- Arrest van 18 oktober 2013

18/10/2013 - 2012/AB/678

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De Gecoördineerde Taalwetten van 1966 zijn van toepassing op grond van het objectieve criterium van de exploitatiezetel van de onderneming, waarbij de postbus bepalend is. Er kan niet gekeken worden naar de specifieke ligging van elk gebouw, aangezien dit tot gevolg zou hebben dat op werknemers in het ene gebouw een andere taalwetgeving van toepassing zou zijn dan op de werknemers in het andere gebouw.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 18 oktober 2013

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

A.B.M. ,

Appellant op hoofdberoep,

Geïntimeerde op incidenteel beroep,

vertegenwoordigd door mr. VANDEVOORDE Frank, advocaat, loco mr. MIGEAL Jean-Pierre, advocaat te 1200 BRUXELLES, Av. Georges Henri 431

Tegen:

BVBA IBM BELGIUM, met maatschappelijke zetel te 1130 BRUSSEL, Bourgetlaan 42,

Geïntimeerde op hoofdberoep,

Appellante op incidenteel beroep,

vertegenwoordigd door mr. WAUTERS Olivier, advocaat, loco mr. DEBRAY Olivier, advocaat te 1160 BRUXELLES, Boulevard du Souverain 280

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 14-02-2012 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 10/18476/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 4 juli 2012,

de conclusies en syntheseconclusies voor de appellant, neergelegd ter griffie op 4 januari 2013 en 6 mei 2013,

de conclusie en syntheseconclusies voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 5 november 2012, 4 maart 2013 en 5 juli 2013,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 20 september 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

FEITEN EN RECHTSPLEGING

De heer A.B.M. was sinds 1-1-1992 in dienst van de onderneming Price Waterhouse Coopers consulting die op 1-1-2003 wereldwijd werd verkocht aan IBM Belgium.

Aldus ging de arbeidsovereenkomst van de heer A.B.M. over naar geïntimeerde met behoud van zijn anciënniteit;

Met een in het Frans gestelde aangetekende brief van 25-6-2009 stelde de vennootschap een einde aan de arbeidsovereenkomst met een opzegtermijn van 18 maanden.

Met een tweede eveneens in het Frans gestelde aangetekende brief van 9 juli 2009 verzaakte de vennootschap aan het concurrentiebeding.

Met een aangetekende brief van 31-3-2010 deelde de vennootschap mee dat zij de

arbeidsovereenkomst beëindigde mits uitbetaling van een opzeggingsvergoeding van 214.425,70 euro, wat volgens haar overeenstemde met de resterende opzeggings-termijn van 8,84 maanden.

Op 25 juni meldde de raadsman van de heer A.B.M. aan de vennootschap dat zowel de opzegbrief als de brief houdende afstand van het concurrentiebeding nietig waren daar zij beide in het Frans waren gesteld in strijd met het Nederlands taaldecreet en maakte hij aanspraak op een aanvullende opzegvergoeding en een forfaitaire vergoeding wegens het niet verzaken aan het concurrentiebeding.

Met een op 20-12-2010 neergelegd verzoekschrift spande de heer A.B.M. een geding aan voor de arbeidsrechtbank. Hij vorderde de veroordeling van de vennootschap tot betaling van volgende bedragen:

- 649.067,11 euro als aanvullende opzeggingsvergoeding en in uiterst ondergeschikte orde, voor het geval de rechtbank zou menen dat de ontslagbrief van 25-6-2009 geldig was, een aanvullende opzegvergoeding van 326.421,38 euro.

- 193.587,44 euro als forfaitaire vergoeding wegens het niet verzaken aan het concurrentiebeding

- 35.992,24 euro als executive bonus en het enkel en dubbel vakantiegeld daarop t.b.v. 5.521,17 euro

-10.000 euro als premie voor de executive groepsverzekering voor 2009 en pro rata 2010.

De nalatigheidsintresten op die bedragen vanaf 1 tot 24-5-2010.

Hij vorderde tevens kapitalisatie van de hem verschuldigde intresten en de kosten van het geding.

Bij op 25-3-2011 ter griffie neergelegde syntheseconclusies vorderde de vennoot-schap op tegenvordering de veroordeling van de heer A.B.M. tot betaling van een bedrag van 10.000 euro provisioneel wegens procesrechtsmisbruik te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten.

Met het bestreden vonnis verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk en in volgende mate gegrond

Zij veroordeelde de vennootschap tot betaling aan de heer A.B.M. van volgende bedragen:

- 85.427,04 euro als saldo opzeggingsvergoeding en 4.025,04 euro onder aftrek van de wettelijke inhoudingen die aan de bevoegde instanties moesten gestort worden

- de wettelijke intresten op de bruto bedragen vanaf 1-5-2010 en de gerechtelijke intresten vanaf de neerlegging van het verzoekschrift.

- bovendien vanaf 25-5-2011 de gerechtelijke intresten op de intresten vervallen van 1-5-2010 tot 24-5-2010;

Ze verklaarde de tegenvordering niet gegrond.

