- Arrest van 5 september 2013

05/09/2013 - 2012/AB/1181

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Ingevolge artikel 99 §1 van de wet van 8 juli 1976 vordert het openbaar centrum, wanneer de persoon de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor hem steun werd verleend, de kosten van de hulpverlening terug tot beloop van het bedrag van de bedoelde inkomsten, rekening houdend met de vrijgestelde minima. Met dit laatste wordt bedoeld dat de terugvordering niet tot gevolg mag hebben dat in de toekomst de begunstigde een leven zou moeten leiden beneden de norm van de menselijke waardigheid.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.: 2013/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 5 SEPTEMBER 2013

7e KAMER

OCMW - maatschappelijke integratie

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 8°, Ger. W.)

in de zaak:

1. OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN van HERENT, met zetel te 3020 HERENT, Spoorwegstraat 6, appellant, vertegenwoordigd door mr. DAVIDTS Christine, advocaat te 3020 HERENT, Bijlokstraat 190,

tegen:

1. V. ,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. MONDELAERS Yves, advocaat te 3010 KESSEL-LO, Kortrijksestraat 177.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van arrest van dit arbeidshof en deze kamer van 16 mei 2013 en de daarin vermelde stukken van de rechtspleging,

de neergelegde conclusies,

het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 8 juli 2013 door advocaat-generaal ANDRE,

de replieken op dit schriftelijk advies voor het ocmw van Herent en mevrouw V., beiden neergelegd ter griffie op 26 juli 2013,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 27 juni 2013, waarna de debatten werden gesloten, het openbaar ministerie zijn schriftelijk advies ter griffie heeft neergelegd, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

Mevrouw V. ontving vanaf 1 augustus 2010 van het ocmw Herent een tussenkomst van oorspronkelijk 368 euro per maand in de huur van haar woning. Zij was na een relatiebreuk samen met haar vijf minderjarige kinderen (waarvan 2 met autisme of autismespectrum problemen) komen wonen in Herent, waar zij een woning vond met een huurprijs van 745 euro per maand. Zij genoot zelf van een invaliditeitsuitkering ten laste van de mutualiteit en ontving de helft van de kinderbijslag, die verdeeld werd tussen beide ouders omdat beide ouders alternerend het hoederecht hadden over de kinderen. Er was geen onderhoudsgeld toegekend voor de kinderen, noch voor haar zelf.

Bij beslissing van 22 februari 2011 van het ocmw werd de tussenkomst in de huur verlengd, maar werd aan de verdere toekenning de voorwaarde gekoppeld dat mevrouw V. een aanvraag diende in te dienen tot het bekomen van een sociale woning en dat zij ieder aanbod tot het betrekken van een sociale woning diende te aanvaarden.

2.

Op 21 februari 2012 heeft het ocmw Herent een einde gesteld aan de tussenkomst in de huur (die inmiddels 390 euro per maand bedroeg) en dit vanaf 1 mei 2012, omdat mevrouw V. geweigerd had om in te gaan op het aanbod om een sociale woning te betrekken in Haacht. Mevrouw V. had deze woning geweigerd omdat ze volgens haar te klein was en omdat een verhuis naar Haacht zeer grote problemen zou stellen voor de kinderen, die allen in Leuven naar school gingen.

Bij verzoekschrift van 6 april 2012 heeft mevrouw V. beroep aangetekend bij de arbeidsrechtbank te Leuven tegen deze beslissing.

3.

Bij vonnis van 5 november 2012, heeft de arbeidsrechtbank te Leuven de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard. De arbeidsrechtbank zegde voor recht dat mevrouw V. ook na 30 april 2012 recht had op een tussenkomst in de huur, berekend in functie van haar inkomen.

4.

Bij verzoekschrift van 6 december 2012 heeft het ocmw Herent beroep ingesteld tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank.

5.

Bij arrest van 16 mei 2013 heeft het arbeidshof het vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven principieel bevestigd in zoverre het oordeelde dat aan mevrouw V. het recht op een tussenkomst in de huur niet kon ontzegd worden omdat zij geweigerd had te verhuizen naar een sociale woning in een andere gemeente. Deze sociale woning was, noch voor wat betreft de omvang, noch voor wat betreft de ligging aangepast aan de behoeften van het gezin, en in het bijzonder van de kinderen.

