- Arrest van 28 juni 2013

28/06/2013 - 2011/AB/679

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een werknemer kan in het kader van één arbeidsovereenkomst twee verschillende werkgevers hebben, wat het geval kan zijn bij gelieerde vennootschappen, waarbij het werkgeversgezag gedeeld of gezamenlijk uitgevoerd wordt door een buitenlandse moeder- en haar dochtermaatschappij.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 28 JUNI 2013

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst arbeider

tegensprekelijk

definitief

In de zaak (2011/AB/679):

T.,

appellant,

verschijnend in persoon en bijgestaan door mr. DESIMPELAERE Matthias en mr. WAUTERS Céline loco mr. CORBANIE Stefan, advocaat te

1831 DIEGEM, De Kleetlaan, 12A.

Tegen:

TCHAI BEHEER BV, met zetel te

Kolenbranderstraat 24, 2984 AT Ridderkerk, NEDERLAND,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. BOEL An loco mr. MERGITS Bert, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 247 bus 14.

In de zaak (2012/AB/1083):

T.,

appellant,

verschijnend in persoon en bijgestaan door mr. DESIMPELAERE Matthias en mr. WAUTERS Céline loco mr. CORBANIE Stefan, advocaat te

1831 DIEGEM, De Kleetlaan, 12A.

Tegen:

CIRRES GROUP BELGIUM BVBA, voorheen TCHAI BELGIUM BVBA, met zetel te 2018 ANTWERPEN, Brusselsestraat 51, failliet verklaard door de rechtbank van koophandel te Antwerpen op 13 januari 2011 en

voor wie optreedt als curator mr. LAUGS Guy, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 12 bus 8.

vertegenwoordigd door mr. VAN INGELGEM Maarten

geïntimeerde,

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op 21 mei 2010 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 2485/07),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 20 juli 2011 (2011/AB/679) en 9 november 2012 (2012/AB/1083),

de conclusies en de syntheseconclusie voor de heer T. neergelegd ter griffie, respectievelijk op 23 december 2011 en 27 februari 2012 (2011/AB/679),

de conclusie en de syntheseconclusies voor de Tchai Beheer BV neergelegd ter griffie, respectievelijk op 15 november 2011, 17 januari 2012 en 9 maart 2012 (2011/AB/679),

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 7 juni 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHSPLEGING

1. Op 18 juni 1991 ondertekenden de BV Tchai Displays en de heer T. een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd, waardoor de heer T. met ingang van 24 juni 1991 werd aangeworven als account manager.

Op 31 december 1992 werd de naam van de BV Tchai Displays gewijzigd in Tchai Beheer.

2. Bij notariële akte dd. 27 januari 1993 van notaris Michielsens uit Wijnegem werd de BVBA Tchai Displays opgericht met de BV Tchai Beheer en de heer T. als vennoten. Laatstgenoemde werd voor onbepaalde tijd benoemd als onbezoldigd zaakvoerder (BS 16 februari 1993).

In de algemene vergadering van 29 maart 2002 werden de bestuurdersbevoegdheden niet exhaustief opgesomd in een lijst van 15 punten.

De heer T. was enkel en alleen bevoegd voor de punten 2 en 12 en wat betreft punt 12 is zijn bevoegdheid beperkt tot euro 125.000.

Punt 2 handelt over: de dagelijkse briefwisseling ondertekenen

Punt 12 handelt over: alle mandaten, cheques, wisselbrieven, orderbrieven en andere handelsdocumenten opmaken, ondertekenen, aanvaarden, verhandelen en endosseren, betalingstermijnen van vervallen wisselbrieven en orderbrieven verlengen; alle verrekeningen en dadingen opmaken en aanvaarden, indeplaatstellingen aanvaarden en toestaan.

3. Bij aangetekende brief van 1 juni 2006 werd aan de heer T. een kennisgeving van ontslag verzonden. Hij werd in kennis gesteld van zijn ontslag als zaakvoerder met onmiddellijke ingang vanaf 1 juni 2006 zoals beslist op de algemene vergadering van 1 juni 2006. Hij mocht geen enkele handeling meer stellen uit hoofde van enig mandaat van de BVBA Tchai Belgium. Hij diende alle bezittingen van de vennootschap in te leveren, uiterlijk op 7 juni onder dreiging van juridische stappen.

