- Arrest van 2 september 2013

02/09/2013 - 2012/AB/413

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Solidariteitsbijdragen zijn verschuldigd op het aanvullend pensioen, dat aan geneesheren wordt toegekend door een pensioenkas in toepassing van art. 54 ZIV-wet.

Uit de fiscale gelijkstelling van zij die een door een dergelijke pensioenkas een kapitaal uitgekeerd krijgen en zij die een verzekeringscontract voor een aanvullend pensioen afsluiten, mag niet afgeleid worden dat dit kan doorgetrokken worden naar een gelijkstelling in de zin van vrijstelling van solidariteitsbijdragen. Een pensioenkas en een verzekeringsonderneming blijven verschillende categorieën op wie verschillende regelingen kunnen toegepast worden, wat het geval is met de fiscale behandeling van de bijdragen.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.: 2013/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 2 SEPTEMBER 2013

9e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT ZELFSTANDIGEN - pensioenen zelfstandigen

tegensprekelijk

heropening van de debatten

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 581, 2°, Ger. W.)

in de zaak:

RIJKSDIENST VOOR PENSIOENEN, openbare instelling, met zetel te 1060 BRUSSEL, Zuidertoren,

appellant, vertegenwoordigd door mr. DE SCHEPPER V. loco mr. JASPAR Jean-Louis, advocaat te 1180 BRUSSEL, Avenue de Fré 229

tegen:

AMONIS OFP, met maatschappelijke zetel te

1030 BRUSSEL, Jamblinne De Meuxplein 4,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. BERGE loco mr. DE WINTER Koen, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 149

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 13 oktober 2011 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 29e kamer (A.R. 00/28269/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 24 april 2012,

de neergelegde conclusies,

het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 17 mei 2013 door advocaat-generaal ANDRE,

de replieken op dit advies, neergelegd voor de RVP en Amonis op 10 juni 2013,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 6 mei 2013, waarna de debatten werden gesloten, het openbaar miniserie zijn schriftelijk advies ter griffie heeft neergelegd, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Zoals blijkt uit haar statuten van 15 juni 1991 (BS 16 januari 1992) werd de vzw. Voorzorgskas voor Geneesheren, Tandartsen en Apothekers opgericht om in het kader van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, inzonderheid artikel 34 quinquies, gewijzigd door de wet van 29 december 1990 en van de in uitvoering van deze wet genomen koninklijke besluiten van 31 maart 1983, van 18 januari 1971 en van 18 maart 1971 respectievelijk tot instelling van een regeling van sociale voordelen voor sommige geneesheren, voor sommige tandheelkundigen en voor sommige apothekers en van alle eventuele wettelijke of reglementaire bepalingen die terzake genomen worden, alle bijdragen te beheren gestort door de dienst voor geneeskundige verzorging van het RIZIV, of door ieder ander organisme voor sociale zekerheid ten voordele van het sociaal statuut der geneesheren, tandheelkundigen en apothekers, alsook de persoonlijke bijdragen van de geneesheren, tandheelkundigen en apothekers, onder meer deze bedoeld in artikel 1 van de voormelde koninklijke besluiten van 31 maart 1983, 18 januari 1971 en 16 maart 1971, en anderdeels de sociale voordelen te verlenen aan de geneesheren, tandheelkundigen, apothekers en hun familie.

Bij beslissing van de buitengewone algemene vergadering van 18 oktober 2003 werd haar naam gewijzigd in Amonis (verder als dusdanig aangeduid wat betreft huidige betwisting); op 9 juni 2007 nam ze de rechtsvorm aan van een "organisme ter financiering van de pensioenen".

2. Bij brief van 23 oktober 1997 aan de RVP hield Amonis voor dat ze ten aanzien van haar aangeslotenen geen inhouding diende te verrichten van de solidariteitsbijdragen voorzien in de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen. Ze steunde zich daarvoor op de parlementaire voorbereiding van art. 24 van de wet van 20 december 1995 en het gelijkaardig fiscaal regime dat daarin voorzien was m.b.t. het aanvullend vrijwillig pensioen van de zelfstandigen.

RVP wees dit standpunt af in een antwoordbrief van 30 oktober 1997.