Ze zegde dat de heer A.B.M. de helft van de rechtsplegingsvergoeding van de verwerende partij diende te betalen en veroordeelde deze tot de overige kosten van het geding.

De heer A.B.M. had de nietigheid van de in het Frans gestelde opzegbrief en van de verzakingsbrief opgeworpen op basis van het Nederlands taaldecreet.

De arbeidsrechtbank oordeelde dat de exploitatiezetel van de vennootschap op de grens van het Vlaams en het Brussels gewest gelegen, geen toegang tot de openbare weg had in het Vlaams gewest en er ook geen adres had. Zij besloot dat de zetel gevestigd was in het Brussels hoofdstedelijk Gewest, zodat de vennootschap was onderworpen aan de gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken van 18-7-1966.

De aan hem gerichte brieven waren volgens haar terecht in het Frans opgesteld aangezien de heer A.B.M. Franstalig is zodat er een geldige opzegtermijn was betekend die deels werd gepresteerd en ook geldig verzaakt werd aan het niet-concurrentiebeding.

Zij bepaalde het basisloon ter berekening van de opzegvergoeding op 331.940,31 euro en de passende opzegtermijn op 20 maanden, waarop nog een saldo berekend op 10,84 maanden diende betaald te worden.

VORDERINGEN IN HOGER BEROEP

De heer A.B.M. is het niet eens met de uitspraak van de arbeidsrechtbank.

Hij verzoekt het hof, in voorkomend geval en vooraleer recht te doen, de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Worden de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het

bepalen van de onderscheiden bevoegdheid von de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten geschonden door het toepassingsgebied van het Nederlands Taaldecreet en/of de Taalwet Bestuurszaken te bepalen aan de hand van het postadres van de exploitatiezetel in plaats van aan de hand van de daadwerkelijke en geografische ligging van de exploitatiezetel, zijnde de plaats waar de sociale betrekkingen effectief plaatsvinden, omdat bij gebruik van het criterium "adres van de expioitatiezetel" de sociaie betrekkingen die daadwerkelijk plaatsvinden in Vlaanderen in een exploitatiezetel die in werkelijkheid gelegen is in het Nederlands taalgebied, doch die enkel een adres heeft in Brussel-Hoofdstad, hierdoor worden geacht geregeld te worden door de Taalwet Bestuurszaken en niet door het Nederlands Taaldecreet en de Taalwet Bestuurszaken aldus van toepassing wordt verklaard op sociale betrekkingen die daadwerkelijk en uitsluitend plaatsvinden in het Nederlands taalgebied?"

De vennootschap te veroordelen tot volgende bruto bedragen

- 406.939,78 euro als aanvullende opzeggingsvergoeding, ondergeschikt, 131.406,15 euro, indien de arbeidsrechtbank zou menen dat de ontslagbrief van 25-6-2009 wel geldig zou zijn

-165.320,18 euro als forfaitaire vergoeding wegens het niet verzaken aan het concurrentiebeding,

- de overeenstemmende vergoedingen voor de maandelijkse bijdrage bedrijfspensioenvoorziening en de representatiekosten, zijnde 2012,73 euro per bijkomende maand opzeggingsvergoeding, hetzij in hoofdorde 30.553,24 euro en in ondergeschikte orde 10.425,94 euro

Tot de nalatigheidsintresten op deze bruto bedragen van 1 tot 24-5-2011.

Op deze bruto bedragen verhoogd met de tussen die data vervallen intresten van 25-5-2011 tot en met 4-7-2012

Akte te nemen van zijn vordering tot kapitalisatie van de vervallen intresten op grond van art 1154 BW.

De vennootschap vordert dat het hof de vorderingen van de heer A.B.M. ongegrond zou verklaren en hem zou veroordelen tot de kosten van beide gedingen.

In ondergeschikte orde, alvorens recht te doen, volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie in verband met het Vlaams taaldecreet:

"Schendt het Vlaams Taaldecreet van 19 juli 1973 artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in verband met het vrij verkeer van werknemers binnen de Europese Unie in de mate dat het een onderneming die gelegen is in het Vlaams taalgebied oplegt om bij de aanwerving van een werknemer in arbeidsrelaties met een internationaal karakter alle documenten die betrekking hebben op de arbeidsrelatie op te stellen in het Nederlands, op straffe van nietigheid".

Zij stelde tevens incidenteel hoger beroep in dat ertoe strekt het bestreden vonnis te hervormen waar het een aanvullende opzeggingsvergoeding toekent, de kapitalisatie van intresten ontvankelijk en gegrond verklaart en de gerechtskosten deels verdeelt.

BEOORDELING

ONTVANKELIJKHEID

Gelet op de voorgehouden betekening van 5 juni 2012, werd het hoger beroep op maandag 4 juli 2012 tijdig aangetekend, wat niet wordt betwist. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daarom ontvankelijk.