Op 6 juli ontving hij de afrekening van zijn salaris 2006, het verlofgeld en een maaltijdcheque, samen met een tewerkstellingsattest en een gecorrigeerde jaaropgave 2005.

4. Bij aangetekende brief van 21 juni 2006 aan de BVBA Tchai Belgium en de BV Tchai Displays verwees de heer T. naar zijn tewerkstelling als handelsvertegenwoordiger bij zowel de BVBA Tchai als bij de BV Tchai Displays en dit sedert 24 juni 1991 met een riant omzetcijfer.

Hij vorderde betaling van een opzeggingsvergoeding van 19 maanden of euro 142.648 en een uitwinningsvergoeding van 6 maanden of euro 45.047. Hij vroeg ook de aanzuivering van zijn sociale zekerheidsbijdragen en betaling van 35 achterstallige vakantiedagen.

5. Deze brief werd niet beantwoord, zodat de heer T. op 2 februari 2007 de beide vennootschappen dagvaardde voor de arbeidsrechtbank te Brussel om hen solidair, hoofdelijk en ondeelbaar te horen veroordelen tot betaling van:

een opzeggingsvergoeding van 19 maanden of euro 147.340,93

een pro rata eindejaarspremie van euro 2.386,38

een uitwinningsvergoeding van 6 maanden of euro 46.528,72

vakantiegeld bij uitdiensttreding van euro 1 provisioneel

regularisatie sociale zekerheid van euro 1 provisioneel

vermeerderd met intresten en kosten.

6. Bij tussenvonnis van 6 juni 2008 beval de arbeidsrechtbank te Brussel op grond van art. 877 Ger. W. aan beide vennootschappen volgende stukken neer te leggen:

een eensluidend uittreksel/afschrift van het aandelenregister van de Belgische vennootschap

de jaarverslagen van de Belgische vennootschap voornamelijk sedert 1999

de gecorrigeerde jaaropgave 2005

de fiscale fiche 281

het bewijs van de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen zelfstandigen, zoals vermeld in de loonafrekeningen.

De BV Tchai Beheer maakt melding van de betekening van het tussenvonnis op 21 juni 2011.

De Belgische vennootschap, die aanvankelijk was verschenen via de gemeenschappelijke raadsman van beide vennootschappen, verscheen van dan af niet meer en moest worden opgeroepen op grond van art. 803 Ger. W.

Er werd geen gevolg gegeven aan het tussenarrest, ook niet door de BV Tchai Beheer, die zich verder verdedigde.

Bij eindvonnis van 21 mei 2010 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering in volgende mate gegrond ten aanzien van de BVBA Tchai Belgium (bij verstek) en ongegrond ten aanzien van de BV Tchai Beheer voor de betaling van:

een opzeggingsvergoeding van 12 maanden of euro 79.724,01

een pro rata eindejaarspremie van euro 2.386,38

een uitwinningsvergoeding van 6 maanden of euro 39.862

vakantiegeld bij uitdiensttreding van euro 1 provisioneel

regularisatie sociale zekerheid van euro 1 provisioneel

vermeerderd met intresten, te kapitaliseren vanaf 3 maart 2008 en kosten.

afgifte van sociale en fiscale documenten met uitzondering van loonfiches en tewerkstellingsattest onder verbeurte van een dwangsom.

7. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 20 juli 2011, tekende de heer T. hoger beroep aan tegen de BV Tchai Beheer en hernam hij zijn oorspronkelijke vordering (AR 2011/AB/679).

Op 29 juli 2008 wijzigde de BVBA Tchai Belgium haar naam in Cirres Group Belgium. Ze werd failliet verklaard door de rechtbank van koophandel te Antwerpen op 13 januari 2011 en mtr. Laugs werd aangesteld als curator (BS 21 januari 2012).

Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 9 november 2012, tekende de heer T. hoger beroep aan tegen de failliete BVBA Cirres Group Belgium en hernam hij zijn oorspronkelijke vordering (AR 2012/AB/1083).

II. BEOORDELING

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat de hogere beroepen tijdig werden ingesteld. Ze zijn regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan.

