- Arrest van 24 mei 2013

24/05/2013 - 2012/AB/838

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Uit de enkele omstandigheid dat de in de opzeggingstermijn vermelde aanvangsdatum voorafgaat aan de maand waarin de opzegging ter kennis is gebracht, kan niet worden afgeleid dat de opzegging niet voldoet aan het vormvoorschrift van art. 37 van de wet van 3/07/1978 volgens hetwelk deze het begin van de opzeggingstermijn moet vermelden.

De te vroege ingangsdatum vloeit voort uit het miskennen van de regel dat de aangetekend verzonden opzegbrief pas uitwerking heeft na 3 werkdagen.

Indien de opzegging bij gerechtsdeurwaarderexploot was gedaan, was de ingangsdatum juist. De onjuiste aanvangsdatum vloeit dan ook voort uit de toepassing van art. 82 § 1 in combinatie met art. 37 § 1, vierde lid arbeidsovereenkomstenwet.

Het miskennen van het vormvoorschrift vloeit niet voort uit art. 37 § 1, tweede lid, zodat de misslag niet tot de nietigheid van de opzegging leidt, wel tot de verschuldigdheid van een aanvullende opzeggingsvergoeding.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 24 MEI 2013

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

H. , wonende te xxx,

appellant,

vertegenwoordigd door mevrouw CEELEN Diane, volmachtdrager ABVV, met kantoor te 3000 Leuven, Maria-Theresiastraat 119-121.

Tegen:

ROOM 07 ARCHITECTEN CVBA, met maatschappelijke zetel te

3000 LEUVEN, Koningin Astridlaan, 16,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. COREMANS Evy loco mr. DURNEZ Johan, advocaat te 3050 OUD-HEVERLEE, Waversebaan 134 A.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 28 juni 2012 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 1ste Be kamer (A.R. 11/1755/A),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 21 augustus 2012,

- de conclusies voor de appellant, neergelegd ter griffie op 16 januari 2013,

- de conclusie en de syntheseconclusie voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 30 november 2012 en 28 februari 2013,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 26 april 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 14 januari 2010 ondertekenden de heer H. en de bvba architectenbureau Vanderheyden Nancy een voltijdse arbeidsovereenkomst voor bedienden van onbepaalde tijd, waardoor de heer H. met ingang van

1 februari 2010 werd aangeworven als bouwkundig tekenaar. Op 1 juli 2010 werd deze arbeidsovereenkomst overgenomen door de cvba Room 07 Architecten.

2. Bij aangetekende brief van 29 oktober 2010 werd deze arbeidsovereenkomst beëindigd met een opzegging, ingaande op 2 november 2010 en eindigend op 17 december 2010.

De werkgever nodigde de heer H. uit om deze opzeggingsbrief voor akkoord te ondertekenen, doch deze ging hierop niet in.

De werkgever vroeg aan de heer H. ook om de dagen van zijn sollicitatie-verlof op te geven en hij deed dit per e-mail. Tijdens de maand november nam hij deze dagen op 9, 16, 23, 24 en 30 november 2010.

3. Uiteindelijk werd de arbeidsovereenkomst verbroken op 14 januari 2011 met uitbetaling van een saldo opzeggingsvergoeding van 24 dagen, zijnde de resterende termijn van 3 maanden opzeggingstermijn ingaande op 2 november 2010, verlengd met de ziekteperiode.

4. Bij brief van 26 januari 2011 meldde de vakorganisatie van de heer H. dat op die wijze onvoldoende opzeggingsvergoeding was betaald, want dat een opzegging gegeven bij aangetekende brief van 29 oktober 2010 ten vroegste kon ingaan op 1 december 2010 in plaats van op 2 november 2010.

Bij antwoordbrief van 17 februari 2011 repliceerde de werkgever dat er over dit alles een mondeling akkoord bestond en dat de heer H. in november sollicitatie-verlof opnam.

Er volgde nog bijkomende briefwisseling, ook met de raadsman van de cvba Room 07 Architecten, maar uiteindelijk bleven beide partijen op hun standpunten, zodat er geen oplossing werd gevonden.