TEN GRONDE

1 Geldigheid van de in het Frans gestelde opzegbrief en van de brief waarmee afstand werd gedaan van het concurrentiebeding

De vraag naar de geldigheid van die brieven houdt verband met de toepasselijke taalwetgeving in sociale zaken.

Volgens de heer A.B.M. is het Nederlands taaldecreet van 19-7-1973 van toepassing omdat de exploitatiezetel, waaronder hij het concrete gebouw verstaat waarin hij tewerkgesteld was en waar hij zijn instructies kreeg in Zaventem is gelegen dat tot het Nederlands taalgebied behoort.

Volgens de vennootschap moet die vraag beoordeeld worden op grond van het adres van de exploitatiezetel, Bourgetlaan, 42 te 1130 Brussel, gelegen in het Brussels gewest, volgens haar het enige objectieve criterium, zodat de gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken van 18 juli 1966 van toepassing zijn, een zienswijze die door de arbeidsrechtbank werd bijgetreden.

Art 4 van de Grondwet deelt België in vier taalgebieden.

Art 129 van de Grondwet bepaalt dat de Gemeenschappen bevoegd zijn om het taalgebruik te regelen voor de sociale betrekkingen in hun taalgebied, bij uitsluiting van de federale wetgever en de andere wetgevende instanties.

De federale wetgever is daartoe bevoegd in het tweetalig gebied Brussel Hoofdstad.

Art 1 van het Nederlands taaldecreet dat het toepassingsgebied betreft bepaalt:

"Dit decreet is van toepassing op de natuurlijke personen en rechtspersonen die een exploitatiezetel in het Nederlands taalgebied hebben(...) Het regelt het taalgebruik van de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers alsmede voor de wettelijk voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen".

De taalwet bestuurszaken van 18-7-1966 bepaalt in art 52§1:

"Voor de akten en bescheiden die voorgeschreven zijn bij de wetten en reglementen en voor die welke bestemd zijn voor hun personeel gebruiken de private nijverheids- handels- of financiebedrijven de taal van het gebied waar hun exploitatiezetel of onderscheiden exploitatiezetels gevestigd zijn.

In Brussel-Hoofdstad stellen de bedrijven die bescheiden in het Nederlands wanneer zij bestemd zijn voor het Nederlandssprekend personeel en in het Frans wanneer zij bestemd zijn voor het Franssprekend personeel."

In beide gevallen is de exploitatiezetel van de onderneming het bepalend criterium.

Er dient bijgevolg te worden uitgemaakt in welk gebied de exploitatiezetel van de vennootschap gelokaliseerd is, rekening houdend met het gegeven dat een gedeelte van het onroerend goed waar de exploitatiezetel van de vennootschap is gevestigd, zich in Nederlands taalgebied bevindt, doch het postadres van de exploitatiezetel, die samenvalt met de maatschappelijke zetel behoort tot het administratieve arrondis-sement Brussel Hoofdstad.

Volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof moet het lokalisatiecriterium, de plaats waar de sociale betrekkingen plaatsvinden, op exacte wijze worden bepaald zodat deze uitsluitend op het grondgebied van één wetgever kunnen worden gesitueerd. (onderlijning door het hof)

Zo overwoog het Grondwettelijk Hof in een arrest van 30-1-1986 (nr 9/86)

"Deze grondwetsbepalingen hebben een exclusieve territoriale bevoegdheids-verdeling tot stand gebracht. Een zodanig stelsel veronderstelt dat het onderwerp van iedere regeling welke een gemeenschapswetgever uitvaardigt, moet kunnen worden gelokaliseerd binnen het gebied waarvoor hij bevoegd is, zodat iedere concrete verhouding en situatie slechts door één enkele wetgever wordt geregeld.

(...)

Om aan het voorschrift van de Grondwet te beantwoorden moeten die criteria bij machte zijn zowel de plaats te situeren waar de sociale betrekkingen tussen de werkgever en zijn personeel noodzakelijk tot stand komen als die plaats uitsluitend binnen het territoriale bevoegdheidsgebied van de decreetgever te brengen."

"Het is de plaats waar de sociale betrekkingen tussen partijen effectief plaatshebben, die beslissend is om te voldoen aan de grondwettelijke vereisten van lokalisatie.

Indien, in bepaalde gevallen, de plaats van tewerkstelling van het personeel de maatschappelijke zetel of de woonplaats van de werkgever in feite die lokalisatie mogelijk maken dan stemmen zij in werkelijkheid overeen met een exploitatiezetel.

Het is de exploitatiezetel - iedere vestiging of centrum van activiteit met enige standvastigheid waaraan het personeelslid gehecht is dat de sociale contacten tussen partijen in principe plaats hebben: daar worden doorgaans de opdrachten en instructies aan het personeelslid gegeven, worden hem alle mededelingen gedaan en wendt hij zich tot zijn werkgever. Zo opgevat is dit criterium in overeenstemming met het grondwettelijk voorschrift inzake het gebruik van de talen voor de sociale betrekkingen".