Aangezien beide beroepen gericht zijn tegen hetzelfde vonnis, dienen ze voor een goede rechtsbedeling te worden samengevoegd.

2. De curator van de failliete Belgische vennootschap betwist de vordering niet wezenlijk, ook niet wat betreft het bestaan van een arbeidsovereenkomst en het ontslag als handelsvertegenwoordiger.

De heer T. houdt in essentie voor dat hij na de stichting van de Belgische vennootschap ook steeds in dienst gebleven is bij de BV Tchai Displays/Beheer, van waaruit het daadwerkelijke gezag over zijn activiteiten als account manager werden uitgeoefend door de heer T.E.

Hij was daardoor gelijktijdig in dienst van beide vennootschappen, zodat hij de veroordeling in solidum vraagt.

De tewerkstelling bij beide vennootschappen

3. Teneinde meer duidelijkheid te bekomen over de concrete werkverhouding van de heer T. ten aanzien van beide vennootschappen heeft de eerste rechter bij tussenvonnis van 6 juni 2008 (waartegen geen hoger beroep) op grond van art. 877 Ger. W. aan de twee vennootschappen de voorlegging van bepaalde stukken gevraagd.

Geen van beide vennootschappen heeft hieraan gevolg willen geven.

De Belgische BVBA, die aanvankelijk verscheen door dezelfde raadsman als de Nederlandse BV, is van dan af niet meer verschenen.

Het moderne bewijsrecht wordt beheerst door de samenwerkingsplicht en de loyauteit van partijen, reden waarom de rechter op grond van de art. 871 en 877 de voorlegging van stukken kan bevelen. Een partij kan zich dus niet meer afzijdig opstellen (bewerend dat de bewijslast op tegenpartij rust) wanneer die partij over bewijsmateriaal beschikt waarop die tegenpartij een nuttig beroep zou kunnen doen. (S. Stijns, Verbintenissenrecht deel 2, Brugge, die Keure, 2009, 156-157, nr. 208 en 163, nr. 217)

De rechter kan ten aanzien van de deloyale procespartijen sanctionerend optreden en zich steunen op een feitelijk vermoeden, afgeleid uit de weigering mee te werken (S. Stijns, a.w., p. 157, voetnoot 32; B. Allemeersch, Taakverdeling in het burgerlijk procesrecht, Mortsel Intersentia, 2007, 451, nr. 146; vgl. Cass. 17 december 1998, RW 1998-99, 1144).

4. Een werknemer kan in het kader van één arbeidsovereenkomst twee verschillende werkgevers hebben, wat het geval kan zijn bij gelieerde vennootschappen, waarbij het werkgeversgezag gedeeld of gezamenlijk uitgevoerd wordt door een buitenlandse moeder- en haar dochtermaatschappij (voor voorbeelden in de rechtspraak: zie W. van Eeckhoutte, Sociaal Compendium 10-11, 581, nr. 1126; zie bv. Arbh. Luik 8 november 1996, JTT 1997, 151; Arbh. Brussel 7 oktober 1998, JTT 1999, 152; Arbh. Gent 14 november 2011, JTT 2012, 155).

De Belgische BVBA spreekt niet tegen dat ze het werkgeversgezag over de heer T. uitoefende; met de Nederlandse BV had de heer T. op 18 juni 1991 een arbeidsovereenkomst als account manager afgesloten.

5. Weliswaar houdt de BV voor dat deze arbeidsovereenkomst bij de oprichting van de BVBA in onderling akkoord beëindigd werd, maar dit wordt door de heer T. ontkend, zoals door hem nog eens uitdrukkelijk bevestigd ter zitting.

Hij zegt dat er zelfs geen bespreking in die zin is geweest en dat hij steeds dezelfde taken en opdrachten is blijven uitvoeren, met dien verstande dat vanaf de oprichting van de BVBA hem enkel de functie van zaakvoerder werd toebedeeld om de nodige formaliteiten in België te kunnen verrichten.

6. Gelet op de betwisting door de BV van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in onderling akkoord, rust de bewijslast voor het bestaan van een dergelijk akkoord op degene die zich hierop beroept, in casu de vennootschap zelf.

Een dergelijk bewijs ligt niet voor, zodat deze beëindiging niet kan worden aangenomen en het voorbestaan van de arbeidsovereenkomst moet worden aanvaard.

