- Arrest van 19 november 2013

19/11/2013 - 2012/AB/963

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De doorbetaalplicht van de aanvullende vergoeding door de werkgever bij werkhervatting van de werknemer is noch in strijd met het gelijkheidsbeginsel, noch met het decreet D'Allarde noch met het Eerste Aanvullend Protocol EVRM.

De CAO nr. 17 was aanvankelijk bedoeld om het hoofd te bieden aan toestanden van krappe werkgelegenheid en inzonderheid om de tewerkstelling van de jongere werknemers te bevorderen; zonder hieraan afbreuk te doen heeft het Generatiepact deze doelstelling verruimd teneinde de activiteitsgraad van ouderen te stimuleren.

Indien de ontslagen werknemer niet bij een nieuwe werkgever in dienst ging, bleef de last van de betaling van de aanvullende vergoeding immers evenzeer op de werkgever rusten.


Arrest - Integrale tekst

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 19 NOVEMBER 2013

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

NV DE SMET BRUSSELS NORTH,

voorheen de NV DE SMET BRUSSELS, met maatschappelijke zetel te

1731 ZELLIK, Brusselsesteenweg 605,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. LOOTENS Tom loco mr. VERHEYLEWEGHEN Claude, advocaat te

1785 MERCHTEM, Kalkovenlaan, 75.

Tegen:

V. ,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. SWYSEN Erika, advocaat te 1082 BRUSSEL, Dr.A.Schweitzerplein, 18.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 28 juni 2012 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 24e kamer (A.R. 10/16481/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 28 september 2012,

de conclusie en de syntheseconclusie voor de appellante neergelegd ter griffie, respectievelijk op 7 maart 2013 en 5 juli 2013,

de conclusie, de aanvullende conclusie en de syntheseconclusie voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 7 januari 2013, 7 mei 2013 en 13 september 2013,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 22 oktober 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 5 maart 2007 ondertekenden de NV De Smet Brussels (hierna aangeduid als de NV) en de heer V. een arbeidsovereenkomst voor bedienden van onbepaalde tijd, waardoor de heer V. met ingang van 12 maart 2007 werd aangeworven als verkoper.

2. Bij aangetekende brief van de NV van 3 november 2009 werd hij ontslagen met toekenning van een opzeggingsvergoeding van 5 maanden en van outplacement.

3. Bij brief van 4 december 2009 van de vakorganisatie van de heer V. vroeg hij naast de opzeggingsvergoeding het voordeel van het (toenmalige) brug-pensioen op grond van de CAO van 30 juni 2009 van het PC 218.

Na wat briefwisseling over en weer, liet de raadsman van de NV aan de vakorganisatie weten geen recht op brugpensioen te kunnen erkennen, omdat de heer V. werkte bij Transport Vanderhasselt.

De vakorganisatie betwistte dit, gelet op art 4bis van de CAO nr. 17 van de NAR, aangepast bij CAO nr. 17tricies van 19 december 2006 (KB 12 februari 2007, BS 26 februari 2007).

4. Partijen vonden hierover geen overeenstemming, zodat de heer V. op 2 november 2010 de NV dagvaardde voor de arbeidsrechtbank te Brussel in betaling van de som van euro 198,12 bruto ten titel van aanvullende vergoeding brugpensioen na ontslag vanaf 3 mei 2010 en voor de volgende maanden tot aan de pensioen-gerechtigde leeftijd, geïndexeerd en vermeerderd met intresten en kosten.

5. Bij vonnis van 28 juni 2012 van de arbeidsrechtbank te Brussel werd deze vordering ontvankelijk en gegrond verklaard.

Het verweer van de NV, gebaseerd op schending van het gelijkheidsbeginsel, het Decreet D'Allarde en het Eerste Aanvullend Protocol EVRM werd verworpen.

6. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 28 september 2012, tekende de NV hoger beroep aan en vroeg dat de oorspronkelijke vordering zou worden afgewezen als ongegrond, minstens dat een prejudiciële vraag zou worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof.

II. BEOORDELING

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep tijdig werden ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan.