(GH 18-11-1986, nr 29/86)

Terecht merkt de vennootschap op dat het lokalisatiecriterium moet toelaten de plaats waar de sociale betrekkingen plaats vinden zo te bepalen dat deze uitsluitend op het grondgebeid van één wetgever kunnen worden gesitueerd. Het is van het grootste belang dat de sociale betrekkingen met alle werknemers van dezelfde exploitatiezetel en in voorkomend geval met de sociale overlegorganen op dezelfde plek kunnen worden gelokaliseerd.

Indien men, zoals de heer A.B.M. voorhoudt de kadastrale ligging van het "gebouw" waar de werknemer werkt zou moeten gelijk stellen met de exploitatiezetel, in plaats van het adres dat aan die exploitatiezetel is verbonden, dan zou dit tot ongerijmde situaties kunnen leiden. Werknemers werkzaam in het ene gebouw van een exploitatiesite met hetzelfde adres, zouden dan onderworpen zijn aan een andere taalwetgeving dan deze die werkzaam zijn in een ander gebouw op de site, of de werknemers die aan de ingang van het gebouw of in de tuin werkzaam zijn, gelegen op het grondgebied van het ene taalgebied zouden onderworpen zijn aan een andere taalreglementering dan de werknemers in gebouwen gelegen op een ander taalgebied.

De door de heer A.B.M. voorgestelde oplossing zou nog meer ongerijmd zijn wanneer een deel van het gebouw in het ene taalgebied is gelegen en een ander deel in een ander taalgebied (een mogelijkheid die zeer reëel is, zoals de door partijen neergelegde luchtfoto's aantonen). Helemaal hallucinant zou het worden wanneer de werknemer van een kantoor gelegen in een gedeelte van het gebouw, gelegen in het ene taalgebied zou verhuizen naar een kantoor gelegen in een ander taalgebied. (wat volgens diezelfde foto's tot de reële mogelijkheden behoort).

Ook voor de bepaling van de bevoegde arbeidsrechtbank in zake geschillen betreffende arbeidsovereenkomsten geldt de exploitatiezetel als criterium en zou de door de heer A.B.M. voorgestelde oplossing met betrekking tot de lokalisatie van de exploitatiezetel: nl. het gebouw (gedeelte van het gebouw?) waar de werknemer werkzaam is tot de grootste rechtsonzekerheid leiden.

Een rechtssubject wordt in het rechtsverkeer niet enkel geïdentificeerd aan de hand van zijn naam, maar ook aan de hand van zijn woonplaats, eventueel verblijfplaats, maatschappelijke zetel of exploitatiezetel ( indien het een rechtspersoon betreft), zodat het adres het lokalisatiemiddel bij uitstek is dat zekerheid en exclusiviteit toe-laat, ongeacht de eventuele configuratie van de gebouwen, zoals hoger genoemde voorbeelden "uit het ongerijmde" wellicht reeds voldoende hebben geïllustreerd.

Het Hof van Cassatie heeft de exploitatiezetel gedefinieerd als "iedere vestiging of elk centrum met enige standvastigheid waaraan het personeelslid verbonden is en waar de sociale betrekkingen tussen werknemer en werkgever in principe plaats-hebben omdat daar doorgaans de opdrachten en de instructies aan het personeel worden gegeven, hem alle mededelingen worden gedaan en hij zich tot zijn werkgever wendt. (Cass.22-4-2002, RW 2002-2003, 1542)

Terecht merkt de vennootschap op dat in dit cassatiearrest het accent ligt op de collectiviteit van het personeel verbonden aan een onderneming.

In een arrest van 29-5-1995 oordeelde het Hof van Cassatie eveneens dat voor de ligging van de exploitatiezetel het adres als criterium wordt gehanteerd. (JTT 1995, 401)

Het hof besluit dat de stelling van de heer A.B.M. dat de lokalisatie dient te gebeuren aan de hand van het "feitelijk" gegeven, de plaats waar" instructies de facto" worden gegeven, losstaande van de vestiging of enige administratieve inschrijving van een onderneming op een bepaald adres niet kan gevolgd worden.

Terloops zij nog opgemerkt dat het adres van de exploitatiezetel door het bevoegde administratieve orgaan werd toegewezen en niet op fictieve wijze door de vennootschap zelf werd bepaald en dat aan de vennootschap in het Vlaamse Gewest geen adres werd toegekend.

De Vaste Commissie voor Taaltoezicht, die de officiële instantie is om de naleving van de Taalwet te verifiëren heeft reeds in een advies aan IBM van 1-4-2003, op vraag van de werknemersvertegenwoordigers, bevestigd dat IBM wel degelijk in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ligt en bijgevolg onderworpen is aan de Taalwet van 18-7-1966. Dit advies werd opgenomen in een PV van de ondernemingsraad van 8-5-2003.

Ook in andere materies wordt het adres van de vennootschap in aanmerking genomen.

