroot op :

- voor appellante partij :

Niet begroot,

- voor geïntimeerde partij :

119,27 EUR dagvaardingskosten.

Het hof vereffent ze op:

- aan de zijde van de geïntimeerde partij :

119,27 EUR dagvaardingskosten.

 

Aldus gewezen door de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

Mevr. G. BALIS: Kamervoorzitter,

J. LINDEMANS: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever,

S. MARCHAND : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende,

En bijgestaan door :

D. DE RAEDT : Griffier,

J. LINDEMANS S. MARCHAND

D. DE RAEDT G. BALIS

De heer S. MARCHAND, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen.

Overeenkomstig art. 785 Ger. Wb. wordt het arrest ondertekend door Mevr G. BALIS, Kamervoorzitter en Mr J. LINDEMANS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever.

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 21 mei 2013 door mevrouw G. BALIS, Kamervoorzitter, en bijgestaan door D. DE RAEDT, Griffier,

D. DE RAEDT G. BALIS

Vrije woorden

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN

  • Vakantiegeld

  • Berekeningsbasis

  • Loon voor feestdagen die vallen binnen dertig dagen na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.