Bij aangetekende brief van 7 december 1998 stelde RVP Amonis in gebreke in betaling van de vergoedingen voor de laattijdige betaling van de solidariteitsbijdragen.

Bij aangetekende brief van 3 november 1999 lichtte de RVP nogmaals haar standpunt toe en kondigde een gerechtelijke procedure aan, ingeval van geen akkoord.

Bij antwoordbrief van 16 december 1999 bleef Amonis echter op haar standpunt.

3. Onder alle voorbehoud en zonder enige nadelige erkentenis, betaalde Amonis op 22 december 1999 een bedrag van euro 260.211,03.

4. Bij dagvaarding van 31 augustus 2000 vorderde Amonis dit bedrag terug, vermeerderd met intresten en kosten.

Ondergeschikt, vroeg ze dat er een prejudiciële vraag zou gesteld worden aan het Grondwettelijk Hof in verband met de discriminatie die haar aangeslotenen ondervonden ten aanzien van de zelfstandigen die een vrij aanvullend pensioen genieten in de zin van art. 52bis van het KB nr. 72 van 10 november 1967.

De RVP stelde een tegenvordering van euro 5.352,02 provisioneel wegens wettelijke vergoedingen omwille van laattijdige storting van de verschuldigde solidariteitsbijdragen.

5.Bij vonnis van 13 oktober 2011 van de arbeidsrechtbank te Brussel werd de hoofdvordering gegrond verklaard en de tegenvordering ongegrond met veroordeling van RVP tot de gerechtskosten.

6. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 24 april 2012, tekende de RVP hoger beroep aan en vroeg dat de oorspronkelijke hoofdvordering zou worden afgewezen als zijnde onontvankelijk, minstens ongegrond, ze vroeg alleszins geen intresten en zeker niet de gerechtelijke intresten toe te kennen.

Ze vorderde tevens dat de tegenvordering ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard.

Amonis vroeg daarop de bevestiging van het vonnis en hield in ondergeschikte orde de geformuleerde prejudiciële vraag aan.

II. BEOORDELING

Ontvankelijkheid van het hoger beroep en weren van beroepsbesluiten

1. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en ook aan de andere ontvankelijkheidvoorwaarden werd voldaan, wat overigens niet wordt betwist, zodat het hoger beroep toelaatbaar is.

2. Amonis vordert wel dat de laattijdig op 4 februari 2013 neergelegde beroepsbesluiten van de RVP en de daaropvolgende synthesebesluiten van 15 februari 2013 uit de debatten zouden worden geweerd, gelet op de kalender vastgesteld in de beschikking van 4 juni 2012 op grond van art. 747 §2 Ger. W.

Volgens deze kalender diende RVP haar eerste besluiten neer te leggen uiterlijk op 15 oktober 2012, wat slechts laattijdig op 4 februari 2013 gebeurde per fax.

De aanvullende synthesebesluiten moesten uiterlijk op 15 februari 2013 worden neergelegd, wat gebeurde per fax.

3. De opzet van artikel 747 § 2 van het Ger. W. is niet dat de partij die nalaat binnen de door de rechter bepaalde termijn een conclusie te nemen, hierdoor noodzakelijk het recht verbeurt om binnen een latere termijn een conclusie te nemen; de rechter mag echter op vordering van een wederpartij een deloyale proceshouding sanctioneren en op die grond een conclusie uit het debat weren.

Noch uit artikel 747, § 2 van het Ger. W., noch uit het algemeen beginsel van het recht van verdediging volgt dat de latere conclusie die genomen is na die welke wegens laattijdigheid uit het debat is geweerd, in beginsel ook uit het debat moet worden geweerd, tenzij wordt bewezen dat de partij die het voordeel van die regel geniet daarvan gebruikt maakt om haar tegenstrever te verrassen door een houding aan te nemen die het recht van verdediging van laatstgenoemde miskent. (Cass. 4 december 2008, JLMB 2009, 1645; Pas. 2008, 2828)

4. De beroepsbesluiten van RVP, neergelegd per fax op 4 februari 2013 dienen wegens laattijdigheid uit de debatten te worden geweerd; dit geldt niet ten aanzien van de tijdig op 15 februari 2013 per fax neergelegde synthesebesluiten van deze partij.