Dit is het geval voor de neerlegging van de jaarrekeningen die in het Nederlands en in het Frans gebeurt.

Ook de vennootschapsbelasting wordt betaald in het Brussels hoofdstedelijk Gewest en niet in het Vlaams gewest.

De toekenning van arbeidsvergunningen die door de vennootschap worden aangevraagd voor haar buitenlandse kaderleden, gebeurt door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en niet door de Vlaamse Gemeenschap.

De sociale inspectie gebeurt door inspecteurs van Brussel Hoofdstad.

Dat door de administratie van het kadaster een ander criterium wordt gebruikt voor de inning van de onroerende voorheffing of dat een ander criterium geldt voor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning, acht het hof ter zake niet relevant.

Dit houdt verband met andere, eerder geografische imperatieven, dan het geval is voor de "sociale betrekkingen" met een geheel van werknemers.

Het hof sluit zich aan bij de beslissing van de arbeidsrechtbank dat binnen de exploitatiezetel waar de heer A.B.M. werkzaam was de taalwet van 1966 van toepassing is op de sociale betrekkingen met het personeel, daar het adres van de exploitatiezetel gelegen is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Het is niet betwist dat de heer A.B.M. Franstalig is. Alle voor hem bestemde documenten en alle briefwisseling werden tijdens zijn tewerkstelling voor de vennootschap ook steeds in het Frans gesteld, zoals blijkt uit de voorgelegde stukken, zonder enig protest vanwege de heer A.B.M..

Op grond van art 51 van de taalwet van 1966, dienden de voor de heer A.B.M. bestemde documenten in het Frans te worden gesteld.

Derhalve zijn de in het Frans gestelde opzegbrief en de in het Frans gestelde brief waarmee de vennootschap verzaakt heeft aan het concurrentiebeding volkomen rechtsgeldig.

De heer A.B.M. heeft daar ook naar gehandeld aangezien hij tijdens de opzegtermijn gebruik heeft gemaakt van sollicitatieverlof en van outplacement-begeleiding, zoals uit de stukken blijkt.

De brief van 31-3-2010 waarmee een definitief einde werd gesteld aan de arbeidsovereenkomst is eveneens rechtsgeldig. De heer A.B.M. heeft er overigens gevolg aan gegeven daar hij geen verdere arbeidsprestaties heeft geleverd.

De vennootschap heeft een opzegvergoeding uitbetaald gelijk aan 8,82 maanden loon t.b.v. 238.905,70 euro en een eenmalige premie aan groepsverzekering van 15.435,24 euro die betrekking had op de resterende duur van de opzegtermijn.

Basisjaarloon Opzegvergoeding

De heer A.B.M. meent dat de door de vennootschap in aanmerking genomen opzegtermijn ontoereikend is en dat het in aanmerking genomen jaarloon ter berekening ervan niet correct is.

Volgens hem bedroeg het bruto jaarloon 387.174,80 euro, volgens de vennootschap 291.075,67 euro.

De betwisting betreft volgende posten:

Het variabel loon - Executive Bonus

De heer A.B.M. neemt in het jaarloon een bedrag van 25.422,71 euro in aanmerking als variabel loon en daarnaast een bedrag van 3.899,84 euro als vakantiegeld op die bonus.

De vennootschap is van oordeel dat er geen variabel loon in het lopend loon kan worden opgenomen daar de heer A.B.M. in 2009 geen bonus heeft verdiend en enkel het variabel loon over de laatste 12 maanden in aanmerking kan worden genomen.

Bovendien merkt zij op dat de bonus discretionair werd bepaald en geen verworven recht uitmaakt.

Krachtens art 39 WAO wordt de opzegvergoeding berekend op het lopend loon en de voordelen verworven krachtens de overeenkomst.

Het lopend loon dat in aanmerking moet genomen worden is dat waarop de werknemer aanspraak kon maken op het ogenblik van de kennisgeving van het ontslag en niet op het ogenblik waarop een eind werd gesteld aan het presteren van de opzegtermijn zoals de vennootschap voorhoudt. (Cass. ; 3-2-2003 ( JTT 2003, 262)

De heer A.B.M. voert aan dat er binnen IBM een gebruik bestond voor toekenning van een bonus en nergens uit kan worden opgemaakt dat hij er voor de toekomst geen recht zou op hebben.

Art 131 WAO is o.m. van toepassing op art 82 WAO doch verwijst niet naar art 39 WAO. Het Hof van Cassatie besloot daaruit dat er voor de rechter geen verplichting bestond om voor de berekening van het lopend loon toepassing te maken van de bij art 131 WAO voorziene berekening voor wat het variabel loon betreft. (Cass. 24-10-2005.www.juridat.be)

Aangezien geen wettelijke bepaling vastlegt hoe het variabel loon in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de opzeggingsvergoeding kan de rechter vrij de berekeningswijze bepalen die het best aansluit bij het begrip "lopend loon". (noot. D. Votquenne, onder cass. 24-10-2005, JTT 2006, 185)

Het Hof van Cassatie aanvaardde dat de rechter op grond van billijkheidsover-wegingen een gemiddeld bedrag van het variabel loon verdiend over verschillende jaren in aanmerking kon nemen voor de berekening van het basisjaarloon. (Cass.6-4-1967, Pas. '67, I,920)

Het hof stelt vast

- dat de toekenning van een bonus afhankelijk was van het bereiken van bepaalde evaluatie criteria.

