- Arrest van 20 juni 2013

20/06/2013 - 2013/AB/154

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Onjuiste verklaringen van de leefloontrekker met betrekking tot een samenwoning kunnen er niet toe leiden dat het volledig leefloon met terugwerkende kracht wordt herzien en teruggevorderd. De terugvordering dient beperkt te worden tot het verschil tussen het leefloon van de catergorie alleenstaande en de categorie samenwonende. Artikel 30 van de wet laat enkel toe een bijkomende sanctie op te leggen naar de toekomst.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.: 2013/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 20 JUNI 2013

7e KAMER

OCMW - maatschappelijke dienstverlening

verstek van de heer O.

definitief

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 8°, Ger. W.)

in de zaak:

1. OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN GENT, met zetel te 9000 GENT, Onderbergen 86, appellant, vertegenwoordigd door mr. VANDENDRIESSCHE loco mr. VAN ACKER Elie, advocaat te 9030 MARIAKERKE (GENT), Brugsesteenweg 591

tegen:

1. O. , wonende te xxx, geïntimeerde, die niet verschijnt, noch wordt vertegenwoordigd.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken bij verstek van de heer O. op 24 januari 2013 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 31e kamer (A.R. 12/3685/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 12 februari 2013,

het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 7 mei 2013 door advocaat-generaal J.-J. ANDRE,

de voorgelegde stukken.

***

*

De appellant heeft zijn middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 2 mei 2013, waarna de debatten werden gesloten, het openbaar ministerie zijn schriftelijk advies ter griffie heeft neergelegd, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De heer O. bekwam vanaf 15 augustus 2005 een leefloon van het ocmw Gent, oorspronkelijk als samenwonende en daarna, vanaf 1 november 2005, als alleenstaande. Hij bekwam bovendien op 26 oktober 2005 een bedrag van 700 euro ten einde hem in de gelegenheid te stellen de huurwaarborg te betalen van de woning, die hij zou betrekken aan de xxx.

Op 12 december 2005 werd de heer O. uitgenodigd voor een gesprek door de maatschappelijk werker, teneinde zijn situatie nader te onderzoeken. De heer O. kwam tot viermaal toe niet opdagen op de afspraak. Uiteindelijk kwam er slechts een afspraak op 30 januari 2006, waarbij de heer O. bevestigde dat hij alleenstaande was. Toen er echter een afspraak gemaakt werd voor een huisbezoek dezelfde dag werd dit door de heer O. afgezegd. Verder onderzoek leerde dat op het adres van de heer O. een vrouw, mevrouw U., gedomicilieerd was met drie kinderen, met wie de heer O. bevestigde een relatie gehad te hebben. Hij zou deze relatie echter verbroken hebben in januari 2006 en zou vanaf 2 februari 2006 ergens alleen in Gent verblijven. Hij had echter een adreswijziging voor Charleroi aangevraagd.

Verder bleek dat de heer O. van zijn huisbaas terugbetaling had bekomen van de huurwaarborg, waarvoor het ocmw was tussengekomen.

2.

Op 7 maart 2006 besliste het ocmw Gent over te gaan tot terugvordering van de huurwaarborg, die overigens slechts bij wijze van voorschot toegekend was.

Op 23 maart 2006 besliste het ocmw Gent de uitbetaling van het leefloon stop te zetten vanaf 1 maart 2006 en over te gaan tot terugvordering van het geheel van het leefloon dat de heer O. genoten had vanaf 1 november 2005.

3.

Bij verzoekschrift van 15 maart 2012 heeft het ocmw Gent voor de arbeidsrechtbank te Brussel de veroordeling gevraagd van de heer O. tot terugbetaling van de som van 2.918,67 euro , te vermeerderen met de vergoedende intresten en de wettelijke intresten.

Bij vonnis van 24 januari 2013, ter kennis gebracht aan het ocmw Gent op 30 januari 2013, heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de vordering van het ocmw Gent slechts gedeeltelijk gegrond verklaard. De heer O. werd veroordeeld tot terugbetaling van de som van 1.742,67 euro .

4.

Bij verzoekschrift van 12 februari 2013 heeft het ocmw Gent hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing en is aldus tijdig. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

De arbeidsrechtbank was van oordeel dat de terugvordering gegrond was voor wat betreft de betaalde huurwaarborg maar voor wat betreft het leefloon, enkel het leefloon voor de periode vanaf 12 januari 2006, omdat slechts vanaf die datum vaststond dat de heer O. geen alleenstaande was, maar samenwonende.

Het ocmw Gent is van oordeel dat het gehele leefloon kan teruggevorderd worden vanaf 1 november 2005. Het steunt zich hierbij, zoals in de beslissing van 23 maart 2006, essentieel op het feit dat de heer O. verschillende onjuiste en onvolledige verklaringen heeft afgelegd, zowel wat betreft zijn familiale situatie als voor wat betreft zijn woonsituatie, en geweigerd heeft mee te werken aan het ingestelde onderzoek. Het ocmw Gent voert verder aan dat, alhoewel de partner van de heer O. slechts vanaf 12 januari 2006 op hetzelfde adres gedomicilieerd werd, dit slechts de bekrachtiging was van een feitelijke situatie die al vroeger bestond.

2.

