- Arrest van 16 september 2013

16/09/2013 - 2012/AB/753

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een onderneming moet beschouwd worden als gevestigd op een bepaalde plaats, wanneer haar activiteiten op die plaats een zekere standvastigheid vertonen en de opdrachten en de instructies aan de werknemer op die plaats worden gegeven.

Er is geen sociaal misdrijf wanneer niet wordt aangetoond dat de werkgever niet gehandeld heeft zoals iedere bedachtzame en voorzichtige werkgever zou hebben gehandeld, zodat het moreel element van het misdrijf ontbreekt.


Arrest - Integrale tekst

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 16 SEPTEMBER 2013.

5DE KAMER

Arbeidscontract

Geacht op tegenspraak conform art. 747 § 1 G.W.

Definitief

In de zaak:

De Heer Arbeidsauditeur van Brussel, met kantoor gevestigd te 1000 BRUSSEL, Poelaertplein 3.

Appellant, vertegenwoordigd door Mevr. B. STROOBANT, gedelegeerd Substituut-Arbeidsauditeur.

Tegen:

De vennootschap naar Frans recht SEGULA INGENIERIE ET MAINTENANCE S.A.S., met maatschappelijke zetel gevestigd te Frankrijk te 92000 NANTERRE, rue d'Arras 17/23.

Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. P. FRANCOIS, advocaat te Brussel.

En :

1. L.,

2. G.,

3. B.,

4. A.,

5. F., zonder gekend adres in België of elders.

6. H.,

7. Z.,

8. B.,

9. B.,

10. A.,

11. C.,

12. D.,

13. P.,

14. L.,

15. O.,

16. D.,

17. M.,

18. G.,

19. M.,

Vrijwillig tussenkomende partijen, niet verschijnend noch vertegenwoordigd.

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Brussel op 19 juni 2012,

- het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 19 juli 2012;

- de conclusies van de partijen;

Gelet op de door partijen neergelegde stukken.

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 27 mei 2013 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen.

 

I. FEITEN

De vennootschap naar Frans recht Ségula Ingénierie et Maintenance SAS (hierna genoemd Ségula) is een bedrijf dat voor zijn klanten het onderhoud uitvoert van productielijnen in bijvoorbeeld de automobielindustrie of de luchtvaart. In België is zij aldus actief bij de firma Asco in de vestiging Zaventem, en dit vanaf 1 maart 2004.

Voorafgaand aan deze datum werd dezelfde activiteit uitgevoerd door rechtsvoorgangers van Ségula.

De activiteiten van Ségula bij Asco worden uitgevoerd door hoofdzakelijk Franse werknemers, die met Ségula verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst naar Frans recht. Ségula zelf heeft, net zo min als haar rechts-voorgangers, een maatschappelijke zetel in België.

Twee van haar werknemers legden op 14 juli 2005 klacht neer tegen Ségula bij de Arbeidsauditeur te Brussel, daar zij van oordeel waren dat Ségula de Belgische wetgeving inzake arbeidsrecht en sociale zekerheid niet respecteerde.

Naar aanleiding van het daarop volgende onderzoek door de inspectiediensten werd vastgesteld dat Ségula de werknemers betaalde op basis van de barema's van toepassing in het paritair comité 111 voor de metaal-, machine- en elektrische bouw, doch geen rekening hield met de lonen die verschuldigd waren op grond van de collectieve arbeidsovereenkomst die op 17 september 2001 werd gesloten in het paritair comité 111 specifiek voor bedrijven van de metaalverwerkende nijverheid gevestigd in de provincie Brabant.

