- Arrest van 28 mei 2013

28/05/2013 - 2012/AB/725

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De in de C.A.O. van 2 juli 2007 houdende bepalingen inzake werkgelegenheid in de banksector gebruikte term «tekortkoming» verwijst naar het niet voldoen aan wat zou moeten zijn, aan wat vereist is en is ruimer dan «fout».

Er zijn zowel schuldige als foutloze tekortkomingen. Het niet voldoen aan de functievereisten is een tekortkoming zodat de in de C.A.O. voorziene ontslagprocedure van toepassing is.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.: 2013/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 28 MEI 2013

3e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

in de zaak:

1. DEUTSCHE BANK AG , vennootschap naar Duits recht, met maatschappelijke zetel te Taunusanlage 12, 60325 Frankfurt (DUITSLAND), en met filiaal te 1000 BRUSSEL, Marnixlaan 17, K.B.O. 0418.371.094, appellante

vertegenwoordigd door mr. BOUCIQUE W. loco mr. LENAERTS Henri-François, advocaat te 1160 BRUSSEL, Vorstlaan 280,

tegen:

1. H. ,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. BUYSSE Peggy, advocaat te 9300 AALST, Verbrandhostraat, 53.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 19-04-2012 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 24e kamer (A.R. 10/16118/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 13 juli 2012,

de conclusie voor de appellant, neergelegd ter griffie op 13 december 2012 en op 27 februari 2013,

de conclusies voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 11 oktober 2012, 18 januari 2013 en op 26 maart 2013,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 30 april 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

De heer H. is op 1988 als bediende in dienst getreden bij de Deutsche Bank.

Met een e-mailbericht van 10-12 -2009 werd hij uitgenodigd voor het jaarlijks evaluatiegesprek op dezelfde datum om 15 u.

Tijdens het gesprek op die datum werd aan de heer H. meegedeeld dat hij met onmiddellijke ingang werd ontslagen.

Het C4 attest van 18-12-2009 vermeldde dat hij niet meer voldeed aan de eisen gesteld aan de functie.

De heer H. is van oordeel dat de sectorale CAO van 2-7-2007 houdende de bepalingen in zake werkgelegenheid in de banksector werd miskend en spande bij dagvaarding van 15-10-2010 een geding aan voor de arbeidsrechtbank.

Zijn vordering beoogt de veroordeling van de Deutsche Bank tot betaling van volgende bedragen:

-23.895 euro als forfaitaire vergoeding, in ondergeschikte orde 19.116 euro als schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht, de wettelijke en gerechtelijke intresten op die bedragen vanaf 18-1-2010.

Met het bestreden vonnis verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk en gegrond en veroordeelde de Deutsche Bank tot betaling aan de heer H. van de forfaitaire schadevergoeding t.b.v. 23.895 euro, te vermeerderen met de wettelijke intresten en tot de kosten van het geding met dien verstande dat de kosten van dagvaarding ten laste van de heer H. werden gelegd.

De arbeidsrechtbank was van oordeel dat de Deutsche Bank de ingeroepen CAO volledig had miskend.

II. VORDERINGEN IN HOGER BEROEP

De Deutsche Bank is het niet eens met de beslissing van de arbeidsrechtbank. Zij verzoekt het hof deze te vernietigen en de vordering van de heer H. ongegrond te verklaren met veroordeling van de heer H. tot de kosten van het geding in beide aanleggen.

De heer H. stelde bij conclusie incidenteel hoger beroep in.

Hij verzoekt het hoger beroep als ongegrond af te wijzen en het bestreden vonnis enkel te hervormen in de mate het de dagvaardingskosten te zijnen laste heeft gelegd, het voor het overige te bevestigen en de Deutsche Bank te horen veroordelen tot de kosten;

In de mate het hof het bestreden vonnis niet zou bevestigen, minstens de Deutsche Bank te veroordelen tot betaling van de som van 19.116 euro als schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht en de wettelijke intresten daarop vanaf 18-1-2010, overgaand in de gerechtelijke intresten vannaf de dagvaarding.

III. BEOORDELING

A. ONTVANKELIJKHEID

Er wordt geen betekeningsakte van het bestreden vonnis voorgebracht, zodat kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig is ingesteld. Het is tevens regelmatig naar de vorm en aan de andere ontvankelijkheidsvereisten is eveneens voldaan. Het hoger beroep is derhalve ontvankelijk.

B. TEN GRONDE

De Deutsche Bank voert tegen de beslissing van de arbeidsrechtbank de volgende grieven aan:

-De arbeidsrechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat zij de geest van de CAO had miskend door te oordelen dat het ontslag van de heer H. niet onder het toepassingsgebied van die CAO viel. Volgens haar is de CAO niet van toepassing, omdat de heer H. niet wegens een tekortkoming werd ontslagen.