Deze laatste besluiten miskennen geenszins het recht van verdediging van Amonis, aangezien ze grotendeels een bijna letterlijke herneming zijn van het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op 24 april 2012.

Amonis beschikte bovendien nog over een termijn om te reageren op deze synthesebesluiten, wat ze tijdig deed op 15 maart 2013.

Ook de repliek van RVP op het advies van het Openbaar Ministerie werd tijdig neergelegd.

Bevoegdheid van de arbeidsrechtbank

5. Art. 580, 2° Ger. W. bepaalt dat de arbeidsrechtbank kennis neemt van geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van de personen en hun rechtverkrijgenden die buiten een arbeidsovereenkomst of een leerovereenkomst, het voordeel genieten van de wetten en verordeningen bedoeld onder 1°.

Worden hier o.m. bedoeld, "de wetgeving inzake rust- en overlevingspensioen".

Art. 581, 1° Ger. W. bepaalt verder dat de arbeidsrechtbank kennis neemt van geschillen betreffende de verplichtingen die voortvloeien uit de wetten en verordeningen inzake rust- en overlevingspensioen ten voordele van zelfstandigen.

6. De betwisting tussen de Rijksdienst voor Pensioenen en Amonis heeft betrekking op de toepassing van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.

In zijn synthesebesluiten (blz. 3 sub 3) vermeldt RVP dat de solidariteitsbijdragen door Amonis aanvankelijk betaald werden in overeenstemming met de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 16 december 1996.

Amonis van haar kant beroept zich op de vrijstelling die voorzien is in artikel 68 § 1, c, laatste alinea van dezelfde wet, om de bijdragen niet meer te moeten betalen.

Het opschrift van Titel VIII van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen waarnaar partijen verwijzen, luidt: "PENSIOENEN".

In deze wet zijn een aantal maatregelen opgenomen om de leefbaarheid en het evenwicht van de wettelijke pensioenstelsels te verzekeren. De wetgever wilde een solidariteitsmechanisme onder de gepensioneerden invoeren door een progressieve afhouding in te stellen op alle pensioeninkomens die zowel betrekking hebben op de wettelijke pensioenen (en de ermee gelijkgestelde) als op de aanvullende pensioenvoordelen, die bestemd zijn om de wettelijke pensioenen aan te vullen.

Het geschil is daardoor een geschil dat betrekking heeft op de toepassing van de wetgeving inzake rust- en overlevingspensioenen en op de afhouding die de begunstigden van de pensioenen en de voordelen opgesomd in artikel 68 hierop moeten ondergaan.

Terecht verwijst Amonis dienaangaande ook naar de overweging B.6.1. van het arrest nr. 20/97 van het toenmalige Arbitragehof van 15 april 1997, waarin werd vastgesteld dat ze deelneemt aan de werking van het stelsel van sociale zekerheid, zodat de betwistingen hierover tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoren.

De arbeidsgerechten zijn dan ook bevoegd om kennis te nemen van deze geschillen.

Ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering

7. Volgens de RVP dient de oorspronkelijke vordering van Amonis onontvankelijk te worden verklaard wegens gebrek aan belang en hoedanigheid.

Aangezien de solidariteitsbijdragen niet ten laste vielen van Amonis zou zij ook geen vordering kunnen instellen om de terugbetaling ervan te bekomen.

Een dergelijke vordering zou slechts toekomen aan de aangeslotenen van Amonis.

Uit de briefwisseling tussen partijen, zoals beschreven in randnummer I.2 en de betaling van het bedrag van euro 260.211,03 door Amonis op 22 december 1999, volgt dat ze wel degelijk hoedanigheid en belang heeft om dit bedrag terug te vorderen, temeer daar ze op 16 december 1999 had aangekondigd dat haar betaling gebeurde zonder enige nadelige erkentenis.

Overigens had RVP op 7 december 1998 Amonis ook aangesproken wegens de volgens haar laattijdige betaling.

De vordering werd terecht ontvankelijk verklaard.