Het hof stelde echter vast, op basis van de door beide partijen aangebrachte elementen, dat er in de loop van het geding wijzigingen waren gekomen in de financiële situatie van mevrouw V.. Deze had intussen het recht verworven op een vervangingsinkomen als persoon met een handicap (waarvoor zij in de loop van de maand september 2012 een belangrijk achterstal had ontvangen), er was een wijziging in de verdeling van het bedrag van de kinderbijslag tussen de beide ouders, en er was ook een wijziging gekomen in de gezinssituatie doordat één van de kinderen bij de vader was gaan wonen.

Het hof beval de heropening van de debatten, teneinde een nieuwe afrekening mogelijk te maken van de tussenkomst waarop mevrouw V. aanspraak kon maken in functie van deze elementen.

II. VERDERE BEOORDELING.

1.

Het ocmw Herent heeft, zoals gevraagd door het hof, een nieuwe afrekening opgemaakt van de tussenkomst in de huur waarop mevrouw V. aanspraak kon maken in functie van de wijzigingen in haar inkomen. Daaruit blijkt mevrouw V. voor de maanden mei en juni 2012 slechts aanspraak had op een tussenkomst in de huur ten belope van 56 euro per maand. Voor de maanden augustus 2012 tot en met januari 2013 was er geen recht op tussenkomst. Vanaf februari 2013 is er een recht op tussenkomst van 42 euro per maand. Berekend tot en met de maand juni 2013 was er aldus een achterstal van 322 euro .

Het ocmw Herent stelt verder dat op basis van de bijgebrachte gegevens, en in het bijzonder het feit dat mevrouw V. voor de periode van 1 juni 2011 tot 30 april 2012 een tussenkomst genoot als persoon met een handicap, zij voor deze periode een bedrag van 1.549,97 euro ten onrechte ontvangen had.

Na compensatie stelt het ocmw Herent een tegeneis in voor het bedrag van

1.227,97 euro , dit is het verschil tussen het bedrag waarop mevrouw V. nog aanspraak kon maken voor de periode vanaf 1 mei 2012 en hetgeen zij teveel ontving voor de periode van 1 juni 2011 tot 30 april 2012. Het ocmw steunt deze vordering op de toepassing van artikel 98, § 1, van de wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn dat voorziet dat ingeval van vrijwillig onjuiste of onvolledige aangifte, het openbaar centrum het geheel van de kosten van de maatschappelijke dienstverlening kan terugvorderen, ongeacht de financiële toestand van de steunvrager.

2.

Mevrouw V. volhardt in haar vordering zoals die oorspronkelijk werd ingesteld voor de arbeidsrechtbank. Zij vordert bij besluiten de veroordeling van het ocmw Herent tot betaling van de som van 5.560 euro , te weten 14 x 390 euro . Zij stelt dat de berekeningen van het ocmw Herent onduidelijk zijn en geen rekening houden met haar specifieke situatie. Met betrekking tot de tegenvordering stelt zij dat de tegemoetkoming voor personen met een handicap slechts effectief werd toegekend met een beslissing van de maand augustus 2012, en effectief werd uitgekeerd in de loop van de maand september 2012, zodat haar niet kan verweten worden het ocmw niet tijdig in kennis gesteld te hebben van deze tegemoetkoming.

3.

De afrekening van het ocmw Herent voor de periode vanaf 1 mei 2012 is voldoende gestaafd door de neergelegde stukken. Ze is opgemaakt in overeenstemming met het interne reglement van het ocmw met betrekking tot de tussenkomst in de huur ten voordele van sommige gezinnen. Zij maakt ook niet het voorwerp uit van een ernstige betwisting Er zijn geen voldoende redenen om van de toepassing van dit reglement af te wijken, in functie van de specifieke situatie van mevrouw V..

Het vonnis van de eerste rechter dient dan ook in die zin hervormd te worden dat mevrouw V. enkel aanspraak kan maken op een bedrag van 322 euro voor de periode van 1 mei 2012 tot 30 juni 2013, en verder vanaf 1 juli 2013 op de tussenkomst van 42 euro per maand, onder voorbehoud van latere wijzigingen die zouden tussenkomen in de situatie van mevrouw V. en die een aanpassing van dit bedrag in haar voordeel of nadeel zouden verrechtvaardigen.

4.

Mevrouw V. heeft de ontvankelijkheid van de nieuwe eis, gesteld na heropening van de debatten, niet betwist en het hof dient deze onontvankelijkheid niet ambtshalve op te werpen.