- dat de heer A.B.M. in 2010 geen bonus heeft genoten voor zij prestaties in 2009 daar die criteria niet vervuld waren, wat hij kennelijk niet betwist daar hij evenmin betaling van een bonus voor dat jaar vordert. Hij verduidelijkt dat in gevolge de opzegging zijn prestaties werden herleid, zodat hij niet aan de vereiste quotering kon voldoen. Het bonus incentive plan gold tijdens dat jaar nog steeds.

In april 2010 heeft de vennootschap nog bevestigd dat de heer A.B.M. nog in aanmerking kwam voor een bonus(stuk 7 appellant).

Ook in 2006 heeft de heer A.B.M. geen bonus genoten doch de heer A.B.M. legt uit dat hij tijdens dat jaar gedurende lange tijd ziek was, waardoor hij dat jaar niet voldeed aan de criteria.

Aangezien de heer A.B.M. de overige jaren van zijn tewerkstelling steeds een bonus heeft genoten is het hof van oordeel dat in dit geval naar billijkheid het door de heer A.B.M. gevorderde gemiddelde bonusbedrag kan worden toegekend evenals het vakantiegeld daarop, zoals de arbeidsrechtbank terecht heeft beslist.

werkgeversbijdrage in de executive groepsverzekering

De vennootschap betaalde een bedrag in de "executive groepsverzekering" tijdens de jaren waarin een bonus werd toegekend, doch niet in het jaar van ontslag omdat tijdens dat jaar geen bonus werd toegekend.

Het hof deelt de zienswijze van de arbeidsrechtbank dat deze bijdrage tot het variabel loon behoort en dat net zoals voor de bonus een gemiddeld bedrag in aan-merking moet worden genomen, hetzij een bedrag van 5.357,14 euro.

bijdrage groeps- en hospitalisatieverzekering

De vennootschap beweert deze bijdragen te hebben doorbetaald tijdens de termijn gedekt door de opzeggingsvergoeding.

De heer A.B.M. is het ermee eens dat die bijdrage niet in aanmerking moet worden genomen voor zover dit het geval is.

Die bijdragen worden als loonbestanddelen opgenomen in het basisjaarloon ter berekening van de opzegvergoeding. De reeds betaalde bedragen uit dien hoofde kunnen van het saldo worden afgetrokken.

privé gebruik GSM

De vennootschap betwist dat hiermee rekening kan worden gehouden daar de

GSM-aansluiting ter beschikking werd gesteld voor professionele doeleinden en de werknemers een maandelijks vast bedrag van 8,25 euro dienden te betalen voor het gebruik dat zij ervan maakten.

Uit deze regeling blijkt dat het privégebruik van de GSM was toegelaten. Uit de bedrijfsregeling blijkt dat de GSM-aansluiting ter beschikking werd gesteld om te vermijden dat de werknemer er twee GSM's zou moeten op na houden en de werknemers deze ook voor privécommunicaties mochten gebruiken.

Het hof deelt de zienswijze van de arbeidsrechtbank dat een normaal privégebruik boven het aan de werknemer aangerekende bedrag gaat aangezien de werknemer geen eigen abonnement moest betalen en zijn gesprekskosten boven het maan-delijks bedrag van 8,25 euro werden betaald.

Het hof sluit zich aan bij de beslissing van de arbeidsrechtbank dat een bedrag van 41,75 euro in aanmerking moet worden genomen. (50 euro - 8,25euro).

representatievergoeding

De heer A.B.M. genoot een jaarlijks bedrag van 4.480 euro als represen-tatievergoeding.

Volgens de vennootschap is dit geen loon, doch de terugbetaling van uitgaven ten laste van de werkgever.

De heer A.B.M. houdt voor dat deze vergoeding niet diende om kosten terug te betalen die normaal door de werkgever moesten worden gedragen.

Een forfaitaire vergoeding als terugbetaling van kosten die door de werkgever moeten worden gedragen, kan worden aanvaard, in de mate daar werkelijke uitgaven ten laste van de werkgever tegenover staan en de vergoeding daarmee in een redelijke verhouding staat.

IBM verklaart niet nader welke kosten deze vergoeding dan wel geacht werd te dekken.

Het blijkt dat de vennootschap de representatievergoeding overigens, zij het onder voorbehoud bovenop de door haar toegekende opzeggingsvergoeding, heeft betaald.

Het hof is dan ook van oordeel dat deze zgn. representatievergoeding loon is en in het basisjaarloon moet worden opgenomen.

