- Arrest van 11 juni 2013

11/06/2013 - 2012/AB/435

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een recuperatiebepaling uit een C.A.O. die voorziet in de vergoeding van het reële loonverlies ten gevolge van de loonmatiging, maar onvoldoende bepaald is, is geen individueel normatieve bepaling. Zij kent immers geen subjectief recht toe aan de werknemer, aangezien zij geen bijzondere zeggenschap verteent over een bepaald goed (zakelijk recht) of een aanspraak verleent ten aanzien van een ander (vorderingsrecht).


Arrest - Integrale tekst

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 11 JUNI 2013.

3DE KAMER

Bediendecontract

Op tegenspraak

Definitief

In de zaak:

B. ,

Appellant, verschijnend in persoon en bijgestaan door Mr. S. HAOUCHI, syndicaal afgevaardigde en volmacht-drager te Brussel.

Tegen:

RENAULT INDUSTRIE BELGIQUE N.V., met maatschappelijke zetel gevestigd te 1070 BRUSSEL, Bergensesteenweg 301.

Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. L. VANAVERBEKE, advocaat te Antwerpen.

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrechtbank van Brussel op 6 februari 2012;

- het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 2 mei 2012;

- de conclusies en syntheseconclusies van de partijen;

Gelet op de door partijen neergelegde stukken.

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 14 mei 2013 waarna de debatten gesloten werden, waarna de zaak in beraad werd genomen.

 

I. FEITEN

De heer B. trad op 26 augustus 1974 in dienst van de NV Renault Industrie Belgique (hierna genoemd de NV) als bediende.

Na de herstructurering van de NV in 1997 bleef de heer B. actief in de zgn. RIB 400. Hij was tevens syndicaal hoofdafgevaardigde voor de Landelijke Bediendencentrale LBC.

Op 18 juli 2002 sloten de NV en de syndicale delegatie twee collectieve arbeidsovereenkomsten, een eerste ‘houdende invulling van de sectoraal voorziene enveloppe voor koopkrachtverbetering' en een tweede ‘houdende loonmatiging'. Beide collectieve arbeidsovereenkomsten werden gesloten voor onbepaalde duur en met een opzeg-gingstermijn van vier maanden voor elke ondertekenende partij.

Artikel 1 van hoofdstuk 2 van de CAO houdende loon-matiging bepaalde dat de effectieve wedden van de gebaremiseerde en baremiseerbare bedienden in twee fasen zou worden verminderd, met name met een bedrag van 80,83 EUR vanaf 1 augustus 2002 en met 2 % van de bruto maandwedde vanaf 1 oktober 2002. Tevens werd voorzien dat deze verminderingen geen effect mochten hebben op het bestaande extra legaal pensioen van de bedienden.

Artikel 4 van hoofdstuk 4 van dezelfde CAO bepaalde:

"Bij stopzetting van de activiteiten of bij een collectieve afdanking wegens economische redenen, verbindt de werkgever er zich toe het reële loonverlies ten gevolge van de loonmatiging te vergoeden. De praktische modaliteiten hieromtrent zullen op dat ogenblik het onderwerp uitmaken van nieuwe onderhandelingen tussen directie en syndicale afvaardiging."

Met aangetekende brief van 27 oktober 2006 betekenden LBC-NVK en BBTK de opzegging aan de CAO van 18 juli 2002 houdende loonmatiging, met een opzeggingstermijn van vier maanden die een aanvang nam op 1 november 2006 eindigde op 28 februari 2007.

Op 5 juli 2007 sloten de NV en de syndicale delegatie een nieuwe arbeidsovereenkomst, van toepassing van de gebaremiseerde en baremiseerbare bedienden van de NV.

Artikel 1 van hoofdstuk 2 van deze CAO bevestigde de loonmatiging voorzien in artikel 1 van hoofdstuk 2 van de CAO houdende loonmatiging van 18 juli 2002, en arti- kel 1 van hoofdstuk 5 hernam de recuperatieclausule van artikel 4 van hoofdstuk 4 van de CAO van 18 juli 2002.

Op 27 april 2009 sloten de NV en de syndicale delega-tie een collectieve arbeidsovereenkomst houdend sociaal plan voor bedienden en kaders. Dit gebeurde naar aan-leiding van de aankondiging dor de NV van het voornemen om over te gaan tot stopzetting van de industriële activiteiten ‘wielen, uitlaten en tolerie' met als gevolg een collectief ontslag van ongeveer 144 loon-trekkenden, en na onderhandelingen tussen de directie van de NV en de syndicale delegatie, die op 7 april 2009 resulteerden in een protocol dat op 15 april 2009 aan de werknemers werd voorgelegd en aanvaard.