Ten onrechte steunt het ocmw Herent zijn vordering op artikel 98, § 1, van de wet van 8 juli 1976. Overeenkomstig deze bepaling vordert het openbaar centrum, ingeval van vrijwillig onjuiste of onvolledige aangifte vanwege de begunstigde, het geheel van de kosten van de steunverlening terug, ongeacht de financiële toestand van de betrokkene. Uit de voorgelegde stukken blijkt duidelijk (dossier het ocmw Herent, stuk 25, gedetailleerd overzicht van de afrekening), dat de beslissing tot toekenning van een inkomensvervangende tegemoetkoming met ingang van 1 juni 2011 slechts genomen werd op 17 augustus 2012, en dat de achterstallen slechts uitbetaald werden op 25 september 2012. Er kan dan ook aan mevrouw V. niet verweten worden dat zij, in de periode waarop de terugvordering betrekking heeft, dit is de periode van 1 juni 2011 tot 30 april 2012, geen kennis gegeven heeft van een inkomen dat zij niet ontvangen had. Weliswaar was reeds een aanvraag ingediend, maar de omstandigheid dat de betrokken dienst er meer dan een jaar over gedaan heeft om een beslissing te nemen, duidt voldoende aan dat de toekenning van het recht niet evident was.

5.

De terugvordering kan echter wel gesteund worden op artikel 99, § 1, van dezelfde wet. Ingevolge dit artikel vordert het openbaar centrum, wanneer de persoon de beschikking krijgt over inkomsten krachtens rechten die hij bezat tijdens de periode waarvoor hem steun werd verleend, de kosten van de hulpverlening terug tot beloop van het bedrag van de bedoelde inkomsten, rekening houdend met de vrijgestelde minima. De toekenning van een vervangingsinkomen aan een persoon met een handicap, waarover het in casu gaat, is ongetwijfeld een inkomen in de zin van artikel 99, § 1, van de wet.

Problematisch bij de toepassing van de wet is echter de zin dat die terugvordering gebeurt " rekeninghoudend met de vrijgestelde minima". In de wet wordt immers niet bepaald wat daarmee bedoeld wordt. Artikel 100bis, § 1, c, van de wet voorziet wel dat de Koning de regels en voorwaarden kan vaststellen betreffende het verhaal op de begunstigde, de onderhoudsplichtigen of zijn debiteurs zoals bepaald in artikel 98, §§ 2 en 4, en art. 99, § 1. In het Koninklijk Besluit van 9 mei 1984 tot uitvoering van vermeld artikel 100bis, zoals het op dit ogenblik van toepassing is, is echter geen bepaling terug te vinden die betrekking heeft op de terugvordering in toepassing van artikel 99, § 1, van de wet.

De rechtsleer, die zich over het probleem gebogen heeft, ziet twee mogelijke interpretaties. De eerste interpretatie zou zijn dat de wetgever bedoeld heeft te verwijzen naar de regels in verband met het voor beslag vatbaar gedeelte van sociale uitkeringen. De tweede interpretatie is dat de wetgever zou bedoeld hebben dat de terugvordering van het openbaar centrum niet als resultaat mag hebben dat de betrokken persoon verplicht wordt in de toekomst een leven te leiden beneden de norm van de menselijke waardigheid ( cfr. D. Simoens, Handboek Ocmw Dienstverlening, losbladig, Die Keure, 2010, p. 419; zie ook zelfde auteur:

"Terugvordering door het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de verstrekte hulp ten laste van de ontvanger ervan", R.W. 2008-2009, 53).

6.

Het hof is van oordeel dat de wetgever (die overigens in § 2 van dezelfde bepaling wel verwijst naar artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek), moeilijk kan verwezen hebben naar de regels inzake de beslagbaarheid van sociale uitkeringen. Er kan niet verwezen worden naar deze regels voor de door het openbaar centrum toegekende uitkeringen, vermits deze als dusdanig niet voor beslag of overdracht vatbaar zijn in uitvoering van artikel 1410, §, 8° van het Gerechtelijk Wetboek. Het lijkt evenmin de bedoeling te kunnen geweest zijn van de wetgever om voor de toepassing van artikel 99, § 1, slechts rekening te houden met de inkomsten van de begunstigde uit een andere wetgeving, in de mate dat deze het voor beslag vatbaar gedeelte zouden overschrijden. Een dergelijke interpretatie zou immers de toepassing van artikel 99, § 1, in de meeste gevallen zonder voorwerp maken.

