- Arrest van 28 juni 2013

28/06/2013 - 2012/AB/1186

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een overeenkomst is bij gebrek aan toestemming niet als onbestaande, doch slechts relatief nietig ze is daardoor voor bevestiging vatbaar.

Het ontbreken van toestemming of wilsuiting kan het gevolg zijn van eerder permanente bewustzijnsstoornissen, wat het geval is bij de toepassing van de regels van wettelijke handelingsonbekwaamheid. Het kan echter ook het gevolg zijn van incidentele of kortstondige bewustzijnsstoornissen, die door de feitenrechter autonoom worden beoordeeld.

De totstandkoming van een minnelijke regeling via een gefaseerde en overwogen voorbereiding toont aan dat er niet van een wilsontbreken kan gesproken worden, zeker niet wanneer er bijstand gegeven wordt door deskundigen in de materie.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 28 JUNI 2013

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

M. , wonende te ***,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. HOUBEN Marcel, advocaat te

1702 GROOT-BIJGAARDEN, A. Gossetlaan, 54 B 11.

Tegen:

KBC BANK NV, met maatschappelijke zetel te

1080 BRUSSEL, Havenlaan 2,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. COENE Geert, advocaat te

1040 BRUSSEL, Pater Eudore Devroyestraat 47.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 29 juni 2012 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 2439/11),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 7 december 2012,

de conclusie voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 8 februari 2013,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 21 juni 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen, voor uitspraak werd gesteld op 10 juli 2013 en vervroegd uitgesproken op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Mevrouw M. kwam op 16 augustus 1972 in dienst bij de huidige NV KBC Bank (hierna afgekort als KBC) met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd.

Ze werkte van bij haar aanwerving tot 31 augustus 1993 voltijds, waarna ze tot 30 juni 2008 deeltijds (60%) tewerkgesteld werd in het kantoor te Oudergem.

Van 1 juli 2008 tot 13 juni 2009 nam ze voltijds tijdskrediet.

2. Mevrouw M. was gedomicilieerd te V., maar ze verbleef in een recreatiepark te L.

KBC stemde als tijdelijke oplossing voor haar verplaatsingsprobleem in met een halftijdse tewerkstelling in het kantoor te A. van 1 juli 2009 tot 31 december 2009. Dit werd eenmalig verlengd tot 31 maart 2010. Maar er werd haar aangekondigd dat ze daarna in het kantoor te Z. zou kunnen tewerkgesteld worden. Hiermee was ze niet tevreden omwille van de verplaatsingsafstand.

3. Op 8 februari 2010 werd mevrouw M. ziek en ze diende een doktersattest in met een vermoedelijke duur van arbeidsongeschiktheid tot 28 februari 2010.

Op 15 februari 2010 zond KBC een controlearts naar haar domicilie te V. Wegens haar afwezigheid aldaar werd een bericht achtergelaten dat ze zich op 16 februari 2010 diende aan te bieden op het kabinet van de dokter te Zaventem.

Nadat ze hiervan op de hoogte was gebracht, regelde mevrouw M. per e-mail dat de controle zou doorgaan op haar verblijfplaats, waar een controledokter zich aanbood op 15 februari 2010 omstreeks 16.30 uur. Zij kreeg geen toegang door een gesloten slagboom en liet aan het park een bericht achter dat mevrouw M. zich de volgende dag om 19 uur in haar kabinet te Helchteren moest aanbieden.

Ook deze afspraak ging niet door, omdat mevrouw M. het bericht te laat zou gekregen hebben, waarna ze nogmaals trachtte een nieuwe afspraak te regelen. Ze was op 16 februari 2010 op familiebezoek in Nederland. De controledokter antwoordde haar dat een nieuwe afspraak slechts kon via een opdracht van Securex.

4. Op 18 februari 2010 werd mevrouw M. ontslagen met dringende reden.

De ontslagreden werd gedetailleerd omschreven en volledig overgenomen in het vonnis van de eerste rechter, waarnaar kan worden verwezen. De dringende reden kan worden samengevat als het onmogelijk maken van een controle door een controlegeneesheer, aangevuld met de moeilijkheden die gemaakt werden in de zoektocht naar een nieuwe standplaats in Limburg.