CAO nr. 17 van de NAR, art. 4bis

2. Art. 4bis van de CAO nr. 17 NAR van 19 december 1974 tot invoering van een regeling van een aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen (KB 16 januari 1975 BS 31 januari 1975), zoals ingevoegd door de art. 3 §2 van de CAO nr. 17tricies NAR van 19 december 2006 ( KB 12 februari 2007, BS 26 februari 2007) bepaalt:

Art. 4bis §1 In afwijking van de eerste paragraaf van artikel 4 behouden de werknemers die zijn ontslagen in het kader van deze overeenkomst of ingevolge een op sector- en/of ondernemingsniveau gesloten collectieve arbeidsovereenkomst het recht op de aanvullende vergoeding ten laste van de laatste werkgever, wanneer ze het werk hervatten als loontrekkende bij een andere werkgever dan de werkgever die hen heeft ontslagen en die niet behoort tot dezelfde technische bedrijfseenheid als de werkgever die hen heeft ontslagen.

§2...

§3 In de in §1 en §2 bedoelde gevallen hebben de ontslagen werknemers, wanneer ze het werk hervatten tijdens de door de opzeggingsvergoeding gedekte periode, op zijn vroegst maar recht op de aanvullende vergoeding vanaf de dag waarop ze recht zouden hebben gehad op werkloosheidsuitkeringen indien ze het werk niet hadden hervat.

§ 4 In de in § 1 en § 2 bedoelde gevallen blijft het recht op de aanvullende vergoeding bestaan tijdens de hele duur van de tewerkstelling op grond van een arbeidsovereenkomst of tijdens de hele duur van de uitoefening van een zelfstandige activiteit in hoofdberoep, volgens de regels die zijn bepaald in de met de laatste werkgever overeengekomen aanvullende regeling en voor heel de periode gedurende welke de werknemers die recht hebben op de aanvullende uitkering geen werkloosheidsuitkeringen als volledig uitkeringsgerechtigde werkloze meer genieten.

De in § 1 en § 2 bedoelde werknemers leveren aan hun laatste werkgever het bewijs dat zij opnieuw in dienst zijn genomen op grond van een arbeidsovereenkomst of dat zij een zelfstandige activiteit in hoofdberoep uitoefenen.

§ 5 Voor de toepassing van dit artikel moet worden verstaan onder:

de laatste werkgever, de werkgever in de zin van de eerste alinea van § 1 van artikel 4;

de aanvullende vergoeding, de vergoeding als bedoeld in deze overeenkomst alsook de vergoeding als bedoeld in een collectieve arbeidsovereenkomst die is gesloten overeenkomstig de bepalingen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités en die voorziet in voordelen die op zijn minst gelijkwaardig zijn aan de voordelen die in deze overeenkomst zijn vastgesteld.

De ondertekenende partijen voegden volgende commentaar toe aan deze bepaling:

Ter uitvoering van het nieuwe beleid inzake actief ouder worden, dat de regering heeft vastgesteld in het kader van de wet van 23 december 2005 betreffende het Generatiepact, voorziet artikel 4bis in het beginsel dat de bruggepensioneerde werknemer die het werk als loontrekkende of als zelfstandige in hoofdberoep hervat, de aanvullende vergoeding behoudt.

De oudere werknemer die wordt ontslagen in het kader van deze overeenkomst of ingevolge een op sector- en/of ondernemingsniveau gesloten collectieve arbeidsovereenkomst, blijft dus tijdens zijn tewerkstelling op grond van een arbeidsovereenkomst of tijdens de uitoefening van een zelfstandige activiteit in hoofdberoep, recht hebben op de aanvullende vergoeding die bij collectieve arbeidsovereenkomst is bepaald.

Dit recht blijft behouden tijdens de periodes van schorsing van de arbeidsovereenkomst of zelfstandige activiteit, zoals bijvoorbeeld ziekte en tijdelijke werkloosheid en tijdens de periodes van vermindering van de arbeidsprestaties, zoals bijvoorbeeld loopbaanvermindering.