Ten gronde: de vrijstelling van de solidariteitsbijdragen

8. Art. 68, § 2 van de wet houdende sociale bepalingen van 30 maart 1994, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 16 december 1996 tot wijziging van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, met toepassing van de artikelen 15, 6° en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van de artikelen 2, § 1 en 3, § 1, 4° en § 2 van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, voorziet in het beginsel van de afhouding van de solidariteitsbijdragen op pensioenkapitalen.

Art. 68, § 1 van dezelfde wet somt de pensioenen en andere voordelen op, waarop de afhouding moet gebeuren, waaronder naast de wettelijke pensioenen de aanvullende voordelen of...elk voordeel bedoeld als aanvulling van een in a) of b) bedoeld pensioen, zelfs als dit laatste niet is verworven, en toegekend hetzij krachtens wettelijke, bestuursrechtelijke of statutaire bepalingen, hetzij krachtens bepalingen voortvloeiend uit een arbeidsovereenkomst, een ondernemingsreglement, een collectieve of sectorale overeenkomst, ongeacht het feit of het een periodiek of een in vorm van een kapitaal betaald voordeel betreft " en "...elk voordeel betaald aan een persoon in uitvoering van een individuele pensioentoezegging".

Art. 68, §1, c, laatste alinea zegt hierbij: Het vakantiegeld en het aanvullend vakantiegeld, de eindejaarstoelage, de verwarmingstoelage, de bijzondere bijslag voor zelfstandigen en het aanvullend pensioen bedoeld in artikel 52bis van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust-en overlevingspensioen voor zelfstandigen worden echter niet beschouwd als "aanvullende voordelen" in de zin van voormelde bepaling. (eigen onderlijning)

9. Hieruit vloeit voort dat in de mate dat de aanvullende voordelen, die door Amonis aan haar aangeslotenen worden verstrekt, kunnen beschouwd worden als aanvullend pensioen in de zin van voormeld art. 52bis van het KB nr. 72, deze niet onderhevig zijn aan de solidariteitsbijdragen.

10. Dit art. 52 bis, zoals het van toepassing was op 1 januari 1997, bepaalde:

" § 1 De zelfstandigen in de zin van artikel 1 van dit besluit, die de voorwaarden vervullen, bepaald door de Koning, kunnen een verzekeringscontract sluiten ten einde hetzij een aanvullend rustpensioen, hetzij een aanvullend rustpensioen en een aanvullend overlevingspensioen ten voordele van de overlevende echtgenoot te vormen.

§ 2 Om het aanvullend pensioen samen te stellen, dient de zelfstandige een bijdrage te storten bij het sociaal verzekeringsfonds voor zelfstandigen, bedoeld in artikel van het Koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, waarbij hij aangesloten is. Dit laatste maakt de bijdrage over aan de verzekeringsinstelling.

...

§ 3 De bijdragen bedoeld door dit besluit hebben, inzake de belastingen op de inkomsten, het karakter van bijdragen verschuldigd in uitvoering van de sociale wetgeving.

§ 4 Het aanvullend pensioenstelsel wordt georganiseerd volgens de modaliteiten bepaald door de Koning, op de gezamenlijke voordracht van de Minister van middenstand en van de Minister van Economische zaken.

§ 5 De Koning mag volgens de modaliteiten die hij vaststelt de aanpassing aan de bepalingen van dit artikel voorzien van de verzekeringscontracten bedoeld bij het koninklijk besluit van 31 juli 1981 houdende inrichting van het aanvullend pensioenstelsel der zelfstandigen, gesloten vóór de inwerkingtreding van onderhavige paragraaf".

Art. 52bis werd uitgevoerd door het KB van 20 juli 1981, dat verder zegde:

"Art. 1: Tot vestiging van het aanvullend pensioen bedoeld in artikel 52bis, ingevoegd in het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen door het koninklijk besluit nr. 1 van 26 maart 1981, worden de zelfstandigen toegelaten die de bijdragen verschuldigd zijn voorzien in artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, behalve:

1°...