-De arbeidsrechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat zij de bedoeling van de CAO heeft miskend, door de uitnodiging voor een evaluatiegesprek gelijk te stellen met een uitnodiging voor een gesprek nopens een mogelijk ontslag, als bedoeld in de CAO

-De arbeidsrechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de mogelijkheid zich te laten bijstaan door een vakbondsafgevaardigde niet bij de start van het gesprek mag gegeven worden, maar voordien moet gebeuren.

De heer H. is van oordeel dat de arbeidsrechtbank het geschil correct heeft beoordeeld en de toepasselijke CAO juist heeft uitgelegd.

De vordering van de heer H. is gesteund op de sectorale CAO van 2-7-2007 houdende bepalingen inzake werkgelegenheid in de banksector.

Partijen zijn het oneens over de juiste draagwijdte die de CAO heeft en over de correcte toepassing van de daarin voorziene procedure.

De CAO bepaalt:

"artikel 2

§1

Zonder afbreuk te doen aan het principe van het werkgeversgezag en ten

einde, naar gelang van de economische mogelijkheden van de ondernemingen,

de stabiliteit van de arbeidskrachten te verzekeren, geschiedt een eventueel

ontslag met inachtneming van de billijkheidsregels.

§2

Indien de werkgever overweegt om een werknemer die is tewerkgesteld met

een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur en die zich niet meer in de

proefperiode bevindt te ontslaan wegens disciplinaire of professionele

tekortkomingen, wordt deze werknemer, schriftelijk {per brief, mail, fax)

uitgenodigd op een onderhoud dat binnen de 8 kalenderdagen na de

uitnodiging plaatsheeft.

De werknemer wordt er schriftelijk van op de hoogte gebracht dat hij zich op

dit onderhoud mag laten bijstaan door een vakbondsafgevaardigde van zijn

keuze. Tijdens dit onderhoud wordt de werknemer ingelicht over de redenen

die de werkgever ertoe hebben geleid een ontslag te overwegen, indien acties

werden ondernomen om het ontslag te vermijden worden ze vermeld tijdens

dit onderhoud.

§3

Bij niet naleving van de procedure voorzien in §2 door toedoen van de

werkgever, is deze verplicht, aan de ontslagen werknemers met een

arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur en met minstens een jaar

anciënniteit, een forfaitaire vergoeding te betalen die overeenkomt met het lopende loon

van:

drie maanden voor werknemers die minder dan l0 jaar in dienst zijn;

vier en een halve maand voor werknemers die sedert 10 jaar en minder

dan 15 jaar in dienst zijn;

zes maanden voor werknemers die sedert 15 jaar en minder dan 20 jaar

in dienst zijn;

zeven en een halve maand voor werknemers die sedert 20 jaar en

minder dan 25 jaar in dienst zijn;

9 maanden voor werknemers die sedert 25 jaar of meer in dienst zijn,

en dit, onverminderd de toepassing van de wet van 3 juli 1978 betreffende de

arbeidsovereenkomsten.

Deze vergoeding is niet cumuleerbaar met andere wettelijke of conventionele

beschermingsvergoedingen.

§4

De bepalingen van §2 en §3 zijn niet van toepassing indien het ontslag gebeurt

om dringende reden zoals bedoeld in artikel 35 van de wet van 3 juli 1978

betreffende de arbeidsovereenkomsten (tenzij de rechtbank later oordeelt dat

het niet om een dringende reden ging).

Evenmin zijn ze van toepassing op personeelsleden die buiten het

toepassingsgebied valien van de CAO van 3 juli 2008 tot vaststelling van het

verloningssysteem in de banksector.

Tenslotte zijn zij ook niet van toepassing in de bedrijven waar reeds dergelijke

procedures bestaan, en die minstens gelijkwaardig zijn aan de bepalingen van

§2 en §3."

De vennootschap is van oordeel dat de CAO niet van toepassing is, daar zij zich niet op een tekortkoming heeft beroepen voor het ontslag van de heer H..

Hierbij rijst de vraag welke betekenis aan de term tekortkoming moet worden gehecht.

De arbeidsrechtbank gaf daaraan de ruime interpretatie dat hiermee alle redenen worden bedoeld waarom een persoon niet voldoet aan de functievereisten.

Deutsche Bank meent dat dit eng moet worden begrepen als een fout.

Het hof merkt op dat de term "fout" niet werd gebruikt en dat in de Franse versie evenmin de term "faute" werd gebruikt doch de term "manquement" die overeenstemt met "tekortkoming".

Die term verwijst naar het niet voldoen aan wat zou moeten zijn, aan wat vereist is en is ruimer dan "fout". Men kan om allerlei redenen niet voldoen aan de verwachtingen: zowel schuldige tekortkomingen als foutloze tekortkomingen, zoals onbekwaamheid, onaangepastheid, afwezigheid, kunnen daaronder vallen.

Het hof deelt de zienswijze van de arbeidsrechtbank dat in de CAO de ruime betekenis werd bedoeld, wat kan afgeleid worden uit volgende bepalingen:

-art 2, § 1, waar de bedoeling wordt uitgedrukt om de stabiliteit van de arbeidskrachten te verzekeren, naar gelang de economische mogelijkheden van de ondernemingen.

