- Arrest van 13 juni 2013

13/06/2013 - 2012/AB/172

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De vergoeding uitgekeerd "als een vorm van morele vergoeding omwille van de stopzetting van een goed draaiende bedrijfsafdeling die haar enige afnemer en opdrachtgever verloor" is een vergoeding die verband houdt met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en waarop de werknemer ingevolge de dienstbetrekking aanspraak heeft ten laste van de werkgever. Ze maakt dus loon uit in de zin van artikel 14 van de wet van 27 juni 1969 en artikel 2 van de wet van 12 april 1965 op de bescherming van het loon. De omstandigheid dat de werkgever tot betaling van deze som is overgegaan "onder druk van de vakorganisatie" en "ten einde de sociale vrede te doen terugkeren" doet geen afbreuk aan deze vaststelling.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.: 2013/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 13 JUNI 2013

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - bijdragen werkgevers

tegensprekelijk

heropening van de debatten

in de zaak:

1. HENSCHEL ENGINEERING NV, K.B.O. 0404.002.030, met maatschappelijke zetel te 2610 WILRIJK (ANTWERPEN), Boomsesteenweg, 604-606, appellante, vertegenwoordigd door mr. JACOBS T. loco mr. WIJFFELS Luc, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Maria-Henriëttalei 1,

tegen:

1. RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, K.B.O. 0206.731.645, openbare instelling, met maatschappelijke zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein, 11, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. AERTS Luc, advocaat te 2960 BRECHT, Vaartstraat 81

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 25 oktober 1999 door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, 5e kamer (A.R. 235.801),

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest alvorens recht te doen van 18 september 2008 van de 9e kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen (A.R. 2000199), waarbij de heropening van de debatten wordt bevolen,

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest, uitgesproken op tegenspraak op 24 april 2009 door het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, 9e kamer (A.R. 2000199),

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest, uitgesproken op 1 februari 2010 door de 3e kamer van het Hof van Cassatie (nr. S.09.0065.N),

- de dagvaarding na Cassatie, betekend op 20 februari 2012 en neergelegd ter griffie op 24 februari 2013,

- de neergelegde conclusies,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 16 mei 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De nv Henschel Engineering zag zich begin 1990 verplicht om over te gaan tot de sluiting van haar afdeling "ketels", met het ontslag van 115 arbeiders en 25 bedienden tot gevolg. Na moeizame onderhandelingen, gepaard gaande met een staking, werd een overeenkomst gesloten waarbij, naast de toekenning van een brugpensioen aan de werknemers die ouder dan 50 jaar waren, en naast de gewone wettelijke vergoedingen een bijzondere premie werd toegekend aan een aantal werknemers, variërend in functie van hun anciënniteit.

Deze premies werden niet aangegeven bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

Naar aanleiding van een onderzoek, uitgevoerd in de loop van het tweede kwartaal 1993, werd beslist deze premies ambtshalve te onderwerpen aan de sociale zekerheid der werknemers. Volgens de formulieren, gevoegd bij het verslag van sociale inspectie, ging het om een aangifte voor 8 bedienden en voor 47 arbeiders.

2.

Bij gebreke van minnelijke betaling is de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid overgegaan tot dagvaarding op 26 juli 1993 voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen in betaling van een som van 83.934,66 euro , vermeerderd met de intresten en de gerechtskosten.

Bij vonnis van 25 oktober 1999 heeft de arbeidsrechtbank te Antwerpen de vordering gegrond verklaard. Rekening houdend met de betalingen die verricht werden in de loop van het geding veroordeelde de arbeidsrechtbank de nv Henschel Engineering tot betaling van de som van 56.054,50 euro .

3.

Bij verzoekschrift van 22 maart 2000 heeft de nv Henschel Engineering hoger beroep aangetekend tegen het vonnis. In de loop van het geding vorderde de nv Henschel Engineering, die inmiddels alle gevorderde bijdragen betaald had, de veroordeling van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid tot terugbetaling van deze bijdragen.