Bij gebreke aan vaststelling van "minima" door de Koning, kan volgens het hof aan artikel 99, § 1, slechts een interpretatie gegeven worden die in overeenstemming is met de andere bepalingen van de wet en met het opzet van de wet, door aan te nemen dat de wetgever bedoeld heeft dat de toepassing van artikel 99, § 1 (zoals overigens ook ruim aanvaard wordt voor de toepassing van artikel 98, §1), niet tot gevolg mag hebben (cfr. tweede interpretatie) dat in de toekomst de begunstigde een leven zou moeten leiden beneden de norm van de menselijke waardigheid (cfr. ook in die zin : H. Mormont et K. Stangherlin, ed. " Aide sociale-Intégration sociale, La Charte, 2011, p. 577).

Inzake de ocmw steunverlening zijn in de wet van 8 juli 1976, en dit anders dan in de wet van 26 mei 2002 op de maatschappelijke integratie, geen bedragen vastgelegd die vaststellen welke sommen moeten uitgekeerd worden om de begunstigde in staat te stellen een leven te leiden in overeenstemming met de menselijke waardigheid. Ieder openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dient in de regel dit zelf vast te stellen, met dien verstande dat dient aangenomen te worden dat het bedrag van de steunverlening niet lager mag zijn dan het bedrag van het leefloon.

Uit het reglement met betrekking tot de tussenkomst in de huur van het ocmw Herent blijkt dat de tussenkomst in de huur voorzien wordt omdat het leefloon niet altijd voldoende is om te kunnen voorzien in de levensnoodzakelijke behoeften, en dat de tussenkomst in de kosten van de huur, zoals ze berekend wordt, noodzakelijk is om de toepassing van artikel 1 van de wet van 8 juli 1976 te verzekeren, dit is eenieder toe te laten een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.

7.

Concreet houdt bovengaande in dat de tegenvordering principieel gegrond is, maar dat niet tot een effectieve terugvordering van de te veel ontvangen steun kan overgegaan worden zolang mevrouw V. nog recht heeft op maatschappelijke steunverlening, meer bepaald in uitvoering van het reglement met betrekking tot de tussenkomst in de huur. Het gevolg daarvan is dat ook geen gerechtelijke compensatie kan uitgesproken worden tussen de vordering van mevrouw V. en de tegenvordering van het ocmw Herent.

8.

Er zijn onvoldoende redenen om, zoals mevrouw V. vraagt, het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding te verhogen tot het maximum bedrag omwille van de complexiteit van de zaak. Het loutere feit dat een heropening van de debatten noodzakelijk was om een afrekening op te stellen is onvoldoende om te oordelen dat de zaak bijzonder complex was. Ook het feit dat de tegeneis werd ingesteld is onvoldoende om te spreken van een complexe zaak.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal, waarop repliek voor beide partijen,

Verklaart het hoger beroep gedeeltelijk gegrond. Hervormt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt dat mevrouw V. vanaf 1 mei 2012 aanspraak kan maken op een volledige tussenkomst in de huur. Stelt het bedrag van de tussenkomst in de huur vast op het bedrag van 322 euro in het totaal voor de periode vanaf 1 mei 2012 tot en met 30 juni 2013 en op een bedrag van 42 euro per maand vanaf 1 juli 2013, onder voorbehoud van mogelijke wijzigingen in functie van het inkomen en de familiale situatie van mevrouw V..

Verklaart de tegenvordering ontvankelijk en gegrond. Veroordeelt mevrouw V. tot terugbetaling van de som van 1.549,97 euro , met dien verstande dat slechts tot effectieve terugvordering van deze som kan overgegaan worden van zodra mevrouw V. niet meer afhankelijk is van de maatschappelijke steunverlening.

Veroordeelt in overeenstemming met artikel 1017 al. 2 van het Gerechtelijk Wetboek het ocmw Herent tot de kosten van het hoger beroep, tot op heden begroot in hoofde van mevrouw V. op 160,36 euro .

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Jean BOULOGNE, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Bernadette MUSSCHE, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Bernadette MUSSCHE

Jean BOULOGNE Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 5 september 2013 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Vrije woorden

  • SOCIALE VOORZORG

  • OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN

  • Bijstand aan personen

  • Terugbetaling kosten ocmw.