Met brieven van 15 februari 2007 en 5 juni 2007 verzocht de inspectie Ségula de lonen van de werknemers tewerkgesteld bij Asco te regulariseren op basis van de lonen voorzien in de CAO van 17 september 2001. Hierop antwoordde de raadsman van Ségula met brief van 31 juli 2007 dat deze barema's niet op haar van toepassing waren daar zij geen exploitatiezetel heeft in Brabant doch enkel een tijdelijke werf bij Asco. Hij steunde zich hiervoor op een brief van de voorzitter van het paritair comité in voornoemde zin van 24 juli 1989, waarin deze vooropstelt dat voor de bepaling van de territoriaal toepasselijke CAO, gekeken moet worden naar de plaats waar de arbeiders effectief werken op voorwaarde dat de uitbatingszetel een ‘technische productie-eenheid is en geen werf.

Uit de notulen van de vergadering van het paritair comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw van 19 november 2007 blijkt dat dit paritair comité van oordeel is dat ‘wanneer ondernemingen geen vestiging hebben in België, deze ondernemingen gelijkgesteld kunnen worden met ondernemingen ‘gevestigd' in een provincie of gewest zoals bedoeld in artikel 1 van de CAO van 17 januari 1991 met betrekking tot de loon- en arbeidsvoorwaarden in Brabant, voor zover zij in deze provincie of in dit gewest actief zijn gedurende een ononderbroken periode van twaalf maanden.'

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met inleidende dagvaarding van 25 maart 2011 vorderde de Arbeidsauditeur bij de Arbeidsrechtbank te Brussel voor deze rechtbank volgende inbreuken ten laste van Ségula bewezen te verklaren:

- inbreuk op artikel 3bis en 9 van de Loonbescher-mingswet, strafbaar gesteld door artikel 42 van de Loonbeschermingswet;

- inbreuk op de bepalingen van de CAO's van 17 januari 1991 en 18 februari 1991, gesloten en het Paritair Comité 111.01 van Brabant, algemeen verbindend verklaard met KB van 20 januari 1992, en van de CAO van 17 september 2001, gesloten in hetzelfde paritair comité, algemeen verbindend verklaard met KB van 15 januari 2003, strafbaar gesteld door artikel 56, 1° van de CAO-wet.

Hij vorderde tevens de veroordeling van Ségula tot het ter kennis brengen op haar kosten van het tussen te komen vonnis aan al de benadeelde arbeiders binnen de maand volgend op de uitspraak, en dit conform de bepalingen van artikel 5 van de wet van 3 december 2006 houdende diverse bepalingen inzake sociaal strafrecht.

Tenslotte vorderde de Arbeidsauditeur de veroordeling van Ségula tot de kosten van het geding.

b.-

Met verzoekschrift in vrijwillige tussenkomst, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 5 april 2011, sloten negentien werknemers van Ségula, tewerkgesteld bij Asco, zich aan bij de vordering van de Arbeidsauditeur.

In hun latere conclusie specificeerden zij hun eis en vorderden zij:

In hoofdorde, de veroordeling van Ségula tot betaling op basis van de loonschalen van kracht binnen de onderneming Asco van:

- 1.000,00 EUR bruto provisioneel op een bedrag dat provisioneel geschat wordt op 100.000,00 EUR bruto per tussengekomen werknemer als loonachterstallen of schade-vergoeding en de intrest die hierop betrekking heeft;

- 1,00 EUR bruto provisioneel op een bedrag dat provisioneel geschat wordt op 5.000,00 EUR bruto per tussengekomen werknemer als eindejaarspremie en achterstallige vakantiegelden of schadevergoeding en de intrest die hierop betrekking heeft;

In ondergeschikte orde, de veroordeling van Ségula tot betaling op basis van de toepasselijke sectorale barema's binnen het paritair comité nr. 111.01 van:

- 1.000,00 EUR bruto provisioneel op een bedrag dat provisioneel geschat wordt op 100.000,00 EUR bruto per tussengekomen werknemer als loonachterstallen;

- 1,00 EUR bruto provisioneel op een bedrag dat provisioneel geschat wordt op 5.000,00 EUR bruto per tussengekomen werknemer als eindejaarspremie en achterstallige vakantiegelden of schadevergoeding en de intrest die hierop betrekking heeft;

Zij vorderden tevens de voorlopige uitvoerbaarheid van het vonnis zonder enige reserve en de veroordeling van Ségula tot de kosten van het geding.

c.-

Met vonnis van 19 juni 2012 verklaarde de arbeidsrecht-bank de vorderingen van de Arbeidsauditeur en van de eisers in vrijwillige tussenkomst ongegrond.