Het basisjaarloon voor de berekening van de opzeggingsvergoeding bedraagt bijgevolg 330.640,36 euro, als volgt samen gesteld:

Maandelijks bruto loon: 20.308,82 EUR x 13,92 = 282.698,77 EUR

Variabel loon - Executive Bonus= 25.422,71 EUR

Vakantiegeld op variabel loon = 3.899,84 EUR

Maaltijdcheques: 4,46 EUR X 231 dagen = 1.030,26 EUR

Bedrijfswagen: 554,22 EUR X 12 = 6.650,64 EUR

"Executive" Groepsverzekering = 5.357,14 EUR

Hospitalisatieverzekering: 50,00 EUR x 12 = 600,00 EUR

Voordeel GSM: 41,75 EUR x 12 = 501,00 EUR

Representatievergoeding: 4.480,00 EUR

Totaal: 330.640,36 EUR

Opzegtermijn

De heer A.B.M. meent dat de toegekende opzegtermijn in ieder geval ontoereikend is en meent aanspraak te kunnen maken op een opzegtermijn gelijk aan 24 maanden. De vennootschap meent dat de in acht genomen opzegtermijn van 18 maanden volstaat.

Voor bedienden wier jaarloon het in art 82§2 en 3 WAO bepaalde grensloon te boven gaat, wordt de opzegtermijn bij gebreke aan een overeenkomst daarover tussen partijen bepaald door de rechter.

Volgens een constante cassatierechtspraak neemt deze daarbij de voor de bediende op het ogenblik van de opzegging of van het ontslag zonder opzegging bestaande kans in acht om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden. De anciënniteit, leeftijd, de uitgeoefende functie en het jaarloon worden daartoe relevante criteria geacht. (Cass. 17 september 1975, TSR 1976, 14; Cass. 8 september 1980, Arr. Cass. 1980-1981, 17; Cass. 3 februari 1986, JTT 1987, 58; Cass. 4 februari 1991, RW 1990-1991, 1407; Cass. 9 mei 1984, Soc. Kron. 1994, 253)

De in aanmerking te nemen opzegtermijn moet worden bepaald op het ogenblik dat de opzegging of het ontslag zonder opzegging wordt gegeven, daaruit volgt dat omstandigheden die zich nadien voordoen daar geen invloed op hebben.

De heer A.B.M. had op het ogenblik van het ontslag een anciënniteit van 18,25 jaar, hij was 49,83 jaar oud. Gelet op die elementen, op het jaarloon en de uitgeoefende functie is het hof van oordeel dat de arbeidsrechtbank terecht heeft beslist dat de passende opzegtermijn 20 maanden bedroeg.

Het bedrag van de opzegvergoeding voor het resterende gedeelte van de te presteren opzegtermijn bedraagt bijgevolg:

330.640,36 euro X 10,82 = 298.127,38 euro - 238.905,70 euro, te verminderen met de eenmalige premie groepsverzekering van 15.435,24 euro (reeds betaald)

= 43.786,44 euro.

Kapitalisatie van de intresten

De heer A.B.M. vorderde op 25-5-2011 voor de eerste maal de kapitalisatie van de intresten overeenkomstig art 1154 Burgerlijk Wetboek.

De vennootschap meent dat die vordering is verjaard daar zij niet werd ingesteld binnen het jaar na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

In ondergeschikte orde houdt zij voor dat die vordering ongegrond is daar de voorwaarden daartoe niet zijn vervuld.

Art 1154 Burgerlijk Wetboek bepaalt:

"Vervallen intresten van kapitalen kunnen interest opbrengen, ofwel ten gevolge van een gerechtelijke aanmaning, ofwel ten gevolge van een bijzondere overeenkomst, mits de aanmaning of overeenkomst betrekking heeft op intresten die ten minsten voor een geheel jaar verschuldigd zijn."

Aangezien pas kapitalisatie kan gevraagd worden op intresten die over een heel jaar verschuldigd zijn, is het duidelijke dat de verjaringstermijn in voorkomend geval slechts een aanvang kan nemen nadat het recht erop is ontstaan, zoals de heer A.B.M. terecht opmerkt.

In een arrest van 16-12-2002 oordeelde het Hof van Cassatie

- dat art 1154 toepassing kan krijgen inzake wettelijke intrest van een vergoeding die wordt toegekend wegens de onregelmatigheid van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en mitsdien een verbintenis uit overeenkomst betreft;

- dat art 1154 niet vereist dat het bedrag van de hoofdschuld vaststaat opdat kapitalisatie mogelijk zou zijn; dat kapitalisatie van intresten niet wordt uitgesloten door het feit dat het bedrag van de hoofdschuld nog betwist wordt;

- dat het arrest dat de vordering m.b.t. de kapitalisatie van intresten op de gevorderde en toe te kennen hoofdsom van de opzeggingsvergoeding afwijst op deze vorm van schadevergoeding op grond dat de vergoedende intresten op deze vorm van schadevergoeding niet kunnen gekapitaliseerd worden vooraleer deze vergoeding definitief is geworden art 1154 Burgerlijk Wetboek schendt.