Bij tussenarrest van 18 september 2008 heeft het arbeidshof te Antwerpen het vonnis van de eerste rechter hervormd. Volgens het arbeidshof waren geen sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd op de betaalde premies. De tegenvordering van de nv Henschel Engineering werd principieel gegrond verklaard, waarna een heropening van de debatten werd bevolen ten einde de nv Henschel Engineering toe te laten een precieze afrekening op te stellen van het bedrag dat zij kon terugvorderen.

Bij arrest van 24 april 2009 heeft het arbeidshof de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid veroordeeld tot terugbetaling van de som van 95.668,08 euro , te vermeerderen met de intresten.

4.

Bij arrest van 1 februari 2010 heeft het Hof van Cassatie, op verzoek van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, de beide arresten van het arbeidshof te Antwerpen verbroken, behalve in zoverre het arrest van 18 september 2008 het hoofdberoep ontvankelijk verklaarde. De aldus beperkte zaak werd verwezen voor het arbeidshof te Brussel.

Bij exploot van de 20 februari 2012 heeft de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het arrest van het Hof van Cassatie betekend en dagvaarding gegeven aan de nv Henschel Engineering voor het arbeidshof te Brussel ten einde uitspraak te doen over het ingestelde hoger beroep.

5.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, die na het arrest van het arbeidshof te Antwerpen gedwongen tot uitvoering overging van het arrest, vordert voor het hof de veroordeling van de nv Henschel Engineering tot terugbetaling van de som van 83.937,66 euro te vermeerderen met de verwijlintresten op de bijdragen van

64.060,70 euro en dit vanaf 28 juni 1993. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid vordert verder de veroordeling van de nv Henschel Engineering tot terugbetaling van alle intresten en kosten die hij op 4 augustus 2009 betaalde, hetzij een som van 66.709,09 euro , te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 4 augustus 2009.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het arrest van het arbeidshof te Antwerpen heeft reeds definitief uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de nv Henschel Engineering. De zaak werd, na cassatie, rechtsgeldig aanhangig gemaakt bij dit hof.

III. BEOORDELING.

1.

De nv Henschel Engineering herneemt in eerste instantie de argumentatie die zij reeds aanvoerde voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen (en voor het hof te Antwerpen). Volgens de nv Henschel Engineering werden de betwiste premies uitbetaald als een vorm van morele vergoeding omwille van de stopzetting van een goed draaiende bedrijfsafdeling die haar enige afnemer en opdrachtgever verloor. Door deze betaling werd de sociale vrede in de onderneming gevrijwaard en "afgekocht". Het was voor de nv Henschel Engineering, na een staking van de werknemers, noodzakelijk dat de overgebleven en goed draaiende afdelingen hun activiteiten kon hervatten. Het gaat volgens de nv Henschel Engineering om een morele schadevergoeding, die een schade dekt die onderscheiden is van de schade, vergoed door de opzeggingsvergoeding.

De nv Henschel Engineering voegt daar een dubbele bijkomende argumentatie aan toe.

De uitgekeerde vergoedingen zouden in de eerste plaats eveneens vrijgesteld zijn van bijdragen, op grond van artikel 19, § 2, 1°, van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 op de sociale zekerheid der werknemers, omdat het een vergoeding betrof, toegekend in geval van sluiting van ondernemingen.

De uitgekeerde vergoedingen zouden in de tweede plaats vrijgesteld zijn van bijdragen op grond van artikel 19, § 2, 2°, van hetzelfde Koninklijk Besluit, omdat het zou gaan om een aan de werknemers verschuldigde vergoeding omwille van het feit dat de werkgever zijn wettelijke, contractuele of statutaire verplichtingen niet nakwam.

In ondergeschikte orde betwist de nv Henschel Engineering de tegenvordering, zoals deze voor het hof geformuleerd wordt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Volgens haar moet het bedrag van 83.937,66 euro verminderd worden met een bedrag van 15.386,94 euro , dat betrekking had op de zogenaamde zaak "Beets", bedrag dat afzonderlijk voldaan werd.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verwijst in essentie naar het arrest van het Hof van Cassatie, tussengekomen in deze zaak. De Rijksdienst antwoordt niet op de bijkomende argumentaties die de nv Henschel Engineering aanvoert tot ondersteuning van haar stelling.