De bruggepensioneerde werknemer mag evenwel het werk niet hervatten op grond van een arbeidsovereenkomst bij de werkgever die hem heeft ontslagen, noch bij een werkgever die behoort tot dezelfde technische bedrijfseenheid als de werkgever die hem heeft ontslagen. Hij mag evenmin een zelfstandige activiteit in hoofdberoep uitoefenen voor rekening van de werkgever die hem heeft ontslagen, noch voor rekening van een werkgever die behoort tot dezelfde technische bedrijfseenheid als de werkgever die hem heeft ontslagen.

Hieruit volgt dat deze bepaling moet bezien worden vanuit de doelstelling van ruimere activering van oudere werknemers, zoals vastgelegd in het Generatiepact en uitgewerkt in de Generatiepactwet van 25 december 2005.

Deze doelstelling en de implicaties op de toenmalige brugpensioenregeling, vastgelegd in de oorspronkelijke CAO nr. 17, komt nog duidelijker tot uiting in de overwegingen die de CAO nr. 17tricies voorafgaan:

Gelet op de doelstelling die in 1974 werd nagestreefd door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17, namelijk geëigende maatregelen nemen om het hoofd te bieden aan toestanden van krappe werkgelegenheid en inzonderheid om de tewerkstelling van de jongere werknemers te bevorderen;

Gelet op de federale beleidsverklaring van 12 oktober 2004 en de verbintenis die de regering is aangegaan om in 2005 overleg te plegen met de sociale partners met het oog op de uitwerking van maatregelen om de activiteitsgraad van oudere werknemers te verhogen;

Gelet op het bij de federale beleidsverklaring van 11 oktober 2005 gevoegde Generatiepact, met name deel 2 "Actief ouder worden" alsook punt 2.4 "Herstructureringen anders aanpakken";

Gelet op de wet van 23 december 2005 betreffende het Generatiepact;

Overwegende dat de context die aan de opstelling van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 is voorafgegaan, in de loop der jaren is veranderd, met name vanwege van de demografische ontwikkeling;

Overwegende dat de oudere werknemers onvoldoende deelnemen aan de arbeidsmarkt;

Overwegende dat de oudere werknemers bijgevolg moeten worden aangespoord om het werk te hervatten, waarbij niettemin verder moet worden gezorgd voor meer kansen voor de jongeren op de arbeidsmarkt, via de vervanging van oudere werknemers die zijn ontslagen ter uitvoering van deze overeenkomst;

Overwegende dat bij collectieve arbeidsovereenkomst moet worden voorzien in een recht op het behoud van de aanvullende vergoeding in geval van werkhervatting voor de werknemers die zijn ontslagen in het kader van de voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17; ·

Gelet op advies nr. 1.391 dat de Nationale Arbeidsraad op 20 februari 2002 heeft uitgebracht en waarin voorstellen in die zin zijn geformuleerd;

·Overwegende dat bij collectieve arbeidsovereenkomst moet worden voorzien in een recht op de aanvullende brugpensioenvergoeding en het behoud van die vergoeding in geval van werkhervatting voor de werknemers die zijn ontslagen in het kader van een collectief ontslag en die verplicht moeten deelnemen aan een tewerkstellingscel; Gelet op advies nr. 1.574 dat de Nationale Arbeidsraad op 21 november 2006 heeft uitgebracht;

Deze evolutie naar activering van oudere werknemers omwille van de vergrijzing-problematiek en haar invloed op de beheersing van de pensioenlast was niet nieuw en kwam tot uitdrukking in opeenvolgende adviezen van de Nationale Arbeidsraad, waarin werkgevers en werknemers eensluidend voorstellen deden om de toeslag bij brugpensioen te behouden bij werkhervatting teneinde verdere tewerkstelling aan te moedigen. Dit blijkt uit:

het advies nr. 1294 van 20 december 1999 ter uitvoering van het centraal akkoord van 8 december 1998 om sommige oudere werknemers aan te zetten naar de arbeidsmarkt terug te keren;

het advies nr. 1391 van 20 februari 2002 tot behoud van het recht van sommige oudere werknemers op de aanvullende brugpensioenvergoeding, wanneer zij opnieuw bezoldigde arbeid verrichten - deze maatregel richtte zich tot werknemers jonger dan 56 jaar.