(www.cass.be)

De vennootschap meent dat die uitspraak achterhaald is door het arrest van het Hof van Cassatie van 22-12-2006 waarin het Hof heeft geoordeeld dat art 1154 BW enkel betrekking heeft op geldschulden en niet op waardeschulden.

De heer A.B.M. merkt hierbij terecht op dat in hetzelfde arrest duidelijk werd gesteld dat de rechter in het geval van waardeschulden de rechter wel degelijk intresten kan toekennen op intresten zonder gebonden te zijn door de toepassings-voorwaarden van art 1154 Burgerlijk Wetboek. (RW 2006-2007,1439 met noot A.Van Oevelen)

Het hof is van oordeel dat de voorwaarden voor kapitalisatie van de intresten wel degelijk vervuld zijn.

Rechtsplegingsvergoeding

De vennootschap vordert dat de heer A.B.M. zou worden veroordeeld tot het maximumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, gelet op het kennelijk onredelijk karakter van de vorderingen.

Zij leidt dit o.m. af

- uit het inroepen door de heer A.B.M. van de nietigheid van de opzegbrief, maar niet van de ontslagbrief die eveneens in het Frans was gesteld.

- uit het vorderen van astronomisch hoge bedragen, terwijl reeds een opzegtermijn van 10 maanden werd gepresteerd en een opzegvergoeding van 238.905,70 euro werd toegekend.

De vorderingen van de heer A.B.M. zijn gebaseerd op de toepassing van het Nederlands taaldecreet. De hoge bedragen die hij vordert houden grotendeels verband met de nietigheid van de opzegging die uit de toepassing van dat decreet zou voortvloeien.

Het hof is van oordeel dat die vordering niet kennelijk onredelijk is zodat er geen reden is om af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding. Dat de heer A.B.M. een bepaalde interpretatie voorstaat van bepaalde arresten in deze materie gewezen door het Grondwettelijk Hof die het hof niet kan bijtreden, houdt nog niet in dat de vordering kennelijk onredelijk is en misbruik van recht uitmaakt.

Het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding staat overigens reeds in verhouding tot het (hoge) bedrag van de vorderingen van de heer A.B.M..

Aangezien het hoger beroep van de heer A.B.M. grotendeels ongegrond is, en het incidenteel hoger beroep gedeeltelijk gegrond, is het hof van oordeel dat de heer A.B.M. de kosten in hoger beroep moet dragen en bepaalt de rechts-plegingsvergoeding op het basisbedrag.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak;

Verklaart het hoger beroep ongegrond, het incidenteel hoger beroep in zeer beperkte mate gegrond zoals hierna bepaald;

Hervormt het bestreden vonnis in volgende mate;

Veroordeelt de vennootschap tot betaling aan de heer A.B.M. van een saldo opzeggingsvergoeding gelijk aan 43.786,44 euro bruto en een maandelijkse bijdrage te storten voor de bedrijfspensioenvoorziening van 1.639,40 euro overeenstemmend met de twee bijkomende maanden opzegtermijn.

De wettelijke intresten op de overeenstemmende bruto bedragen vanaf 1-5-2010, overgaand in de gerechtelijke intresten vanaf de neerlegging van het verzoekschrift op 20-12-2010.

Staat de kapitalisatie toe van de op 25-5-2011 van de intresten vervallen van 1-5-2010 tot 24-5-2011 en van 25-5-2011 tot en met 4-7-2012; en deze vervallen vanaf 5-7-2012;

Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige met inbegrip van de beslissing over de kosten.

Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van de heer A.B.M..

Deze werden door partijen begroot op

Voor de appellant op:

begroot op 11.000 euro in hoger beroep

Voor de geïntimeerde op:

begroot op 22.000 euro in hoger beroep

Het hof vereffent ze op het basisbedrag voor in geld waardeerbare vorderingen

Voor de appellant op:

begroot op 11.000 euro in hoger beroep

Voor de geïntimeerde op:

begroot op 11.000 euro in hoger beroep

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Geertrui BALIS, kamervoorzitter,

Georges JACOBS, raadsheer in sociale zaken, werkgever

André LEURS, raadsheer in sociale zaken,werknemer-bediende

bijgestaan door :

Dirk VAN DEN BROECKE, griffier

Dirk VAN DEN BROECKE Geertrui BALIS

Georges JACOBS André LEURS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel op vrijdag 18 oktober 2013 door:

Geertrui BALIS, kamervoorzitter

bijgestaan door

Dirk VAN DEN BROECKE, griffier .

Dirk VAN DEN BROECKE Geertrui BALIS

Vrije woorden

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • TAALWET IN BESTUURSZAKEN

  • Criterium expoitatiezetel

  • Vennootschap met adres in Brussel en fysieke ligging in Vlaanderen.