-art. 4 en 5 waarin vormingsinspanningen worden voorzien om de professionele competenties en kennis en onderlegdheid te verbeteren en bij te werken en de ontwikkeling van een begeleiding in geval van functieverandering met het oog op verlenging van de beroepsloopbaan en ruime inzetbaarheid en functiemobiliteit.

-art. 4 waarin het voeren van een begeleidingsbeleid met betrekking tot "individuele functioneringsmoeilijkheden" wordt beoogd

De procedure voorzien in de CAO moest naar het oordeel van het hof derhalve eveneens toegepast worden bij het voorgenomen ontslag van de heer H..

In de veronderstelling dat de procedure enkel van toepassing zou zijn in geval van fouten, zoals appellante beweert, dan diende zij aan te tonen welke precieze motieven zij had voor het ontslag van de heer H..

Het zou anders al te eenvoudig zijn de CAO te omzeilen door geen gewag te maken van fouten en aldus tot ontslag over te gaan zonder de in de CAO voorziene procedure te volgen.

De vennootschap toont helemaal niet aan welke redenen zij dan wel had voor het ontslag. De formulering op het C4 attest "voldoet niet aan de eisen gesteld aan de functie" is al te vaag en laat niet toe te besluiten dat er geen sprake was van "tekortkomingen".

Dergelijk motief komt bovendien ongeloofwaardig voor nu de heer H. reeds gedurende 22 jaar in haar dienst was zonder dat enige opmerking of slechte evaluatie wordt voorgelegd.

De uitnodiging van de vennootschap voor het gesprek luidde:

"Ik het kader van de evaluatiegesprekken, wens ik vandaag met jou enkele punten te bespreken. Ik stel voor dit om 15u te doen in de vergaderzaal van CRM Midcap." Daaruit kon de heer H. bezwaarlijk afleiden dat de vennootschap meende dat hij niet voldeed aan de verwachtingen.

De CAO verduidelijkt weliswaar niet wat op de schriftelijke uitnodiging voor het gesprek met betrekking tot een voorgenomen ontslag moet worden vermeld, doch stellen dat de uitnodiging betrekking had op een evaluatiegesprek was misleidend en niet correct. Er heeft geen evaluatiegesprek plaats gehad.

Art 2, § 2, van de CAO voorziet dat de werknemer zich op dergelijk onderhoud mag laten bijstaan door een vakbondsafgevaardigde van zijn keuze. Daaruit volgt dat de werknemer moet kunnen beoordelen of het aangewezen is zich te laten bijstaan.

In ieder geval moest hij over die mogelijkheid schriftelijk worden geïnformeerd vooraleer het gesprek plaats vond, zodat hij de kans had zich te laten bijstaan.

Het door de vennootschap voorgelegde document is een voorgedrukte tekst die zij de heer H. tijdens het onderhoud liet ondertekenen, als volgt gesteld:

"Ik ondergetekende H., verklaar hierbij dat ik door de Directie van Deutsche Bank op de hoogte werd gesteld van het feit dat ik de mogelijkheid krijg de hulp in te roepen van een lid van de Syndicale Delegatie"

Daaruit kan niet worden afgeleid dat hij schriftelijk op de hoogte werd gesteld en evenmin dat dit gebeurde op een ogenblik waarop hij zich nog nuttig kon laten bijstaan door een vakbondsafgevaardigde van zijn keuze met het oog op het onderhoud i.v.m. zijn voorgenomen ontslag.

Het hof deelt de zienswijze van de arbeidsrechtbank dat appellante de bij CAO van 2-7-2007 voorgeschreven procedure niet heeft gevolgd.

Bijgevolg is de heer H. gerechtigd op de in art 2§3 van de CAO voorziene forfaitaire vergoeding, die in het geval van de heer H. (anciënniteit tussen 20 en 25 jaar), 7,5 maanden bedraagt.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis.

Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van Deutsche Bank AG overeenkomstig art. 1017, eerste lid, Ger. W.

Vereffent het bedrag van de proceskosten, begroot in hoofde van de heer H. op 158,28 euro als kosten van dagvaarding en 2.200 euro als rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Geertrui BALIS, kamervoorzitter,

Jan LINDEMANS, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Steven MARCHAND, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Steven MARCHAND

Jan LINDEMANS Geertrui BALIS

De heer Jan LINDEMANS, raadsheer in sociale zaken, werkgever, die aan het beraad heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen.

Overeenkomstig art. 785 Ger. W. wordt het arrest ondertekend door Geertrui BALIS, kamervoorzitter en Steven MARCHAND, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende.

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dinsdag 28 mei 2013 door:

Geertrui BALIS, kamervoorzitter,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Geertrui BALIS

Vrije woorden

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN

  • C.A.O. Werkzekerheid banksector

  • Begrip disciplinaire of professionele tekortkoming.