De Arbeidsauditeur werd veroordeeld tot de eigen gerechtskosten en de eisers in vrijwillige tussenkomst werden veroordeeld tot de kosten van het geding, voor Ségula begroot op 16.500,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

d.-

Er wordt geen melding gemaakt van een betekening van dit vonnis.

e.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 19 juli 2012, tekende de Arbeidsauditeur beroep aan tegen dit vonnis. Hij vorderde dat het bestreden vonnis zou worden vernietigd in alle beschikkingen en dat het arbeidshof zijn vordering ontvankelijk en gegrond zou verklaren.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

IV. BEOORDELING

1. Is Ségula een onderneming van de metaalverwerkende nijverheid die gevestigd is in de provincie Brabant?

a.-

Artikel 1 van de CAO die op 17 januari 1991 werd gesloten in het ‘gewestelijk paritair comité voor de metaalbouw van Brabant', bepaalt dat de CAO van toepas-sing is op de werkgevers en de arbeiders van de onder-nemingen van de metaalverwerkende nijverheid gevestigd in de provincie Brabant die onder de bevoegdheid vallen van het paritair comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw, met uitsluiting van de ondernemingen die bruggen en metalen gebinten monteren.

Deze CAO werd bekrachtigd door de CAO van 18 februari 1991 gesloten in het paritair comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw, en algemeen verbindend verklaard met KB van 20 januari 1992 (B.S. 4 augustus 1992).

Op 17 september 2001 werd in het paritair comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw een CAO gesloten met betrekking tot het gewaarborgd minimum-loon en de euro in de sector van de metaalbouw van Brabant. Deze CAO werd algemeen verbindend verklaard met KB van 15 januari 2003 (K.B. 27 maart 2003).

Met betrekking tot het toepassingsgebied van de over-eenkomst bepaalt artikel 1 dat de CAO van toepassing is op de werkgevers en de arbeiders van ondernemingen van de metaalverwerkende nijverheid gevestigd in Vlaams-Brabant, Waals-Brabant en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, die onder de bevoegdheid vallen van het paritair comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw, met uitsluiting van de ondernemingen die bruggen en metalen gebinten monteren.

b.-

De betwisting tussen partijen heeft in essentie betrek-king op de vraag of de sub a.- vermelde collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing zijn op Ségula.

Het staat in deze niet ter discussie dat Ségula een onderneming is van de metaalverwerkende nijverheid, die onder de bevoegdheid valt van het paritair comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw, en geen onderneming is die bruggen en metalen gebinten monteert.

Partijen zijn het er enkel niet over eens of Ségula een onderneming is die gevestigd is in Vlaams-Brabant, Waals-Brabant en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (voorheen de provincie Brabant) in de zin van voornoemde bepalingen.

c.-

Ten onrechte argumenteert de Arbeidsauditeur dat het paritair comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw duidelijk heeft omschreven wat bedoeld moet worden met ‘vestiging'.

Het is juist dat uit de notulen van de vergadering van het paritair comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw van 19 november 2007 blijkt dat dit paritair comité van oordeel is dat ‘wanneer ondernemingen geen vestiging hebben in België, deze ondernemingen gelijkgesteld kunnen worden met ondernemingen ‘gevestigd' in een provincie of gewest zoals bedoeld in artikel 1 van de CAO van 17 januari 1991 met betrekking tot de loon- en arbeidsvoorwaarden in Brabant, voor zover zij in deze provincie of in dit gewest actief zijn gedurende een ononderbroken periode van twaalf maanden.'