3° indien ze bijdragen storten bij een der pensioenfondsen opgericht in uitvoering van artikel 34quinquies van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering;" (eigen onderlijning)

11. Art. 34quinquies van de wet van 9 augustus 1963 bepaalde:

§ 1. De Koning kan, na advies van de Nationale commissie geneesheren - ziekenfondsen, van de Nationale commissie tandheelkundigen - ziekenfondsen of van de Bestendige commissie belast met het onderhandelen over het sluiten van de nationale overeenkomst tussen de apothekers en de verzekeringsinstellingen, een regeling van sociale voordelen invoeren voor de geneesheren of tandheelkundigen die geacht worden tot de termen van de in artikel 34, § 2, bedoelde akkoorden toegetreden te zijn, of voor de apothekers die tot de hen betreffende overeenkomst toetreden en die, volgens de door de bestendige commissie voorgestelde modaliteiten, het genot ervan vragen.

Deze voordelen kunnen onder meer bestaan in een aandeel van het Rijksinstituut voor ziekte-en invaliditeitsverzekering in de premies of bijdragen die door de betrokken geneesheren, tandheelkundigen of apothekers worden gestort, in uitvoering van verzekeringscontracten die bij invaliditeit, rust of overlijden, renten of pensioenen waarborgen.

Deze verzekeringscontracten kunnen worden afgesloten met elke daartoe wettelijk bevoegde openbare instelling, met uitzondering van de ziekenfondsen en verbonden van ziekenfondsen, erkend overeenkomstig de wet van 23 juni 1894 houdende herziening van de wet van 3 april 1851 op de maatschappijen van onderlinge bijstand; wat betreft de rust- en overlijdensverzekering dienen zij te worden afgesloten met een pensioenkas opgericht op het initiatief van één of meer representatieve organisaties van het geneesherenkorps of van de tandheelkundigen, voor zover zij door de koning is erkend. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de apothekers. (eigen onderlijning)

Art. 34quinquies van de wet van 9 augustus 1963 is thans art. 54 van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkering (hierna aangeduid als ZIV-wet)

12. Uit de bepalingen, weergegeven in de randnummers 10 en 11, vloeit dan ook voort dat de aanvullende voordelen, die Amonis op grond van art. 54 van de ZIV-wet aan haar aangeslotenen verstrekt, geen voordelen zijn in de zin van art. 52bis van het KB nr. 72.

Rekening houdend met wat in randnummer 9 werd vastgesteld, zijn deze voordelen daardoor onderhevig aan solidariteitsbijdragen.

13. Amonis erkent op p. 3 van haar repliek op het advies van het Openbaar Ministerie (2.2.3.1 tweede alinea) overigens dat deze analyse grond vindt in de letterlijke lezing van de betreffende bepalingen.

Nochtans wil Amonis op basis van een teleologische lezing van deze bepalingen tot een omgekeerde conclusie besluiten omwille van de wijziging van art. 54 §1 ZIV-wet door art. 24 van de wet van 20 december 1995 houdende sociale bepalingen en omwille van de Memorie van Toelichting bij deze laatste wet.

Deze bepaling leidde volgens Amonis tot een volledige fiscale gelijkschakeling met het stelsel van de vrije aanvullende pensioenen voor zelfstandigen.

Hieruit concludeert Amonis dat de vrijstelling van solidariteitsbijdragen voor de aanvullende pensioenen in het kader van art. 52bis van het KB nr. 72 ook moest gelden voor haar aangeslotenen.

Op basis van wat hierboven werd vastgesteld en in randnummer 12 samengevat, zijn de wettelijke bepalingen duidelijk, zodat er geen behoefte is aan interpretatie, waardoor de teleologische uitleg van Amonis niet ter zake is.

Voor zover haar teleologische interpretatie niet kan worden aanvaard, meent ze echter dat er alleszins een discriminerende ongelijkheid is, die het stellen van een prejudiciële vraag verantwoordt.

Het fiscale voordeel, zoals dit voortvloeide uit art. 24, 4° van de wet van 20 december 1995...