Artikel 6 van deze CAO bepaalde dat de NV een aanvraag zou indienen om erkend te worden als onderneming in herstructurering met een minimum brugpensioenleeftijd op 50 jaar. Er zou een afzonderlijke CAO brugpensioen worden gesloten die alle modaliteiten van de regeling brugpensioen zou beschrijven.

Dezelfde partijen sloten op dezelfde datum een CAO ‘in verband met het sociaal plan - luik brugpensioen bedienden en kaders'.

Met aangetekende brief van 10 juni 2009 beëindigde de NV de arbeidsovereenkomst van de heer B. met ingang van 15 juni 2009 en met betaling van een opzeggingsvergoeding, overeenstemmend met een (verkorte) opzeggingstermijn van zes maanden. De heer B. kon hierna gebruik maken van de regeling brugpensioen.

Met aangetekende brief van 16 december 2009 vroegen BBTK en LBC-NVK aan de directie van de NV om onderhandelingen aan te vatten over de praktische modaliteiten waarvan sprake in artikel 1 van hoofdstuk 4 van de CAO van 18 juli 2002 houdende loonmatiging en artikel 1 hoofdstuk 5 van de CAO van 5 juli 2007. Deze vraag werd herhaald met aangetekende brief van 18 januari 2010.

Met aangetekende brief van 15 februari 2010 antwoordde de NV niet te zullen ingaan op deze vraag, daar zij van oordeel was dat het sociaal plan van 27 april 2009 alles omvattend was en de betrokken werknemers geen andere vorderingen meer te stellen hadden.

Met brief van 31 maart 2010 (verzonden op 6 april 2010) vorderde de vakorganisatie van de heer B. de bere-kening en vergoeding van het reële loonverlies sinds 18 juli 2002 in uitvoering van de CAO van 5 juli 2007, en de herberekening van zowel de opzeggingsvergoeding als het netto referteloon voor de brugpensioenvergoeding.

Met aangetekende brief van 12 mei 2010 antwoordde de NV de vordering van de heer B. principieel te betwisten, onder referte aan het antwoord dat op 15 februari 2010 werd verzonden aan de vakorganisaties.

Op 26 mei 2010 nam het verzoeningsbureau van het paritair comité voor de bedienden van de metaal-fabrikatennijverheid, gewestelijke paritaire sectie Brabant, een besluit van niet-verzoening.

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met inleidende dagvaarding van 11 juni 2010 vorderde de heer B. voor de Arbeidsrechtbank te Brussel betaling door de NV van:

12.491,64 EUR loonregularisatie voor de periode augustus 2002 tot juni 2009

1.916,22 EUR vakantiegeld op loonregularisatie

1.138,54 EUR saldo driemaandelijkse premie voor de periode augustus 2002 tot juni 2009

174,65 EUR vakantiegeld op saldo driemaandelijkse premie

1.551,10 EUR saldo opzeggingsvergoeding

1,00 EUR provisioneel loonsupplement ingeval van ziekte (na gewaarborgd loon)

1,00 EUR provisioneel vakantiegeld op loonsupplement

1,00 EUR provisioneel schadevergoeding (groepsverzekering)

Deze bruto bedragen te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intrest vanaf hun eisbaarheid.

Hij vorderde tevens de veroordeling van de NV tot de kosten van het geding, en tot de afgifte van een aangepast formulier C4, een loonafrekening en belastingfiche 281.10 met betrekking tot de gevorderde bedragen onder verbeurte van een dwangsom van 25 EUR per dag en per ontbrekend document bij niet afgifte ervan binnen de maand na de betekening ervan.