7. Het voortbestaan van deze arbeidsovereenkomst en van de eruit voortvloeiende gezagsverhouding kan overigens afgeleid worden uit de Aktielijst van 19 december 1993, uitgaande van de heer E.T., die als directeur van de BV de arbeidsovereenkomst van 18 juni 1991 ondertekende als werkgever (stuk 16 van de heer T.).

Hierin wordt uitgelegd dat de volgende akties zullen moeten worden ondernomen om te zorgen dat optimaal zijn tijd kan besteden aan de Belgische markt. Verder zal een aantal dingen doen om de markt in België uit te breiden. Dit laatste heeft precies betrekking op de overeengekomen functie van account manager.

Ook de gezagsuitoefening blijkt uit deze actielijst, waar in 05 i.v.m. het verkoopplan aangemaand wordt om zich te concentreren op onze corebusiness. ...

Concentreer je op hoofdzaken en steek niet te veel tijd in bijzaken (zoals folderbakken).

Voor de administratieve werkzaamheden (0.4) wordt uitdrukkelijk gezegd dat deze moeten gedaan worden onder supervisie van Nederland.

Hieruit blijkt dan ook dat de heer T. in verband met zijn verder uitgeoefende functie van account manager niet vrij was om zijn werktijd en zijn werk te organiseren en dat er vanuit Nederland hiërarchische controle werd uitgeoefend.

Dit kan ook afgeleid worden uit het organisatieschema van 21 november 1995 waar in het organigram boven de BVBA Tchai Displays Belgium als directie de heer E.T. vermeld wordt.

8. Anderzijds blijkt uit de verdeling van de bevoegdheden tussen de zaakvoerders van de BVBA dat de heer T. slechts secundaire bevoegdheden had (zie randnummer I.2) en dat het merendeel van de zeggenschap bij de heer E.T. berustte. Bovendien berustte de controle voor het personeelsbeleid bij de heer D.W., zodat de gezagsuitoefening over de heer T. onderscheiden was van zijn beperkte bevoegdheid als zaakvoerder.

9. Aan dit alles wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat in de aanwezigheidslijst van de bijzondere algemene vergadering van de BVBA van 1 juni 2006 de BV Tchai Instore Marketing, vertegenwoordigd door E.L. Tchai, als 100% aandeelhouder vermeld staat.

Immers, uit de (niet beëindigde) arbeidsovereenkomst van 18 juni 1991 blijkt dat de heer T. werd aangeworven door de BV Tchai Displays (later omgevormd tot BV Tchai Beheer) en uit het enig door de BV voorgebrachte stuk blijkt dat zijzelf de Belgische BVBA oprichtte.

Nu ze geen gevolg heeft gegeven aan de vraag in het tussenvonnis om de vennootschapsstructuur en evolutie te verduidelijken, is ze slecht geplaatst om zich achter mogelijke tussentijdse wijzigingen te verschuilen.

10. Uit de in de randnummers 4 tot en met 10 aangehaalde elementen volgt dat het gezag over de account managersfunctie van de heer T. gedeeld werd uitgeoefend door de BV T. Beheer en de BVBA T. Belgium, die gelieerde vennootschappen waren.

De heer T. vraagt om die reden de solidaire veroordeling. Op grond van art. 1202 BW wordt hoofdelijkheid niet vermoed en moet zij uitdrukkelijk bedongen zijn; ook kan zij volgen uit de wet, zij het dat dit laatste in ruime zin geïnterpreteerd wordt, zodat ook gewoonteregels en algemene rechtsbeginselen hieronder vallen (S. Stijns, a.w., 37, nr. 53) Aan deze voorwaarden is hier niet voldaan, daar geen overeenkomst of wettelijke basis wordt aangetoond. (anders Arbh. Antwerpen 11 februari 2004, Soc. Kron. 2004, 475).

Nochtans aanvaarden rechtspraak en rechtsleer een verbintenis in solidum, wanneer meerdere schuldenaars hetzelfde voorwerp verschuldigd zijn, waar noch de wet, noch de overeenkomst de passieve hoofdelijkheid hebben bepaald (S. Stijns, a.w., 49, nr. 70).