14. Artikel 24, 4°, van de wet van 20 december 1995 houdende sociale bepalingen onderwierp het voordeel van de fiscale aftrekbaarheid van de persoonlijke bijdragen van de geneesheren die worden gestort ter uitvoering van rust- of overlijdens-verzekeringscontracten, ten belope van maximum 150 pct. van het aandeel van het RIZIV, aan de voorwaarde dat de geneesheer bij een door de Koning erkend pensioenfonds aangesloten moet zijn. Uit die voorwaarde volgt dat de geneesheren die een rust- of overlijdensverzekeringscontract aangaan bij een verzekerings-maatschappij van het genot van dat fiscale voordeel zijn uitgesloten.

Het mechanisme van fiscale aftrekbaarheid vloeide voort uit het karakter van de bijdragen die in hoofde van een sociale verzekeringskas als Amonis werden beschouwd als verschuldigd ter uitvoering van de sociale wetgeving, waardoor ze aftrekbaar werden als beroepslasten.

Een verzekeringsonderneming viel daar als dusdanig niet onder en had dit voordeel niet op dezelfde wijze. ( Arbitragehof 15 april 1997, nr. 20/97, B.5)

Verder werd in dit artikel bepaald:

De na afloop van het contract of bij het overlijden door deze pensioenkassen uitgekeerde kapitalen worden op het gebied van de inkomstenbelasting gelijkgesteld met de kapitalen die toegewezen worden ten belope van aanvullende pensioenen overeenkomstig artikel 52bis van het koninklijk besluit nr. 72...

Deze laatste bepaling heeft enkel betrekking op de inkomstenbelasting op kapitalen.

15. Toch verwijst Amonis naar de Memorie van Toelichting bij dit wetsartikel, waarin gezegd wordt:

De zorgverleners die zich aansluiten bij een pensioenkas in de zin van artikel 54 § 1, derde lid van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkering mogen overigens niet tegelijkertijd toetreden tot het aanvullend vrijwillig pensioen voor zelfstandigen. Het blijkt dus verantwoord dat bedoelde pensioenregeling hetzelfde fiscaal statuut zou krijgen als dat van het aanvullend vrijwillig pensioen voor zelfstandigen.

Amonis leidt op basis van een teleologische uitleg uit deze passage af dat de wetgever een algemene fiscale gelijkstelling had beoogd met de aanvullende pensioenen op grond van art. 52bis, zodat deze gelijkstelling verder kon worden doorgetrokken naar de solidariteitsbijdragen.

Terecht wijst het Openbaar Ministerie erop dat de aangehaalde passage uit de Memorie van Toelichting enkel betrekking heeft op de uitgekeerde kapitalen, waarvoor in de wet inderdaad voorzien wordt in een zelfde fiscaal statuut als dit van art. 52bis van het KB nr. 72.

Voor de bijdragen golden nochtans verschillende regelingen, zoals uitgelegd in randnummer 14.

...en de ongelijkheid op het vlak van de solidariteitsbijdragen?

16. De verschillende fiscale regeling voor de bijdragen, die voor de verzekeringsondernemingen minder gunstig was dan deze voor Amonis, werd voorgelegd aan het toenmalige Arbitragehof dat in het bovenvermelde arrest van 15 april 1997 oordeelde dat een verzekeringsmaatschappij en Amonis twee verschillende categorieën uitmaken, zodat het niet tot een ongelijkheid leidt wanneer ze op het vlak van de bijdragen anders fiscaal behandeld werden.

Opvallend daarbij is dat de Ministerraad in deze betwisting vooral de proportionaliteit van de regeling had toegelicht door juist te benadrukken dat een pensioenfonds als Amonis wel genoot van een voordeliger fiscale aftrekbaarheid dan een verzekeringsonderneming, maar dat dit gerelativeerd wordt doordat bij Amonis anders dan bij een verzekeringsmaatschappij een solidariteitsbijdrage wordt aangerekend. (zie A.2.4. van het arrest)

Het Arbitragehof kwam aan deze argumentatie niet toe omdat het vaststelde dat het om twee verschillende categorieën ging, wat op zich reeds een verschillende regeling verantwoordde.

17. Hieruit vloeit voort dat Amonis ten onrechte een veralgemeend systeem van gelijkheid met de aanvullende pensioenen krachtens art. 52bis wil distilleren uit art. 24, 4° van de wet van 20 december 1995.