De adviezen nrs. 1534, 1535, 1536 en 1538 van respectievelijk 16 november 2005, 18 november 2005, 30 november 2005 en 13 december 2005 tot uitvoering van het generatiepact. Deze adviezen hadden betrekking op de uitvoeringsmaatregelen in de diverse KB's volgend op de Generatiepactwet en betroffen de flankerende maatregelen op o.m. het vlak van verminderde sociale zekerheidsbijdragen en op het vlak van een gunstige fiscaliteit bij doorbetaling van de aanvullende vergoeding na werkhervatting. (zie vooral het advies nr. 1534)

Het advies nr. 1574 van 21 november 2006 dat specifiek handelt over de aanvullende vergoeding na werkhervatting en over de CAO nr. 17tricies.

Op p. 4 onder punt 2 wordt uitdrukkelijk verwezen naar de flankerende maatregelen, die van overheidswege genomen worden en die de last op de werkgever dienen te verlichten.

3. Op sectorvlak wordt aan art. 4bis van de CAO nr. 17 uitvoering gegeven door art. 5 van de CAO van 30 juni 2009 gesloten in het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden betreffende het brugpensioen, (KB 28 april 2010 BS 23 juli 2010) dat bepaalt:

Voor al wat niet uitdrukkelijk is bepaald in deze collectieve arbeidsovereenkomst, zijn de bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974 van de Nationale Arbeidsraad van toepassing, waaronder artikel 4bis dat voorziet in het behoud van de aanvullende vergoeding ten gunste van de bruggepensioneerde werknemer die het werk als loontrekkende of als zelfstandige in hoofdberoep hervat. (eigen onderlijning).

4. Niet betwist wordt dat de heer V. aan alle voorwaarden voldeed voor het verkrijgen van de aanvullende vergoeding van euro 198,12 na werkhervatting en dit vanaf 3 mei 2010. Hij vordert betaling van deze vergoeding, geïndexeerd en vermeerderd met intresten voor de achterstallen tot aan de pensioengerechtigde leeftijd.

De NV betwist dit recht omdat het artikel 4bis van de CAO nr. 17 en art. 5 van de sector-cao van 30 juni 2009 strijdig zouden zijn met het gelijkheidsbeginsel, het decreet D'Allarde en het Eerste Aanvullend Protocol EVRM.

Het gelijkheidsbeginsel

5. De NV verzoekt het arbeidshof een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof wegens vermeende schending van art. 10 en 11 van de Grondwet door art. 4bis van de CAO nr. 17 en de art. 26 tot 28 van de wet betreffende de economische herstelmaatregelen van 30 maart 1976.

Deze laatste artikelen betreffen de uitbetaling van het gedeelte brugpensioen door de RVA (zie art. 27) maar dienen in deze zaak niet te worden toegepast daar de betwisting enkel gaat over de door de werkgever verschuldigde aanvullende vergoeding bij werkhervatting. De NV voert deze bepalingen enkel aan als vergelijkingselement.

In wezen voert de NV een schending aan, die zich situeert in art. 4bis van de CAO nr. 17, doch deze bepaling betreft niet een schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel (een ordonnantie), zoals bedoeld in art. 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Een prejudiciële vraag is daardoor onontvankelijk.

6. Dit belet niet dat de eventuele schending van het gelijkheidsbeginsel in een cao-bepaling door het arbeidshof zelf zou kunnen worden vastgesteld. (M. De Vos, ‘Het Arbitragehof en het arbeidsrecht' in M. Rigaux en P. Humblet (eds.) Actuele Problemen van het arbeidsrecht 6, Intersentia Antwerpen 2001, 45-46, nr. 4)

In voorkomend geval moet de betrokken bepaling buiten toepassing worden gelaten.

De NV ziet een schending van het gelijkheidsbeginsel, doordat de RVA en de werkgever beiden instaan voor de uitbetaling van een deel van de brugpensioen-vergoeding, terwijl bij werkhervatting de RVA de werkloosheidsvergoeding niet meer moet betalen en de laatste werkgever de aanvullende vergoeding wel.