2.

Overeenkomstig artikel 14, al. 1, van de wet van 27 juni 1969 op de maatschappelijke zekerheid der werknemers worden de bijdragen voor sociale zekerheid berekend op het loon van de werknemers. Overeenkomstig art. 14, § 2, van dezelfde wet wordt het begrip loon bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. De Koning wordt echter, ingevolge dezelfde bepaling, gemachtigd het aldus bepaalde begrip te verruimen of te beperken en dit bij een in ministerraad overlegd besluit.

Overeenkomstig artikel 2, al.1, 1°, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers wordt onder ‘loon' verstaan, het loon in geld waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever.

3.

Het loonbegrip in het kader van de wet van 12 april 1965 is ruimer dan het arbeidsrechtelijke loonbegrip, dit is de tegenprestatie van de overeengekomen arbeid. Het loonbegrip van de wet van 12 april 1965 slaat op alle sommen en voordelen, waarop de werknemer, ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever.

In de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet wordt daarbij het volgende gesteld:

" De woorden ‘tengevolge van zijn dienstbetrekking' wijzen er duidelijk op dat onder loon, waaraan de regering bescherming wenst te verlenen, moet worden begrepen niet alleen het eigenlijke loon toegekend als rechtstreekse tegenprestatie van de verrichte arbeid, maar ook alle andere voordelen die in verband met de uitvoering, de beëindiging of de schorsing van de dienstbetrekking worden verleend, zoals opzegging en ontslagvergoedingen, vakantiegeld, loon voor betaalde feestdagen, arbeidsongevallen vergoedingen, loondervingvergoedingen wegens het niet verrichten van arbeid als gevolg van ziekte of gebrek aan werk, uitkeringen wegens gezinslast, uitkeringen bij beëindiging van dienstbetrekking op een bepaalde leeftijd of uitkeringen aan de nabestaanden van de overleden werknemers" (Kamer, 1962-1963, nr. 471/1,4).

In het cassatiearrest van 5 januari 2009 (S.08.0064.n/7, www.juridat.be) wordt gesteld dat "de betalingen door de werkgever aan zijn werknemer gedaan (..) in beginsel beschouwd (worden) als betalingen verschuldigd ingevolge de dienstbetrekking, dus als loon waarop de sociale zekerheidsbijdragen worden berekend". Als enige uitzondering daarop wordt vermeld de hypothese van de gift, die gedefinieerd wordt als het voordeel "dat niet toegekend wordt wegens de ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid en dus niet ingevolge de dienstbetrekking, maar bij gelegenheid van." In een cassatiearrest van 13 september 2010 (s09.0076. F/1, www. juridat.be) wordt geoordeeld dat een vergoeding die aan bepaalde werknemers wordt toegekend, omdat zij zich als vrijwilligers gemanifesteerd hebben om ontslagen te worden in het kader van een herstructurering, en aldus een bijzonder leed ondergingen in vergelijking met de werknemers die hun betrekking konden behouden, als een loon beschouwd moet worden omdat deze vergoeding ook "het gevolg is van hun aanwerving".

4.

De vergoeding, volgens de nv Henschel Engineering uitgekeerd "als een vorm van morele vergoeding omwille van de stopzetting van een goed draaiende bedrijfsafdeling die haar enige afnemer en opdrachtgever verloor" is een vergoeding die verband houdt met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en waarop de werknemer ingevolge de dienstbetrekking aanspraak heeft ten laste van de werkgever. De omstandigheid dat de werkgever tot betaling van deze som is overgegaan "onder druk van de vakorganisatie" en "ten einde de sociale vrede (te doen terugkeren) waardoor de overgebleven en goed draaiende afdelingen opnieuw hun activiteit konden hervatten", doet geen afbreuk aan deze vaststelling.