5. Op 19 februari 2010 besprak mevrouw M. samen met haar echtgenoot dit ontslag met de ACLVB-afgevaardigde bij KBC, de heer Patrick Janssens en met de nationale secretaris, mevrouw Lefevre. Men zou o.a. zoeken naar een omzetting van het ontslag met dringende reden naar een andere ontslagvorm.

Op 25 februari 2010 bespraken beide syndicale vertegenwoordigers van mevrouw M. haar wensen met de personeelsdirecteur van KBC. Deze kon een omzetting van het ontslag dringende reden naar een beëindiging in onderling akkoord zonder enige betaling aanvaarden.

Volgens de heer Janssens werd dit voorstel vervolgens ook besproken met mevrouw M., die het opheffen van het ontslag om dringende reden wenste omdat haar zus ook bij de bank werkte, zodat ze de negatieve weerklank van de ontslagbeslissing wilde vermijden.

Mevrouw M. daarentegen zegt dat er geen voorstel meer besproken werd en dat ze bij oproep van 3 maart 2010 werd ontboden bij de bank op 4 maart 2010, waar ze samen met haar echtgenoot naartoe ging. De echtgenoot werd niet toegelaten bij het onderhoud; ze werd wel bijgestaan door ACLVB-afgevaardigde Janssens.

Mevrouw M. ondertekende een ‘minnelijke regeling' in de zin zoals met ACLVB besproken op 25 februari 2010. De heer Janssens parafeerde de overeenkomst samen met haar. Op grond van art. 8 houdt de overeenkomst een verzaking in van de partijen om elke dwaling omtrent de feiten of het recht in te roepen.

Na de ondertekening dankten mevrouw M. en haar echtgenoot de heer Janssens voor zijn tijd.

6. In een aangetekende brief van 9 maart 2010 aan KBC bevestigde mevrouw M. de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 18 februari 2010, maar gelet op het feit dat het geen ontslag om dringende reden betrof, vroeg ze outplacement.

Op 31 maart 2010 bevestigde KBC de beëindiging in onderling akkoord, maar ze wees de vraag tot outplacement af op grond van de overeenkomst van 4 maart 2010.

7. Zonder dat nadien nog verdere briefwisseling volgde, dagvaardde mevrouw M. op 28 januari 2011 KBC voor de arbeidsrechtbank te Brussel teneinde:

de minnelijke regeling te horen vernietigen

het ontslag wegens dringende reden te horen teniet te doen

KBC te horen veroordelen tot betaling van een opzeggingsvergoeding van euro 1 provisioneel, vermeerderd met intresten en kosten

8. Bij vonnis van 29 juni 2012 verklaarde de arbeidsrechtbank te Brussel deze vordering ontvankelijk, maar ongegrond omwille van de geldigheid van de minnelijke regeling. Het beroep op de niet toerekeningsvatbaarheid van mevrouw M. werd niet aangenomen, omdat ze voldoende realiteitsbesef had.

9. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 7 december 2012, tekende mevrouw M. hoger beroep aan en hernam ze haar oorspronkelijke vorderingen.

II. BEOORDELING

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat de hogere beroepen tijdig werden ingesteld. Ze zijn regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan.

De raadsman van mevrouw M. legt ter verduidelijking van zijn pleidooi op 21 juni 2013 een pleitnota neer, waarvan hij uitdrukkelijk bevestigt dat ze niet als conclusie moet worden beschouwd. Er is geen reden om deze nota uit het dossier te weren.

Afwezigheid van wilsvorming of toestemming bij de minnelijke regeling?

2. Pas bij de dagvaarding van 28 januari 2011 beriep mevrouw M. zich op een afwezigheid van toestemming bij de ondertekening van de minnelijke regeling van 4 maart 2010 omwille van haar psychische toestand. Voordien had ze zich op 9 maart 2010 nochtans op de afwezigheid van dringende redenen beroepen om outplacement aan te vragen.

3. Klassiek hanteerde de rechtsleer een onderscheid tussen de afwezigheid van wilsvorming of van toestemming en de wilsvorming die aangetast is door een wilsgebrek, zoals bedrog, geweld, dwaling of benadeling (S. Stijns, Verbintenissenrecht 1, Brugge, die Keure, 2005, 78, nr. 101).