Dit artikel voorzag niet eens in een fiscale gelijkheid op het vlak van de bijdragen, maar beperkte hetzelfde fiscaal statuut tot de uitkering van de kapitalen.

Men kan deze bepaling dan ook niet aanwenden om te besluiten tot een noodzaak van een gelijk statuut voor de solidariteitsbijdragen, temeer daar het Arbitragehof de fiscale verschillen voor de bijdragen verantwoord achtte op basis van de verschillende categorieën, die Amonis en de verzekeringsondernemingen uitmaken.

Uit het standpunt van de Ministerraad volgt bovendien dat de verschillende fiscale behandeling van de bijdragen juist verantwoord werd, omdat de aangeslotenen van Amonis wel en de verzekerden niet onderworpen waren aan een solidariteitsbijdrage. Er is dan ook een zekere samenhang tussen de diverse verschillen.

Hoeft er een prejudiciële vraag?

18. Op grond van art. 26, §1 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof kan een prejudiciële vraag enkel gesteld worden over een schending van een wet, een decreet of een ordonnantie.

Hieruit vloeit voort dat het Grondwettelijk Hof geen prejudiciële vraag kan beantwoorden over een schending van het gelijkheidsbeginsel door een besluit van de uitvoerende macht. (M. De Vos, ‘Het Arbitragehof en het arbeidsrecht' in M. Rigaux en P. Humblet, Actuele Problemen van het arbeidsrecht, 6, 2001, Antwerpen Intersentia, 43, nr. 2 en de rechtspraak van het Hof aangehaald in voetnoot 10)

Amonis stelt een prejudiciële vraag voor m.b.t. een schending door art. 68 §1, c, al 3 van de wet van 30 maart 1994 betreffende de vrijstelling van solidariteitsbijdragen.

Het verschil dat ze daarbij aanvoert, vloeit echter niet voort uit dit wetsartikel, maar wel uit de vraag of ze een aanvullend pensioen in de zin van art. 52bis van het KB nr. 72 aanbiedt. (zie randnummer 8 en 9)

Ook art. 52bis houdt het onderscheid niet in waarnaar Amonis verwijst.

Dit verschil vloeit immers slechts voort uit de toepassingsbepaling van art. 1 van het KB van 20 juli 1981. (randnummer 10)

Een toetsing van deze laatste bepaling staat niet aan het Grondwettelijk Hof en dient door de gewone rechter te worden beoordeeld.

Er is daardoor geen reden om de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen.

19. Het arbeidshof kan zich aansluiten bij de pertinente analyse van het Openbaar Ministerie waarom het ontbreken van vrijstelling in de voorliggende regelgeving geen schending van het gelijkheidsbeginsel uitmaakt bezien vanuit de vrijstelling die de aanvullende pensioenen op grond van art. 52bis wel genieten. (vgl. advies p. 8 tot en met 11)

Men kan inderdaad niet voorbijgaan aan het feit dat Amonis en de verzekeringsondernemingen in deze geen gelijke categorieën zijn, waardoor verschillende regelingen voor hun begunstigden mogelijk zijn. Bovendien werd het ontbreken van vrijstelling van solidariteitsbijdragen gecompenseerd door een andere en gunstiger fiscale regeling van de bijdragen. (zie Arbitragehof 15 april 1997, nr. 20/97 en randnummers 16 en 17)

Het feit dat de betreffende regelgeving nadien en nog recent gewijzigd is door de wet van 13 maart 2013 en de parlementaire voorbereiding van deze nieuwe wetgeving doet daaraan niets af. Ook de overige beschouwingen van Amonis kunnen geen afbreuk doen aan het feit dat ze een andere categorie betreft dan de verzekeringsondernemingen, wat een afzonderlijke behandeling verantwoordt.