5. Met tegensprekelijk verzoekschrift, neergelegd op 7 oktober 2010 bij de arbeidsrechtbank te Leuven, stelde de heer H. een vordering tegen de cvba Room 07 Architecten in betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van

1 maand of euro 2.120,49, vermeerderd met intresten en kosten.

6. Bij vonnis van 28 juni 2012 van de arbeidsrechtbank te Leuven werd deze vordering afgewezen als zijnde ontvankelijk maar niet gegrond, met veroordeling van de heer H. tot de kosten, waarbij de rechtsplegingsvergoeding werd beperkt tot het minimumbedrag van euro 550.

7. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 21 augustus 2012, tekende de heer H. hoger beroep aan en hernam hij zijn oorspronkelijke vordering, minstens wees hij erop dat de minimum rechtsplegingsvergoeding slechts euro 220 bedroeg.

De cvba Room 07 Architecten tekende incidenteel beroep aan wat betreft de gerechtskosten en vroeg het maximumbedrag van de gerechtskosten of euro 1.100.

II. BEOORDELING

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep.

2. Niettegenstaande de cvba Room 07 Architecten op 29 oktober 2010 een opzegging betekende en dit ook zo vermeld wordt op het C4-formulier, roept ze in dat er een akkoord zou zijn geweest in verband met de beëindiging van de tewerkstelling.

In haar brief van 17 februari 2011 spreekt ze over een mondeling akkoord.

Het bestaan van een dergelijk akkoord wordt door de heer H. betwist, zodat de bewijslast hiervoor op de werkgever rust.

Gelet op de tegenstrijdige versies van partijen over hun gesprekken wordt dit bewijs niet geleverd. Overigens heeft de heer H. de voorgetypte akkoordclausule op de ontslagbrief niet getekend en werd nadien door de werkgever op het C4-formulier een afrekening van de beëindigingvergoeding gemaakt op basis van de opzegging.

De vormvereisten in verband met de opzegging

3. Op grond van art. 37 §1 tweede lid van de arbeidsovereenkomstenwet dient op straffe van nietigheid de kennisgeving van de opzegging het begin en de duur van de opzeggingstermijn te vermelden.

Anders dan voor de wijze van kennisgeving van de opzegging door de werkgever (art. 37 §1 vierde lid) is de nietigheid van bovenvermeld art. 37 §1 tweede lid relatief, zodat deze nietigheid door de wederpartij kan worden gedekt.

De heer H. roept in dat het begin van de hem betekende opzeggingstermijn niet juist werd weergegeven. De cvba Room 07 Architecten houdt voor dat de relatieve nietigheid, die hieruit voortvloeit, door het opnemen van sollicitatieverlof werd gedekt. Dit werd ook zo door de eerste rechter aanvaard.

Over de duur van de opzeggingstermijn worden geen opmerkingen gemaakt. Aanvaard wordt dat bij opgave van begin en eindpunt van de opzegging de duur impliciet vermeld wordt. Dit is hier het geval, zij het dat de opgegeven duur minder dan de minimum opzeggingstermijn van 3 maanden bedraagt.

4. Op grond van art. 82 §1 van de arbeidsovereenkomstenwet begint de bij art. 37 bepaalde opzeggingstermijn te lopen op de eerste dag van de maand volgend op die waarin kennis van de opzegging is gegeven.

Op grond van art. 37 §1 vierde lid van dezelfde wet heeft de aangetekende brief, waarmee de werkgever kennis geeft van de opzegging, uitwerking op de derde werkdag na de datum van verzending. Een gerechtsdeurwaarderexploot heeft onmiddellijke uitwerking.

De cvba Room 07 Architecten heeft de arbeidsovereenkomst van de heer H. opgezegd bij aangetekende brief van 29 oktober 2010, zodat deze uitwerking had op 2 november 2010. Hierdoor kon de opzeggingstermijn pas beginnen lopen vanaf 1 december 2010. In de opzeggingsbrief werd 2 november als beginpunt aangeduid.

5. De partijen en de eerste rechter vergissen zich echter waar ze ervan uitgaan dat de opgave van een foutief aanvangsmoment van de opzegging moet gelijkgesteld worden met het ontbreken van opgave van het begin van de opzeggingstermijn.