Niets belet de partijen die een CAO hebben gesloten, de begrippen die in deze CAO worden vermeld te verduidelijken door een interpretatieve CAO. Indien het gaat over de interpretatie van een algemeen verbindend verklaarde CAO, dient ook interpretatieve CAO algemeen verbindend te worden verklaard.

(vgl. V. Pertry, Retroactieve toepassing van CAO-bepalingen, in M. Rigaux (ed.), Actuele problemen van het arbeidsrecht 3, Kluwer rechtswetenschappen, Antwerpen 1990, nr. 347, p. 114-115)

Een commentaar van partijen bij een CAO die opgesteld werd naar aanleiding van de totstandkoming van een CAO of nadien, en die zelf niet onder de vorm van een CAO gerealiseerd werd, kan echter nooit een interpretatieve CAO zijn.

(vgl. Cass. 14 april 1980, R.W. 1980-81, 126)

Dit geldt des te meer wanneer vastgesteld dat de inhoud die het paritair comité wenst te geven aan het begrip ‘vestiging', louter arbitrair overkomt en geen enkele grond vindt in de tekst van de CAO zelf.

Uiteraard geldt hetzelfde voor het argument van Ségula, die zich beroept op een advies van de voorzitter van hetzelfde paritair comité van 24 juli 1989, waarin deze vooropstelt dat voor de bepaling van de territoriaal toepasselijke CAO, gekeken moet worden naar de plaats waar de arbeiders effectief werken op voorwaarde dat de uitbatingszetel een ‘technische productie-eenheid is en geen werf'.

d.-

Evenzeer ten onrechte beroept de Arbeidsauditeur zich op het begrip ‘Belgische inrichting' uit artikel 229 § 1 van het WIB 1992 en het begrip ‘vaste inrichting' dat wordt gehanteerd in een aantal verdragen tot het vermijden van dubbele belasting.

Terecht merkt Ségula op dat het hier gaat om begrippen uit het fiscaal recht, die niet en alleszins niet onmiddellijk toepasbaar zijn in het sociaal recht.

e.-

Tenslotte kan ook geen rekening worden gehouden met de verwijzing van het Arbeidsauditoraat naar het begrip ‘technische bedrijfseenheid' uit de wetgeving en de reglementering van de sociale verkiezingen.

Dit begrip moet worden gelezen in functie van het doel van de reglementering zelf: het begrip technische bedrijfseenheid dient immers om de werking van de inspraak van de werknemers in het bedrijf zo efficiënt mogelijk te maken, en kan dus niet worden ingeroepen om de territoriale toepassing van collectieve arbeidsovereenkomsten te verduidelijken.

f.-

Naar het oordeel van het arbeidshof beroept Ségula zich ten onrechte op de Richtlijn 96/71 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (de Detacheringsrichtlijn).

Artikel 2.1 van voornoemde richtlijn bepaalt immers dat voor de toepassing van de richtlijn onder ‘ter beschikking gestelde werknemer' wordt verstaan, iedere werknemer die gedurende een bepaalde periode werkt op het grondgebied van een lidstaat die niet de staat is waar die werknemer gewoonlijk werkt.

Een eerste probleem dat zich hierbij stelt is dat de Detacheringsrichtlijn geen maximale duur van de tewerkstelling op het grondgebied van een andere lidstaat geeft, doch dat uit de verdere bepalingen van de richtlijn blijkt dat de tewerkstelling op het grondgebied van een andere lidstaat geen periode van meerdere jaren kan betreffen.

Uit de niet betwiste vaststellingen van de inspectie-diensten blijkt dat de werknemers van Ségula die in België actief waren bij Asco in Zaventem, deze activiteit uitoefenden voor zeer lange periodes, die vaak meer dan vijf jaar bedragen.

Dergelijke langdurige periodes van ter beschikking stelling zijn naar het oordeel van het arbeidshof niet verenigbaar met de ter beschikking stelling van werknemers zoals bedoeld in de Detacheringsrichtlijn.