Tenslotte vorderde hij de voorlopige uitvoerbaarheid van het vonnis zonder enige reserve.

b.-

Met vonnis van 6 februari 2012 verklaarde de arbeids-rechtbank de vordering ontvankelijk doch ongegrond. Zij verwees de heer B. in de kosten van het geding.

c.-

Er wordt geen melding gemaakt van een betekening van dit vonnis.

d.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 2 mei 2012, tekende de heer B. hoger beroep aan tegen dit vonnis; hij vorderde dat het arbeidshof het bestreden vonnis zou hervormen en zijn oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond zou verklaren.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

IV. BEOORDELING

a.-

De discussie tussen partijen heeft in hoofdorde betrekking op de aard en de draagwijdte van de zgn. recuperatieclausule, te weten de gelijkluidende bepaling in artikel 4 van hoofdstuk 4 van de CAO van 18 juli 2002 houdende loonmatiging en artikel 1 van hoofdstuk 5 van de CAO van 5 juli 2007, die luidt als volgt:

"Bij stopzetting van de activiteiten of bij een collectieve afdanking wegens economische redenen, verbindt de werkgever er zich toe het reële loonverlies ten gevolge van de loonmatiging te vergoeden. De prak-tische modaliteiten hieromtrent zullen op dat ogenblik het onderwerp uitmaken van nieuwe onderhandelingen tussen directie en syndicale afvaardiging."

Met de betrekking tot de aard van deze bepaling zijn partijen het er niet over eens of het hier gaat om een individueel normatieve dan wel een collectief norma-tieve bepaling, en verschillen zij bijgevolg eveneens van mening over de gevolgen die aan deze bepaling moeten worden gegeven.

b.-

Artikel 5 van de CAO-Wet omschrijft de collectieve arbeidsovereenkomst als een akkoord dat gesloten wordt tussen één of meer werknemersorganisaties en één of meer werkgeversorganisaties of één of meer werkgevers en waarbij individuele en collectieve betrekkingen tussen werkgevers en werknemers in ondernemingen of in een bedrijfstak worden vastgelegd en de rechten en verplichtingen van de contracterende partijen worden geregeld.

De individueel normatieve bepalingen zijn die CAO-bepalingen die de wederzijdse rechten en verplich-tingen van de partijen bij een individuele arbeids-overeenkomst bepalen; zij regelen de individuele arbeidsverhoudingen tussen werkgever en werknemer.

De collectief normatieve bepalingen zijn de bepalingen die betrekking hebben op de collectieve verhoudingen tussen de werkgevers en een groep van werknemers.

Het onderscheid tussen individueel normatieve en collectief normatieve bepalingen is complex, vermits normatieve bepalingen tegelijkertijd collectief en individueel normatief kunnen zijn, en collectief normatieve bepalingen een weerslag kunnen hebben op de individuele betrekkingen tussen werkgevers en werknemers.

(vgl. W. Rauws, De binding van de normatieve bepalingen, in: M. Rigaux (ed.), Actuele problemen van het arbeidsrecht 3, Kluwer rechtswetenschappen, Antwerpen 1990, 34-35, nrs. 104-105)

Essentie van de individueel normatieve bepaling is dat zij voor de werknemer of de werkgever subjectief recht doet ontstaan dat geplaatst kan worden in de individuele arbeidsrelatie.

(vgl. M. Rigaux, De collectieve arbeidsovereenkomst: begrip, inhoud en contracterende partijen, in: CAO-recht, CED-Samsom, Mechelen, losbladig, 2.2/4)

Het onderscheid is van belang daar de individueel normatieve bepalingen een ruimere binding hebben dan de collectief normatieve bepalingen; enkel de individueel normatieve bepalingen worden van rechtswege opgenomen in de individuele arbeidsovereenkomst en regelen rechtstreeks en dwingend de individuele rechts-betrekking tussen werkgever en werknemer.

(vgl. W. Rauws, o.c., 39, nr. 109)

Obligatoire bepalingen tenslotte zijn bepalingen die de rechten en verplichtingen van de partijen bij een CAO regelen; obligatoire bepalingen beïnvloeden de toestand van de leden der contracterende partijen niet en beogen hoofdzakelijk dat de normatieve bepalingen zullen worden nageleefd.

(vgl. G. Cox, De juridische binding en afdwingbaarheid van obligatoire CAO-bepalingen, in: M. Rigaux (ed.), Actuele problemen van het arbeidsrecht 3, Kluwer rechtswetenschappen, Antwerpen 1990, 121, nr. 410)

c.-

Uit wat voorafgaat volgt dat de ‘recuperatiebepaling' enkel beschouwd kan worden als een individueel normatieve bepaling, indien zij aan de heer B. een subjectief recht toekent in zijn individuele arbeidsrelatie met de NV.