Er zijn geen elementen om de uitbetaalde premie te kwalificeren als een "morele schadevergoeding", vermits niet aangevoerd wordt welke fout de werkgever zou begaan hebben die hij moest vergoeden. Er zijn ook geen elementen om de uitbetaalde premie te kwalificeren als "gift", vermits de nv Henschel Engineering zelf aanvoert dat zij tot betaling is overgegaan onder druk van de vakorganisatie en de betaling deel uitmaakte van een globaal akkoord met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van een aantal werknemers en de werkhervatting binnen de onderneming.

5.

Overeenkomstig artikel 19, § 2, 2°, van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 zijn uit het loonbegrip gesloten:

" de aan de werknemers verschuldigde vergoedingen, wanneer de werkgever zijn wettelijke, contractuele of statutaire verplichtingen niet nakomt met uitzondering van ..."

De nv Henschel Engineering maakt niet duidelijk hoe de toegekende premies een vergoeding zouden kunnen uitmaken van een wettelijke, contractuele of statutaire verplichting die de werkgever niet is nagekomen. De werkgever had, naar aanleiding van het ontslag van de betrokken werknemers, enkel de wettelijke verplichting om de normale opzeggingsvergoedingen te betalen, evenals de vergoedingen voorzien door de wetgeving op de sluiting van de ondernemingen. Uit de overeenkomsten blijkt dat deze wettelijke verplichtingen voldaan werden. De uitbetaling van de betwiste premies zelf steunt op de contractuele verplichtingen die de werkgever op zich genomen heeft in het kader van de onderhandelingen, die gevoerd werden naar aanleiding van de sluiting van een afdeling van de onderneming.

6.

Overeenkomstig artikel 19, § 2, 1°, van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969, vóór zijn wijziging door het Koninklijk Besluit van 13 juli 2007 worden niet als loon beschouwd:

" De vergoedingen toegekend in geval van sluiting van ondernemingen".

In zijn arrest van 7 februari 2005 (www. Juridat.be RSZ t/ H.T.; Soc. Kron. 2006, 264) oordeelde het Hof van Cassatie dat de bepaling van artikel 19, § 2, 1°, van het Koninklijk Besluit niet uitsluitend betrekking heeft op de sluitingsvergoeding, bedoeld in artikel 6 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen, maar op alle vergoedingen die uitgekeerd worden als schadeloosstelling aan zulke ontslagen werknemers.

Voor de toepassing van deze bepaling moet echter, aldus het arrest, voldaan zijn aan al de toekenningsvoorwaarden bepaald in deze wet. Het moet in het bijzonder gaan om een vergoeding betaald aan een werknemer die ontslagen wordt naar aanleiding van de sluiting van ondernemingen, wat inhoudt dat de bepaling geen toepassing kan vinden op de werknemers die zelf ontslag nemen.

Het wordt niet betwist, en het blijkt uit de neergelegde stukken, dat er bij de nv Henschel Engineering sprake was van een sluiting van onderneming in de zin van artikel 2 van de wet van 28 juni 1966, zoals van toepassing op het ogenblik van het ontstaan van de betwisting. Er was sprake van een daling van het personeelsbestand tot minder dan 25% van de vroegere personeelsbezetting.

De door de nv Henschel Engineering uitbetaalde vergoedingen zouden dan ook kunnen beschouwd worden als een vergoeding toegekend in geval van sluiting van onderneming.

Er dient echter onderzocht te worden of voldaan is aan de voorwaarde dat het gaat om een vergoeding toegekend aan ontslagen werknemers. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voert ter zake geen enkele betwisting en heeft blijkbaar de argumentatie van de nv Henschel Engineering ter zake zonder meer over het hoofd gezien. Vermits de verplichting tot betaling van sociale zekerheidsbijdragen de openbare orde raakt, is het hof verplicht deze voorwaarde nader te onderzoeken.

De nv Henschel Engineering verwijst, in verband met het karakter van de premie, enerzijds naar een aantal voorbereidende besprekingen en anderzijds naar een ondernemings-cao van 14 mei 1990, stuk 6 van haar dossier en een bijlage bij deze cao, stuk 7 van haar dossier.

7.