Op de tweede plaats geldt dat, zelfs indien aanvaard zou moeten worden dat de Detacheringsrichtlijn van toepassing zou zijn op zeer lange periodes van tewerkstelling op het grondgebied van een andere lidstaat, rekening moet worden gehouden met artikel 3.1 tweede gedachtenstreepje c) van de richtlijn, dat bepaalt dat de lidstaten erop toezien dat de onder-nemingen die in het kader van transnationale dienst-verrichtingen werknemers ter beschikking stellen op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht het recht dat van toepassing is op het dienstverband, voor de op hun grondgebied ter beschikking gestelde werknemers, de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden garanderen die in de lidstaat waar het werk wordt uitgevoerd, zijn vastgelegd in algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten die betrekking hebben op de minimumlonen.

Artikel 3.8 van de richtlijn bepaalt hierbij verder dat onder collectieve arbeidsovereenkomsten die algemeen verbindend zijn verklaard moet worden verstaan de overeenkomsten die moeten worden nageleefd door alle ondernemingen die tot de betrokken beroeps-groep of bedrijfstak behoren en onder het territoriale toepassingsgebied van de overeenkomsten vallen.

Bijgevolg dient zelfs onder de toepassing van de Detacheringsrichtlijn te worden onderzocht of Ségula voor de bij Asco tewerkgestelde werknemers gehouden is de collectieve arbeidsovereenkomsten na te leven die gesloten werden in het PC 111 en van toepassing zijn op de ondernemingen gevestigd in Brabant.

g.-

Naar het oordeel van het arbeidshof dient een onder-neming beschouwd te worden als gevestigd op een bepaalde plaats, wanneer haar activiteiten op deze plaats een zekere standvastigheid vertonen en dat de opdrachten en instructies van de werknemers die op die plaats voor hem werken aldaar ook worden geven.

(vgl. inzake het begrip ‘exploitatiezetel' voor de toepassing van het Nederlands Taaldecreet: Cass. 22 april 2002, R.W. 2002-03, 1542)

In die zin is Ségula ongetwijfeld gevestigd in Zaventem: de activiteiten van Ségula en haar rechtsvoorgangers voor de klant Asco worden sinds geruime tijd (ongeveer 20 jaar) in Zaventem uitgevoerd, en het staat niet ter discussie dat de werknemers van Ségula, die gedurende geruime tijd (tot meer dan vijf jaar) op deze plaats tewerkgesteld worden, hun instructies in Zaventem ontvangen, zodat het werkgeversgezag in Zaventem wordt uitgeoefend.

Het argument dat Ségula in Zaventem slechts een werf zou hebben, die volledig zou verdwijnen wanneer de overeenkomst tussen Asco en Ségula zou worden beëindigd, staat aan wat voorafgaat niet in de weg: het feit dat deze ‘werf' op lange termijn tijdelijk zou blijken, belet niet dat de aard en de duur van de activiteiten van Ségula wijzen op het bestaan van een vestiging van de firma in Zaventem.

h.-

Het arbeidshof besluit dat Ségula een onderneming is die gevestigd is in Vlaams-Brabant, Waals-Brabant en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (voorheen de pro-vincie Brabant) in de zin van artikel 1 van de op 17 september 2001 in het paritair comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw gesloten collectieve arbeidsovereenkomst met betrekking tot het gewaarborgd minimumloon en de euro in de sector van de metaalbouw van Brabant, en bijgevolg voor de in Zaventem tewerk-gestelde werknemers de bepalingen van deze CAO dient na te leven.

2. Heeft Ségula zich schuldig gemaakt aan een misdrijf?

a.-

Met inleidende dagvaarding van 25 maart 2011 vorderde de Arbeidsauditeur bij de Arbeidsrechtbank te Brussel voor deze rechtbank volgende inbreuken ten laste van Ségula bewezen te verklaren:

- inbreuk op artikel 3bis en 9 van de Loonbescher-mingswet, strafbaar gesteld door artikel 42 van de Loonbeschermingswet;

- inbreuk op de bepalingen van de CAO's van 17 januari 1991 en 18 februari 1991, gesloten en het Paritair Comité 111.01 van Brabant, algemeen verbindend verklaard met KB van 20 januari 1992, en van de CAO van 17 september 2001, gesloten in hetzelfde paritair comité, algemeen verbindend verklaard met KB van 15 januari 2003, strafbaar gesteld door artikel 56, 1° van de CAO-wet.