De NV veronachtzaamt daarbij dat de RVA en de werkgever verschillende categorieën zijn, zodat een verschillende regeling niet tot ongelijkheid leidt.

De RVA betaalt bij wijze van vervangingsinkomen werkloosheidsuitkeringen uit aan werknemers, die volgens de in de reglementering bepaalde voorwaarden zonder werk en zonder loon zijn. Bij werkhervatting kan de heer V. daardoor geen aanspraak maken op de werkloosheidsuitkering, die in art. 26 van de wet van 30 maart 1976 bedoeld wordt.

De laatste werkgever, die de aanvullende vergoeding verschuldigd is omwille van het ontslag van een werknemer die aan de brugpensioenvoorwaarden voldoet, betaalt deze vergoeding omwille van zijn ontslagbeslissing.

Dit verschil wordt goed tot uiting gebracht in het advies nr. 1574 van de NAR p. 4, waar de Raad eraan herinnert dat een oudere werknemer die naar de arbeidsmarkt terugkeert, niet meer als een werkloze wordt beschouwd maar wel als een werknemer die bovendien recht heeft op een aanvullende vergoeding, zoals ze zal worden vastgesteld door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 tricies

(eigen onderlijning).

De RVA, die enkel tussenkomt ten aanzien van werklozen, en de werkgever, die aangesproken wordt omwille van zijn ontslagbeslissing t.a.v. een oudere werknemer, betreffen dus verschillende categorieën, waardoor ze niet aan de vergelijkbaarheids-toets beantwoorden en er dus een verschillende regeling op hen van toepassing kan zijn.

Door het verschillende uitgangspunt zijn de verschillende regelingen alleszins ook objectief en verantwoord. Bovendien zijn de maatregelen adequaat en pertinent ten aanzien van het nagestreefde doel, zoals uitgelegd in de preambule van de CAO nr. 17tricies, aangehaald in randnummer 2.

Deze maatregelen zijn evenredig en proportioneel, zeker wanneer men ze in verband brengt met de flankerende maatregelen, die op (para)fiscaal vlak voorzien zijn en die de last van de werkgever helpen verlichten.

De CAO nr. 17 was aanvankelijk bedoeld om het hoofd te bieden aan toestanden van krappe werkgelegenheid en inzonderheid om de tewerkstelling van de jongere werknemers te bevorderen; zonder hieraan afbreuk te doen heeft het Generatiepact deze doelstelling verruimd teneinde de activiteitsgraad van ouderen te stimuleren.

Indien de ontslagen werknemer niet bij een nieuwe werkgever in dienst ging, bleef de last van de betaling van de aanvullende vergoeding immers evenzeer op de werkgever rusten.

Het verlies van de aanvullende vergoeding bij werkhervatting door de werknemer was voor de CAO nr. 17tricies zeker een rem op de activeringsdoelstelling van het Generatiepact.

Art. 4bis van de CAO nr. 17 schendt dus niet het gelijkheids- en non discriminatie-beginsel van de art. 10 en 11 van de Grondwet.

De vrijheid van ondernemen en art. 7 van het decreet D'Allarde

7. Dit is evenmin het geval wanneer men de art. 10 en 11 van de Grondwet beziet in hun samenhang met de vrijheid van ondernemen, zoals neergelegd in art. 7 van het decreet D'Allarde van 2 en 17 maart 1791.

Dit bepaalt:

Te rekenen van de afkondiging van dit decreet, staat het aan eenieder vrij, naar goeddunken, elke handel te drijven of elk beroep, bedrijf of ambacht uit te oefenen.

Volgens een vaststaande rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, die hier wordt bijgetreden, belet die bepaling niet dat de regelgever de economische bedrijvigheid van personen en ondernemingen regelt. De vrijheid van ondernemen zou enkel worden geschonden wanneer zij zonder enige noodzaak en op een wijze die kennelijk onevenredig is met het nagestreefde doel, zou worden beperkt.