De overeenkomst van 14 mei 1990 is een overeenkomst in verband met het brugpensioen. Daaraan hangt wel een korte overeenkomst van dezelfde datum inzake "afvloeiing." In deze overeenkomst is echter enkel sprake van de wettelijke sluitingspremie die aan iedere ontslagen werknemer wordt uitbetaald. De overeenkomst blijkt overigens enkel betrekking te hebben op de bedienden, vermits ze werd afgesloten met de representatieve vakorganisaties van bedienden.

Uit niets blijkt dat stuk 7, dat een overzicht inhoudt van het bedrag van de wettelijke sluitingspremie, van een bijkomende sluitingspremie en van een "gouden handdruk", een bijlage zou uitmaken van deze overeenkomst.

8.

De andere documenten waarnaar de nv Henschel Engineering verwijst, betreffende onderhandelingen over het ontslag van 115 arbeiders. Deze onderhandelingen werden afgesloten met een overeenkomst van 7 maart 1990, waarin in artikel 7 verwezen wordt naar een bijkomende cao die nog gesloten moet worden over het brugpensioen voor arbeiders.

De lezing van de verschillende verslagen van de onderhandelingsessies, samen met de afsluitende overeenkomst, bieden echter evenmin duidelijkheid over wie welke premie zal ontvangen.

Uit het verslag van de vergadering van 27 februari 1990 (stuk 3 van het dossier van de nv Henschel Engineering) blijkt dat beide partijen het er op dat ogenblik over eens waren dat de mogelijkheid van het vrijwillig ontslag de beste oplossing was. De vakorganisaties stelden daarbij de betaling voor van een premie van 125.000 fr. vrij van belasting. Daarover was echter geen akkoord mogelijk

Partijen zijn dan op 5 maart 1990 terug bij elkaar gaan zitten. In het ultieme voorstel van de vakbonden op deze vergadering was er geen sprake meer van een vrijwillig ontslag. Volgens de eisen van de vakorganisaties zouden alle werknemers, bovenop de wettelijke vergoedingen, een bijkomende premie moeten krijgen in functie van het aantal dienstjaren. Ook op dat ogenblik was echter evenmin een consensus mogelijk.

In het verslag van de daarop volgende vergadering van 7 maart 1990 leest men dat "de directie de financiële modaliteiten in verband met het collectief ontslag bespreekt en aankondigt dat de sluitingspremie, die aanzienlijk verhoogd wordt, afhankelijk is van het aantal dienstjaren". Dit principe wordt door de vakbonden aanvaard. Een bedrag van de sluitingspremie wordt niet vermeld. Wel wordt in alinea 1 van p. 2 van het verslag vermeld: " Er wordt overeengekomen dat iedereen die niet vermeld is op de lijst vrijwillig kan weg gaan onder de gestelde voorwaarden.

Dit aantal wordt dan in mindering gebracht van voornoemde lijst. Maar van sommigen zal het ontslag niet aanvaard worden".

Na een beraad van de vakbonden wordt vermeld dat de overeenkomst tussen vakbonden en directie wordt gesloten.

Die overeenkomst, die van dezelfde dag is, vermeldt onder artikel 5 de modaliteiten van de afvloeiing. In art. 5.2 wordt vermeld dat inzake contractbreukvergoedingen toepassing gemaakt wordt van de geldende wettelijke en conventionele bepalingen en dat inzake de vergoeding voorzien voor de sluiting van de ketelafdeling eveneens de wettelijke regeling gevolgd wordt. Van de betaling van een aanvullende sluitingspremie is echter geen sprake.

Onder nr. 5.3. van de overeenkomst is er sprake van het ontslag uitgaande van de werknemer. Onder nr. 1 wordt gesproken over arbeiders die niet in aanmerking komen voor "huidige regeling bij ontslag werknemer". Waarnaar dit verwijst is niet duidelijk. Wel wordt voorzien dat de arbeiders, die zelf ontslag nemen, aanspraak kunnen maken op een pro rata eindejaarspremie, het pro rata bedrijfsverlof en de pro rata bedrijfsvoordelen. Van de betaling van een aanvullende sluitingspremie is ook hier geen sprake.

9.