De Arbeidsauditeur steunt zijn vordering bijgevolg uitdrukkelijk op het bestaan van een misdrijf.

b.-

In burgerlijke zaken moet de partij die een op een misdrijf gegronde vordering heeft ingesteld, de aanwezigheid van de bestanddelen van het misdrijf bewijzen.

(vgl. Cass. 16 februari 1990, Arr. Cass. 1989-90, 782)

Wanneer de burgerlijke rechter een uitspraak moet doen over een op een misdrijf gesteunde vordering en nagaat of de vordering eventueel verjaard is, moet hij vaststellen dat de feiten die aan de vordering ten grondslag liggen onder toepassing van de strafwet vallen. Hij is gehouden de constitutieve elementen van dit misdrijf die een invloed hebben op de beoordeling van de verjaring na te gaan en mag zich er niet toe beperken vast te stellen dat de werknemer het bestaan van het misdrijf inroept ter ondersteuning van zijn vordering.

(vgl. Cass. 25 oktober 2004, onuitg., Nr. S.99.0190.F; Cass. 9 februari 2009, J.T.T. 2009, 211, met conclusie Proc.-Gen. J.-F. Leclercq)

Bij de beoordeling van een vordering ex delicto dient de rechter bijgevolg na te gaan of het materieel en het moreel element van het misdrijf waarop de Arbeids-auditeur zich steunt, aanwezig zijn.

c.-

Artikel 56, 1° van de CAO-wet stelt strafbaar de werk-gever, zijn aangestelden of lasthebbers, die zich schul-dig hebben gemaakt aan overtreding van een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst.

Aan de orde is bijgevolg de vraag of de Arbeids-auditeur het bewijs levert van het feit dat Ségula een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeids-overeenkomst heeft overtreden.

Uit wat onder IV.1 werd uiteengezet, blijkt dat Ségula de bepalingen van de op 17 september 2001 in het paritair comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw gesloten collectieve arbeidsovereen-komst met betrekking tot het gewaarborgd minimumloon in de sector van de metaalbouw van Brabant diende na te leven en dit niet heeft gedaan.

Het materieel element van het misdrijf kan dan ook als bewezen worden beschouwd.

d.-

Wanneer in de wettelijke omschrijving van een misdrijf geen sprake is van opzet of onachtzaamheid, is het misdrijf niet louter strafbaar doordat het materiële feit is gepleegd.

(vgl. Cass. 12 mei 1987, R.W. 1986-87, 538, concl. Adv.-Gen. J. du Jardin; Cass. 13 december 1994, Arr. Cass. 1994, 1104)

Het is dan ook ten onrechte dat de Arbeidsauditeur argumenteert dat de inbreuken die werden weerhouden in de dagvaarding geen opzet noch fout vereisen, en dat het misdrijf voltrokken is van zodra het materiële bestanddeel van het misdrijf aanwezig is.

Voor verschillende misdrijven uit het sociaal straf-recht is geen opzet vereist: voor het bewezen verklaren van deze overtredingen is wel een moreel bestanddeel vereist, maar niet dat de dader opzettelijk heeft gehandeld.

(vgl. Cass. 31 januari 1989, Arr. Cass. 1988-89, 648; Cass. 16 februari 1993, Arr. Cass. 1993, 193; zie eveneens J. Messinne, Noot onder Cass. 12 mei 1987, J.T. 1988, 440)

In het sociaal strafrecht wordt het schuldbegrip op een bijzondere manier geconcretiseerd, m.n. door de figuur van de normaal vooruitziende werkgever, die geacht wordt de regels van het sociaal recht te kennen en na te leven.