Terecht heeft de eerste rechter de vordering van het ocmw Gent gegrond verklaard voor wat betreft de terugbetaling van de huurwaarborg. Het blijkt immers voldoende uit het administratief dossier dat de heer O. die huurwaarborg in feite nooit heeft moeten gebruiken, omdat voor zijn woning reeds een huurovereenkomst werd afgesloten met zijn partner. Bovendien is de huurovereenkomst, voor zover die al effectief bestaan heeft, de facto beëindigd geworden begin februari 2006, ogenblik waarop de heer O. de woning verliet.

Terecht ook heeft de eerste rechter de vordering gegrond verklaard voor het leefloon dat betaald werd vanaf begin februari 2006. Het blijkt immers niet dat de heer O., die een domicilie wijziging had aangevraagd voor Charleroi, nog in Gent verbleef.

3.

Het ocmw Gent kan niet gevolgd worden waar het, uit de omstandigheid dat de heer O. onvoldoende meewerkte aan het maatschappelijk onderzoek of onjuiste verklaringen aflegde, afleidt dat het geheel van het toegekende leefloon zonder meer kan teruggevorderd worden.

Een dergelijke conclusie kan niet afgeleid worden uit artikel 30, § 1, van de wet van 26 mei 2002 op de maatschappelijke integratie, waarnaar verwezen wordt in de administratieve beslissing van 23 maart 2006. Artikel 30, § 1, van de wet laat enkel toe om bij onjuiste of onvolledige verklaringen de uitbetaling van het leefloon geheel of gedeeltelijk te schorsen voor een periode van ten hoogste zes maanden of, ingeval van bedrieglijk opzet, voor ten hoogste 12 maanden. Een dergelijke schorsing, als sanctie, kan enkel uitwerking hebben naar de toekomst toe, en moet opgelegd worden met inachtneming van de procedureregels voorzien in artikel 20 en 21 van de wet.

4.

Overeenkomstig artikel 24, § 1, 1°, van de wet van 26 mei 2002 kan het leefloon, uitgekeerd in toepassing van de wet, van de leefloonaanvrager worden teruggevorderd ingeval van een herziening van het recht op leefloon met terugwerkende kracht, zoals bedoeld in artikel 22, § 1, van de wet. Overeenkomstig deze laatste bepaling kan het openbaar centrum het recht op leefloon onder meer herzien ingeval van gewijzigde omstandigheden die een invloed hebben op de rechten van de persoon of bij verzuim, onvolledige en onjuiste verklaringen. De beslissing tot herziening heeft, overeenkomstig art. 22, § 2, van de wet in de regel uitwerking met ingang van de dag waarop de reden is ontstaan die tot herziening aanleiding heeft gegeven.

Herziening van de beslissing houdt in dat het recht op leefloon, hetzij ingetrokken wordt wanneer niet aan de voorwaarden voldaan is om aanspraak te maken op leefloon, hetzij verminderd wordt wanneer de leefloonaanvrager een hoger leefloon heeft ontvangen dan datgene waarop hij recht had. Dit laatste zal het geval zijn wanneer de leefloonaanvrager een leefloon ontvangen heeft als alleenstaande, terwijl hij in feite samenwoonde.

5.

Met het ocmw Gent kan aanvaard worden dat de heer O. in feite reeds sinds 1 november 2005 samenwoonde. Uit het administratief dossier en het verslag van de sociale assistente blijkt dat de woning die hij betrok vanaf 1 november 2005, al sinds 12 september 2005 gehuurd werd door mevrouw U., zijn partner, die daar echter niet onmiddellijk haar domicilie gevestigd had uit vrees dat haar vroegere partner haar zou lastigvallen.

De heer O. kon vanaf 1 november 2005 dan ook slechts aanspraak maken op een leefloon als samenwonende.

De herziening, en het daarmee verbonden recht op terugvordering, kon derhalve slechts betrekking hebben op het statuut van de heer O. als alleenstaande, maar niet op zijn recht op leefloon als dusdanig. Er kan geen analoge toepassing gemaakt worden van art. 98, § 1, laatste alinea, van de wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Er wordt niet aangevoerd dat, ingevolge het inkomen van de partner van de heer O., die zelf een leefloon genoot, er geen recht meer was op leefloon.

De terugvordering is dan ook voor de maanden november 1995 tot januari 1996 slechts gelijk aan het verschil tussen het leefloon van een alleenstaande en het leefloon van een samenwonende, hetzij 3 x 208.53 euro = 625,59 euro .

6.

Het ocmw Gent kan derhalve terugvorderen: 700 euro (huurwaarborg) + 417,07 euro (leefloon vanaf februari + 625,59 euro (gedeelte leefloon van 31 /11/2005 tot 31/01/2006) - 74,90 euro (reeds ingehouden) = 1.667,76 euro . Vermits de eerste rechter de heer O., die geen beroep instelde, veroordeelde tot terugbetaling van een hoger bedrag dient het vonnis van de eerste rechter bevestigd te worden, zij het op andere motieven.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend bij verstek ten aanzien van de heer O.,

Gehoord in zijn eensluidend advies, de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt in overeenstemming met artikel 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek het ocmw Gent tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot in hoofde van de heer O. op 0 euro .

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Christian LAURIERS, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Jean-Pierre VAN CONINGSLOO, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Jean-Pierre VAN CONINGSLOO

Christian LAURIERS Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 20 juni 2013 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Vrije woorden

  • SOCIALE VOORZORG

  • RECHT OP MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE

  • Leefloon (bestaansminimum).