Sinds het cassatiearrest van 21 oktober 1971 (RW 1971-72, 1145 met noot; RCJB 1972, 418 met noot F. Rigaux, L' état d'ébriété d'un contractant, clause de nullité relative de la vente) wordt een overeenkomst bij gebrek aan toestemming niet als onbestaande, doch slechts als relatief nietig beschouwd; deze nietigheid is dus relatief en daardoor voor bevestiging vatbaar.

4. Het ontbreken van toestemming of wilsuiting kan het gevolg zijn van eerder permanente bewustzijnsstoornissen, wat het geval is bij de toepassing van de regels van wettelijke handelingsonbekwaamheid. Het kan echter ook het gevolg zijn van incidentele of kortstondige bewustzijnsstoornissen, die door de feitenrechter autonoom worden beoordeeld (S. Stijns, a.w., 75, nr. 97 en voetnoot 7).

5. Mevrouw M. beroept zich op een dergelijke incidentele toestand wegens depressie, waarbij ze verwijst naar een medisch verslag van haar psychiater, Dr. J. Geutjens van 31 oktober 2010.

Volgens dit verslag was mevrouw M. in psychiatrische behandeling vanaf 26 januari 2010. Op dat ogenblik was ze werkzaam in de bank en werd ze niet werkonbekwaam verklaard wegens ziekte. Nochtans vereist het werk in een bank een graad van intellectuele alertheid; aangenomen kan worden dat de behandelende psychiater alsdan van oordeel was dat mevrouw M. over voldoende werkcapaciteit beschikte.

Ze werd teruggezien op 1 en 5 februari 2010; ze werd door de psychiater slechts werkonbekwaam verklaard vanaf 8 februari 2010. Op p. 3 van haar verzoekschrift tot hoger beroep legt mevrouw M. uit dat de ingangsdatum van haar arbeidsongeschiktheid op haar verzoek pas op 8 februari werd bepaald ‘omdat ik nog een aantal dringende zaken voor KBC wilde afwerken'.

Het feit dat de psychiater hiermee instemde, beduidt dat hij van oordeel was dat mevrouw M. rust nodig had voor haar herstel, maar dat ze nog wel in staat was om (dringende) bankzaken gedurende enkel dagen te beredderen.

Een volgende raadpleging had pas plaats op 24 februari, waarop mevrouw M. verslag deed over de problemen bij het controlebezoek van Securex.

Er wordt in het medisch verslag geen melding gemaakt van een acute verergering noch van een geobjectiveerde bijkomende diagnose in de periode omstreeks 4 maart 2010, datum van ondertekening van de minnelijke regeling.

6. Het medisch verslag van psychiater, Dr. J. Geutjens van 31 oktober 2010 beschrijft het ziektebeeld van een depressie, maar bevestigt impliciet dat mevrouw M. einde januari - begin februari 2010 over voldoende intellectuele capaciteiten beschikte om haar bankwerkzaamheden te vervullen, zodat er niet kan uit afgeleid worden dat ze op 4 maart 2010 niet in staat was om een minnelijke regeling overeen te komen met haar werkgever. Alleszins ontbreken hiertoe geobjectiveerde medische vaststellingen.

Ten onrechte beoordeelt de arts de draagwijdte en inhoud van deze afspraken in de minnelijke regeling, daar de geldigheid van de overeenkomst door de rechter autonoom moet worden beoordeeld, zich steunend op objectieve vaststellingen. Gelet op de noodzaak van rechtszekerheid (S. Stijns, a.w., 75, nr. 97), moet men zich hoeden om de wagen voor het paard te spannen.

7. Terecht heeft de eerste rechter de aanwezigheid van een voldoende bewuste en vrije wil ook bevestigd gezien in de aanhoudende tussenkomsten van mevrouw M. en haar echtgenoot bij de afspraken rond de controle van de ziekte.

Weliswaar wil ze thans haar tussenkomst daarin relativeren door het voor te stellen alsof de interventies uitgingen van haar echtgenoot. Nochtans heeft ze in de aanvullende en syntheseconclusie voor de eerste rechter (p.3 en 4) nauwkeurig uitgelegd welke contacten haar echtgenoot legde en welke afspraken ze zelf maakte.