Subjectieve rechten worden omschreven als rechten die aan de houder ervan een bijzondere zeggenschap verlenen over een bepaald goed (zakelijk recht) of een aanspraak verlenen ten aanzien van een ander (vorderingsrecht).

(vgl. W. van Gerven, Verbintenissenrecht, 2de herwerkte uitgave, Acco, Leuven / Voorburg 2006, 76)

Het subjectief recht is de individualisering van de objectieve rechtsregel: het subjectief recht bestaat in een verhouding, waarin een persoon ten aanzien van één of meer andere personen met betrekking tot een object geplaatst wordt door een objectieve norm en verleent aan de titularis ervan een bevoegdheid, waartegenover een verplichting van een of meer anderen komt te staan.

(vgl. M. Storme, Algemene inleiding tot het recht, Kluwer, Antwerpen 1978, 177 en 180)

d.-

Naar het oordeel van het arbeidshof kent de gelijkluidende bepaling in artikel 4 van hoofdstuk 4 van de CAO van 18 juli 2002 houdende loonmatiging en artikel 1 van hoofdstuk 5 van de CAO van 5 juli 2007, de zgn. recuperatieclausule, aan de heer B. geen subjectief recht toe, dat hem de mogelijkheid biedt een vordering tot vergoeding van ‘het reële loonverlies ten gevolge van de loonmatiging' die werd ingevoerd door deze collectieve arbeidsovereenkomsten.

Op de eerste plaats sluit het arbeidshof zich aan bij de stelling van de NV dat voornoemde bepaling slechts juist kan worden gelezen indien zij in haar geheel wordt gelezen. In de aan het arbeidshof voorgelegde betwisting betekent dit dat de NV zich er als werkgever inderdaad toe verbindt het reële loonverlies ten gevolge van de loonmatiging te vergoeden, doch dit overeenkomstig de praktische modaliteiten die tussen de werkgever en de syndicale delegatie dienen te worden overeengekomen in nieuwe onderhandelingen.

Het arbeidshof kan enkel vaststellen dat deze nieuwe onderhandelingen ofwel nooit werden gevoerd, ofwel alleszins niet hebben geleid tot de uitwerking van de vereiste praktische modaliteiten.

Het is in die zin dat de arbeidsrechtbank terecht oordeelde dat de ‘recuperatieclausule' onvoldoende bepaald was om in hoofde van de heer B. indivi-duele rechten te genereren. Dergelijk individueel recht zou immers enkel kunnen worden gecreëerd nadat de werk-gever en de syndicale delegatie na nieuwe onderhande-lingen de praktische modaliteiten voor de vergoeding van het reële loonverlies ten gevolge van de loonmati-ging zouden hebben bepaald.

Op de tweede plaats moet worden vastgesteld dat de in het geding zijnde bepaling wel aanduidt dat de werkgever zich ertoe verbindt het reële loonverlies ten gevolge van de loonmatiging te vergoeden, maar niet aanduidt wie de begunstigde van deze clausule is; meer in het bijzonder houdt deze clausule geen verbintenis voor de NV in om het reële loonverlies ten gevolge van de loonmatiging van of aan de heer B. te vergoeden.

e.-

Vermits de bepaling van artikel 4 van hoofdstuk 4 van de CAO van 18 juli 2002 houdende loonmatiging en artikel 1 van hoofdstuk 5 van de CAO van 5 juli 2007 geen individueel normatieve bepaling is in de zin van artikel 5 van de CAO-Wet, wordt zij niet van rechtswege opgenomen in de individuele arbeidsovereenkomst tussen de heer B. en de NV.

Zijn vordering werd bijgevolg door de arbeidsrechtbank terecht afgewezen.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis in alle beschikkingen;

Verwijst de heer B. in de kosten van het geding, aan de zijde van beide partijen begroot op 1.210,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen door de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

Mr. D. RYCKX: Raadsheer,

J. LINDEMANS: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever,

S. MARCHAND : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer- bediende,

En bijgestaan door : D. DE RAEDT : Griffier,

J. LINDEMANS S. MARCHAND

D. DE RAEDT D. RYCKX

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 11 juni 2013 door de heer D. RYCKX, Raadsheer, en bijgestaan door D. DE RAEDT, Griffier,

D. DE RAEDT D. RYCKX

Vrije woorden

  • COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN

  • COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • Onderscheid individuele en collectieve normatieve bepalingen

  • Recuperatiebepaling

  • Subjectieve rechten.