Het Hof van Cassatie oordeelde reeds in een arrest van 27 februari 1989 (JTT 1989, 297) dat uit de enkele omstandigheid dat de in de opzeggingstermijn vermelde aanvangsdatum voorafgaat aan de maand waarin de opzegging ter kennis is gebracht, niet kan worden afgeleid dat de opzegging niet voldoet aan het vormvoorschrift van art. 37 van de wet van 3 juli 1978 volgens hetwelk deze het begin van de opzeggingstermijn moet vermelden.

De rechtsleer treedt dit standpunt bij (W. van Eeckhoutte, Sociaal Compendium 2010-11, deel 2, 1946, nr. 3942; D. Votquenne, Arbeidsrechtelijke beëindigingswijzen, de opzegging, ATO-O-102-200).

Terecht wijst W. Rauws erop dat de te vroege ingangsdatum voortvloeit uit het miskennen van de regel dat de aangetekend verzonden opzegbrief pas uitwerking heeft na drie werkdagen (W. Rauws, De opzegging in het Belgisch arbeidsovereenkomstenrecht in M. Rigaux en W. Rauws, Actuele problemen van het arbeidsrecht, deel 8, Antwerpen, 2010, 53).

Indien de opzegging bij gerechtsdeurwaarderexploot was gedaan, was de ingangsdatum juist. De onjuiste aanvangsdatum vloeit dan ook voort uit de toepassing van art. 82 §1 in combinatie met art. 37 §1 vierde lid arbeidsovereenkomstenwet.

Het miskennen van het vormvoorschrift vloeit niet voort uit art. 37 §1 tweede lid, zodat de misslag niet tot de nietigheid van de opzegging leidt, wel tot de verschuldigdheid van een aanvullende opzeggingsvergoeding (W. Rauws, ibidem; zie in dezelfde zin P. Tierens en I. Verreyt, Arbeidsovereenkomstengids, Antwerpen, 2012, 400, nr. VII.55).

D. Votquenne stelt eveneens dat onjuiste vermeldingen niet door nietigheid worden gesanctioneerd en hij maakt de vergelijking met de opgave van een onvoldoende opzeggingstermijn - wat in deze zaak ook het geval was- waarbij de sanctie bestaat in de betaling van een vergoeding overeenstemmend met het loon van de niet in acht genomen opzeggingstermijn (D. Votquenne, a.w., ATO-O-102-200).

6. Aangezien de opzegging niet nietig is door het vermelden van een onjuiste aanvangsdatum, rijst de vraag niet of deze door de heer H. zou zijn gedekt.

Het vroegtijdig opnemen van sollicitatieverlof, wat volgens de heer H. door zijn werkgever was aangeboden, is dan ook niet ter zake voor de verschuldigdheid van een aanvullende opzeggingsvergoeding.

Er is evenmin reden om de persoonlijke verschijning van partijen te bevelen.

7. Hieruit vloeit voort dat de heer H. terecht aanspraak maakt op een bijkomende aanvullende opzeggingsvergoeding van 1 maand, waarvan de becijfering niet wordt betwist.

Het hoger beroep is gegrond.

De gerechtskosten

8. Aangezien de cvba Room 07 Architecten aldus in het ongelijk wordt gesteld, dienen de gerechtskosten ten hare laste te worden gelegd en is de discussie over de in aanmerking te nemen rechtsplegingsvergoeding niet ter zake dienend.

De heer H. heeft geen recht op een rechtsplegingsvergoeding, daar hij niet wordt bijgestaan door een advocaat.

Het incidenteel beroep is daardoor ongegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond;

Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende,

Verklaart de vordering van de heer H. ontvankelijk en gegrond;

Veroordeelt de cvba Room 07 Architecten tot betaling aan de heer H. van een aanvullende opzeggingsvergoeding van 1 maand of euro 2.120,49, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten.

Legt de gerechtskosten ten laste van de cvba Room 07 Architecten, deze aan de zijde van de heer H. niet begroot, doch geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd zijnde daar de heer H. niet bijgestaan werd door een advocaat.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Marcel VAN AKEN, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Daniël HEYVAERT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Marcel VAN AKEN, Daniël HEYVAERT.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 24 mei 2013 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Vrije woorden

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN

  • Foute aanvangsdatum opzeggingstermijn geen relatieve nietigheid, wel recht op aanvullende opzeggingsvergoeding.