(vgl. A. Vandenbergen, Het moreel element in sociaalrechtelijke misdrijven, Noot onder Arbh. Antwerpen, 10 december 1992, J.T.T. 1994, 412)

Schuld door onachtzaamheid bestaat in een schending van de algemeen geldende zorgvuldigheidsplicht, die voorschrijft dat men zich in het rechtsverkeer der-wijze bedachtzaam en omzichtig dient te gedragen, dat handelingen en onthoudingen geen gevolgen kunnen veroorzaken die strafrechtelijk beschermde rechts-goederen of rechtsbelangen aantasten.

(vgl. L. Dupont en R. Verstraeten, Handboek Belgisch Strafrecht, Leuven 1989, Acco, 259)

Bij het beoordelen van het moreel bestanddeel van het misdrijf dient bijgevolg telkens te worden nagegaan of de dader van het misdrijf de strafbare gedraging had kunnen voorkomen, wat neerkomt op een louter aquiliaans schuldbegrip.

(vgl. V. Dooms, De verhouding tussen de vordering ex contractu en ex delicto in het kader van de arbeidsovereenkomst, Bibliotheek Sociaal Recht, Larcier, Brussel 2003, nr. 208)

De feitenrechter beoordeelt de volstrekte onmogelijk-heid tot handelen van de persoon die de handeling moet stellen met inachtneming van de omstandigheden waaruit volgt dat degene die zich op een rechtvaardigingsgrond beroept, heeft gehandeld zoals ieder bedachtzaam en voorzichtig mens zou hebben gedaan, die in dezelfde toestand verkeert.

(vgl. Cass. 8 januari 1996, J.T.T. 1996, 250, noot)

In casu is het arbeidshof van oordeel dat de Arbeidsauditeur niet aantoont dat Ségula niet heeft gehandeld zoals iedere bedachtzaam en voorzichtig werkgever zou hebben gehandeld, zodat het moreel element van het misdrijf niet wordt bewezen.

Het is hierbij niet onbelangrijk op te merken dat het paritair comité zelf er niet in slaagt om eenduidige meningen te formuleren over het begrip ‘gevestigd' in zijn collectieve arbeidsovereenkomsten, zoals hoger werd vastgesteld.

Met betrekking tot het moreel bestanddeel van het misdrijf waarop de Arbeidsauditeur zich beroept, moet echter in hoofdzaak worden benadrukt dat de Arbeids-auditeur, op wie ten aanzien van het bestaan van een misdrijf zoals hoger aangegeven de bewijslast rust, niet aantoont dat enig moreel bestanddeel van een misdrijf in hoofde van Segula moet worden aanvaard.

De vordering van de Arbeidsauditeur, gesteund op het bestaan van een misdrijf, is bij ontstentenis van het bewijs van het bestaan van een misdrijf ongegrond.

 

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;

Bevestigt bestreden vonnis in alle beschikkingen;

Verwijst de Arbeidsauditeur in de kosten van het geding, in hoofde van geen van beide partijen begroot.

 

Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

D. RYCKX : Raadsheer.

S. ALAERTS: Raadsheer in sociale zaken als werkgever,

P. MANS : Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider,

En bijgestaan door :

D. DE RAEDT : Griffier,

S. ALAERTS, P. MANS,

D. DE RAEDT, D. RYCKX,

Mevrouw S. ALAERTS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen.

Overeenkomstig art. 785 Ger. Wb. wordt het arrest ondertekend door Mr D. RYCKX, Raadsheer en Mr. P. MANS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider.

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 16 september 2013 door de heer D. RYCKX, Raadsheer, bijgestaan door D. DE RAEDT, griffier,

D. DE RAEDT, D. RYCKX,

Vrije woorden

  • COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN

  • PARITAIRE COMITES

  • Paritair comité

  • Bevoegdheid

  • Begrip vestiging

  • Sociaal misdrijf

  • Moreel element.