De vrijheid van handel en nijverheid kan niet als een absolute vrijheid worden opgevat (Gr. Hof 18 maart 2010, nr. 29/210, B.33.2 en 33.3; zie voor een verdere uitwerking PHILIPSEN, G., ‘Art. 7 Decr. d'Allarde' in Handels- en economisch recht. Commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer 2007, en de rechtspraak geciteerd in de voetnoten 22 tot 28).

Ook de eerste rechter benadrukt dat het decreet d'Allarde een gewone wet is, die moet afgewogen worden ten aanzien van andere overheidstaken. Ze verwijst daarbij terecht naar het Generatiepact en de gevolgen van de vergrijzing.

In de randnummers 2 en 6 werd vastgesteld dat art. 4bis van de CAO nr. 17 omwille van de uitwerking van de doelstellingen van het Generatiepact en rekening houdend met de flankerende maatregelen, die de sociale partners in overleg met de overheid hebben onderhandeld, geenszins zonder enige noodzaak zijn of op kennelijk onevenredige wijze het nagestreefde doel zouden beperken.

Het feit dat de betaalplicht op de laatste werkgever wordt gelegd, doet daaraan geen afbreuk en is geen onevenredige last op de vrijheid van onderneming.

Ten onrechte houdt de NV voor dat werkhervatting of niet als verschillende situaties op een gelijke manier worden behandeld zonder dat hiervoor een afdoende en objectieve rechtvaardiging bestaat.

Deze rechtvaardiging ligt uiteraard in de activeringsdoelstelling, die de last op de sociale zekerheid (werkloosheid) verlaagt en die de inkomsten via de bijdragen op loon verhoogt wat alleszins in verband met de betaalbaarheid van de toekomstige pensioenen een legitieme doelstelling is.

Bovendien worden beide situaties in hoofde van de bruggepensioneerde niet gelijk behandeld, omdat de ex-werknemer zonder werkhervatting een werkloosheidsuitkering krijgt en bij tewerkstelling een loon.

Het arbeidshof ziet niet in hoe dit concurrentievervalsend zou kunnen zijn omwille van het feit dat de werknemer mogelijk bij een concurrent in dienst treed.

Immers de aanvullende vergoeding is geen loonsubsidie voor de nieuwe werkgever, wel een aanmoediging voor de werknemer, die door het verlies van zijn anciënniteit dikwijls aan lagere loonvoorwaarden zal moeten werken.

De heer V. vraagt de betaling van de aanvullende vergoeding tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, zodat de gevolgen voor nadien niet verder moeten worden onderzocht.

Een schending van de ondernemingsvrijheid, zoals neergelegd in het decreet d'Allarde, kan in samenhang met de art. 10 en 11 van de Grondwet niet worden aangenomen.

Het eigendomsrecht krachtens het Eerste Aanvullend Protocol EVRM, art. 16 Grondwet en art. 544 BW

8. De NV verwijst naar het eerste lid van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens dat bepaalt:

" Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht."

Het tweede lid van dit artikel voegt daar echter aan toe:

"De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren" (eigen onderlijning).

Artikel 16 van de Grondwet bepaalt :

« Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ».

Aangezien de aangehaalde internationaalrechtelijke bepaling een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met diegene die zijn ingeschreven in die grondwetsbepaling (Gr. Hof 31 mei 2012, nr. 71/2012, B.9.1).

Al heeft art. 16 van de Grondwet op een algemene wijze het beginsel van de vergoeding voor iedere gedwongen afstand van de eigendom bepaald, toch houdt art. 544 BW voor de wetgever het recht in om, zonder dat er belofte van schadeloosstelling is, beperkingen te gelasten of door de bevoegde overheid te laten gelasten, welke het algemeen belang kan vereisen.

(Cass., 27 juni 1845, Pas., 1845, I, 392).

9. Elke inmenging in het recht op eigendom dient een billijk evenwicht tot stand te brengen tussen de vereisten van het algemeen belang en van de bescherming van het recht van eenieder op het ongestoorde genot van de eigendom. Er moet een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel (arresten Gr. Hof nr. 33/2007, B.5.3, nr. 62/2007, B.5.3, nr. 29/2008, B.12, nr. 50/2011, B.38 en nr. 71/2012, B.9.2).