( zo bv. telefoneerde ze op 15 februari 2010 omstreeks 14 u. zelf met de verantwoordelijke van de controledienst voor het verplaatsen van de controle naar Lommel; ze verzond op 17 februari 2010 een e-mail naar mevr. Cloostermans met een toelichting over haar situatie ...) Dergelijke actieve tussenkomsten wijzen niet op de volledige afwezigheid van wils- of handelingscapaciteit.

8. Ongeacht de moeilijkheden die samengingen met het ziektebeeld van mevr. M., doet men een patiënt met psychisch lijden oneer aan door hem/haar automatisch te beschouwen als willoos. Hiervoor is een extreme degradatie nodig, die in deze niet is aangetoond en waarvoor tegenindicaties bestaan.

(zie randnummers 5 tot en met 7).

Bovendien was mevrouw M. zeer sterk professioneel omringd en ondersteund door:

haar echtgenoot met juridische kwalificaties, die de zaak van zeer nabij opvolgde

de ACLVB-afgevaardigde Janssens, die haar reeds bijstond van bij het ontslag op 18 februari 2010

de permanente nationale secretaris, mevrouw Lefevere, wiens tussenkomst duidt op een bijzondere zorg van de organisatie.

De contouren van een minnelijke regeling werden samen met deze personen voorbereidend besproken op 19 februari 2010, waarna de syndicale vertegenwoordigers de uiteindelijke afspraken negotieerden op 25 februari 2010.

Op 4 maart 2010 werd mevrouw M. bij het ondertekenen van de minnelijke regeling andermaal bijgestaan door de heer Janssens, die na afloop - minstens ‘voor zijn tijd' - werd bedankt door mevrouw M. en haar echtgenoot.

De syndicale afgevaardigde parafeerde de minnelijke regeling samen met haar.

De totstandkoming van de minnelijke regeling via een gefaseerde voorbereiding toont aan dat er niet van een wilsontbreken kan gesproken worden.

Het is daardoor overbodig om het juiste beslissingsverloop verder te onderzoeken, zodat een getuigenverhoor hierover niet nodig is.

Beide partijen hebben de oplossing kunnen overwegen; volgens de heer Janssens werd de keuze van mevrouw Snoeys bepaald door haar zorg om in haar familie niet door te gaan als iemand die om dringende reden ontslagen was.

Volgens haar echtgenoot (zie bijlage 4 bij het verzoekschrift) wenste ze vooral rust.

9. Maar zelfs indien een wilsontbreken zou kunnen worden aanvaard, dan kan dit slechts een relatieve nietigheid tot gevolg hebben. Dit houdt in dat de overeenkomst kan worden bevestigd (zie randnummer 3).

Dit deed mevrouw M. in de aangetekende brief van 9 maart 2010 door zich te beroepen op het niet bestaan van een ontslag om dringende reden, waaruit ze haar recht op outplacement afleidde (Het feit dat deze brief zou voorbereid zijn door haar vakorganisatie is niet ter zake dienend, temeer daar ze thuis geassisteerd werd door een juridisch geschoolde echtgenoot, zodat ze de brief met kennis van zaken kon ondertekenen en verzenden.).

10. Uit dit alles vloeit voort dat mevrouw M. ten onrechte de geldigheid van de door haar op 4 maart ondertekende minnelijke regeling aanvecht, zodat haar ontslag om dringende reden ongedaan gemaakt werd en werd omgezet in een minnelijke beëindiging (art. 2).

Ze toont geen wilsontbreken, noch wilsgebreken aan.

De overige argumenten en beschouwingen kunnen daaraan geen afbreuk doen.

Haar vorderingen werden om voormelde reden terecht door de eerste rechter ongegrond verklaard, zodat haar hoger beroep ongegrond is.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt mevrouw M. tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van de nv KBC Bank begroot op:

Rechtsplegingsvergoeding euro 3.300.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Marcel VAN AKEN, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Koen DRIES, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Dirk VAN DEN BROECKE, griffier.

Lieven LENAERTS, Dirk VAN DEN BROECKE,

Marcel VAN AKEN, Koen DRIES.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 28 juni 2013 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Dirk VAN DEN BROECKE, griffier.

Lieven LENAERTS, Dirk VAN DEN BROECKE.

Vrije woorden

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • BURGERLIJK RECHT

  • Overeenkomst

  • Ontbreken van wilsuiting.