Bij een gedeelde uitoefening van het werkgeversgezag, zijn de beide vennootschappen in solidum gehouden tot de werkgeversverplichtingen (Arbh. Gent 14 november 2011, JTT 2012, 155).

De opzeggingsvergoeding

11. Gelet op het einde van de tewerkstelling op 1 juni 2006, heeft de heer T. recht op een opzeggingsvergoeding die gelijk is aan het lopende loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn.

De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, JTT 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, R.W. 1990-1991, 1407; Cass. 11 maart 2013, S.12.0088.N, S.12.0099.N en S.12.0101.N, www.juridat.be)

12. De eerste rechter heeft het jaarloon op basis van de gegevens van de loonfiches begroot op euro 5.727,30 x 13,92 = euro 79.724,01.

De heer T. gaat uit van euro 93.057,43; in zijn brieven van 21 juni 2006 verwees hij naar een bedrag van euro 90.093, zonder deze cijfers toe te lichten of te verantwoorden. Alleszins brengt hij geen grieven aan tegen de begroting in het bestreden vonnis.

Deze dient dan ook te worden aangehouden.

Rekening houdend met het jaarloon van euro 79.724,01, de leeftijd van 55,5 jaar, de anciënniteit van bijna 15 jaar en de functie van handelsvertegenwoordiger, kan de kans van de heer T. om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden worden geraamd op 16 maanden, zodat hij aanspraak kan maken op een opzeggingsvergoeding van euro 79.724,01/12 x 16 = euro 106.298,68.

De uitwinningsvergoeding

13. Artikel 101 van de arbeidsovereenkomstenwet kent aan de handelsvertegenwoordiger een recht op de uitwinningsvergoeding toe, indien aan 4 voorwaarden cumulatief wordt voldaan:

- de arbeidsovereenkomst werd beëindigd door de werkgever zonder dringende reden,

- de handelsvertegenwoordiger heeft aan de werkgever een cliënteel aangebracht,

- hij is langer dan een jaar tewerkgesteld als handelsvertegenwoordiger,

- de werkgever toont niet aan dat de handelsvertegenwoordiger door de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen nadeel heeft geleden.

Art.105 van deze wet voegt daaraan toe dat het concurrentiebeding ten behoeve van de handelsvertegenwoordiger een vermoeden schept dat hij een cliënteel heeft aangebracht; de werkgever kan hiervan het tegenbewijs leveren. Voor de toepassing van artikel 105 van de Arbeidsovereenkomstenwet volstaat dat de werkgever een concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst opneemt, ongeacht het feit dat het beding wegens formele tekorten geen uitwerking heeft (Arbh. Antwerpen, 23 oktober 1978, JTT 1979, 357; Arbh. Brussel, 13 februari 1980, JTT 1980, 141 ; Arbh. Luik, 19 december 1991, JTT 1992, 107 ; Arbh. Bergen, 1 maart 1999, JTT 2000, 62; vgl. Cass., 22 december 1976, Arr. Cass. 1977, 457).

Art. 8 van de arbeidsovereenkomst van 18 juni 1991 bevat een niet concurrentie-beding; het vermoeden van art. 105 wordt niet weerlegd; niet betwist wordt dat de heer T. aan de andere voorwaarden van art. 101 voldoet.

Hij heeft dan ook recht op de uitwinningsvergoeding, zoals begroot door de eerste rechter op euro 79.724,01/12 x 6 = euro 39.862.

Pro rata eindejaarspremie

14. Artikel 5 van de CAO van 29 mei 1989 betreffende de arbeids- en loonsvoorwaarden zoals van toepassing in het PC 218, (KB 6 augustus 1990, BS 31 augustus 1990, zoals gewijzigd) voorziet in het recht op uitbetaling van een pro rata eindejaarspremie, die door de eerste rechter correct werd begroot op euro 5.727,30/12 x 5 = euro 2.386,38

Vakantiegeld einde dienst

15. Er wordt niet aangetoond dat het vertrekvakantiegeld werd uitbetaald, zodat de vordering ten belope van euro 1 provisioneel kan worden toegekend.