10. Het begrip « algemeen belang » is een ruim begrip. Vermits de wetgever moet worden geacht te beschikken over een ruime beoordelingsvrijheid om een economisch en sociaal beleid te voeren, dienen de rechtsmachten de wijze te eerbiedigen waarop de overheid vorm geeft aan de vereisten van het openbaar nut of het algemeen belang, tenzij zijn beoordeling manifest zonder redelijke grondslag is (zie o.m. EHRM, 21 februari 1986, James e.a.26 t. Verenigd Koninkrijk, §§ 45-46; 19 december 1989, Mellacher e.a. t. Oostenrijk, § 48; 23 november 2000, Ex-Koning van Griekenland e.a. t. Griekenland, § 87; 20 juli 2004, Bäck t. Finland, § 53; 22 februari 2005, Hutten-Czapska t. Polen, § 166; 30 augustus 2007, J.A. Pye (Oxford) Ltd en J.A. Pye (Oxford) Land Ltd t. Verenigd Koninkrijk, § 71; 19 juni 2008, Gauchin t. rijk, § 60 en Gr. Hof 31 mei 2012, nr. 71/2012, B.9.4).

11. Het eigendomsbegrip in art. 1 van het Eerste Protocol heeft in de rechtspraak van het EHRM een autonome en ruime invulling gekregen die verder gaat dan de klassieke zakenrechtelijke bepalingen. Zo worden sociale doelstellingen in de rechtspraak algemeen aanvaard als legitieme grondslag voor eigendomsbeperkingen aangebracht door overheden ter bescherming van een sociaal recht (Y. Haeck, ‘Artikel 1 Eerste Protocol, Recht op bescherming van eigendom' in J. Vande Lanotte en Y. Haeck (eds) Handboek EVRM, deel 2 Artikelsgewijze commentaar, Antwerpen Intersentia, 304 nr. 6 en 307 nr. 7).

Naast de eigendomsberoving (via b.v. onteigening) regelt het tweede lid van art. 1 van het Aanvullend Protocol de eigendomsreglementering, waardoor de overheid in de mogelijkheid gesteld wordt om het gebruik van eigendom te reglementeren door inmengingen of beperkingen (Y. Haeck, a.w., 343-344, nr. 27).

De inmenging op grond van een wettelijke basis kan ruimer zijn dan deze op grond van een louter formele wet, maar kan zelfs gebeuren op basis van ongeschreven recht (zoals b.v. rechtersrecht), op voorwaarde dat het legaliteitsbeginsel vervuld is, zodat de norm precies, toegankelijk en voorzienbaar moet zijn (Y. Haeck, a.w., 355, nr. 34).

Art. 4bis van de CAO nr. 17 NAR voldoet aan deze voorwaarden.

12. Om dezelfde redenen als aangehaald in de randnummers 2, 6 en 7, werd op de NV een last gelegd om redenen van algemeen belang en werd hierbij een redelijk verband van evenredigheid gerespecteerd tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel.

De NV behoudt zelf het keuzerecht om oudere werknemers te ontslagen, maar ze moet dan wel de gevolgen van haar beslissing, zoals vastgelegd in cao-bepalingen, aanvaarden.

Het feit dat de last van doorbetaling van de aanvullende vergoedingen niet op de gemeenschap maar op de laatste werkgever wordt gelegd, is niet onevenredig, omwille van de vervanging van de ontslagen oudere werknemer door een jongere met een meestal lagere loonlast en omwille van de overige flankerende maatregelen, die de last verlichten.

De overige aangehaalde elementen doen evenmin besluiten tot onevenredigheid.

13. Het hoger beroep is daardoor ongegrond.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt de NV De Smet Brussels tot de gerechtskosten van het hoger beroep deze aan de zijde van de heer V. begroot op:

rechtsplegingsvergoeding beroep euro 1.210.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Simone ALAERTS, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Hugo ENGELEN, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Simone ALAERTS, Hugo ENGELEN.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dinsdag 19 november 2013 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Vrije woorden

  • ARBEIDSVOORZIENING

  • BRUGPENSIOEN

  • Verder betalen aanvullende vergoeding bij werkhervatting.