In het licht van bovenstaande elementen kan niet uitgemaakt worden aan welke werknemers de aanvullende sluitingspremie betaald werd. Werd de aanvullende sluitingspremie betaald aan alle werknemers die onderneming verlieten, of alleen aan de werknemers die ontslagen werden of eventueel alleen aan de werknemers die zelf ontslag namen?

Uit het onderzoek van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (stuk 3) blijkt dat de regularisatie betrekking heeft op 8 bedienden en 47 arbeiders, die allen een premie zouden ontvangen hebben, geboekt onder de code 2400 (belastbare premie niet per betaalperiode) en waarvoor dus geen sociale zekerheidsbijdragen werden betaald. De door de sociale inspectie vastgestelde betalingen van premies hebben (tenzij de sociale inspectie bepaalde premies niet zou opgemerkt hebben) aldus blijkbaar geen betrekking op alle werknemers die getroffen werden door de sluiting. Er waren immers 115 arbeiders die ontslagen werden en 25 bedienden. Ook in stuk 7 van het dossier van de nv Henschel Engineering is er slechts sprake van een beperkt aantal werknemers (35) voor wie een berekening van de premie wordt gemaakt.

Uit het verslag van de sociale inspectie blijkt verder dat de nv Henschel Engineering nooit heeft willen meedelen hoe de premie berekend werd en onder welke voorwaarden deze premie werd betaald. De mogelijkheid blijft aldus open dat in feite de premie toch enkel betaald werd aan de werknemers die zelf ontslag namen, in welk geval de nv Henschel Engineering geen beroep kan doen op de door haar ingeroepen vrijstelling van bijdrage.

10.

Het past dat de nv Henschel Engineering, indien zij in haar voordeel de bepaling van artikel 19, § 2, 1°, wil inroepen, aantoont aan welke categorieën van werknemers de aanvullende sluitingspremie werd uitbetaald. In het bijzonder moet de nv Henschel Engineering aantonen dat de premies, waarvoor de regularisatie werd doorgevoerd, betaald werden aan ontslagen werknemers. Zij kan dit bijvoorbeeld doen op de hand van het personeelsregister of op basis van de loonfiches. Voor de werknemers, die ontslagen zijn, moet daarop immers in principe sprake zijn van de betaling van een verbrekingsvergoeding.

11.

In het kader van de heropening van de debatten lijkt het ook aangewezen dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid standpunt inneemt in verband met de betwisting van de tegenvordering die zij voor dit hof stelt, met name over de vraag of op het door haar gevorderde bedrag een som van 15.385,94 euro in mindering moet gebracht worden. Het hof stelt overigens vast dat in het neergelegde dossier zich geen enkel stuk bevindt dat als dusdanig een berekening inhoudt van de actuele vordering van de Rijksdienst.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Vooraleer recht te doen ten gronde,

Beveelt de heropening van de debatten teneinde

(1) de nv Henschel Engineering toe te laten aan te tonen aan welke werknemers een "sluitingspremie" betaald werd, meer bepaald of het gaat om ontslagen werknemers dan wel om werknemers die zelf ontslag hebben ingediend;

(2) de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid toe te laten standpunt in te nemen met betrekking tot de betwisting van de afrekening van haar tegenvordering.

De nv Henschel Engineering zal haar besluiten uiterlijk neerleggen 30 augustus 2013.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zal de toelichting bij haar afrekening, evenals haar antwoord op de besluiten van de nv Henschel Engineering neerleggen uiterlijk op 31 oktober 2013.

De zaak zal terug opgeroepen worden op de zitting van donderdag 19 december 2013 om 14u voor een gezamenlijke pleitduur van 30 minuten.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Christian LAURIERS, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Jean-Pierre VAN CONINGSLOO, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Jean-Pierre VAN CONINGSLOO

Christian LAURIERS Fernand KENIS

De heer Christian LAURIERS, raadsheer in sociale zaken, werkgever, die aan het beraad heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen.

Overeenkomstig art. 785 Ger. W. wordt het arrest ondertekend door Fernand KENIS, raadsheer en Jean-Pierre VAN CONINGSLOO, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider.

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 13 juni 2013 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Vrije woorden

  • SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS

  • ALGEMENE REGELING

  • Bijdragen.