Regularisatie achterstallige sociale zekerheidsbijdragen

16. Gelet op art. 23 van de wet van 27 juni 1969 komt de vordering tot het betalen van bijdragen toe aan de R.S.Z.

De werknemer bezit geen vorderingsrecht tegen zijn vroegere werkgever om diens veroordeling te vorderen tot betaling van sociale bijdragen aan de R.S.Z. Hij kan mogelijk een vordering instellen tot schadeloosstelling voor het niet storten van die bijdragen mits hij het bewijs levert van de werkelijkheid en de omvang van de schade. (Arbh. Brussel 14 oktober 1980, RW 1980-81, 1209; Arbrb. Charleroi, 27 april 1989, JTT 1989, 442)

De vordering tot regularisatie is dan ook onontvankelijk; een schadevordering werd niet gesteld.

17. Wel kan de heer T. aanspraak maken op afgifte van gecorrigeerde sociale en fiscale documenten; op dit punt is zijn vordering gegrond.

De kapitalisatie van intresten

18. De heer T. vraagt de kapitalisatie van de intresten op 3 maart 2008.

Opdat kapitalisatie van intresten mogelijk zou zijn, moeten drie voorwaarden samen vervuld zijn:

het moet gaan om vervallen interest van kapitalen;

over een heel jaar verschuldigd;

er moet een gerechtelijke aanmaning zijn, die bij elke jaarlijkse vervaldag hernieuwd moet worden (J. Petit, Interest, APR, p. 194, nr. 207).

Aan deze voorwaarden is voldaan, zodat zijn vordering op dit punt gegrond is.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Voegt de hogere beroepen samen, aangetekend door de heer T. tegen de BV Tchai Beheer op 20 juli 2011 (AR 2011/AB/679) en aangetekend door de heer T. tegen de BVBA Cirres Group Belgium op 9 november 2012 (AR 2012/AB/1083).

Verklaart de hoger beroepen ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond;

Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende;

Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk, behalve wat betreft de vordering tot betaling van euro 1 provisioneel wegens regularisatie van achterstallige sociale zekerheidsbijdragen en voor het overige in volgende mate gegrond;

Zegt voor recht dat de heer T. lastens de BVBA Cirres Group Belgium en de BV Tchai Beheer in solidum gerechtigd is op:

een opzeggingsvergoeding van euro 106.298,68

een uitwinningsvergoeding van euro 39.862

een pro rata eindejaarspremie van euro 2.386,38

deze bedragen telkens te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 1 juni 2006 en de gerechtelijke intresten te berekenen op bruto

vertrekvakantiegeld van euro 1 provisioneel

te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 21 juni 2006 en de gerechtelijke intresten op netto.

Staat daarbij per 3 maart 2008 de kapitalisatie toe van de vervallen intresten die op dat ogenblik reeds meer dan één jaar opeisbaar zijn en zegt voor recht dat de aldus gekapitaliseerde intrest bij de hoofdsom wordt gevoegd en vanaf 4 maart 2008 opnieuw intresten afwerpt.

Verzendt de zaak naar de rechtbank van koophandel te Antwerpen voor verdere opname in het passief van de BVBA Cirres Group Belgium van voormelde bedragen met dien verstande dat de intresten slechts gelden tot de datum van het faillissement.

Veroordeelt de BV Tchai Beheer in solidum met de BVBA Cirres Group Belgium tot betaling van voormelde bedragen, vermeerderd met (gekapitaliseerde) intresten, zoals bepaald.

Veroordeelt de BVBA Cirres Group Belgium en de BV Tchai Beheer in solidum tot afgifte aan de heer T. van hieraan aangepaste sociale en fiscale bescheiden, onder verbeurte van een dwangsom van euro 25 per document en per dag vertraging vanaf de vijftiende dag na betekening van het arrest, met een maximum van euro 1.000.

Wijst al het meergevorderde af.

Legt de gerechtskosten ten laste van de BVBA Cirres Group Belgium en de BV Tchai Beheer, deze aan de zijde van de heer T. begroot op

Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 5.000

Rechtsplegingsvergoeding beroep euro 5.500.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Marcel VAN AKEN, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Koen DRIES, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Marcel VAN AKEN, Koen DRIES.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 28 juni 2013 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Vrije woorden

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN

  • Gezamenlijk werkgeverschap bij gelieerde vennootschappen.