Besluit

20. Uit een analyse van de toepasselijke bepalingen volgt dat de begunstigden van het aanvullend pensioen, uitgekeerd door Amonis, solidariteitsbijdragen moeten voldoen op de hen toegekende aanvullende voordelen. (randnummers 8 tot 12)

De fiscale regeling, die voortvloeide uit art. 24, 4° van de wet van 20 december 1995, doet daaraan niets af. Evenmin is er een schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat Amonis en de verzekeringsondernemingen aparte categorieën uitmaken, waarop verschillende regelingen kunnen worden toegepast. (randnummers 13 tot 19)

Hieruit vloeit voort dat deze bijdragen terecht betaald werden, zodat er geen sprake is van een onverschuldigde betaling.

Het hoger beroep is op dit punt gegrond, zodat het bestreden vonnis dient te worden teniet gedaan in zoverre het de oorspronkelijke hoofdeis gegrond verklaarde en RVP veroordeelde tot de gerechtskosten.

De tegenvordering

21. Bij besluiten, neergelegd door RVP ter griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel op 30 maart 2001, stelde deze een tegenvordering in betaling van euro 5.352,02 provisioneel ten titel van wettelijke vergoedingen wegens laattijdige stortingen van de solidariteitsbijdragen.

Ze steunt zich hiervoor op art. 68, § 5, lid 4 van de wet van 30 maart 1994.

Uit de debatten is gebleken dat partijen niet in staat zijn de relevante informatie voor te brengen om deze vordering te beslechten, zodat het Openbaar Ministerie terecht voorstelt de debatten hierover te heropenen.

Uit de replieken op het advies blijkt dat beide partijen op dit punt het debat willen voortzetten, wat niet de bedoeling is van een repliek.

De repliekconclusie heeft een beperkt opzet. Het beperkt zich tot de inhoud van het advies, zodat het niet mag worden aangewend om het proces te overdoen en nieuwe middelen aan te voeren. Een reeds ingestelde eis preciseren of bijkomende maatregelen i.v.m. het bewijs vorderen komt erop neer het debat te hervatten. (P. Van Lersberghe, Het recht van repliek en het contradictoir debat, RABG, 2007, 259, nrs 5 en 7; D. Scheers, Repliek op het advies van het openbaar ministerie: in de beperking kent men de meester, TBBR 2006, 66; Cass. 20 september 2004, JTT 2005, 398)

Beide partijen zijn instellingen, die deelnemen aan de werking van het stelsel van de sociale zekerheid, zodat het arbeidshof hen uitnodigt om in onderling overleg de relevante gegevens samen te brengen, zodat de tegenvordering verder kan worden beoordeeld.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van advocaat-generaal J.J. André van 17 mei 2013, waarop beide partijen hebben gerepliceerd op 10 juni 213.

Weert wegens laattijdigheid de beroepsconclusie van RVP, neergelegd op 4 februari 2013.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en reeds gedeeltelijk gegrond wat betreft de toekenning van de oorspronkelijke hoofdeis.

Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende;

Verwerpt de exceptie van onbevoegdheid en verklaart de oorspronkelijke hoofdvordering ontvankelijk, doch ongegrond;

wijst Amonis er van af.

Verklaart de oorspronkelijke tegenvordering ontvankelijk,

doch alvorens hierover verder te beslissen, heropent de debatten om de partijen toe te laten dit onderdeel verder en volledig in staat te stellen, rekening houdend met wat gezegd is in randnummer 21.

Stelt de zaak voor verdere behandeling vast op de openbare terechtzitting van de 9de kamer van dit Hof (zaal 0.8), Poelaertplein, 3 te 1000 Brussel op maandag 4 november 2013 om 14u 30 voor een gezamenlijke pleitduur van 20'.

Om nadien verder te oordelen als naar recht.

Kosten aan te houden.

Aldus gewezen en ondertekend door de negende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Beatrix CEULEMANS, eerste voorzitter,

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Anton VAN ASSCHE, raadsheer in sociale zaken, zelfstandige,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN, Anton VAN ASSCHE,

Lieven LENAERTS, Beatrix CEULEMANS.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van maandag 2 september 2013 door:

Beatrix CEULEMANS, eerste voorzitter,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN, Beatrix CEULEMANS.

Vrije woorden

  • SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN

  • RUST- EN OVERLEVINGSPENSIOENEN

  • Aanvullend pensioen solidariteitsbijdrage

  • Verschuldigd voor aanvullend voordeel art. 54 ZIV-wet.